Het grote Johannes evangelie

De Heer gaf dit door het innerlijke woord

aan

Jakob Lorber

Deel I

 

UITGEVERIJ DE STER, GINNEKENWEG 124, 4818 JK BREDA

 


 

Oorspronkelijke titel: 'Johannes, das grosse Evangelium' geschreven door Jakob Lorber. Dit boek is gepubliceerd door Lorber-Verlag, Bietigheim Wurttemberg.

 

Wie wat meer zou willen weten van de profeet Jakob Lorber, kan zich wenden tot de Jakob Lorber Stichting voor het Nederlandse taalgebied - Burg. de Millylaan 1,7231 DP Warnsveld. Telefoon: 05750 – 21803 - Copyrights 1988 Uitgeverij De Ster - Breda

 

NUGI 632

ISBN 9065564918

 


Inhoud

 

hoofdstuknummer/omschrijving/tussen haakjes, indien bekend, de datum waarop het geschreven werd

Cursief worden de plaatsen van handeling aangegeven.

 

Verklaring van het bijbelse Johannes evangelie Joh.l:1-5 en 6-13

 

1 Uitleg van de eerste verzen. (2.8.1851 )

2 De oude en nieuwe getuige, Johannes de doper.

3 De menswording van het eeuwige woord.

4 Over wet en genade.

 

Bij Bethabara.

 

5 Jordaan. Johannes de doper getuigt van zichzelf.

6 Johannes doopt de Heer met water.

7 Drie verzen als voorbeeld.

8 Bethabara. De Heer roept Andréas en Petrus.

9 Jordaan. Ook Philippus en Nathanaël volgen.

 

De bruiloft te Kana in Galiléa. De tempelreiniging.

 

In Nazareth.

 

10 Kana. De drie stappen tot wedergeboorte.

 

In Kana in Galiléa.

 

11 De bruiloft te Kana in Galiléa.

 

Kapérnaum en reis naar Jeruzalem.

 

12 Naar Kapérnaum. Begin van het prediken.

 

In Jeruzalem.

 

13 Jeruzalem. De tempelreiniging.

14 Het afbreken en opbouwen van de tempel.

15 De tekenen die doden.

 

Herberg buiten Jeruzalem.

 

16 De geestelijke betekenis der tempelreiniging.

 

Jezus spreekt met Nicodemus. Johannes spreekt over Jezus.

 

17 De slaapwandelaars.

18 Het onbegrip van Nicodemus.

19 Aardse beelden van geestelijke dingen.

20 Nicodemus en het rijk van God op aarde.

21 Wie niet in de Heer gelooft, is al veroordeeld.

22 Alleen de liefde is het echte in de mens.

 

In het Joodse land rondom Jeruzalem.

 

23 Judéa. Dopen met water, en met de heilige geest.

24 Enon. Het grote getuigenis van Johannes de doper.

 

Bekering van de Samaritanen. Genezing van de koningszoon.

Onderweg in Samaria.

 

25 De Heer trekt door Samaria naar Galiléa.

 

Bij Sichar aan de Jacobsbron.

 

26 Bij Sichar. Aan de Jacobsbron.

27 Het echte aanbidden van God.

28 De Heer maakt Zich bekend als de Messias.

29 Genezing van de vrouw aan de Jacobsbron.

30 De heiliging van de sabbat.

31 Het echte ereteken.

32 De Heer ziet het hart aan.

 

In Sichar en omgeving.

 

33 De dokter en de Samaritaanse wetgeleerden.

34 In Sichar. De hemelse inrichting van het huis.

35 De leerlingen zien de hemel geopend.

36 De Heer trouwt Joram en Irhaël.

 

 

De eerste van twee volle dagen in Sichar.

 

37 Bij Irhaël. Over de betekenis van de droom.

38 Niet het horen, maar het doen brengt heil.

39 Het oudste en echtste huis van God.

40 Op Garizim. Kritiek op de bergrede.

41 Onbegrip voor de beeldspraak der bergrede.

42 De bergrede door Nathánaël duidelijk uitgelegd.

43 Verdere uitleg van Nathánaël.

44 Symbolische ogen, armen en voeten.

45 Niet iedereen kan de Heer lichamelijk volgen.

46 Terug naar Sichar. De genezing van de melaatse.

47 Bij Irhaël. ledere heer heeft dienaren.

48 Heerlijke belofte voor daadwerkelijke volgers.

49 ledere dag is van de Heer.

50 Voor de naastenliefde kent geen rustdag.

51 Het 'Evangelie van Sichar'.

 

De volgende dag in Sichar.

 

52 De belastering van de dochters van Jonaël.

53 De bestraffing van de leugenaar en lasteraar.

54 Bij Jonaël. Kritiek van de leerlingen op de Heer.

55 Bij Ezau's slot. De koopman en het hoogste ambt.

56 Het gevolg van leugen en waarheid.

57 Hoe de koopman de Messias verwachtte.

58 Het vlees heeft een aards einde.

59 Ezau's slot. Vrees voor Wie hij lief moest hebben.

60 Bij de Heer is de echte wil gelijk aan de daad.

61 Een wonder maakt de geest niet vrij.

62 De Heer opent voor allen de weg naar de hemel.

63 De uitwerking van hemelse en aardse wijn.

64 De wil van de Heer is de kracht van de engelen.

65 Aangeklaagd en onschuldig verklaard.

66 Dorpje bij Sichar. Genezing van de verlamde.

67 Vesting bij Sichar. De nieuwe wet der liefde.

68 De overste en het toepassen van de leer.

69 Het verstand kan talloze goden creëren.

70 De waarheid die alles doordringt.

71 De Heer getuigt van de Vader.

72 Het einde der wereld en het oordeel.

73 Sichar. Johannes, de genezen verlamde man.

74 Bij Irhaël. Nooit kwaad met kwaad vergelden.

75 Behandeling van dieven, rovers en moordenaars.

76 De mens kent het goede, maar doet het kwade.

77 De Heer weet de juiste maat. ­

78 Straffen als geneesmiddel.

79 De behandeling van zielsziekten.

80 Vermijdt de eigendunk.

81 De Heer is de brug naar de geestelijke wereld.

82 Afscheid van Irhaël en Joram.

83 De macht van het woord.

 

 

De reis naar Galilea.

Reis naar Kana in Galilea.

 

84 Naar Galilea. De zonsverduistering.

85 Het nieuwe en eeuwigdurende rijk.

 

In Kana in Galilea.

 

86 Kana in Galilea. De verlokking van satan.

87 De Joden verlangen terug naar hun zuurdeeg.

88 Overste Cornelius en de tempelreiniging. (4.10.1851)

89 Twee rustdagen in Kana.

90 De genezing van de vorstenzoon. (5/6.10.1851)

91 De Heer en tweeduizend jaar evangelie. (7.10.1851 )

92 Gods alwetendheid en Zijn leiding. (8/9.10.1851)

 

Onderweg naar Kapérnaum.

 

93 Naar Kapérnaum. De Heer dwingt niemand.

94 Over de vloek en de gevaren van het geld. (10/11/13.10.1851)

95 Het karakter van Judas. (15.10.1851)

96 De wil van Judas. (16.10.1851)

 

In Kapérnaum.

 

97 Kapérnaum. De zieke knecht van de hoofdman. (17.10.1851)

98 Het volk daagt de priesters uit.

99 Bethabara. De schoondochter van Petrus. ( 18.10, 1851)

 

Aan en op het meer van Galilea.

 

100 De wonderbare visvangst.

101 Het bijzondere wijnwonder voor Judas. (19.10.1851)

102 De genezing van alle zieken uit Kapérnaum. (20.10.1851)

103 Op zee. Jezus en de storm. (21.10.1851)

 

In Gadara.

 

104 In Gadara. De genezing van de bezetenen. (22/23.10.1851)

 

In Nazareth.

 

105 Naar Nazareth. Ongeloof verhindert de wonderen. (3/4.11.1851)

106 Leven, daden en leer van Jezus van Nazareth.

107 Over het wereldse blijspel en de kinderen Gods. (5.11.1851)

108 Maria de moeder van de Heer. (8.11.1851)

109 Korenschoppen in de hand van God. ( 11/ 12.11.1851)

110 De Heer en de drie Farizeeën. (13.11.1851)

111 De genezing van de Griekse vrouw. (14/15.11.1851)

112 Het dochtertje van Jaïrus.

113 Het wezen van het Joh.­ en het Mat.­

114 Een les voor Judas. (18/ 20.11.1851)

115 Nazareth. Het volk wil Jezus als koning. (21.11.1851)

 

Bij Bethabara.

 

116 Bethabara. Genezing van de jichtlijder. (22.11.1851 )

117 Toespraak van de jonge Romein. (24.11.1851 )

118 Onthullingen over de tempel. (25/26.11.1851)

119 Het voorbeeld van de reis naar Rome.

 

Aan de zee van Galilea.

 

120 Aan de zee. Matthéus de tollenaar. (27.11.1851 )

121 Gesprek over Jozef, Maria en Jezus.

122 De twijfel van Johannes de doper. (28.11.1851)

123 Het getuigenis van Johannes de doper. (29.11.1851)

124 Gelijkenis van de nieuwe kleren en de nieuwe wijn. (3.12.1851 )

125 Het vertrouwen van Matthéus de tollenaar.

126 Gods onveranderlijkheid en Zijn zegen. (4.12.1851)

127 De dood van de dochter van overste Cornelius. (5/6.12.1851)

 

In Kapérnaum.

 

128 Kapérnaum. Opwekking van Cornelia.

129 Belevenissen in het hiernamaals. (9/10.12.1851)

 

Onderweg naar Nazareth en in Nazareth.

 

130 Nazareth. De twee blinde bedelaars. (11.12.1851)

131 De genezing van de bezeten doofstomme man. (12/13.12.1851)

 

In het Galilese hongerdorpje.

 

132 De hebzucht en hardheid van pachtkoning Herodes. (20.12.1851)

133 Een voedsel en kledingwonder.

134 Roeping van de twaalfapostelen. (21/26.12.1851)

135 Opdracht aan de apostelen. (27/30.12.1851)

136 De tegenwerpingen van Judas. (1.1.1852)

137 Troost voor de apostelen. (2.1.1852)

138 De vraag van Simon van Kana. (3/10/12.1.1852)

139 Een belofte aan de getrouwen.

140 Het goddelijk geheim in de mens.

141 Eerste uitzending van de apostelen.

142 De eerste daad van de uitgezonden apostelen.

 

Aan de Galilese zee.

 

143 Aan de zee. Het antwoord van de Heer.

144 Het getuigenis over Johannes de doper. (26.1.1852)

145 De geest en de ziel van Johannes de doper.

 

In Kis en op de berg van Kis.

 

146 Kis. Bekering van Kisjonah de tollenaar.

147 De gelijkenis van de fluitende kinderen.

148 De vervloeking van Chorazin, Bethsaïda en Kapérnaum.

149 De opwekking tot het eeuwige leven.

150 De bestraffing van de Farizeeën.

151 De berg beeft.

152 De geestenwereld.

153 Drie maangeesten spreken over de maanwereld.

154 De terugkomst van de twaalf apostelen.

155 Het verschil tussen wetenschap en geloof. (28.2.1852)

156 Het scheppingsverhaal van Mozes. (2.3.1852)

157 De eerste scheppingsdag.

158 De tweede scheppingsdag.

159 De derde scheppingsdag.

160 De vierde scheppingsdag.

161 Vervolg van de vierde scheppingsdag.

162 De vijfde en zesde scheppingsdag.

163 Het einde van Jeruzalem.

164 De luchtreis van Judas Iskariot.

165 Waarom moeten de mensen geboren worden. (16.3.1852) 166 Adam en Eva.

167 Kies uw vrouw met zorg.

168 Het heilige woord, de wereld en de mensen.

169 Over het lachen.

170 De genezing van de blinde Tobias.

171 De verzinsels van Rhiba.

172 De vervloeking van de Farizeeër.

173 Vastgeroest in hun wereldse voorschriften. (4.5.1852)

174 Gedragsregels voor rechters en wetgevers.

175 Sabbatsheiliging.

176 Aren lezen op de sabbat.

177 De vervulling van de profetie.

 

Op de Galilese zee.

 

178 Aan de zee. Genezing van de bezeten man.

 

In Jesaïra.

 

179 Jesaïra. De rekening van de oude man. (10.5.1852)

180 Het plan van de jonge Farizeeër.

181 De oude Farizeeën om de tuin geleid.

182 Het morgengebed van Jezus.

183 Ahab's list.

184 Farizeeën kunnen niet liegen. (17.5.1852)

185 Het smaden van de Heilige geest wordt nooit vergeven.

186 Eén met de duivel.

187 Jood of Griek.

188 Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders. (24.5.1852)

189 Duivelse aanval.

190 De leer van het Rijk der hemelen.

191 De gelijkenis van de zaaier.

192 Onkruid tussen de tarwe, mosterdzaad en zuurdeeg.

 

Op de Galilese zee.

 

193 Op zee. De verwondering.

194 Het geestelijk huis van de mens.

 

In Kis.

 

195 Kis. Weerzien met Jaïruth en Jonaël. (1.6.1852)

196 Engelenwerk.

197 Verklaring van de gelijkenis van het onkruid.

198 De schat in de akker.

199 De gelijkenis van de grote parel en het net.

200 Bescherm ons daarvoor, o Heer.

201 Twee redenen voor Gods afzijdigheid.

202 De ware vrije kerk.

203 Lofrede van Jonaël.

204 Gelijkenis van de moeder met haar twee zonen.

205 De liefde neemt.

206 Het dode lichaam.

207 Het echte vasten.

208 Aardbeven, storm en onweer.

209 Het doel van de storm. (18.6.1852)

 

In Kana in het dal.

 

210 Uitstapje naar Kana in het dal. (21.6.1852)

211 Genezing in Kana in het dal.

212 De stoïcijn.

213 De reïncarnatie van Philopold. (28.6.1852)

214 Over de samenhang van lichaam, ziel en geest.

215 Aarzel niet als de Heer roept.

216 De laatsten en laagsten van de gehele oneindigheid.

217 Gedachte en wil.

 

In Kis.

 

218 Genezingen in Kis en bij Kisjonah.

219 Gelijkenis van de gemeste os.

220 De rust en het nietsdoen.

221 De nachtprediking.

222 De vijf Farizeeën. (5.7.1852)

223 Een les in het geven van onderricht.

224 Innerlijke zelfbeschouwing.

225 De leviathan.

226 De weg tot wedergeboorte.

227 Een tochtje op zee.

228 De dokter uit Nazareth.

229 Het verweer van Jaïrus.

230 Jozefs dood en zijn getuigenis over Jezus.

231 Booswichten in de val.

232 Voorbereiding voor de rechtszaak. (12.7.1852)

233 Romeinse rechtspraak.

234 Een goede vangst.

235 Weerzien met de opperrechter.

236 Het huwelijk van Faustus en Lydia.

237 Vervolg van de rechtszitting. (20.7.1852)

238 Het verhaal van de diefstal.

239 De tempelschatten.

240 De afrekening.

241 Een woord voor onze tijd. (26.7.1852)

242 Ons dagelijkse voedsel.

 

 


 

Voorwoord

 

Voor de Christenheid, maar ook voor de gehele mensheid kan er geen belangrijker gebeurtenis plaats vinden dan dat de beloften van de Heer uit het Evangelie van Johannes in vervulling gaan: 'Ik zou u nog veel te vertellen hebben, maar u kunt het thans nog niet begrijpen. Maar als de Geest der waarheid komt, zal Deze u alle waarheid bijbrengen. Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar Hij zal zeggen wat Hij hoort, en Hij zal u meedelen wat toekomstig is.' (Joh.16,12-14)

De inhoud van deze woorden Iaat er geen twijfel over bestaan, dat hier toekomstige voorspellingen bedoeld worden. In feite is er in de tijd na Christus, en niet alleen maar onder het oude Verbond, een regelmatige stroom van profetieën gewest, waar de gevestigde kerken helaas te weinig aandacht aan hebben geschonken. Met de op willekeurige wijze vastge­stelde en onbegrijpelijke stelling, dat in ieder geval na de dood van de apostelen een eind is gekomen aan alle openbaringen, stond men de stem van de Heilige Geest nog maar heel weinig speelruimte toe.

De in zijn tijd zeer beroemde cisterciënzer abt Joachim van Fiore (gestorven omstreeks 1205), die zelf een groot profeet was, heeft in zijn drietijden leer er al op gewezen, dat volgens de openbaring van Johannes aan het begin van het zogenaamde geestelijke tijdperk ( d.w.z. kort voor het laatste oordeel) een 'Eeuwig Evangelie' aan de mensen verkondigd zal worden. De desbetreffende tekst bij Johannes luidt: 'En ik zag een andere engel vliegen in het midden van de hemel, die een eeuwig Evangelie verkondigen moest aan de aardbewoners en aan alle naties en geslachten en talen en volken ...'. (Openb. van Joh. 14,6)

Dit is aanleiding om ons af te vragen: Is die verkondiging er soms al of moeten wij daar nog op wachten? In ieder geval kunnen wij het als een voorteken van de heilsgeschiedenis beschouwen, dat, opmerkelijk genoeg, gelijktijdig met het begin van de nieuwe tijd, de gave der profetie dermate toenam, dat niemand, ook de kerk niet, achteloos daaraan voorbij kan gaan. Hoogtepunten daarvan waren reeds met J.Bóhme en E.Swedenborg bereikt, maar deze werden ten slot te nog door de grootste van alle christelijke profeten, door Jakob Lorber (1800-1864) verre overtroffen. Door hem heeft de beloofde Heilige Geest Zich in al haar volheid uitgestort. Vooral in het 'Grote Evangelie van Johannes' komt dit tot uitdrukking, dat aan de hand van gedetailleerde beschrijvingen van alle gebeurtenissen uit het leven van Jezus tijdens Zijn driejarige rondwandeling op aarde 'een inzicht geeft in alle waarheid'. Hierin wordt pas goed de belofte van Jezus vervuld, waarin Hij zegt: 'De Helper, de Heilige Geest, Die de Vader in Mijn naam zal zenden, zal u alles Ieren en in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.' (Joh. 14,26) Juist deze woorden zijn zeer van toepassing op het 'Grote Johannes Evangelie'! Maar ook de grote werken van Lorber over het hiernamaals zijn een onuitputtelijke bron van diepe kennis.

Deze zogeheten Nieuwe Openbaring -die in geen enkelopzicht in tegenspraak is met de Oude Openbaring, d. w .z. met de overgeleverde vier Evangeliën, maar die deze juist tot volle ontplooiing brengt, -is een 'Licht uit de hemel', dat alles duidelijk maakt en geen vraag over laat. Ja zelfs de oude tegenstelling tussen wetenschap en geloof wordt uit de weg geruimd, omdat ook de geestelijk-natuurlijke gebeurtenissen, verband houdend met de schepping in de micro­ en de macrokosmos, helemaal belicht worden. Deze profetie omvat zowel het totale fysieke universum als de astrale en geestelijke kosmos, zowel hier als in het hiernamaals. Wij krijgen informatie over het ontstaan der werelden en over het verloop van de heilsgeschiedenis, over het wezen van God en van de engelen, en vooral over de mens en zijn eeuwige bestemming. Dat Christus als geopenbaarde Vader en Verlosser van de werelden bij dit alles in het middelpunt staat, spreekt vanzelf.­

Het is één van de vele wonderen, die in de heilsgeschiedenis al zo vaak voor verrassingen gezorgd hebben, dat dit proces van de 'wederkomst van Christus in het Woord' in alle stilte plaats vond. In het diepste verborgene gebeurde het dat de 'schrijfknecht van God' Jakob Lorber voor meer dan honderd jaar de grondslag mocht leggen voor een nieuw tijdperk van de geschiedenis van de mens. Het was Gods plan om in een relatief verborgen tijdsperiode alles gereed te maken voor het Licht, dat dan plotsklaps te voorschijn zou treden. Alleen al de natuurweten­schappen bevestigen thans het wereldbeeld van de nieuwe openbaring reeds zodanig, dat niemand dat voor mogelijk gehouden zou hebben. Inmiddels hebben de Lorbergeschriften, bestaande uit vijfentwintig ten dele zeer omvangrijke boekdelen, een oplage van meer dan een miljoen exemplaren bereikt. En terwijl men er vroeger in kerkelijke kringen nauwelijks aandacht aan schonk of het direkt afwees, houden zich thans in de grote geloofscrisis en zielenood van onze tijd steeds meer geestelijken in alle ernst intensief ermee bezig; velen van hen zijn zelfs zeer onder de indruk.

Zo verklaart bijvoorbeeld de evangelische theoloog Dr. Kurt Hutten:

'Dit wereldbeeld heeft diepte en kracht, het geeft de aarde en haar geschiedenis en heilsgeschiedenis haar waardigheid terug, schenkt het geloof een kosmische verruiming, verweeft hier en hiernamaals, micro­kosmos en macrokosmos met elkaar, prijst de liefde van God die de gehele schepping doordringt en wijst de mensen met al deze dingen een weg naar geborgenheid.'

Bij het onderzoek van de vraag hoe de nieuwe en de oude openbaring met elkaar overeenstemmen, stelt de evangelische dominee Hermann Luger vast: 'Beide staan op dezelfde goddelijke grond. Lorbers geschriften ademen een volkomen bijbelse geest. Niet alleen de inhoud van zijn beide hoofdwerken 'Het grote evangelie van Johannes' en de 'Huishouding van God' is bijbels, maar ook zijn andere werken zijn door en door bijbels. Veel uitspraken en gesprekken van de Heer in het grote evangelie van

Johannes hadden zonder meer in een van de vier bijbelse evangeliën kunnen staan. Dat er bij Lorber veel zaken vermeld worden die in de bijbel, speciaal in de vier evangeliën, volledig ontbreken -zoals bijvoorbeeld de gesprekken van de Heer over de hemellichamen en de geheimen van de schepping -, behoeft ons niet te verwonderen en doet aan het bijbelse karakter van de nieuwe openbaring niets af. Het is maar al te begrijpelijk dat Jezus in de drie jaren dat Hij in de openbaarheid kwam veel meer gesproken en gedaan moet hebben dan in de evangeliën staat. Wij menen daarom ook het recht te hebben de nieuwe openbaring net als de bijbel ook als Gods woord te aanvaarden. Bijbel en nieuwe openbaring zijn voor ons twee gelijkwaardige verschijningen, die uit één en dezelfde diepste grond afkomstig zijn en waarvan de ene door de andere juist waardevoller en betekenisvoller wordt.'

De voorzienigheid zorgde ervoor dat een relatief uitvoerige levensbe­schrijving van J. Lorber van de hand van zijn jarenlange vriend Karl Gottfried Ritter van Leitner bewaard bleef. Deze bekende dichter en novelleschrijver uit Graz was daar net de meest geschikte persoon voor. Kort samengevat ontlenen we de volgende gegevens aan zijn biografie: Jakob Lorber werd op 22 juli 1800 in het plaatsje Kanischa in de beneden­steiermark geboren. Hij was de eerste van vier kinderen van een familie van wijnboeren in het gebied van de Drau. Al jong viel hij op door zijn grote muzikale begaafdheid. Hij leerde meerdere instrumenten bespelen zoals viool, piano, orgel en harp. Na de dorpsschool in Jahring leerde hij in de stad Marburg verder voor het vak van onderwijzer bij het lager onderwijs. Na hiervoor geslaagd te zijn was hij echter toch maar kort aankomend onderwijzer. Een geestelijke, die inzag hoe begaafd hij was, had hem namelijk aangeraden zich aan het priesterschap te wijden. En daarom studeerde hij vervolgens vijf jaar aan het gymnasium in Marburg, waarbij hij ook Latijn leerde. Voor zijn levensonderhoud moest hij gedurende die tijd zelf zorgen door het orgel in de kerk te bespelen en door vioollessen te geven. Toen hij de studie aan het gymnasium niet verder bekostigen kon, zorgde hij voor zijn levensonderhoud gedurende vijf jaar door aan huis les te geven, voornamelijk in muziek en tekenen. In het jaar 1829 volgde hij een 'cursus hogere pedagogie voor leraren aan hogere scholen' (Leitner). Ondanks een goed getuigschrift kon hij geen direkte aanstelling als leraar krijgen, waarom hij toen definitief in de muziek verder ging. Hij gaf 'zangles en piano­ en orgelles, en componeerde ook enige liederen en concertstukken' (Leitner). Door deze bezigheden kwam hij terecht in de hoofdstad Graz in een vriendenkring waarin mensen met zeer bekende namen voorkwamen. Hij concerteerde daar o.a. met Anselm Huttenbrenner, de bekende vriend van Franz Schubert.

Toch doen de uiterlijke belevenissen in zijn leven ten enenmale be­scheiden aan vergeleken bij zijn roeping tot 'schrijfknecht van God'. In zijn veertigste levensjaar deed zich namelijk het volgende voor: Toen hij zich op 15 maart 1840 's morgens klaar maakte om een veelbelovende  en eervolle aanstelling als kapelmeester in Triest te gaan vervullen, hoorde hij plotseling 'ter hoogte van zijn hart', zoals hij zelf zei, een stem spreken. De woorden klonken als een bevel: 'Sta op, neem je schrijfstift en schrijf!' En Lorber gehoorzaamde onmiddellijk. Terwijl hij al zijn persoonlijke belangen opzij zette, ging hij meteen aan zijn schrijftafel zitten en schreef de eerste belangrijke vellen van het driedelige openbaringswerk 'Huis­houding van God'. Er was iets unieks gebeurd: Lorber was door de Heer Zelf aangesteld tot Zijn schrijfknecht! En deze profetische roeping bleef hij ook tot aan zijn dood trouw. Door het 'innerlijke woord', zoals dit in de godsdienstgeschiedenis genoemd wordt, werd hem in de loop der jaren het gehele reusachtige geschrift gedicteerd, dat wij thans aanduiden met de naam 'Nieuwe openbaring'. Het omvat 25 merendeels omvangrijke boekwerken. Het belangrijkste deelwerk is zonder twijfel 'Het grote Johannes evangelie' (10 delen met een aanvullend deel van Leopold Engel).

Hoe vond dat profetische schrijven nu plaats? Lorber zelf schreef daarover in een brief uit het jaar 1858: 'Wat betreft de manier waarop men het innerlijke woord hoort kan ik over mijzelf slechts zeggen, dat ik het heilige woord van de Heer steeds in de hartstreek als een heldere, lichte en zuivere gedachte, alsof deze gesproken werd, hoor. Niemand, ook al staat hij nog zo dicht bij mij, kan iets horen wat op een stem lijkt, maar voor mij klinkt deze stem der genade toch duidelijker dan een nog zo hard echt geluid. Maar dat is dan ook alles wat ik U uit mijn ervaring kan zeggen.

Zoals altijd bij profetische mededelingen bediende de Heer Zich ook bij Jakob Lorber van de eigen taal van het medium. We moeten ons er dan ook niet over verwonderen dat ouderwets aandoende uitdrukkingen in de stijl en de mentaliteit van die tijd overheersen. Dat het in hoofdzaak een taal van het hart is met veel aan de volksaard verwante bijmengsels maakt het lezen gemakkelijker. Het waarheidsgehalte en de diepte der wijsheid van het goddelijke dictaat worden op geen enkele manier beïnvloed.

Jakob Lorber zag vooraf het moment van zijn dood. Voordat hij op 24 augustus 1864 na ontvangst van het sacrament der stervenden het aardse toneel verliet, vroeg hij op het laatst of men hem anders in bed wilde leggen. Hij wilde de laatste uren van zijn leven zijn blik op de zonsopgang gericht houden.-Het omvangrijke handschrift van deze profeet viel bijna ten offer aan de toenmalige door de kerk ingestelde huisinquisitie. Men moest het op een geheime plaats bewaren, en het kostte veel moeite en geduld voordat tenslotte de middelen opgebracht konden worden om het gehele werk in druk uit te brengen. Daar gingen tientallen jaren overheen.­

 

Prof. Franz DemI

 


 

 

 

 

 

 

werkgebied Jezus Christus

 


 

 

 

 

 

 

 

Verklaring van het bijbelse Johannes Evangelie

 

1. Uitleg van de eerste verzen.

 

(In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Joh. 1:1)

 

[I] Dit vers heeft al heel wat veelsoortige onjuiste verklaringen en interpretaties ten gevolge gehad. Uitgesproken godloochenaars maakten zelfs juist van deze tekst gebruik om daarmee met nog meer succes Mijn goddelijkheid te bestrijden, omdat ze het bestaan van het opperwezen over het algemeen verwierpen. Wij willen het nu niet over deze kunstgrepen hebben, waardoor de verwarring slechts groter in plaats van kleiner zou worden, maar meteen met de kortst mogelijke uitleg voor den dag komen. Deze uitleg, die zelf licht is, in het licht van Het Licht, zal vanzelf de dwalingen bestrijden en te niet doen.

[2] Het onbegrip voor zulke teksten vindt zeker zijn voornaamste oorzaak in de zeer gebrekkige en onjuiste vertaling van de Schrift uit de oor­spronkelijke taal in de tegenwoordige talen; maar dit heeft intussen wel zijn nut. Want zou de geestelijke inhoud van zulke teksten tot nu toe niet zo goed verborgen zijn geweest, dan was het heilige daarin allang grondig ontheiligd, wat voor de gehele aarde een grote ramp zou zijn. Zoals het nu is, heeft men slechts aan de schors geknaagd en kon men de levende heilige kern niet bereiken.

[3] Het is nu echter tijd, om de ware innerlijke betekenis van zulke teksten aan allen te openbaren, die het waard zijn daaraan deel te hebben. Degenen, die dat niet waard zijn, zal het duur te staan komen als ze zich ermee bemoeien, want Ik laat in dat geval beslist niet met Mij spotten, en van deze regel zal Ik nooit afwijken.

[4] Na deze onmisbare waarschuwing vooraf, volgt dan nu de uitleg; alleen teken Ik daarbij nog aan, dat het hier slechts om de innerlijke betekenis voor geest en ziel gaat, en niet om de innerlijke pure hemelse betekenis. Deze laatste is te heilig en kan, zonder voor de wereld schadelijk te zijn, slechts aan die mensen meegedeeld worden, die daarnaar zoeken door hun levenswandel geheel te richten naar het woord van het evangelie. De innerlijke betekenis voor geest en ziel is echter eenvoudig te vinden, soms al door de juiste moderne vertaling, hetgeen nu dadelijk zal blijken uit het commentaar bij het eerste vers.

[5] De uitdrukking 'In den beginne' is erg onjuist en versluiert de innerlijke betekenis in hoge mate. Zoals het er nu staat zou daarmee zelfs het eeuwige bestaan van het Opperwezen bestreden en in twijfel getrokken kunnen worden. Dit is dan ook door een aantal denkers van deze wereld gedaan, en men kan wel stellen dat de godloochenaars van deze tijd uit hun school zijn voortgekomen. Als we nu echter deze tekst herwaarderen, zal het omhulsel maar zeer dun blijken, en dan zal het niet moeilijk zijn de innerlijke betekenis, door dat nauwkeurig te onderkennen.

[6] De juiste vertaling luidt: 'In de diepste grond, of ook wel in de grondoorzaak (van al het zijn), was het Licht (de grote heilige schep­pingsgedachte, de werkelijke idee). Dit Licht was niet alleen in, maar ook bij God, hetgeen betekent, dat het Licht zichtbaar uit God kwam en dus niet alleen in, maar ook bij God was en op een bepaalde manier om het goddelijke bestaan heen stroomde. Hiermee wordt reeds de basis zichtbaar voor het toekomstig mens worden van God, wat in de eerst­volgende tekst al duidelijk aangegeven wordt.

[7] Wie of wat was dan wel dit Licht, deze grote gedachte, deze heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? -Dat was niemand anders dan God Zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God Zelf Zich in Zijn eeuwig volkomen wezen liet zien; en daarom mag deze tekst ook als volgt luiden:

[8] 'In God was het Licht, het Licht vloeide door God en straalde om  God en God Zelf was Het Licht'

 

Dit was in den beginne bij God Joh 1:2)

 

[9] Nu het eerste vers voldoende belicht is en iedereen met een beetje verstand het zonder moeite kan begrijpen, volgt de betekenis van het tweede vers vanzelf. Het getuigt, dat het ervoor beschreven 'woord' of 'licht' of 'de grote scheppingsgedachte' niet ontstaan is in de loop van het Goddelijke bestaan, maar dat het met God, als een deel van Hem, eeuwig is en daarom nooit iets kan zijn, wat met een vroeger ontstaansproces te maken heeft. Daarom geeft het tweede vers als een soort getuigenis de verklaring: Het bestond altijd al in de diepste grond van al het zijn en al het latere worden, als een deel daarvan in en uit God, en was dus Zelf geheel en al God.

 

(Alle dingen zijn daardoor geschapen en zonder dit is niets geschapen, dat geschapen is. Joh. 1:3)

 

[10] Dit vers zegt dat datgene actief is geworden, wat al in het eerste vers als het 'Woord' of 'Licht' in de diepste grond van al het Zijn en Worden geheel aanwezig was, maar zich nog niet als iets wat al uitgetreden was, duidelijk zichtbaar liet zien.

[11] Daarom moet dit derde vers, op de juiste manier weergegeven ook zo luiden: AI het geschapene ontstond uit deze oergrond van de schepping, die in zichzelf de eeuwige diepste grond van zijn totale bestaan is. Het licht, het woord en de wil brachten uit dit eigen wezen het eigen licht, de eeuwige eigen scheppingsgedachte, in het vaste zichtbare bestaan voort, en er is niets in de gehele eeuwige oneindigheid, dat niet op dezelfde manier uit dezelfde oergrond in het zich openbarende en zichtbare bestaan gekomen is.

[12] Degene, die nu deze drie duidelijk uitgelegde verzen volledig begrepen heeft die begrijpt het vierde vers.

 

(In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen. Joh. 1:4)

 

[ 13] Het is vanzelfsprekend, dat de diepste grond van al het bestaan, het licht van al het licht, de diepste gedachte van alle gedachten en ideeën, de oervorm als de eeuwige grond van alle vormen, ten eerste niet vormeloos en ten tweede niet dood kon zijn, omdat de dood in zijn realiteit het algehele tegendeel is van al het bestaande, in welke vorm dan ook. In dit woord of licht of in deze grote gedachte van God in God, en uiteindelijk dus God Zelf, was derhalve een volkomen leven. God was dus in Zijn totaliteit de eeuwige volmaakte diepste grond van het leven. En dit licht of leven riep de wezens uit zichzelf op, en dit licht of leven was het licht en dus ook het leven in deze wezens, in deze uit Hem geschapen mensen. En deze wezens en mensen waren zo een volledig evenbeeld van de bron van alle licht, wat in hen de voorwaarden schiep voor een leven gelijk aan het Zijn, het Licht en de eeuwige diepste grond van het Zijn.

[14] Maar omdat de diepste grond van het leven van God volkomen vrij is en ook moet zijn, omdat het anders in feite geen leven is, en dit net zo geldt voor het geschapen wezen en diens leven, omdat het anders ook geen leven en dus geen 'bestaan' zou zijn, ligt het voor de hand, dat aan het geschapen wezen, de mens, slechts een volkomen vrij leven gegeven kon worden. Het moet dat leven voelen als iets, dat op zichzelf volmaakt is, maar juist vanwege dit gevoel moet het ook vaststellen, dat zijn leven niet uit zichzelf, maar uit God is ontstaan, en door Zijn eeuwige almachtige wil, volledig aan Hem gelijk geschapen is.

[15] Dit besef moest in alle geschapen wezens aanwezig zijn, net zoals het besef dat hun leven en bestaan volledig aan dat van God gelijk moet zijn, omdat zij anders noch een leven, noch het een of andere bestaan zouden hebben.

[16] Als we echter deze toestand nader bezien, dan bemerken we, dat in het geschapen wezen daardoor noodzakelijkerwijs twee gevoelens samen moeten komen, en wel als eerste: het gevoel van het aan God gelijk zijn, ofwel Gods oerlicht in hem, en ten tweede: dat juist door dit Licht onweerstaanbaar het gevoel ontstaat, dat men ergens in het tijdelijke is ontstaan door de wil van de Schepper .

[17] Het eerste gevoel zegt, dat het schepsel zonder meer gelijk is aan de Schepper, en daarom totaal onafhankelijk van de oergrond, omdat het deze als het ware als een deel van zichzelf kan zien. Het tweede gevoel, dat onweerstaanbaar uit het eerste levensgevoel ontstaat, maakt dat er een afhankelijkheids gevoel ontstaat ten opzichte van God, omdat het schepsel weet dat het ontstaan is uit de oorspronkelijke diepste grond en dat het zich pas in de loop der tijden zelfvrij heeft kunnen manifesteren.

[18] Dit gevoel maakt echter het eerste hoogheids gevoel ook tot deemoed, die zoals hierna aangetoond zal worden, beslist noodzakelijk is voor het hoogheidsgevoel.

[19] Het hoogheidsgevoel verzet zich sterk tegen deze vernedering en wil het tweede gevoel onderdrukken.

[20] Door die strijd ontstaat wrok en tenslotte haat tegen de diepste grond van al het bestaan, en daaruit volgt dan haat tegen het lage nederigheids ­of afhankelijkheidsgevoel. Daardoor wordt echter het hoogheidsgevoel verlamd en verduisterd, en Gods oerlicht in het geschapen wezen gaat over in nacht en duisternis. Deze nacht weet nauwelijks meer iets af van Gods licht in zichzelf en verwijdert zich daardoor van de diepste grond van zijn bestaan en ontstaan, alsof hij blind is en toch nog zelfstandig, en hij wil dat in zijn verblindheid niet toegeven.

 

(En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis begrijpt het niet. Joh. 1:5)

 

[21] Hoewel Gods licht haar uiterste best doet, en al haar licht Iaat schijnen om deze nacht weer om te vormen in het echte licht van God, herkent die nacht, die zelf uit het licht van God ontstaan is, maar nu geen werkelijk zicht meer heeft, dit licht van God toch niet.

[22] Zo kwam ook Ik, als de eeuwige diepste grond van al het bestaan en als Gods bron van al het licht en leven, in de wereld van de duisternis naar degenen, die uit Mij waren; maar ze herkenden Mij niet in de nacht van hun verduisterd hoogheidsgevoel!

[23] Dit vijfde vers geeft aan hoe Ik, door alle eeuwen heen onveranderlijk, in deze door Mij en uit Mij geschapen wereld kom, en deze Mij niet herkent als haar eigen oorsprong.

[24] Maar Ik, als diepste grond van al het bestaan, moest wel vanuit Mijn totale licht zien, hoe het hoogheidsgevoel, als Gods licht in de mensen, door de voortdurende strijd steeds matter en zwakker en daardoor als levenslicht duisterder en tenslotte geheel donker werd, en dat daarom het grootste deel van de mensen Mij niet herkennen zou, als Ik in die vorm tot hen zou komen, die zij, toen zij naar Mijn evenbeeld geschapen werden, ook gekregen hadden; en dat ze Mij zeker niet zouden herkennen als Ik geheelonverwacht en onvoorbereid als een Deus Ex Machina ( een plotseling verschijnende God) in de beperkte mensenvorm tot hen zou komen. Ik zou het dan aan Mij Zelf te wijten hebben, als de mensen Mij onmogelijk zouden kunnen herkennen, omdat ze niet voorbereid waren op Mijn komst.

[25] Ja, dat zag Ik reeds eeuwen van te voren, en Ik liet daarom al vanaf hun eerste ontstaan uit Mij tot aan Mijn werkelijke komst, door vele duizenden zieners, die in de strijd het licht niet verloren hadden, deze komst van Mij voorspellen en de aard en manier en zelfs de plaats en de tijd van Mijn komst getrouw vastleggen. Bij Mijn daarop werkelijk gevolgde komst liet Ik grote tekenen plaats vinden en verwekte een man, waarin de geest van een hoge engel zijn intrek nam, opdat hij Mijn komst en lijfelijke aanwezigheid op de aarde aan de blinden zou verkondigen.

 

 

2  De oude en nieuwe getuige. Johannes  de Doper.

 

(Door God werd echter een man gezonden, die Johannes heette 1:6)

 

[I] Deze man heette Johannes; hij hield aan de Jordaan boetepredikingen en doopte de mensen, die zich bekeerden, met water. In deze man woonde de geest van de profeet Elia, en dit was de hemeling, die Lucifer in het oerbegin overwon en later weer met deze Lucifer op de bekende berg vocht om het lichaam van Mozes (dus aartsengel Michaël).

 

(Deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Joh. 1:7)

 

[2] Hij kwam als een oude en tevens nieuwe getuige van boven, d.w.z. van Gods bron van alle licht kwam hij als licht om te getuigen van Gods licht, van de oerbron, Die nu de stoffelijke vorm aannam en in menselijke gestalte Zelf als mens tot Zijn mensen, die uit Hem zijn voortgekomen, kwam, om ze in hun nacht opnieuw te verlichten en ze op deze manier Zijn licht terug te geven.

 

(Hij was het licht niet, maar hij was slechts een getuige van het licht. Joh. 1:8)

 

[3] Deze man was weliswaar niet de eigenlijke bron, maar net als alle andere wezens, een uit de bron van alle Licht geschapen licht. Maar zijn vergevorderde deemoed maakte dat hij in verbinding kon blijven met de bron.

[4] Omdat hij in doorlopend contact stond met de bron, en Deze geheel los kon zien van zijn eigen licht, gaf hij ook een waarheidsgetrouw getuigenis van de bron (hij was wel uit de bron ontstaan, maar dat hield niet in dat hij zelf de bron was, het betekende wel dat hij deze herkennen en juist beschrijven zou). Hij wekte daardoor zoveel echt licht op in de harten van de mensen, dat zij daardoor, eerst wel zwak maar later steeds beter en duidelijker, konden zien dat de bron van alle licht, Die nu in het vlees was gekomen, Degene is Waaraan alle wezens en mensen hun zelfstandig bestaan te danken hebben, en dat ze dit licht, als ze dat willen, zelfstandig voor eeuwig kunnen behouden.

 

(Dat was het waarachtige licht, dat alle mensen verlicht, die op deze wereld komen. Joh. 1:9)

 

[5] Niet de getuige, maar zijn getuigenis en Degene, van Wie hij getuigde, waren de echte bron Die vanaf het begin alle mensen die in deze wereld komen licht en leven heeft gegeven, en hen nog steeds meer leven en licht geeft. Daarom staat in het negende vers, dat Dat het ware en echte licht is en was, Dat alle mensen in het oerbeginsel vorm gaf voor het vrije bestaan, en Dat nu kwam om dat bestaan in alle volheid te verlichten en weer aan Zichzelf gelijk te maken.

 

(Het was in de wereld, en deze is Daardoor ontstaan, maar ze herkende Het niet.

Joh. 1:10 )

 

[6] Hoe Ik, de bron van alle licht, ondanks al de voorboden en ver­kondigers van Mijn komst miskend kon worden door deze wereld d. w .z. door de verduisterde mensen, die met hun hele wezen uit Mij of wat hetzelfde is, uit de bron (het Woord) ontstaan zijn, is reeds in het vijfde vers duidelijk naar voren gebracht. Alleen moet daarbij nog wel aan­getekend worden, dat hier onder het begrip 'wereld' niet verstaan moet worden 'de aarde als draagster van verloren zielen, die tesamen de materie vormen', maar alleen 'de mensen' als zodanig. Zij zijn weliswaar voor een deel uit de materie genomen, maar als vrijgemaakte wezens behoren ze niet meer, of behoeven ze niet meer te behoren, tot deze vanaf de zondeval reeds veroordeelde zielsmaterie. Want het zou geen goede zaak zijn als Ik verlangen zou dat een steen, die nog in het diepste gericht ligt, Mij zou herkennen! Dat kan Ik alleen terecht verlangen van een vrij geworden ziel, die Mijn geest in zich heeft.

 

(Hij kwam naar Zijn bezit, en de Zijnen namen Hem niet op. Joh. 1:11)

 

[7] Dus, zoals hiervoor reeds werd aangeduid, moet niet de aarde, maar moeten alleen de zielen en de geesten van de mensen gezien worden als het eigenlijke eigendom des Heren; en wel daarom als eigendom, omdat zij zelf oorspronkelijk licht uit Mijn eeuwige bron van alle licht zijn en daarom met Mij één geheel vormen.

[8] Maar zij herkenden Mij niet, omdat juist hun oorspronkelijke licht d.w.z. hun hoogheidsgevoel verzwakt is, en dat is de reden waarom Ik naar hen toekwam en nog steeds naar hen toekom, want zij zijn Mijn eigendom. Zij begrijpen niet meer dat ze heel persoonlijk een deel zijn van de diepste grond, dat nooit vernietigd kan worden, omdat dit van oorsprong Mijn wezen is.

 

(Allen, die Hem aannamen, gaf Hij de macht om kinderen Gods te worden, omdat zij in Zijn naam geloven. Joh. 1:12)

 

[9] Het spreekt haast vanzelf dat bij al degenen, die Mij niet opnamen of niet herkenden, de werkelijke orde verstoord bleef en dat met deze verstoring een lijdende toestand, het zogenaamde 'kwaad' of de 'zonde' bleef. Daartegenover verdween bij veel anderen dit 'kwaad' zodra ze Mij opnamen d.w.z. in hun hart herkenden, omdat ze weer met Mij en daarom met de orde en de oerbron van al het Zijn verenigd werden. Daarin vonden zij zichzelf, en zij vonden ook Mijn oorspronkelijke licht als het genoemde deel van zichzelf en daarin het eeuwige onverdelgbare leven.

[10] In dit leven vonden ze ook, dat ze echt niet alleen maar Mijn schepsels zijn, zoals hun minderwaardigheidsgevoel het hun ingeeft, maar dat ze zonder twijfel Mijn eigen kinderen zijn, die Mijn eigen wil in alle vrijheid tot leven heeft gebracht. Hun licht (hun geloof) is identiek aan Mijn licht,en bergt daarom in zich de volle macht en kracht van Mij, en door die macht zijn zij niet alleen gerechtigd Mijn kinderen genoemd te worden, maar het ook geheel en al te zijn!

[11] Want het geloof is een zeer bijzonder licht, en Mijn naam, waarop de machtige stralen van dit licht gericht zijn, is de kracht en de macht en het eigenlijke wezen van Mijn oerbron, waardoor ieder in zichzelf het rechtmatige en geldige kindschap van God tot stand brengt. Daarom staat dan ook in het twaalfde vers, dat allen, die Mij opnemen en in Mijn naam geloven -de macht in zich hebben rechtmatige 'Kinderen Gods' te heten!

 

(Die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. Joh.1:13)

 

[12] Dit vers is slechts een nadere aanduiding en verklaring van het voorgaande vers, en bij elkaar gevoegd zouden de beide verzen ook zo kunnen luiden: Die Hem opnamen en in Zijn naam geloofden, gaf Hij de macht 'Kinderen Gods' te heten, die niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees (begeerte van het vlees), noch uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.

[13] Het is duidelijk, dat hier geen sprake is van een eerste geboorte als vlees uit het vlees, maar alleen van een tweede geboorte uit de geest van de liefde tot God, en uit de waarheid van het levende geloof in de levende naam van God, die Jezus-Jehova-Zebaoth heet. Een goede omschrijving van deze tweede geboorte is -de wedergeboorte des geestes door de doop uit de hemel.

[14] De - doop uit de hemel - is de volle overgang van de geest en de ziel, met al haar begeerten, in de levende geest van de liefde tot God en in Gods liefde Zelf.

[15] Als zo'n overgang eenmaal uit de vrije wil van de mens tot stand is gekomen, en als alle liefde van de mens zich in God bevindt, dan bevindt door zo'n heilige liefde ook de gehele mens zich in God, en wordt daar tot een nieuw wezen gevormd, van kracht voorzien en gesterkt, en zo na het bereiken van de juiste rijpheid door God opnieuw geboren. Na zulk een tweede geboorte, die niet afhankelijk is van de begeerte van het vlees, noch van de verwekkingswil van de man, is dan de mens een echt Godskind; en dit wordt veroorzaakt door de vrije macht van Gods liefde in de mens, die 'genade' genoemd wordt.

[16] Deze genade is nu juist tevens de machtige aantrekkingskracht van God in de geest van de mens, waardoor deze als het ware door de Vader naar de Zoon getrokken wordt, d.w.z. naar de goddelijk bron van alle licht getrokken wordt, of, anders gezegd, tot de ware en levende machtige wijsheid van God komt.

 

 

3 De menswording van het eeuwige woord

 

(En het woord werd vlees en woonde onder ons, en wij zagen Zijn Heerlijkheid, een heerlijkheid als van de eniggeboren zoon van de Vader, vol genade en waarheid.

Joh. 1:14)

 

[1] Als de mens zo door de wedergeboorte een echt kind van God wordt, welke geboorte als het ware door God of de liefde tot God plaats vindt, dan komt hij tot de heerlijkheid van de bron van alle licht in God, ofwel tot het eigenlijke goddelijke bestaan. Dit bestaan is de werkelijke enig­geboren zoon van de Vader, zoals het licht inwendig verborgen rust in de warmte van de liefde, zolang de liefde het niet opwekt en uit zich naar buiten Iaat stralen. Dit heilige licht, dat zo naar buiten straalt, is in wezen de werkelijke heerlijkheid van de zoon van de Vader en het doel van iedere wedergeborene; daar wordt de wedergeborene gelijk aan die heerlijkheid, welke eeuwig vol genade (Gods licht) en vol waarheid is, en dit is de echte werkelijkheid of, anders gezegd, het vlees geworden woord.

 

(Johannes getuigt van Hem, roept de mensen op en zegt: Deze was het van wien ik gezegd heb: Die na mij komt, is voor mij geweest, want hij was eerder dan ik.

Joh. I: 15)

 

[2] Johannes geeft van dit alles een juist getuigenis, en hij maakt de mensen direct na de doop in de rivier de Jordaan er op opmerkzaam, dat de mens, die hij zojuist gedoopt heeft, Degene is, waarover hij al keer op keer in zijn boetepredikingen tegen het volk gezegd heeft dat men Hem waardig moest ontvangen en dat Hij, Die na hem zou komen, vóór hem geweest was, er dus eerder was dan hij. De diepere betekenis hiervan is: Dit is de bron van alle licht en de oerbron van al het licht en zijn, Die vóór al het bestaande was, en waaruit al het bestaande voortkwam.

 

(Uit zijn volheid hebben wij allen genade op genade ontvangen. Joh. 1:16)

 

[3] Deze bron van alle licht is ook Gods eeuwige grote heerlijkheid, en Gods wezen zelf in deze heerlijkheid; deze heerlijkheid was eeuwigdurend Godzelf in God, en aan de volheid van deze heerlijkheid hebben alle wezens hun bestaan en hun licht en vrije leven te danken.

[4] AI het leven is daarom een Goddelijke genade, die de levendragende vorm geheel en al vervult. De basis van het leven in ieder mens is, omdat deze gelijk is aan de heerlijkheid van God, het eerste teken van Gods gunst. Hieraan werd echter afbreuk gedaan door het afhankelijke gevoel van de mens omdat hij geschapen is, en daardoor volkomen afhankelijk van de bron van alle licht en de diepste grond van al het bestaan.

[5] Omdat daardoor het eerste teken van Gods gunst in de mens bijna geheel te niet gedaan werd, kwam de bron van alle licht Zelf in de wereld, en gaf de mensen een zodanig onderricht, dat ze dit eerste teken van Gods genade weer herkennen zouden, om vervolgens geheel terug te keren tot de diepste grond van het leven en daar het oude licht in te ruilen tegen een nieuw leven. Deze ruil is het 'ontvangen van genade op genade' of als het ware het oude, verzwakte, voor niets meer deugende leven inruilen voor een nooit meer verloren gaand leven in de volheid van en uit God.

[6] Het eerste teken van Gods gunst was iets noodzakelijks, zonder enige vrijheid en dus ook zonder duurzaamheid. Het tweede teken van Gods gunst Iaat de mens echter volkomen vrij om het te aanvaarden of niet, en daarom -omdat het in het geheel niet dringt of dwingt -is het voor altijd en eeuwig onaantastbaar. Want waar geen vijand is, is ook geen vernietiging; onder 'vijand' wordt hierbij alles verstaan wat een vrij bestaan, hoe dat er ook uitziet, belemmeren zou.

 

 

4 Over wet en genade

           

(Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Joh. I:17)   

 

[1] Zo ziet de wet er uit die aan het eerste leven gegeven moest worden, en dat begon al in het begin bij de eerste mens en in het verdere verloop gaf Mozes deze nog eens door, waarom hij in dit vers ook als verte­genwoordiger van de wet aangehaald wordt. Uit de wet kon echter niemand ooit de echte levensvrijheid verkrijgen, omdat de wet een belemmering en geen aanmoediging van het leven is.

[2] Door een positieve dwang van de onwrikbare wil van de bron van alle macht werden de eerste scheppingsideeën in een afgezonderd, op zelfstandigheid lijkend bestaan gesitueerd; de afscheiding en het vormen van het door ruimte en tijd beperkte bestaan werden vervolgens aan onveranderlijke wetten ondergeschikt gemaakt.

[3] Het wezen, de mens, was, hoewel oorspronkelijk op een bepaalde manier de godheid zelf, of wel: het diepste wezen van God Zelf, nu gescheiden van zijn diepste grond, die het nog wel kende, maar daarbij door onwrikbare wetten in een beperkte vorm gebonden en gehouden. Die toestand beviel het op deze manier vastgelegde wezen niet, en zijn hoogheidsgevoel kwam geweldig in opstand tegen zijn gedwongen be­perking en buitensluiting.

[4] Omdat tijdens de allereerste opeenvolging van wezens het gevecht steeds heftiger werd, moest de grote grondwet verscherpt worden en de wezens moesten opgenomen worden in een tijdelijk vast oordeel. Dat gebeurde door de vorming van stoffelijke vaste hemellichamen en de daardoor ontstane grotere deling van de oorspronkelijke wezens.

[5] In de tweede vorm van de wezens verschijnt dan de mens met een vleselijk lichaam, staande op de bodem van het resultaat van zijn eerste veroordeling. Ondanks dat hij nu op drievoudige wijze was gescheiden van zijn diepste grond, herkende hij deze in zich zelf toch al weer gauw, en werd trots, hoogmoedig en ongehoorzaam aan een niet zo strenge wet, die niets dwingend voorschreef, maar alleen aangaf wat wenselijk was.

[6] Omdat de mens zich niets aantrok van wat hem als wenselijk aangegeven was, werden hem zwaardere verplichtingen opgelegd, voorzien van geweldige sancties, die bij niet nakomen van de verplichtingen, prompt werden uitgevoerd (denk aan de zondvloed en nog meer van dergelijke zaken!).

[7] Na deze tuchtiging kwam God in de vorm van Melchizedek naar de aarde en leidde de mensen; maar die begonnen al snel weer te vechten en moesten door nieuwe wetten worden gebonden en op zodanige wijze tot de orde worden geroepen, dat hen alleen een machinale beweging overbleef, die zich verzette tegen bijna al hun neigingen.

[8] Door de wet werd dus een grote kloof gemaakt, waarover geen geest en geen wezen meer kon springen. Daardoor werd ook het uitzicht op, en het innerlijke bewustzijn van een eeuwig voortduren van het innerlijke, op deze manier erg beperkte leven, zeer twijfelachtig.

[9] Tijdens deze beperking verschijnt dan de goddelijke oerbron in Zijn eigen diepste volheid en wel in de persoon van Christus.

[10] Op dit moment komt Gods gunst dus terug, neemt alle zwakheden des levens van de mensen op zich en geeft hen daarvoor een nieuw teken van Zijn gunst, een nieuw leven vol van het ware licht; en daarmee en door Zich Zelf toont Hij hen de juiste weg, die zij moeten gaan, en het werkelijke doel van hun bestaan.

 

(Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot de4s Vaders is, Die heeft ons over Hem verteld. Joh. 1:18)

 

[11] Eerst nu kregen zij, die Hem herkenden, een echt Godsbegrip en zij konden nu voor de eerste maal God, Die door geen wezen daarvoor ooit gezien kon worden, in Zijn volheid naast zich en buiten zichzelf zien en herkennen, en zij konden nu door Hem ook zichzelf en de eigen geheel vrije levensbestemming zien en herkennen.

[12] En daarmee is ook de onoverbrugbare kloof, die door de wet geschapen was, weer weggenomen en ieder mens kan nu, wanneer hij dat wil, het juk van de wet afwerpen als hij zijn oude mens inruilt voor de nieuwe mens uit Christus. Daarom wordt ook gezegd, dat men de oude mens moet afleggen en de nieuwe aannemen, ofwel: die het oude leven lief heeft, die zal het verliezen; die het wegdoet, die zal het als een nieuw behouden. Dat is de verkondiging uit de schoot van de Vader en het levende evangelie van God.

[13] De uitdrukking echter die zegt: 'Hij die in des Vaders schoot is' betekent zoveel als: De diepste wijsheid van God of het eigenlijke innerlijke wezen van God bevindt zich in de liefde, zoals het licht thuis hoort in de warmte, en zoals uit de liefde een machtige warmte ontstaat en ontspringt en deze na enige tijd om zich heen ook warmte opwekt en deze warmte altijd weer licht opwekt. Zo ontstaat ook uit de liefde, die gelijk is aan de Vader en eigenlijk de Vader Zelf is, het licht van de goddelijke wijsheid, hetgeen gelijk is aan de Zoon, ofwel de eigenlijke Zoon Zelf is, die echter niet uit Twee bestaat, maar volledig Een is met diegene, die Vader heet. Het is te vergelijken met de manier waarop licht en warmte of warmte en licht één zijn, omdat de warmte voortdurend licht en het licht voortdurend warmte geeft.

 

 

5  Jordaan. Johannes de doper getuigt van zichzelf.

 

(En dit is het getuigenis van Johannes aan de Joden, toen deze priesters en levieten uit Jeruzalem naar hem toezonden, opdat ze hem zouden vragen: Wie bent u? 1:19)

 

[I] Dit vers geeft een zuiver uiterlijke gebeurtenis weer en heeft daarom geen innerlijke betekenis. Wel kan men uit deze zending duidelijk zien, dat het hoogheidsgevoel der Joden al begon te vermoeden dat de bron van alle licht of de diepste grond van het leven de aardse mensen begon te naderen en al op aarde moest zijn, en het nam aan, dat deze diepste grond van al het leven zich in Johannes bevond en dat hij misschien de beloofde Messias was.

[2] Daarom zonden zij ook, meer afgaande op de reeds vermelde ver­moedens, dan uitgenodigd door de roep van Johannes als prediker, onderzoekers naar hem toe, die hem moesten vragen, wie hij was: Christus of Elia of een andere profeet.

 

(En hij zei hen de waarheid toen hij zei: “Ik ben Christus, de beloofde Messias, niet.' En zij vroegen hem verder: “Wie bent u dan? Bent u Elia?” – En hij zei: 'Ik ben het niet!' -En verder vroegen ze: “Bent u een profeet?” - Hij antwoordde: 'Neen!'  Joh. 1:20-21)

 

[3] De reden waarom ze Johannes ook vroegen of hij Elia of een andere nieuwe profeet was, vond zijn oorsprong in het feit dat er in hun profetische geschriften stond, dat Elia vóór de beloofde Messias zou komen en heel Israël op de grote komst van de Messias zou voorbereiden! Tevens zouden er in die tijd ook nog andere profeten opstaan, die eveneens als herauten voor de Messias uit zouden gaan. Dat wisten de met de Schrift bekende afgezanten uit Jeruzalem en daarom vroegen ze dat aan Johannes. Deze erkende echter dat hij dat allemaal niet was.

 

(En zij zeiden verder tegen hem: 'Zeg dan eens, wie u dan bent, opdat wij degenen, die ons gezonden hebben, een antwoord kunnen geven?!' -'Wat zegt u dan van uzelf?' Joh. 1:22)

 

[4] En zo moesten ze hem natuurlijk verder vragen wie hij dan wel was.

 

(Johannes zei echter: “Ik ben de stem van een die roept in de woestijn en de weg bereidt voor de Heer, gelijk de profeet Jesaja voorspeld heeft.” Joh. 1:23)

 

[5] Waarop Johannes dan pas erkent, dat hij slechts een roepende in de woestijn is en - naar Jesaja's profetie - de weg bereidt voor de Heer!

[6] Met recht zou je hier kunnen vragen, waarom Johannes dat in de woestijn deed, waarvan je toch vooruit kunt weten, dat zich daar zeker zeer weinig mensen zullen bevinden, en dat het daarom verstandiger zou zijn, om als voorloper een plaats op te zoeken met veel mensen. Wat kan in de dode woestijn zo'n geroep, al is het nog zo luid, voor nut hebben, als het geluid van het geroep veel eerder verklinkt, dan dat het waar dan ook een oor bereikt? En bereikt het toch toevalligerwijs een mensenoor, dan is dat resultaat toch veel te mager voor een zaak, die toch voor alle mensen van het grootste belang is!

[7] Op deze voorliggende vraag moet gezegd worden, dat met de uit­drukking -woestijn -niet zozeer gelegen, bedoeld werd, maar veel eerder de geestelijke woestijn in de harten van de mensen. De woestijn van Bethabara, waar Johannes inderdaad leefde, predikte en doopte, was voor dit doel slechts daarom gekozen, opdat de mensen konden zien hoe het er in hun eigen hart uit zag, namelijk net zo woest, leeg, zonder edele vruchten, maar vol dorens en distels, allerlei onkruid en vol adders en ander verwerpelijk kruipend gedierte. En in die menselijke woestijn treedt Johannes op als een ontwaakt geweten, wat hij zuiver geestelijk gezien ook is, en predikt boetedoening ter vergeving van de zonden en bereidt zo voor de Heer de weg naar de harten van de tot een woestijn geworden mensen.

[8] Dan blijft alleen nog de vraag over, waarom Johannes zich niet als Elia of als een profeet bekend maakte, terwijl hij volgens Mijn eigen getuigenis zowel het ene als zeker het andere was. Want Ikzelf heb bij een bepaalde gelegenheid tegen de apostelen en ook aan de andere toehoorders van Mijn leer rechtstreeks gezegd: Johannes was Elia, die vóór Mij komen zou, als u het van Mij wilt aannemen.

[9] De oorzaak van de ontkenning van Johannes ligt daarin, dat Johannes zich hier alleen de naam wil geven, die past bij zijn huidige taak en niet die bij zijn eerdere taak paste, toen hij als Elia op aarde was. Elia moest straffen en de Moloch vernietigen; Johannes moest echter oproepen tot oprechte boetedoening, de vergeving der zonden uitdelen door de doop met het water, en op deze wijze voor Mij de weg bereiden. En dit werk bepaalde voor hem, wie hij werkelijk was.

 

(En die gezonden waren, behoorden bij de Farizeeën. En deze vroegen hem nog meer en zeiden tot hem: 'Waarom doopt u dan, als u noch Christus, noch Elias en verder ook geen profeet bent?' Joh. 1:24-25)

 

[10] Omdat hij echter wel doopte, wat overigens alleen aan de priesters en de daartoe geroepen profeten, die dat konden bewijzen, toegestaan was, vroegen de door de jaloerse Farizeeën gezonden priesters en levieten aan hem, waarom hij dan op deze manier de mensen doopte, terwijl hij toch noch het een noch het ander was.

 

(Johannes antwoordde hen en zei: “Ik doop alleen met water; Hij (de Christus naar Wie je vraagt) is midden tussen jullie in gaan staan, maar je kent Hem niet.' Joh. 1:26)

 

[11] Johannes zegt: 'Ik doop alleen met water, dat betekent, ik was alleen maar en ben een wasser van onrein geworden harten, zodat ze waardig worden voor de ontvangst van de Ene, die om zo te zeggen zich allang in jullie midden ophoudt, maar Die jullie door je blindheid niet herkent!'

[12] Dit slaat ook op al diegenen, die Mij, de Heer, uiterlijk net zo zoeken als deze onderzoekers hier; die de landen en de zeeën bereizen en daar aan alle wijzen vragen: 'Waar is de Christus, wanneer en waar komt Hij?' De ware, Die midden in hun harten een verblijf voor Zich bouwde, en Die slechts daar te vinden is (het zijn toch zulke dwaalgeesten!), Die zoeken zij niet, in ieder geval niet op die ene plaats waar Hij alleen maar te zoeken en te vinden is.

 

('Hij is het, die komen zal, Die vóór mij was, van wie ik niet waard ben, dat ik zijn schoenriemen zou losmaken.” Dit gebeurde te Bethabara, aan de overzijde van de Jordaan, waar Johannes doopte. Joh. 1: 27-28)

 

[13] Hier geeft Johannes toch wel een zeer deemoedig getuigenis ten overstaan van de priesters en levieten, hij weet dan ook heel goed Wie in Christus de aarde betreden heeft; maar wat kan dat nu het wereldwijze priesterdom schelen! Ze laten het waarachtige getuigenis van Johannes zonder meer aan zich voorbijgaan, want ze wilden geen deemoedige, arme glansloze Messias, maar één waarvoor ogenblikkelijk alles en iedereen vol angst en schrik zou ineenkrimpen.

[14] Voor hen had de Messias meteen bij Zijn eerste optreden -natuurlijk nergens anders dan in Jeruzalem -, rechttoe rechtaan duidelijk zichtbaar uit de hemel komend, vuriger stralend dan de zon, begeleid door myriaden engelen en alleen de tempel verkiezend om te wonen, alle toenmalige bestuurders moeten uitschakelen en vernietigen, - en daarna had Hij de Joden ook meteen onsterfelijk moeten maken, hen al het geld van de aarde geven, minstens ettelijke honderden overbodig schijnende bergen met groot kabaal in zee slingeren, en daarbij ook nog het arme vuile gepeupel in één klap terecht moeten stellen! Dan zouden ze in Hem geloofd hebben en ook gezegd hebben: 'Heer U bent zowaar ontzettend sterk en machtig, alles moet zich voor U zo diep mogelijk buigen en in het stof werpen en de hogepriester is niet waardig U de schoenriemen los te maken.’

[15] Maar Christus kwam heel arm en klein en, zo op het oog, zwak op de aarde, deed bijna dertig jaar lang geen teken voor de ogen van de machtigen, maar werkte hard, was net als Jozef een timmerman en ging daarna ook nog met het hele gewone volk om. Hoe kon Hij dan zo in de ogen van de trotse en wijze Joden de zo lang verwachte Messias zijn? 'Weg met zo'n godslasteraar, zo'n magiër, die zijn daden alleen met behulp van de overste der duivels uitvoert! Zo'n doodgewone, boven het eikenhout verruwde en grove timmermansgezel, die ergens met behulp van de satan toveren geleerd heeft, blootsvoets over de weg gaat en de vriend is van ingemeen gespuis, met hen omgaat, hoeren aanneemt en met maar al te bekende zondaars eet en drinkt en bijgevolg met zijn doen en laten de wet overtreedt; zal dat de beloofde Messias zijn?! ­Nee, zo'n godslasterlijk idee hopen we nooit te krijgen!'

[16] Dit was het oordeel van de hoge en wijze Joden over Mij toen Ik geheel en al in het vlees aanwezig was op de aarde; en miljoenen hebben op dit moment nog precies datzelfde oordeel over Mij, want ze willen beslist niets horen over een zachtmoedige, vriendelijke en Zijn woord houdende God!

[17] Hun God moet ten eerste hoog boven alle sterren wonen en uit louter eindeloze verhevenheid bijna niet bestaan; iets wat minder dan een zon is, mag Hij niet scheppen als Hij tenminste een waardig God wil zijn! Ten tweede mag Hij het niet wagen de een of andere, en zeker niet de menselijke, gestalte aan te nemen, maar moet alleen maar een soort onbegrijpelijk onding zijn!

[18] Ten derde mag, gesteld dat Christus toch God was, Hij Zich alleen maar door het innerlijke woord openbaren aan mensen van het vak, zoals bepaalde sociëteiten, concilies, buitengewone piëtisten, met een aureool omgeven Zeloten en volleerde toonbeelden van deugd, en aan zo'n gelukskind moest Hij dan ook meteen de macht geven om bergen te verzetten; anders is het niets gedaan met de goddelijke boodschap en openbaring van Christus!

[19] Aan een leek of iets wat op een zondaar lijkt, mag de Heer Jezus zich nooit kenbaar maken; want in zo'n geval is de openbaring al verdacht en wordt net zo min aangenomen als dat Ik Zelf aangenomen werd door de hoge Joden, omdat Ik naar hun trotse en eerzuchtige mening met veel te weinig goddelijke waardigheid opgetreden ben; maar -dat alles doet niets ter zake! Alleen het getuigenis van Johannes geldt!

[20] De wereld zal nooit veranderen en blijft altijd de woestijn van Bethabara, waar Johannes zijn getuigenis gaf. -Maar Ik verander ook niet en kom steeds bij de mensen, net zoals Ik bij de Joden kwam om hun hoogmoed te onderdrukken en de ware deemoed en liefde op te wekken. Gezegend zijn allen, die Mij zo herkennen en opnemen, zoals Johannes Mij heeft herkend en heeft opgenomen volgens zijn getuigenis dat hij Mij gaf in het bijzijn van de trotse priesters en levieten uit Jeruzalem, die zich daaraan zo ergerden!

 

(De andere dag ziet Johannes Jezus naar zich toe komen en zegt: “Kijk, Dat is Gods lam, dat de zonden der wereld draagt!' Joh. 1:29)

 

[21] De daarop volgende dag doet hij tegenover hen nóg een keer een uitspraak over Mij, toen die onderzoekers zich nog te Bethabara ophielden en daar informaties inwonnen over wat deze Johannes nu eigenlijk deed, en wat zijn boodschap voornamelijk behelsde. Dat gebeurt dan bij de bekende gelegenheid als Ik uit de woestijn naar hem toe kom en van hem verlang, dat hij Mij moet dopen met het water van de rivier.

[22] Terwijl Ik hem nader, maakt hij de leider van de onderzoekers, die 's nachts datgene wat hij van Johannes gehoord heeft grondig overdacht heeft, op Mij opmerkzaam en zegt: 'Zie, Degene, die daar aankomt is het Godslam, dat alle zwakheden der mensen op zijn schouders genomen heeft, opdat de mensen, die Hem zullen aannemen, een nieuw leven van Hem krijgen en zelf de macht zullen hebben om met dit nieuwe leven Gods kinderen te zijn; want Jehova toont zich niet in de storm of in het vuur, maar slechts in het zachtste fluisteren van de wind.

 

(Deze is het, van Wien ik gezegd heb: Na mij komt een man, die vóór mij geweest is, want hij was er eerder dan ik.' Joh. 1:30)

 

[23] Johannes herhaalt hier nog eens datgene, wat hij al de voorgaande dag over Mij' tegen de onderzoekers heeft gezegd, en getuigt enerzijds van Mij, dat Ik als een spiegel van werkelijke en noodzakelijke menselijke deemoed tot de mensen kom, en met deze deemoed laat zien, dat Ik de mensen in hun zwakheid te hulp kom, maar niet in hun vermeende kracht, een kracht, die ze heus nooit hebben. Anderzijds getuigt Johannes~ dat het zo door hem genoemde 'Lam Gods' nochtans Diegene is, Die vóór alles wat bestaat reeds bestond, want de uitdrukking: 'Hij bestond eerder dan ik' betekent het volgende: Johannes - die gedurende een moment beseft welke hoge geest er in hem leeft - geeft daarmee aan zijn onderzoekers te verstaan dat, hoewel ook in hem dezelfde oorspronkelijke geest woont, hij daarentegen niet de geestelijke bron van alle leven is die in dit Lam woont, maar dat hij slechts door Diens kracht geheel vrij en zelfstandig geworden was. Omdat deze zelfstandigmaking een echte daad van de geestelijke bron van alle leven was, begon toen pas de eerste tijdsperiode; daarvóór was er niets anders in de gehele oneindigheid dan Jehova,de bron van alle geestelijke kracht, en dat is tevens Degene, die nu als Gods Lam zichtbaar voor hen staat en door hem gedoopt wil worden.

 

 

6 Johannes doopt de Heer met water.

           

('Ik kende Hem tot nog toe ook niet; maar om Israël met Hem bekend te maken, ben ik gekomen om met water te dopen' Joh. 1:31)

           

[1] Natuurlijk vroegen de onderzoekers daarop aan Johannes: 'Sinds wanneer ken je deze merkwaardige man dan en waarom voelde je je geroepen om dit getuigenis van Hem te geven?' Johannes antwoordde toen geheel naar waarheid, dat ook hij als mens Hem niet eerder had gekend, maar dat Zijn geest hem dat had ingegeven, en dat Die hem ook de impuls gaf, om de mensen op Deze Man voor te bereiden en hen met water uit de Jordaan van hun erge zonden schoon te wassen.

 

(En Johannes getuigde en zei vervolgens: “Ik zag dat de geest van God neerdaalde uit de hemel, zo zacht als een duif die naar beneden zweeft, en deze Geest bleef boven hem” Joh. 1:32)

 

[2] Johannes getuigt hier, dat ook hij Mij voor het eerst in levende lijve voor zich ziet, en dat Mijn geest in hem dat aan hem heeft geopenbaard. De onderzoekers bekeken deze Man natuurlijk goed en sloegen Hem gade tijdens de kort durende handeling van de doop met het water, die Johannes Mij eerst niet wilde geven, omdat Hij ervan overtuigd was dat Ik meer bevoegd was om hem te dopen, dan hij Mij; -maar aan Mijn uitdrukkelijk verzoek, om het zo te laten gebeuren, gaf hij gehoor en doopte Mij toch, maar zag daarbij wat Ik door Mijn geest in zijn geest had geopenbaard, toen Ik hem naar Bethabara zond, namelijk: hoe Gods geest, dat wil zeggen Mijn eigen bron van alle geest, in de vorm van een licht wolkje, als een duif zwevend, uit de met licht gevulde hemel naar Mij neerdaalde en boven Mijn hoofd bleef hangen. Daarbij hoorde hij de bekende woorden:

[3] 'Dit is Mijn geliefde Zoon, of dit is Mijn licht, Mijn eigen bron van alle kracht, aan Wien Ik, als de bron van alle liefde, Mijn welbehagen heb, luistert naar Hem!'

 

('Ik zou Hem anders ook niet herkend hebben; maar – Degene, Die mij zond om met het water te dopen, zei tegen mij: “Boven Wien je de geest van God neer ziet dalen en boven Wien hij dan blijft zweven, Die met de heilige geest zal dopen.' Joh. 1:33)

 

[4]  Daarom zegt Johannes: “Ik zou Hem anders niet herkend hebben!”

 

('Ik zag het en getuig nu, dat Deze werkelijk Gods Zoon is” Joh. 1:34)

 

[5] Pas na deze doop vertelde Johannes aan de onderzoekers wat hij had gezien en gehoord, en verklaarde onder ede dat de Gedoopte, Die hij reeds bij Diens naderbij komen als het aan hem geopenbaarde Lam Gods had aangekondigd, zonder twijfel de door geheel Israël verwachte Messias was: 'Deze is naar waarheid Gods Zoon', ofwel het eeuwige grondbeginsel Gods in God!

[6] Hij, Johannes, had met eigen ogen Diens geest neer zien dalen en boven Hem zien blijven zweven, en dat gebeurde niet om aan te geven dat deze Man die geest nu pas kreeg, maar het beeld manifesteerde zich alleen maar ten behoeve van hem, omdat ook hij anders niet geweten had, wie Hij was.

[7] Iedereen vraagt zich hier natuurlijk af, of die afgezanten uit Jeruzalem met hun ogen en oren niets van dit alles gemerkt hebben. Daarop is voor nu en altijd maar één antwoord: Alleen aan de eenvoudigen en de onmondige wordt het geopenbaard, voor de wijzen van deze wereld blijft het verborgen en verhuld.

[8] Dus zagen zij hier alleen maar de doop met het water, en ze ergerden zich niet weinig, toen Johannes hen vertelde wat hij had gezien en gehoord terwijl zij daarvan niets hadden bemerkt, en daarom betichtten zij Johannes ervan dat hij loog. Maar toen kwamen verscheidene leerlingen van Johannes naar voren en getuigden dat Johannes de volle waarheid had gezegd.

[9] Maar zij schudden hun hoofden en zeiden: ' Johannes is je meester en jullie zijn leerlingen van hem, daarom bevestigen jullie wat hij heeft gezegd. Wij zijn daarentegen geleerd en wijs in alle zaken van de Schrift die door Mozes en de profeten van God is ontvangen, en wij zien aan jullie manier van doen dat jullie en je meester dwazen zijn, die niets zien en niets weten en met je dwaasheid veel mensen het hoofd op hol brengt op een manier, die al geruime tijd hoogst ongewenst lijkt, blijkens de verhalen die de hoogsten uit de tempel daarover horen. Het beste zal zijn als jullie gedwongen worden hiermee op te houden.

[10] Johannes wond zich echter op en zei: 'Jullie addergebroed, jullie slangengebroed! Denken jullie daarmee het gericht te ontgaan? Zie de bijl, waarmee jullie ons zouden willen vernietigen, ligt reeds aan jullie wortel; ziet toe hoe je het verderf ontlopen zult! Als je niet in zak en as boete doet en je niet laat dopen, dan zullen jullie te gronde gericht worden!

[11] Want waarlijk! Deze was het, van Wien ik tot jullie gesproken heb: Na mij zal Diegene komen, Die vóór mij is geweest, want Hij was eerder dan ik. Van Zijn volheid hebben wij allen genade op genade gekregen (dit werd reeds eerder in het 15e en 16e vers van dit hoofdstuk gezegd, maar nog niet nader historisch belicht).

[12] Na het aanhoren van deze krachtige taal van Johannes blijven er een paar over, die zich door hem laten dopen; het grootste deel trekt echter woedend weg.

[13] Deze verzen hebben duidelijk alleen maar betrekking op een histo­rische gebeurtenis en ze hebben weinig geestelijke betekenis, die ook al door de voorgaande commentaren niet moeilijk te vinden is. Wel moet hier vermeld worden, dat zulke verzen beter begrepen worden, als men alles, wat men in de beschreven tijd vanzelfsprekend vond, er bij vermeldt. Want in de tijd, dat de evangelist het evangelie schreef, was het de gewoonte om alle mogelijke omstandigheden die men vanzelfsprekend vond, als onnodige ballast weg te laten, en alleen de hoofdzinnen op te schrijven en alle bijkomstige omstandigheden zo gezegd, tussen de regels door, te laten lezen. Om deze, voor onze tijd belangrijke zaak nader te belichten, willen we nu de hierna volgende drie verzen vanuit deze gezichtshoek een beetje beter bekijken, en dan zal de toenmalige manier van schrijven (de syntaxis) wel aan het licht komen en te herkennen zijn.

 

7 Drie verzen als voorbeeld

 

(De volgende dag stond Johannes weer met twee van zijn discipelen. Joh 1:35)

 

[1] Geheel volgens de grondtekst luidt bijvoorbeeld het 35e vers: 'De volgende dag stond Johannes weer en twee van zijn leerlingen'. Daarbij vraagt men zich dan af: waar stond hij en waren de twee leerlingen bij hem, of stonden ze terzelfder tijd op een andere plaats? -Het valt hier iedereen meteen op, dat hier geen standplaats en ook geen handeling van de leerlingen omschreven is.

[2] Waarom heeft de evangelist die omstandigheden niet vermeld?

[3] De reden hiervan werd hierboven al aangegeven: het is een vanzelf­sprekendheid! Zeker in die tijd, waarin het gebruikelijk was om zo te schrijven, was het vanzelfsprekend dat -Johannes aan de rivier de Jordaan onder een wilg stond en daar wachtte voor het geval er iemand zou komen om zich door hem te laten dopen. En omdat hij meer leerlingen had die zijn leer hoorden en ook opschreven, waren er gewoonlijk twee of soms, afhankelijk van wat er te doen was, meer bij hem, die hem bij zijn vele doophandelingen behulpzaam waren en ook wel in zijn naam en op zijn manier doopten.

[4] Omdat in die tijd al die omstandigheden bij de groep om Johannes overbekend waren, werden ze niet opgeschreven. Behalve dat dit zo gebruikelijk was, had men daar nog een reden voor, namelijk het gebrek aan schrijfmateriaal. Daarom schreef men slechts de hoofdzaken op en gaf aan het begin van een zin door het verbindingswoord -en­ aan dat de losstaande zinnen bij elkaar behoorden. Deze verbindingswoorden werden dan meestal niet met letters weergegeven, maar met algemeen bekende symbolen vooraan de bij elkaar behorende zinnen.

[5] De hier gegeven uitleg is weliswaar op zichzelf geen evangelische verklaring, maar toch wel nodig, omdat zonder deze de evangeliën, voor wat betreft hun uiterlijke historische betekenis, in onze tijd nauwelijks te begrijpen zijn, en hun innerlijke geestelijke betekenis nog veel minder. Dit geldt vooral voor de profetische boeken uit het oude testament, waarin in plaats van verklarende zinnen alleen maar daarmee overeenstemmende beelden voorkomen, en waar natuurlijk van een beschrijving, van welke bijbehorende omstandigheid dan ook, geen sprake kan zijn. Omdat we nu echter deze regels uit de toenmalige tijd kennen, zal het voor ons in het vervolg niet zo moeilijk zijn om alle hiernavolgende teksten en verzen gemakkelijker met elkaar te verbinden, juister te lezen en in ieder geval het natuurlijke, historische deel beter te begrijpen. Wij willen zo'n korte analyse ook nog maken van het 36e en 37e vers, zodat de gegeven regel begrijpelijk wordt.

 

(En toen hij Jezus weer zag wandelen, zei hij: 'Zie, Dat is Gods Lam!' Joh. 1:36)

 

[6] In het 36e vers staat oorspronkelijk: “En als hij Jezus zag wandelen, sprak hij; Zie, Dat is Gods Lam!” Het “en” geeft hier aan, dat deze tekst tot het voorgaande in een bepaalde betrekking staat. Geschiedkundig wil dit zeggen, dat Jezus Zich na de verkregen waterdoop nog enige tijd in de omgeving van Johannes heeft opgehouden, en daarom zowel door twee jongeren als door Johannes zelf aan de oever van de Jordaan wandelend werd gezien.

[7] Als Johannes Hem ziet, vat hij onmiddellijk al zijn gedachten in één tezamen en zegt als in geestvervoering: 'Zie, Dat is Gods Lam!' Heden ten dage zou hij zoiets hebben gezegd als: 'Kijk daar! Daar aan de oever van de rivier wandelt nu nog de allerhoogste Godmens zo bescheiden en zo deemoedig als een lam'. Johannes slaat al deze nadere aanduidingen over en zegt slechts datgene wat in het vers staat.

 

(En toen de twee leerlingen Johannes zo hoorden spreken en volgden Jezus Joh.l:37)

 

[8] Het 37e  vers, dat eigenlijk het vervolg beschrijft van de beide voorgaande, begint daarom met 'en' en geeft slechts heel eenvoudig aan wat gebeurd is, daarbij zo kort mogelijk de reden aangevend.

[9] De oorspronkelijke tekst luidt: 'En twee van zijn leerlingen hoorden hem spreken en volgden Jezus.' In onze tijd zou het vers, zonder de betekenis en de zin geweld aan te doen, aldus luiden: 'Toen echter de beide leerlingen, die bij hem waren, hun meester zo hoorden spreken, verlieten zij hem dadelijk en gingen naar Jezus, en omdat Jezus Zich nu van deze plaats verwijderde, volgden ze Hem.

[ 10] Alles wat in deze tekstverklaring is aangedragen, moet bij deze gebeurtenis voorgevallen zijn, omdat anders het voorval niet had kunnen plaats vinden. Maar zoals gezegd, volgens de toen gebruikelijke schrijftrant worden slechts de twee begrippen - horen - en het onmiddellijke - volgen - aangestipt, waarbij alle overgangs-­ en verbindingswoorden als vanzelf­sprekend worden weggelaten. Wie deze gegeven regel goed begrijpt, zal tenminste het geschiedkundige deel van de oorspronkelijke tekst op een begrijpelijker wijze bij elkaar zetten, en zich daardoor ook de innerlijke betekenis makkelijker voor kunnen stellen

 

8 Bethabara De Heer roept Andréas en Petrus

 

(Maar Jezus keerde Zich om, zag de twee volgen zei tegen hen: Wat zoeken jullie?' Zij zeiden echter tot Hem: 'Rabbi, waar houdt Gij verblijf!' Joh. 1:38)

 

[ 1] Ook deze tekst is een vervolg op de voorgaande en is meer geschied­kundig dan geestelijk, want hiermee begint in eerste instantie de bekende en op een bepaalde manier nog geheel stoffelijke opname van de apostelen. Het vindt plaats in dezelfde omgeving waar Johannes verbleef, en wel in Bethabara, een zeer armelijk, door arme vissers bewoond gehucht, en dat is dan ook de reden waarom de beide leerlingen al zo snel naar het onderkomen vragen, en eigenlijk van Mij willen weten in welke hut Ik woon.

[2] Omdat Ik Mij, vóór de doop, veertig dagen in deze omgeving had opgehouden en Mijn menselijke wezen door vasten en andere oefeningen op het komende geven van onderricht had voorbereid, is het geschied­kundig logisch, dat Ik daarom in dit gehucht ergens een onderkomen moest hebben dat in dezelfde woeste en zeer onherbergzame omgeving lag die Ik voor Mijn doel het geschiktste achtte.

[3] De beide leerlingen wisten wel dat Ik al enige tijd in deze omgeving woonde, want ze konden Mij al wel ettelijke malen daar gezien hebben, zonder echter te vermoeden wie Ik was. Daarom vroegen ze ook niet direct naar Mijn eigenlijke geboorteplaats, maar slechts naar het onder­komen in het plaatsje Bethabara, dat voor het merendeel uit schamele vissershutten bestond, die uit leem en biezen opgetrokken waren en vaak nauwelijks zo hoog waren, dat een man er rechtop in kon staan.

[4] In zo'n hut woonde Ik ook; Ik had deze hut met Mijn eigen handen tamelijk ver in de woestijn gebouwd. Uit die tijd dateren nog heden de kluizenaarswoningen, die in bijna alle christelijke landen voorkomen

 

(Hij sprak tot hen: 'Komt en ziet.' Zij gingen met Hem mee en zagen het, en zij bleven dien dag bij Hem; het was omstreeks het tiende uur. Joh. 1:39)

 

[5] Het was, van de plaats waar Johannes predikte, niet ver naar dat onderkomen; daarom zei Ik tot de beide leerlingen: 'Komt en ziet!', waarop beiden Mij zonder meer volgden. Zij bereikten samen met Mij spoedig Mijn onderkomen en verwonderden zich daar bijzonder over het feit dat de Gezalfde van God vrijwel het armelijkste hutje bewoonde, wat daarbij ook nog op een van de onherbergzaamste plaatsen van deze woestijn stond!

[6] Dit alles gebeurde niet omstreeks de tijd, waarop de tegenwoordige christelijke kerken gewoonlijk aannemen dat de veertig dagen vasten plaatsvonden, maar twee maanden later. Toen wij het onderkomen bereikten, was het volgens de toenmalige tijdrekening ongeveer tien uur; dat is volgens de huidige tijdrekening ongeveer drie uur 's.middags, want in die tijd bepaalde het opgaan van de zon het eerste uur van de dag. Omdat de zonsopgang echter steeds verschuift, kunnen de toenmalig aangegeven dagtijden, uren genoemd, niet exact, maar slechts benaderend met de tegenwoordige dagindeling vergeleken worden; daarom zei Ik hierboven: Het was ongeveer drie uur 's middags toen Ik met de beide leerlingen het onderkomen bereikte. -Omdat de beide leerlingen deze dag tot zonsondergang bij Mij doorbrachten, zal zeker bij onderzoekende lezers de vraag opkomen, wat wij drieën gedurende die tijd van drie tot ongeveer acht uur in en bij Mijn onderkomen gedaan hebben, want daarover staat niets geschreven. Nu, dat laat zich haast vanzelf raden:

Ik onderwees deze beiden over hun toekomstige bestemming en vertelde hen ook, hoe en waar Ik het eerst met Mijn onderwijzingen zou beginnen en hoe Ik in deze omgeving nog meer mensen, die wat geest en wil betreft gelijk waren aan hen, tot Mijn leerlingen zou op­ en aannemen. Tevens gaf Ik hen de opdracht om onder hun collega's, die merendeels ook vissers waren, na te vragen en te overleggen, of er nog bij waren die zich bij Mij wilden aansluiten. Dat bespraken wij gedurende die tijd. Toen echter de avond viel, liet Ik de beiden gaan en ze begaven zich, ten dele zeer opgewekt, ten dele echter ook zeer nadenkend, naar de hunnen terug, want ze hadden vrouwen en kinderen en ze wisten niet wat ze daarmee aan zouden vangen.

 

(Andréas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren. Joh. I :40)

 

[7] Een van de twee, met de naam Andréas, is met zijn besluit gauw klaar en wil Mij tot elke prijs volgen; hij zoekt daarom broer Simon, die ergens nog met zijn visnetten bezig is.

 

(Deze vindt eerst zijn broeder Simon en zegt tot hem: “Wij hebben de Messias gevonden!' Joh. 1:41)

 

[8] Als hij hem na enig zoeken vindt, weet hij niets beters te doen dan hals over kop aan Simon te vertellen, dat hij de beloofde Messias gevonden heeft, samen met een ander, die nog niet zeker wist of hij Mij zou volgen

 

(En Andréas brengt hem tot Jezus. Toen Jezus hem zag, zei Hij: “Jij bent Simon, de zoon van Jona; van nu af aan zul je echter Céphas heten!” Joh I:43)

 

[9] Als Simon zo over Mij hoort spreken, uit hij levendig de wens om Mij zo snel mogelijk te zien, want hij was niet bij de doop aanwezig geweest. Andréas zegt: 'Vandaag kan dat met goed fatsoen niet meer gebeuren, maar morgen zul je bij het aanbreken van de dag bij Hem zijn!'

[10] Daarop zegt Simon, die steeds bij zijn bezigheden over de Messias fantaseerde en van mening was, dat de Messias de armen helpen en de rijken met hun harde harten geheel vernietigen zou: 'Broer, er is geen moment te verliezen; ik laat ogenblikkelijk alles liggen en volg Hem tot aan het einde der wereld, als Hij dat wil. Breng me daarom direct naar Hem toe, want ik voel een geweldig innerlijk verlangen en ik moet Hem vandaag nog zien en spreken. De nacht is helder en het is niet ver naar Zijn hut, dus laten we dadelijk maar op weg gaan! -Wie zal zeggen of we Hem morgen nog aantreffen?!'

[11] Andréas zwicht voor deze aandrang en brengt hem naar Mij toe. Als ze al tamelijk Iaat in de nacht Mijn onderkomen naderen, blijft Petrus in zoete verrukking op dertig pas afstand staan en zegt tegen Andréas: 'Het wordt me zo vreemd te moede! Ik voel een verheven zoete angst; ik durf nauwelijks nog een stap vooruitte doen en toch heb ik zo’n groot verlangen in mij om Hem te zien!'

[12] Op dit moment kom Ik uit Mijn hut en ga de beide broers tegemoet, hetgeen wordt weergegeven met 'dat Ik hem zag'. Het spreekt vanzelf, dat met dit 'zien' Mijn geestelijk tegemoetkomen bedoeld wordt wanneer iemand, net als Simon, voornamelijk in zijn hart tot Mij komt. Ik herken hem dan ook meteen, dat betekent, Ik neem hem direct aan, en een nieuwe naam is voor hem het begin van zijn deelname aan Mijn rijk. Simon krijgt de naam Céphas ofwel een rots in het geloof aan Mij, want Ik had al veel eerder gezien welke geest in Petrus leeft en leefde.

[13] Voor Petrus of Simon bewees hetgeen Ik zei voldoende dat Ik stellig de beloofde Messias was; vanaf dat moment twijfelde hij daar niet aan, en hij vroeg Mij ook nooit met één enkel woord of Ik wel de Echte was, want hij vertrouwde volkomen op wat zijn hart hem ingaf. Beiden bleven ze nu tot aan de ochtend bij Mij en later verlieten ze Mij niet meer.

 

9 Jordaan. Ook Philippus en Nathánaël volgen

 

(De volgende dag wilde Jezus weer naar Galiléa gaan en Hij vindt Philippus en zegt tegen hem: 'Volg Mij" Joh.l:43)

 

[I] 's Morgens zeg Ik tegen hen: 'Mijn tijd in deze woestijn is voorbij, Ik zal naar Galiléa gaan, waar Ik vandaan ben gekomen. Willen jullie meetrekken? Ik laat jullie daarin geheel vrij, want Ik weet dat jullie vrouw en kind hebben en deze niet gemakkelijk verlaten. Maar niemand, die voor Mij iets verlaat, zal het verlatene verliezen, maar het veelvoudig terug winnen.’

[2] Petrus zegt daarop: 'Heer! Voor U verlaat ik mijn leven, dus zeker mijn vrouwen kind! Die zullen ook zonder mij wel in leven blijven, want ik ben een bedelaar en kan hen maar weinig brood geven; onze visserij brengt nauwelijks voldoende op voor een halve mensenmond, laat staan dat je er een familie voldoende mee kunt voeden! Mijn broer Andréas kan dat getuigen. In Bethsaïda zijn wij geboren, maar het levensonderhoud moesten wij hier aan deze woeste, maar toch nog tamelijk visrijke oevers van de Jordaan zoeken, waar wij nu ook door Johannes zijn gedoopt. Onze vader Jona is nog sterk genoeg en onze vrouwen en zusters ook; daarbij nog de zegen van boven en ze komen er wel door!' Ik prijs hen voor dit vertrouwen en we gaan op weg.

 

(Philippus nu was uit Bethsaïda, de stad van Andréas en Petrus. Joh. 1:44)

 

 [3] Langs de weg, die nog enige tijd langs de oevers van de Jordaan slingerde, troffen wij Philippus aan, eveneens geboortig uit Bethsaïda, die in alle vroegte met een slecht net in de golven van de Jordaan een ontbijt zocht. - Petrus vestigde Mijn aandacht op hem en zei: 'O Heer! Deze man lijdt veel en is zeer arm, maar tevens is hij een zeer eerlijk redelijk en godvruchtig mens. Wat zou U er van denken, als U hem ook met ons mee liet gaan?'

[4] Op zo'n hartverwarmend voorstel van Petrus kan Ik alleen maar antwoorden met: 'Philippus, volg Mij!' Deze laat zich dat geen tweemaal zeggen, laat zijn net op de grond vallen en volgt Mij, zonder te vragen waarheen. Pas onderweg zegt Petrus tegen hem: 'Degene, die wij volgen, is de Messias!' Philippus zegt dan: 'Op het moment, dat Hij mij zo liefderijk geroepen heeft, heeft mijn hart mij dat al ingegeven'.

[5] Philippus was ongehuwd en omdat hij tamelijk veel van de Schrift wist gaf hij onderwijs aan de arme vissers. Hij kende Jozef van Nazareth persoonlijk, en kende Mij ook en wist daarom veel van wat er bij Mijn geboorte en in Mijn jeugd was voorgevallen. Hij was ook een van de weinigen, die in Mijn persoon heimelijk de Messias verwachtten; maar omdat Ik vanaf Mijn twaalfde jaar niets wonderbaars meer deed, maar net eender leefde en werkte als ieder ander heel normaal mens, verdween bij veel mensen de eerste wonderbare indruk die Mijn geboorte achterliet, geheel en al. Zelfs de meest enthousiasten van toen, zeiden nu, dat Mijn geboorte slechts door een opmerkelijk samenvallen van alle mogelijke omstandigheden en verschijnselen zo wonderlijk beroemd was geworden, maar dat Mijn geboorte daar beslist niets mee te maken had gehad. Ook zou Ik het geniale uit Mijn jeugd zo totaal verloren hebben, dat er, nu Ik man was geworden, niets meer van te ontdekken viel! -Maar Philippus en nog enkelen hadden een zekere hoop behouden, want ze kenden de voorspelling van Siméon en Anna, die bij Mijn besnijdenis in de tempel uitgesproken werd, en daar verwachtten ze veel van.

 

(Philippus vindt Nathánaël en zegt tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van Wien Mozes in de wet geschreven heeft en waarvan de profeten geschreven hebben; het is Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth.' Joh. 1:45)

 

[6] Terwijl hij Mij volgt, kijkt Philippus opmerkzaam langs de weg in het rond en ziet Nathánaël, terwijl deze onder een vijgenboom zittend zijn visgerei herstelt, en hij zegt vol vuur tegen hem: 'Broeder, ik heb de hele lange weg al naar je uitgekeken en ben nu van ganser harte blij, dat ik je gevonden heb, want kijk, we hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet heeft geschreven en waarvan de profeten hebben geschreven; het is toch Jezus, Jozefs zoon uit Nazareth!'

 

(En Nathánaël zei tegen hem: 'Wat voor goeds kan er uit Nazareth komen? Philippus zei daarop: 'Kom en zie het zelf!' Joh. 1:46)

 

[7] Nathánaël reageert wat onwillig en zegt: 'Wie kent het slechte nest Nazareth niet?! -Wat voor goeds kan er dan wel uit dit nest komen?! En de Messias wel het allerminst!' Philippus zegt echter: 'Ik weet wel, dat je het in dit opzicht altijd met mij oneens was, hoewel ik je wel honderdmaal mijn redenen verklaard heb, maar kom nu en overtuig je zelf, en je zult beamen, dat ik volkomen gelijk heb gehad!'

[8] Nadenkend komt Nathánaël overeind en zegt: 'Broeder, dat zou een zeer groot wonder zijn! Want het gepeupel van Nazareth is toch echt wel het slechtste van de hele wereld! Met een Romeinse munt kan je toch van een Nazareeër alles maken wat je maar wilt?! In dit nest is allang geen geloof meer, noch aan Mozes noch aan de profeten! Kortom van een Nazareeër kun je maken wat je wilt, en er is al heel lang een spreekwoord dat zegt: 'Hij is nog slechter dan een Nazareeër!' En jij zegt dat de Messias daar vandaan komt, en je wilt me naar Hem toebrengen, zodat ik Hem zal zien?! -Nou, nou, bij God is wel niets onmogelijk, we zullen eens zien!'

 

(Als Jezus Nathánaël tot Zich ziet komen, zegt Hij hardop over hem: 'Zie een goede Israëliet, in dewelke geen bedrog is!' Joh.1 :47)

 

[9] Na deze woorden gaat Nathánaël met Philippus in de richting van Jezus, Die intussen een honderd passen verderop wat uitrust. Als beiden echter in de nabijheid van Jezus zijn, zegt Deze hardop: 'Zie Israëliet, een goede waarin geen bedrog is!'

 

(Nathánaël zei tot hem: Hem: 'Vanwaar kent U mij dan? Jezus antwoordt en zegt tot hem: “Eer Philippus je riep, toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je'.

Joh. 1 :48)

 

[10] Nathánaël verwondert zich hogelijk over deze rake beschrijving, die hij Mij zo luid hoort uitspreken, en vraagt meteen: 'Waarvan kent u mij dan, dat u zoiets over mij zeggen kunt? Want mijn innerlijk is alleen aan God en mij bekend; en ik was nooit opschepperig en heb mij nooit op mijn deugden voor laten staan. Waarvandaan weet u dan, hoe ik ben?' Terwijl Ik hem aanzie, zeg Ik tegen hem: 'Daarnet, toen Philippus je riep toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je!'

 

(Nathánaël antwoordt en zegt tot Jezus: 'Rabbi! -U bent waarlijk de Zoon van God! U bent de koning van Israël!' Joh. 1:49)

 

[11] Mijn uitspraak over hem maakt dat Nathánaël zich zeer verbaast, en onmiddellijk reageert hij met een bewogen hart: 'Meester! Hoewel U een Nazareeër bent, bent U toch waarachtig Gods Zoon! Ja, U bent ongetwijfeld de koning van Israël waarnaar zo lang reeds verlangend is uitgezien, Degene, Die zijn volk uit de klauwen van de vijanden bevrijden zal! O Nazareth, o Nazareth, hoe klein was je en hoe groot word je nu! De laatste zal tot eerste verheven worden! O Heer! Hoe snel gaf U mij het geloof! - Hoe komt het nu dat iedere twijfel uit mij verdween, en ik nu volkomen geloof dat U de beloofde Messias bent!'

 

(Jezus antwoordt en zegt tegen Nathánaël: 'Je gelooft omdat Ik tegen je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgenboom. Je zult nog grotere dingen zien dan dat"

Joh. 1:50)

 

[12] Op de vraag van Nathánaël antwoord Ik eerst met wat in het bovenstaande vijftigste vers staat, en toon daardoor aan Nathánaël, dat hij weliswaar nu gelooft, dat Ik de beloofde Messias ben, maar dat hij slechts tot dat geloof gekomen is door de in Mij ontdekte alwetendheid, die alleen in God kan zijn. Ik zeg daar echter nog bij, dat hij later nog grotere dingen zal zien, waarmee Ik hem zoveel wil zeggen als: Je gelooft nu door een wonder, later zul je echter vrij geloven!

 

(En Jezus zegt verder tegen hem: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie, -van nu af aan zullen jullie de hemelen open zien en de engelen Gods zien opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen! (Joh. 1:51)

 

[13] En Iet op, Ik zeg jullie: van nu af aan zullen jullie allen de hemelen open zien en de engelen van God op zien stijgen en af zien dalen naar de Zoon des mensen, -wat zoveel wil zeggen als: In het vervolg, als jullie uit Mij de wedergeboorte van jullie geest zullen verkrijgen, dan zullen de levenspoorten geopend worden. Jullie zullen dan, zelf engelen zijnde, de door Mij in de wedergeboorte tot engelen en daardoor tot 'kinderen Gods' gemaakte mensen, van de dood naar het eeuwige leven zien trekken. Daarentegen zullen jullie ook veeloorspronkelijk geschapen hemelgeesten uit alle hemelen naar beneden naar Mij, de Heer van al het leven, zien afdalen en daar in Mijn voetstappen, de voetstappen van de Mensenzoon, zien treden, Mijn voorbeeld en Mijn getuigenis volgend.

[14] Dit is het einde van het eerste hoofdstuk van het bijbelse evangelie van Johannes. Met de hierbij gegeven uitleg moet het op de juiste manier te begrijpen zijn; maar niemand moet nu denken, dat het begrip, dat hier gegeven is, alles omvat! O, dat doet het niet; het is echter wel een praktische wegwijzer, waarmee ieder, die van goeden wille is, in allerlei diepten van de goddelijke wijsheid ingeleid kan worden en daardoor in elk vers op allerlei manieren de zin van het leven kan zien en herkennen. Bij dit alles is, zoals reeds gezegd, deze gegeven uitleg een waarachtig richtsnoer, waarmee alles gemeten en beoordeeld kan worden.

 

 

De bruiloft te Kana in Galiléa De tempelreiniging.

 

10. Kana. De drie stappen tot wedergeboorte

     

(En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa en de moeder van Jezus was daar. Joh. 2:1)           

 

[ 1] Het 'en' dat hier aan het begin van het eerste vers van het tweede hoofdstuk van het bijbelse evangelie van Johannes staat, geeft aan dat de beide hoofdstukken bij elkaar horen, hetgeen ook al blijkt uit het feit, dat deze bruiloft in het huis van een zeer met Jozef bevriende familie, op de derde dag plaats vond. Deze derde dag werd namelijk berekend vanaf de dag dat Ik met Mijn -tot aan deze gebeurtenis nog maar vier leerlingen -Bethabara verliet. Daarna was Ik een volle dag in gezelschap van Mijn vier leerlingen in het huis van Jozef, die echter niet meer leefde. Ik was bij de moeder van Mijn lichaam, die samen met Mijn andere broers natuurlijk erg veel moeite deed om ons zo goed mogelijk te verzorgen.

[2] Want Maria wist in haar hart wel dat Mijn tijd nu gekomen was om als de verwachte Messias op te treden en te werken; maar ze wist, net als zoveel anderen, niet waaruit Mijn werk zou bestaan. Ook zij geloofde voorlopig nog steeds in de volledige verdrijving van de Romeinen, en aan de oprichting van de machtige troon van David en het daaraan verbonden onwrikbare en onoverwinbare, goddelijk heerlijke aanzien, dat vanaf dat moment niet meer zou ophouden.

[3] De goede Maria en Mijn hele aardse familie dacht dat de Messias een overwinnaar van de Romeinen en andere vijanden van het beloofde land zou zijn; immers de brave mensen hadden van de beloofde Messias ongeveer dezelfde foute verwachting, die veel eerbare mensen in onze tijd ook hebben van het duizendjarige rijk. Maar het is nog niet het juiste moment om hen tot andere gedachten te brengen.

[4] Omdat dus Mijn eigen huis, te beginnen met Maria, zulke verwach­tingen van de toekomstige Messias had, is het niet te verwonderen, dat andere bevriende families er net eender over dachten.

[5] Daarom hadden veel families de grootste belangstelling voor Mij en natuurlijk ook voor degenen, die Ik Mijn leerlingen noemde, en daarom besloten Jacobus en Johannes ook om leerlingen van Mij te worden, om dan samen met Mij de volkeren der aarde te beheersen! Want ook zij waren al veel vergeten van wat Ik hen vaak als kind reeds behoorlijk duidelijk voorspeld had.

 

(Jezus en Zijn leerlingen werden ook op de bruiloft genodigd.2:2)

 

Dientengevolge had Ik in bijna alle betere huizen in de hele omgeving van Nazareth, zelfs in bijna geheel Galiléa, de verwachting gewekt een binnenkort optredende bevrijder van het Romeinse juk te zijn. Pas sinds een paar maanden was Ik begonnen met het nemen van enige maatregelen die in die richting duidden, waardoor in de bevriende huizen de aan Mijn persoon verbonden voorspellingen weer tot leven kwamen, zoals zoveel wat sinds achttien jaar ingeslapen en vergeten was. Dat was dan ook de reden waarom Ik, tesamen met Mijn leerlingen, Mijn moeder Maria en een aantal andere familieleden en bekenden zelfs naar Kana, een oud stadje in Galiléa, dat niet ver van Nazareth lag, uitgenodigd werd bij een voorname bruiloft, waarop het echt blij en vrolijk toeging. De vier leerlingen maakten daarover tegen Mij de opmerking:

[7] 'Heer! Het leven is hier aanmerkelijk beter dan in Bethabara! De arme Johannes zou waarschijnlijk ook erg blij zijn als hij in plaats van zijn verdraaid slechte kost, die meestal uit wat met kokend water overgoten sprinkhanen en uit honing van wilde bijen bestaat, zo'n maaltijd als deze eens in zijn leven kon proeven!' (Er bestaat in die omgeving net als in Arabië een soort sprinkhaan ter grootte van een duif, die klaargemaakt en gegeten wordt, zoals men bij ons kreeften klaarmaakt en eet).

[8] Daarop zei Ik tegen hen: 'Waarom Johannes zo leven moet, begrijpen jullie nu nog niet; want hij moet zo leven omdat anders de Schrift niet vervuld wordt. Hij zal echter weldra in een beter leven komen. Jeruzalem zal hem in de woestijn niet lang meer laten begaan, hij zal van nu af minder worden, opdat een ander toe zal nemen!

[9] Hoe staat het echter met die leerling, die met jou, Andréas, eerst bij Mij was? Komt hij nog na, of blijft hij in Bethabara?' Andréas antwoordt: 'Zie hij komt al, hij had nog wat te regelen'. Ik zeg daarop: 'Zo is het goed! Want waar een Céphas is, daar moet ook een Thomas zijn'. Daarop zegt Andréas: ' Ja, dat is zijn naam! Een eerlijke ziel, maar ook steeds vol gewetensbezwaren en twijfel; wat hij echter eenmaal aangegrepen heeft, dat laat hij ook nooit meer los, hoewel hij een zeer vrijgevig hart heeft. Door deze vrijgevigheid heeft hij ook die bijnaam gekregen. -Hij komt, Heer, moet ik hem binnenroepen, deze gesplitste persoon?' Ik antwoord: 'Ja doe dat! - Want wie in Mijn naam komt, behoort bij de bruiloft als gast uitgenodigd te zijn!'

 

(En omdat er gebrek aan wijn kwam, zei Maria tot Jezus: 'Zij hebben geen wijn!' Joh. 2:3)

 

[10] Volgens het toenmalige gebruik moest een binnenkomende gast met een beker wijn verwelkomd worden. Maria had echter al een tijdje gemerkt dat de wijnvoorraad op was, en ze zag dat men de nieuw aangekomen gast niet geheel volgens het gebruik verwelkomen kon; daarom zei ze zachtjes tegen Mij: 'Maar m'n lieve zoon, dat zal me wat worden! Ze hebben geen wijn meer! Zou Jij daar niet voor kunnen zorgen?'

 

(Jezus zegt tot haar: 'Vrouw, waarom meng je je in Mijn zaken? Mijn uur is nog niet gekomen.' Joh. 2:4)

 

[11] Daarop geef Ik Maria heel zachtjes temidden van alle gasten een tweeduidig antwoord en zeg, rekening houdend met de toen rond Nazareth gebruikelijke gewoonte: 'Vrouw, waar maak je je druk over? - Ik, als uitgenodigde gast, ben nog niet aan de beurt om voor de wijn te zorgen, Mijn tijd is nog niet gekomen!' - (In deze tijd en omgeving moest namelijk iedere op de bruiloft genodigde mannelijke gast een vrijwillige gift, in de vorm van wijn, als bijdrage meebrengen. Daarbij moest men met een zekere volgorde rekening houden, zodanig dat de gaven van de naaste familie het eerst gebruikt werden en pas als deze op waren, op volgorde van belangrijkheid, de gaven van de gasten die geen familie waren) ­Maria wist echter dat de wijnvoorraad van allen reeds verbruikt was; daarom richtte ze zich tot Mij en vroeg Mij als het ware om dit keer de gebruikelijke volgorde niet in acht te nemen, vooral omdat er juist een nieuwe gast aankwam en er voor diens verwelkoming geen druppel wijn meer was! Dat was een ongewone vraag voor haar, maar dat kwam omdat ze er zo op gesteld was, dat bij zo'n gelegenheid alles volgens het oude gebruik verliep. Ofschoon Ik Mij niet erg toeschietelijk toonde, kende ze Mij wel zo goed, dat ze wist dat Ik haar nooit iets weigeren zou wat ze graag wilde.

 

(Zijn moeder zegt tegen de bedienden: 'Wat  Hij jullie ook zal zeggen, doet dat!' Joh. 2:5)

 

[12] Dus wendde zij zich, in goed vertrouwen op Mij, tot de tafeldienaren en zei tot hen: 'Wat mijn zoon tegen jullie zeggen zal, dat moet je doen'.

[13] Tot zover gaat het eigenlijke geschiedkundige van deze verzen van het tweede hoofdstuk van het bijbelse evangelie van Johannes. Binnen deze historische gebeurtenis of­ ook wel gezegd -boven deze geschiedenis uit, kan men reeds een geestelijke en derhalve profetische betekenis ontwaren, die, als men zich geestelijk daarop bezint, al snel duidelijk wordt.

[14] Wie ziet niet de zeer opvallende overeenkomst tussen deze bruiloft, die op de derde dag na Mijn terugkomst uit de woestijn van Bethabara plaats vond, en Mijn opstanding, die na Mijn kruisiging ook juist op de derde dag plaats vond!

[ 15] Deze bruiloft kondigde op die manier profetisch aan, wat na drie jaar met Mij gebeuren zou, en daarbij werd in wat ruimere zin tevens aangekondigd, dat Ik na drie jaar beslist als eeuwige bruidegom met Mijn volgelingen en degenen, die Mij werkelijk liefhebben, een echte bruiloft, namelijk hun wedergeboorte tot het eeuwige leven, houden zal!

[16] In algemeen praktische zin echter getuigt deze bruiloftsgeschiedenis, die exact drie dagen na Mijn terugkomst uit de woestijn plaats vond, van de drie toestanden, die ieder mens door moet maken om tot de wedergeboorte des geestes te komen of om de levensbruiloft in het grote Kana van het hemelse Galiléa te bereiken.

[17] Die drie toestanden zijn: ten eerste de beheersing van het vlees; ten tweede de reiniging van de ziel door het levende geloof, wat alleen bereikt wordt door de werken der liefde, zonder welke het geloof dood is; ten derde de opwekking van de geest uit het graf van het gericht, dit wordt door het beeld van de opwekking van Lazarus het beste verzinnebeeld. Degene, die deze hiervoor genoemde punten goed indachtig blijft, zal hetgeen nu volgt beter kunnen begrijpen.

[18] Nu wij de algemene geestelijke betekenis van deze bruiloftsgeschie­denis uiteengezet hebben, keren we terug naar het verdere verloop van deze bruiloft, en aan het eind van de geschiedenis bekijken we dan weer de speciale overeenstemmingen.

 

 

11 De bruiloft te Kana in Galiléa.

 

Er waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of vier metréten. Joh. 2:6)

 

[1] Nadat Maria tegen de dienaars gezegd had: 'Wat Hij jullie zeggen zal, doe dat!', zei Ik dan ook tegen de dienaars, dat ze de zes stenen waterkruiken met water moesten vullen. Deze kruiken, die voor de reiniging van de Joden bestemd waren, maar waar de Nazareeërs en Kanaänieten niet veel meer om gaven, stonden er meer voor de sier, dan voor het gebruik waarvoor ze oorspronkelijk bestemd waren en ze hadden een inhoud van twee of vier metréten.

 

(Jezus zegt 'Vul de vaten met water! En zij vulden ze tot de rand. Joh.:2:7)

 

[2] De dienaren deden dat meteen, omdat ze dachten dat de nieuw aangekomen gast zich volgens het oude gebruik wassen en reinigen zou. De gast kwam binnen en kreeg, zonder zich eerst de handen gereinigd te hebben, een plaats aan tafel. Dat viel de dienaars op en ze zeiden onder elkaar: 'Waarom hebben we dan die zware kruiken met water moeten vullen? Deze gast gebruikt het niet en het was dus moeite voor niets!' Daarop zeg Ik tegen hen: 'Waarom vroeg je daarnet dan niet waarvoor het was, in plaats van nu daarover te mopperen? Hebben jullie dan zoëven niet gehoord wat Maria tegen Mij heeft gezegd, namelijk dat de gasten geen wijn meer hebben? Hoewel Mijn tijd, zowel naar het gebruik als naar de geest gezien, nog niet is gekomen, heb Ik toch het water in de kruiken veranderd in wijn, om de heerlijkheid te openbaren van Degene, van Wie gezegd wordt dat Hij hun God is, maar die als zodanig door hen nog nooit herkend is; en dit is geen toverij, maar gedaan door de kracht Gods, die in Mij is.

 

(En Jezus zegt verder tegen de dienaars: 'Schept nu en brengt het de spijsmeester!’  En de dienaars deden dat meteen. Joh. 2:8)

 

[3] Neem nu een beker vol en breng deze naar spijsmeester om te proeven; hij moet zijn mening daarover geven!' De dienaars brengen,diep onder de indruk van de verandering van water, deze wijn direct naar de kok om te proeven.

 

(Toen de spijsmeester de wijn proefde, die water geweest was, en daarbij niet, zoals de dienaars, wist waar deze vandaan kwam, riep hij de bruidegom. joh.2:9)

 

[4] De kok begrijpt er niets van en laat direct de bruidegom bij zich komen en zegt tegen hem: ' Je weet zeker nog niets van de volgorde!?'

 

(En hij zegt tegen hem: “Iedereen geeft eerst de goede wijn en pas als de gasten goed dronken zijn de mindere; jij hebt echter de goede wijn tot dit ogenblik bewaard.' Joh. 2:10)

 

[5] Zet niet iedereen eerst de goede wijn aan de gasten voor en pas als ze een beetje dronken geworden zijn en hun smaak wat meer afgestompt is, een mindere soort? -Maar jij doet dat net omgekeerd!'

[6] De bruidegom antwoordde echter: 'Jij praat nu toch wel als een blinde over de kleur! Kijk, deze wijn is nergens ter wereld geperst, maar kwam zoals eens het manna, uit de hemel op onze tafel. Daarom moet deze beslist beter zijn dan iedere wijn die op aarde te vinden is!'

[7] De kok zegt: 'Denk je dat ik gek ben, of ben je het zelf? Hoe kan nu een wijn uit de hemel op jouw tafel komen? Tenzij Jehova Zelf of wel Zijn knecht Mozes aan tafel zou zitten!'

[8] De bruidegom zei echter: 'Kom en overtuig je zelf!'

[9] De kok gaat meteen met de bruidegom de eetzaal in en overtuigt zich ervan, dat de zes vaten geheel met de beste wijn gevuld zijn. Als hij zo het wonder in zich opneemt, zegt hij: 'Heer, vergeef mij mijn zonden! Dat kan alleen God doen, en God moet hier bij ons zijn! Want zoiets kan geen mens doen. ,

[10] Toen werd de wijn aan de gasten geserveerd en toen deze hem proefden, zeiden ze allen: 'Zo'n wijn wordt in ons land niet geperst! ­Dat is werkelijk een goddelijke wijn! Alle eer aan hem aan wie God zo'n macht gegeven heeft!'

[11] Daarop dronken zij op het geluk en een welkom voor Mij en de nieuw aangekomen gast Thomas.

[12] Allen, die op deze bruiloft aanwezig waren, geloofden nu vast en zeker dat Ik echt de beloofde Messias was.

[13] Maar Petrus zei toen, zonder dat de anderen het hoorden, tegen Mij: 'Heer, laat mij maar weer weggaan! -Want U bent Jehova Zelf, zoals Uw knecht David over U voorspeld heeft in zijn psalmen; maar ik ben een arme zondaar en U helemaal onwaardig!

[14] Ik antwoord hem: 'Als jij je niet waardig genoeg vindt om bij Mij te zijn, wie acht je dan waardig genoeg? Weet wel, dat Ik niet voor de sterken ben gekomen, gesteld al dat die er zouden zijn, maar Ik kwam alleen voor de zwakken en zieken. Als iemand gezond is, heeft hij de dokter niet nodig; alleen de zieke en de zwakke heeft de dokter nodig. Blijf jij daarom maar rustig bij Mij, want Ik heb je je zonden reeds lang vergeven en ook als je zondigen zult terwijl je bij Mij bent, dan zal Ik je vergeven. Want niet in je kracht, maar in je zwakheid zul je zalig worden door de enkele genade van boven, omdat je Mij herkend hebt en nu reeds een rots in het geloof bent!'

[15] Petrus krijgt door Mijn woorden tranen in de ogen en hij zegt heel geestdriftig: 'Heer - als iedereen U zou verlaten, dan zal ik U niet verlaten; want Uw heilige woorden zijn waarheid en leven!'

[16] Na deze woorden staat Petrus op, neemt de beker en zegt: 'Heil aan U, Israël, en driemaal heil aan ons! Want wij zijn getuigen van een vervulde belofte, God heeft Zijn volk opgezocht. Wat eerst haast niet te geloven was, is nu werkelijkheid geworden! Nu mogen wij niet meer uit de diepte tegen de hemel schreeuwen; want de hoogste hoogte is tot ons in de diepste diepte van onze ellende gekomen! Laten we daarom alle eer aan Hem geven, Die onder ons is en ons door Zijn macht en genade deze wijn geschonken heeft. Laten we in Hem geloven en van nu af aan door Hem aan God de eer geven!' Daarop heft Petrus zijn beker en allen drinken hem toe en zeggen: 'Dit is een rechtvaardig man!'

[17] Ik zeg echter zachtjes tegen Petrus: ' Je vlees heeft je dat niet ingegeven, maar de Vader, Die in Mij is, heeft het aan je geest geopenbaard. Maar van nu af aan moet je je wat inhouden; er komt later nog wel een tijd, dat je zo hard moet roepen, dat de hele wereld je hoort!' - Daarop kwam er weer rust onder de gasten en door deze daad geloofden nu allen in Mij en zagen in Mij de echte Messias, Die gekomen was om hen van alle vijanden te verlossen.

 

(Dit is het eerste teken, dat Jezus deed, en dat zo gebeurd is in Kana in Galiléa, en waarbij Hij Zijn heerlijkheid geopenbaard heeft. En Zijn leerlingen geloofden nu vast in Hem. Joh. 2: 11)

 

[18] Dit was ook het eerste buitengewone teken, dat Ik bij de aanvaarding van het grote verlossingswerk ten aanschouwe van velen deed en Ik duidde met dit teken, hoewel verborgen, het volgende grote werk aan, maar dat begreep niemand van het gehele gezelschap. -Want zoals Mijn vasten in de woestijn de voorspelling was van de vervolging, die Mij in Jeruzalem door de tempel werd aangedaan, en de doop door Johannes, Mijn dood aan het kruis voorspelde, zo duidde deze bruiloft op Mijn opstanding, en dat teken werd een voorbeeld van de wedergeboorte des geestes tot het eeuwige leven.

[19] Want zoals Ik het water in wijn veranderde, zo zal ook door het woord uit Mijn mond het natuurlijke zinnelijke van de mens in de geest veranderd worden, als hij tenminste daarnaar leeft!

[20] Maar toch moet ieder in zijn hart de raad opvolgen, die Maria aan de dienaars gaf, toen zij zei: 'Wat Hij tegen jullie zeggen zal, doe dat!' Dan zal Ik ook aan een ieder datgene doen, wat Ik in Kana in Galiléa gedaan heb. Zij krijgen van Mij dan namelijk een echt teken, waaraan en waaruit ieder, die naar Mijn woord leeft, de wedergeboorte des geest es in zichzelf gemakkelijker herkennen kan.

 

 

12  Naar Kapérnaum. Begin van het prediken

 

(Daarna daalde Hij af naar Kapérnaum, en Zijn moeder, Zijn broers en Zijn leerlingen gingen met Hem mee, maar zij bleven daar niet lang. Joh. 2:12)

 

[1] Zeven dagen na de bruiloft verliet Ik Nazareth en trok met Maria, Mijn vijf broers, waarvan er twee tot Mijn leerlingen behoorden, en met de tot dat tijdstip opgenomen leerlingen naar het lager gelegen Kapérnaum. Dat was toentertijd een tamelijk belangrijke handelsstad, die gelegen was op de grens van de provincies Zebulon en Naftali aan de Galilese zee. Het lag ook niet ver van de plaats waar Johannes aan de overzijde van de Jordaan in de omgeving van Bethabara doopte, zolang deze vaak geheel droogstaande rivier voldoende water had.

[2] Men kan zich hierbij afvragen, wat Ik in deze bijna geheel heidens geworden stad te zoeken had. - Daarvoor moet men dan de profeet Jesaja 9 vers I en verder lezen; daar vindt men dan het volgende: 'Het land Zebulon en het land Naftali, aan de weg langs de zee aan de overzijde van de Jordaan, en het heidense Galiléa, dit volk, dat in duisternis was, heeft een groot licht gezien en voor allen, die daar in de schaduw van de dood zaten, is een geweldig licht verschenen.'

[3] Als men dat in Jesaja gevonden heeft, en weet dat Ik datgene, wat in de Schrift staat, van A tot Z waar moet maken, dan begrijpt men ook waarom Ik van Nazareth naar Kapérnaum gegaan ben. Tevens moest Ik in deze streek nog twee leerlingen, met name Jacobus en Johannes, zonen van Zebedéus, opnemen. Zij waren ook vissers en visten in de Galilese zee, niet ver van de monding van de Jordaan en ook niet ver van de visplaats van Petrus en Andréas, die beiden ook in de zee mochten vissen.

[4] Toen deze leerlingen opgenomen waren en Mij aan Mijn woorden en door de enthousiaste verhalen van degenen, die bij Mij waren, herkend hadden, startte Ik met het formele onderwijs aan de mensen, en Ik begon hen tot boetedoening te manen omdat het Rijk van God dichtbij gekomen was. Ik ging in hun synagogen en gaf daar lessen. Velen geloofden, maar nog meer ergerden zich en wilden Mij grijpen en van een berg in zee gooien. Ik ontliep hen echter, tesamen met allen die bij Mij waren, en bezocht een paar kleine plaatsjes aan de Galilese zee. Ik verkondigde daar het Rijk van God en genas veel zieken; en de armen en het gewone volk geloofden in Mij en namen Mij liefderijk op. Een aantal van hen sloot zich bij Mij aan en volgde Mij overal, zoals de lammeren hun herder.

[5] In Kapérnaum bleef Ik maar kort, omdat daar vrijwel geen geloof en nog minder liefde te vinden was, want het was een plaats waar veel handel gedreven werd. Waar men bezeten wordt door de handelsgeest daar hebben geloof en liefde afgedaan en waar zijn, daar kan Ik weinig of niets doen.

(En het Joodse Paasfeest was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. Joh. 2: 13)

 

[6] Het Paasfeest der Joden naderde al en Ik trok daarom met allen die bij Mij waren, op naar Jeruzalem. Daarbij moet men niet denken dat het oorspronkelijke Joodse Paasfeest op dezelfde datum plaats vindt als waarop in de verschillende christelijke gemeenten het gelijknamige feest gevierd wordt, vaak al in maart; maar bij hen vindt het ongeveer een kwart jaar later plaats! Want op het Paasfeest dankte men Jehova voor de eerste oogst, die uit gerst, rogge en tarwe bestond, en men at dan reeds het nieuwe brood, dat volgens de wet ongezuurd was en niemand mocht in deze tijd een gezuurd brood eten.

[7] Dit feest van de ongezuurde broden kon dus pas plaatsvinden als het pasgeoogste graan tot meel gemalen kon worden, dus niet in de tijd waarop het graan gezaaid wordt. Het graan wordt weliswaar in Judéa, in een goed oogstjaar, ongeveer veertien tot twintig dagen eerder rijp dan hier, maar zelfs in Egypte wordt het koren en de tarwe zelden voor eind mei binnengebracht, Iaat staan in Judéa waar het veel koeler is dan in Egypte.

[8] De tijd van de ongezuurde broden was dus aangebroken en zoals reeds vermeld trok Ik met allen, die bij Mij waren op naar de hoofdstad der Joden, die ook 'de Godsstad' genoemd werd, want Jeruzalem betekent zoveel als 'de Godsstad'.

[9] Daar echter bij dit feest altijd veel volk naar Jeruzalem trok, waaronder ook veel heidenen, die daar allerlei waren kochten en verkochten zoals gereedschappen, weefstoffen, vee en alle soorten vruchten, had het feest toentertijd het geheiligde aanzien totaal verloren. De hebzucht bracht de priesters zover, dat ze de hoven en de voorportalen van de tempel gedurende deze tijd aan de kooplieden, hetzij Joden of heidenen, voor veel geld verhuurden. Het huren van een stuk van de tempel gedurende het feest kostte meer dan duizend zilverlingen, wat toen buitengewoon veel geld was en wat nu ongeveer 28000 gulden zou zijn.

[10] Ten tijde dat Ik optrok naar Jeruzalem was Kaiphas hogepriester. Deze had kans gezien om al meer dan een jaar beslag te leggen op deze waardigheid, die veel geld in 't laatje bracht. Het naleven van de wet van Mozes was in die tijd gedegenereerd tot een totaal inhoudsloze ceremonie en de priesters hielden er net zoveel rekening mee als met sneeuw, die honderd jaar geleden gevallen is. En deze totaal inhoudsloze ceremonie had men ten top gevoerd om het volk met open ogen er in te laten lopen.

[11] Kaiphas presteerde het zelfs om in het binnenste van de tempel nog bepaalde plaatsen te verhuren aan de duivenverkopers en een paar kleine wisselaars. Deze kleine wisselaars hadden kleine munten, zoals groschen en staters, en zij wisselden voor hun klanten deze kleinere munten tegen zilverlingen, Romeinse goudstukken of Romeins veegeld, waarbij zij een zekere winst voor zichzelf hielden. Veegeld was geld dat de Romeinen speciaal voor het kopen van vee gebruikten. Afhankelijk van het dier , dat op de munt afgebeeld stond, kon men daarmee voor een soortgelijk dier betalen. Als men dit veegeld bij de grote en kleine wisselaars wisselde voor ander geld, dan werd een hogere winstmarge berekend.

 

 

13  Jeruzalem. De tempelreiniging.

 

(En Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars. Joh. 2:14)

 

[I] Bij Mijn aankomst in Jeruzalem was de situatie zo, dat het gewone volk nauwelijks meer in de tempel durfde te gaan vanwege al het vee en de veeverkopers, omdat vaak een van de ossen wild werd, waarbij zowel de mensen, als de aan God gewijde zaken, vertrapt werden. Ook was het voor de meesten daar niet uit te houden van de stank en het lawaai, en men raakte er niet zelden alle noodzakelijke bezittingen kwijt. Deze schandalige gebeurtenissen begonnen Mij tenslotte erg te hinderen en Petrus en Nathánaël zeiden tegen Mij: 'Heer, heeft U dan geen bliksem en donder meer?! Kijk toch eens! Deze beklagenswaardige mensen staan te huilen voor de tempel; ze komen van ver om God de eer te geven en kunnen door al die ossen en schapen, waarmee de tempel volgepropt zit, zelfs niet binnenkomen, en veel van degenen, die met moeite en gevaar in en ook weer uit de tempel kwamen, klagen dat ze daar van alles beroofd en van de stank bijna gestikt zijn! - Ach, dat is toch wel te erg en te slecht! -Aan zo'n schandaal moet tot elke prijs een eind gemaakt worden; want het is daar nog veel erger dan in Sodom en Gomorra!'

[2] Een onbekende oude Jood, die hoorde wat er gezegd werd, kwam dichterbij en zei: 'Beste vrienden, jullie weten nog lang niet alles, maar ik was drie jaar geleden zelf een gewone knecht in de tempel en ik heb daar toen huiveringwekkende dingen meegemaakt!'

[3] Ik zeg: 'Vriend houd het voor je, want Ik weet overal van. Maar wees ervan verzekerd dat de maat vol is, en op dit ogenblik nog zullen jullie zien hoe Gods macht en toorn zich met kracht in de tempel zullen doen gelden. Gaan jullie liever een eindje van de poorten van de tempel weg, opdat jullie ongedeerd blijven als zo dadelijk Gods macht de boosdoeners uit de tempel zal drijven; zo'n misdaad zullen zij later niet nog eens durven begaan. ,

[4] Daarop verwijderde deze Jood zich en loofde God, want hij hield Mij na dit gesprek voor een profeet; hij ging naar zijn eigen groep mensen en vertelde hen datgene, wat hij van Mij gehoord had, en deze groep die uit ettelijke honderden mensen bestond, jong en oud, juichte en begon God luid te prijzen, omdat Hij weer een groot profeet had doen opstaan

 

(En Hij maakte een gesel van touw en dreef allen uit de tempel, tesamen met de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en hun tafels gooide Hij om. Joh. 2:15)

 

[5] Ik zei tegen Petrus: 'Ga naar de touwslager, koop van hem drie sterke touwen en breng ze hier!' -Petrus deed dat dadelijk en bracht Mij drie sterke touwen, die Ik snel in elkaar vlocht en waarvan Ik zo een sterke gesel maakte. Met deze gesel in Mijn rechterhand zei Ik tegen allen, die bij Mij waren en tegen Mijn leerlingen: 'Kom nu mee de tempel in en let goed op, want nu zal zich Gods macht en heerlijkheid nogmaals voor jullie ogen tonen!'

[6] Na deze woorden ging Ik de tempel in en waar Ik ging, maakte men ruim baan en degenen, die Mij volgden hadden daar geen moeite mee; wel lag de bodem vol met uitwerpselen en afval.

[7] In de laatste voorhof van de tempel aangekomen, waarin de ver­maardste ossen­ en schapenhandelaars hun vee voor de verkoop tentoon­gesteld hadden, en wel aan de linkerzijde, terwijl de rechterzijde van alle drie de hoven door de wisselaars bezet was, ging Ik op de drempel van de poort staan en zei met donderende stem: 'Er staat geschreven: Mijn huis is een bedehuis; jullie maken er echter een moordenaarshol van! - Wie heeft jullie het recht gegeven de tempel van God op deze wijze te ontheiligen!'

[8] Zij schreeuwden echter: 'Wij hebben ons recht voor veel geld bij de hogepriester gekocht en wij staan onder zijn bescherming en onder de bescherming van Rome.'

[9] Ik zei: 'Inderdaad staan jullie onder die bescherming, maar Gods arm is tegen jullie en je beschermheren. Wie zal je tegen God beschermen als Hij Zijn arm over jullie en je beschermheren uitstrekt?!'

[10] De verkopers en wisselaars antwoordden: 'In de tempel woont God en de priesters zijn gewijd aan God, kunnen zij tegen Zijn raad iets doen? -Degene, die zij beschermen, wordt ook door God beschermd!'

[11] Daarop zeg Ik met een hele harde stem: 'Wat kletsen jullie dwaze booswichten nu? De priesters zitten weliswaar nog op de stoelen van Mozes en Aäron, maar zij dienen niet God, maar de Mammon, de duivel dienen zij en hun recht is een recht van de duivel en in der eeuwigheid geen recht van God! Sta daarom nu ogenblikkelijk op en maak de hoven leeg, anders zal het jullie slecht vergaan!'

[12] Toen begonnen zij te lachen en zeiden: 'Waar haalt die ordinaire Nazareeër de moed vandaan! - Gooi hem toch gauw uit de tempel!' Tegelijkertijd stonden ze op en wilden Mij grijpen.

[13] Op dit moment hief Ik Mijn rechterhand met de gevlochten gesel op en begon deze met goddelijk geweld boven hun hoofden te zwaaien; degene, die door de gesel geraakt werd, kreeg ogenblikkelijk de heftigste, bijna ondraagbare pijnen te verduren en dat gebeurde ook met het vee. Er ontstond in een oogwenk een ontzettend gebrul van mensen en beesten, en het vee ging er razend vandoor en liep alles wat in de weg kwam omver, en zo vluchtten ook de verkopers en kopers onder het slaken van hartverscheurende kreten van pijn. Ik gooide echter alle wisselkramen omver en verstrooide al het geld wat er op lag, terwijl de leerlingen mij bij dit werk hielpen.

 

(En zei tot degenen, die duiven te koop hadden: 'Draag dat weg en maak het huis van Mijn Vader niet tot een handelshuis!' Joh. 2: 16)

 

[14] Daarop ging Ik de tempel in, waar nog een groot aantal duiven­verkopers met hun duivenkooien vol duiven van allerlei soort en klasse op kopers wachtten. Omdat deze verkopers meestal arme mensen waren en daar niet zaten om winst te maken, en omdat de verkoop van duiven in de tempel al heel lang ingeburgerd was, hoewel dit vroeger alleen in de eerste voorhof gebeurde, vermaande Ik deze armen slechts en zei: 'Draag dat weg en maak Mijns Vaders huis niet tot een handelshuis; de buitenste voorhof is de plaats daarvoor!' Deze armen gingen daarop zonder tegenspraak weg en namen hun plaats in de buitenste voorhof als vanouds weer in. Hiermee was de tempelreiniging een voldongen feit.

 

(Zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven staat: 'De verontwaardiging over Uw huis zal Mij verteren.' Joh. 2:17)

 

[15] De reiniging veroorzaakte echter grote opschudding en de leerlingen waren heimelijk bang, dat de priesters ons als opruiers door de Romeinse wacht gevangen zouden laten nemen, en dat het vrijwel zeker was dat wij zeer vernederend ondervraagd en bestraft zouden worden, want er staat geschreven: 'De toorn over Uw huis heeft Mij vernietigd'.

[16] Maar Ik zei tegen hen: 'Maak je geen zorgen! Kijk maar eens in de voorhoven, en dan zul je zien, hoe de dienaren en priesters hun uiterste best doen om het vele rondgestrooide geld op te rapen en hun beurzen ermee te vullen! Ze zullen ons wel, terwille van degenen die schade geleden hebben, vragen in wiens opdracht we dit hebben gedaan, maar heimelijk vinden ze het heel goed, want hierdoor krijgen ze duizend beurzen goud en zilver en een grote hoeveelheid ander geld, en dat alles zullen ze nooit aan de eigenaars teruggeven. Ze hebben het nu te druk en gunnen zich niet de tijd om ons ter verantwoording te roepen. Ook zullen ze in deze zaak niet bereid zijn om klachten aan te horen; net zo min als de slachtoffers, die hier zo overdonderend de les gelezen is, zo gauw een klacht tegen Mij zullen indienen. Wees daarom niet verontrust.

[ 17] De toorn over Mijn huis zal Mij wel vernietigen, maar nu nog lang niet! Hier zullen hooguit een paar ter plaatse zijnde Joden vragen', wie Ik ben en wie Mij daar goedkeuring voor heeft gegeven en zij zullen een officieel teken aan Mij vragen. Ik weet echter al dat het zo moet gaan, en dat zal voor ons geen gevaar opleveren. Kijk maar bij het voorhangsel, daar staan er al een paar die onder dit voorwendsel hun eigen nieuwsgierigheid willen bevredigen; zij zullen dan ook meteen een goed antwoord krijgen!'

 

14 Het afbreken en opbouwen van de tempel.

           

(Toen zeiden de Joden: 'Welk teken toont u ons, dat u dit moogt doen?' Joh. 2: 18)     

 

 

[I] Terwijl Ik nog sprak met Mijn bange leerlingen, kwamen er al enige Joden naar Mij toe en zeiden: 'U heeft nu wel iets geweldigs gedaan, mensen en vee vlogen voor uw hand weg als kaf in de storm, en er kwam niemand terug om zijn rondgestrooide geld te halen! Maar wie bent u en waarmee kunt u zich legitimeren, om uw optreden te rechtvaardigen?! - U kent toch wel de onverbiddelijke strengheid van de wetten, die u voor zoiets te gronde kunnen richten?!'

 

(Jezus antwoordde en zei tot hen: 'Breekt deze tempel af en op de derde dag zal Ik hem doen herrijzen. Joh.2:19)

 

[2] Ik zeg: 'Ik zou dit niet gedaan hebben, als Ik ze niet kende en er bang voor was. - U wilt Mijn officiële machtiging zien en Ik zeg u, dat Ik die niet heb; maar breek deze tempel af, en op de derde dag zal hij daar weer volmaakt staan!'

 

(Toen zeiden de Joden: 'Zes en veertig jaren had men voor het bouwen van deze tempel nodig, en u wilt dat in drie dagen alleen doen? Want zij wisten niet, dat Hij over de tempel van Zijn lichaam sprak.  Joh. 2:20-21)

 

[3] Toen ze Mijn besliste uitspraak hoorden, zetten de Joden grote ogen op en waren wat van hun stuk gebracht. Na een poosje bedacht één van hen echter dat voor de bouw van de tempel ruim zes en veertig jaren nodig waren geweest en dat vele duizenden handen er ononderbroken aan hadden gewerkt. Daarom richt deze historisch onderlegde Jood zich tot Mij en zegt: 'Jonge man! Heeft u wel bedacht wat voor doms u nu heeft gezegd? Bedenk eens, zes en veertig hele jaren waren nodig voor de bouw van deze tempel en dat gaf vele duizenden handen zeer veel werk, en u wilt dat helemaal alleen in drie dagen doen, zonder hulp van anderen!? O, o, o, wat heeft u nu over uzelf ten beste gegeven, en dat nog wel in de tempel, waar men toch z'n uiterste best zou moeten doen om verstandig te praten!

[4] Dat wat u gedaan heeft, heeft ons zeer verrast en we begonnen ons, als oudsten van Jeruzalem, af te vragen op grond van welke macht u deze, op zichzelf zeer lofwaardige, daad gedaan hebt, of hier sprake is van een wereldse of van een profetische macht; en dát was hetgeen we van u weten wilden. En als u op een verstandige, voor ons begrijpelijke manier gezegd had, dat u een door God gezonden profeet bent en dit door de macht van God doet, dan zouden we u geloofd hebben. Maar nu gaf u ons, in plaats van een verstandige verklaring, tegen alle verwachting in, een nauwelijks te herhalen goddeloos opschepperig dom antwoord, waarin niet één oprecht woord te vinden is. Daarom denken wij dat u iemand bent, die ergens in een heidense school een beetje toveren geleerd heeft en die daarmee nu hier in de stad van David wat geld wil verdienen door voor de Romeinen, of in het geheim voor de Farizeeën, priesters en levieten te werken, want die zullen vandaag wel als gevolg van uw toverhandeling, hun beste tempeloogst hebben gehad! Het doet ons allen werkelijk verdriet, dat we ons zo op u hebben verkeken.'

[5] Daarop zei Ik: 'Het doet Mij ook erg pijn, dat Ik u zo totaal blind en doof moet aantreffen! Want iemand, die blind is, ziet niets en iemand, die doof en stom is, hoort niets! Ik stel voor u een daad, die vóór Mij nog nooit iemand gedaan heeft en spreek de volle waarheid, en dan zegt u, dat Ik een domme, in de heidense toverij geoefende praalhans ben en Mij hier wil verrijken, of geld verdien in dienst van Rome of van de sluwe priesters. O, wat stelt u onbehoorlijke eisen! - Kijk die kant eens op, daar staat een grote groep mensen, die Mij uit Galiléa hierheen gevolgd is! Hoewel u zegt, dat de Galileeërs het ongelovigste en slechtste deel van de Joden vormen, hebben zij Mij herkend en zij volgen Mij; hoe komt het dan dat u Mij niet herkennen wilt?'

[6] De Joden zeggen: 'Wij wilden u ook herkennen en stelden u daarom vragen, want we zijn noch blind noch doof, zoals u denkt. U gaf ons echter een antwoord, waaruit een zinnig mens heus niets anders op kan maken, dan wat wij u zonder omwegen gezegd hebben! Wij zijn van goeden wille; dat zou u als profeet toch moeten zien! In Jeruzalem beschouwt men ons als mannen van eer en wij zijn niet onbemiddeld. Als u een echte profeet zou zijn, dan wachtte u een goede toekomst in ons midden; het blijkt echter dat u dat niet ziet, en daarom bent u ook geen profeet, maar een gewone tovenaar, die de tempel méér ontheiligt dan degenen, die u er uitgejaagd hebt!'

[7] Ik zeg: 'Ga weg en laat u voorlichten door degenen, die met Mij gekomen zijn, die zullen u wel vertellen wie Ik ben!'

[8] Nu gaan de Joden naar de leerlingen en vragen hen om uitleg; deze vertellen wat ze van Mij aan de Jordaan hebben gehoord, het getuigenis dat Johannes over Mij gaf, en wat ze, toen ze bij Mij waren, hebben gezien en beleefd; daarbij geven ze echter wel toe, dat ze datgene, wat Ik tegen de Joden heb gezegd, ook niet begrijpen.

 

(Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden Zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Hij gesproken had. Joh. 2:22)

 

[9] Want zelfs zij begrepen het pas nadat Mijn zeer wonderbaarlijke opstanding drie jaar later had plaats gevonden, en ook begrepen zij toen pas de Schrift, die dat over Mij voorspeld had.

[10] Toen de Joden zo voorgelicht waren door de leerlingen, kwamen ze weer naar Mij terug en zeiden: 'Na alles wat we nu van Uw openhartige leerlingen over U gehoord hebben, ziet het er naar uit dat U zonder enige twijfel de Beloofde bent! - Het getuigenis van Johannes, die wij kennen, spreekt geweldig voor U, en Uw daden doen dat niet minder, maar wat U tegen ons gezegd hebt is daar nu juist het tegendeel van. - Hoe kan de Messias in Zijn daden een God en in Zijn woorden een dwaas zijn! - Verklaar ons dat, en wij allen nemen U aan en willen U met al het mogelijke steunen!'

[11] Ik zeg: 'Wat zoudt u Mij willen geven, dat u niet tevoren had ontvangen van Mijn Vader, Die in de hemel is? Maar als u het heeft ontvangen, hoe kunt u dan nu praten alsof u het niet zou hebben ontvangen. Wat wilt u Mij geven, dat al niet van Mij was?! Want wat van de Vader is, is ook van Mij; want Ik en de Vader zijn er geen twee, maar Een! Ik zeg U: alleen de wil is van uzelf, al het andere is echter van Mij. Als u Mij uw wil uit de oprechte liefde van uw hart geeft, en als u gelooft dat Ik en de Vader geheel Een zijn, dan heeft tl Mij alles gegeven wat Ik van u kan verlangen! ,

[12] De Joden zeggen: 'Doe dan een teken, dan geloven wij dat U de Beloofde bent!'

[13] Ik zeg: 'Waarom wilt u altijd bewijzen? Wat heeft u toch een verkeerde instelling! Weet u dan niet dat de tekenen niemand opwekken, maar alleen veroordelen?! Ik kwam echter niet naar u toe om te veroordelen, maar opdat u het eeuwige leven zoudt ontvangen als u in uw hart aan Mij geloofde! Er zullen weliswaar nog veel tekenen geschieden en u zult er nog ettelijke zien, maar zij zullen u niet levend maken, maar voor lange tijd doden.'

 

 

15 De tekenen die doden.

          

(En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in Zijn naam, omdat zij de tekenen zagen, die Hij deed. Joh. 2:23)    

 

[1] Ik zeg u: 'Het is nu Pasen en Ik zal Mij gedurende deze tijd hier in Jeruzalem ophouden; als u in Mijn buurt blijft, dan zult u veel van die tekenen zien, waar u nu om vraagt! Maar pas er voor op dat de tekenen u niet doden!'

[2] De Joden verwonderden zich erg over wat Ik zei; Ik liet ze echter staan en ging met Mijn leerlingen de tempel uit naar buiten. De Joden volgden Mij heimelijk, want ze durfden Mij niet openlijk te volgen, omdat Ik over het 'doden door Mijn tekenen' gesproken had. Zij begrepen niet dat daarmee het doden van het geestelijk beginsel en niet het doden van het lichaam bedoeld werd, en zij hielden, net als alle welgestelden, erg veel van het aardse leven.

[3] Toch ging een van hen buiten de tempel naar Mij toe en zei: Meester, ik erken U en zou graag bij U in de buurt blijven: waar woont U op dit moment?'

 

(Maar Jezus vertrouwde hen niet; want Hij kende ze allemaal. En het was voor Hem niet nodig, dat iemand over een mens getuigde; want Hij wist heel goed, wat in de mens was. Joh. 2:24-25)

 

[4] Ik zag echter dat hij het niet meende en dat zijn wens om Mijn verblijfplaats te weten te komen, niet oprecht bedoeld was, daarom zei Ik tegen hem, zoals ook later tegen nog menige onoprechte vrager, het volgende aforisme: 'De vogels hebben hun nesten en de vossen hun holen; maar de Zoon des mensen heeft zelfs geen steen waarop Hij Zijn hoofd neer kan leggen, en hier in deze stad al helemaal niet. Ga echter heen en maak uw hart zuiver en rein; kom dan terug met oprechte, maar niet met verraderlijke plannen, en zie dan eens hoe u aan Mijn zijde leven kunt.'

[5] Hij zei echter: 'Meester U vergist Zich in mij en mijn vrienden; als U nog geen onderdak heeft, kom dan toch naar ons en wij verschaffen U en Uw leerlingen en andere vrienden een onderdak en U bent onze gast zolang U wilt!'

[6] Ik zag echter heel goed dat dit niet oprecht gemeend was en zei: 'Wij kunnen ons niet aan jullie toevertrouwen, want jullie zijn vrienden van Herodes en net als hij zijn jullie sensatiezoekers, vooral als het voor niets te krijgen is. Ik ben niet naar deze stad gekomen om de Herodianen met een blijspel bezig te houden, maar om hier bekend te maken dat het Rijk van God dichtbij is gekomen en dat jullie, als je deel wilt hebben aan dit Rijk, werkelijk boete zult moeten doen! Kijk, dat is het doel van Mijn aanwezigheid in deze tijd en daar is jullie behuizing niet bij nodig! Want degene, die in een huis woont, kan alleen naar buiten door de deur die van een slot en een grendel voorzien is, waarmee men van een gast een gevangene kan maken. Degene echter, die in volle vrijheid zijn onderdak uitkiest, is daardoor ook vrij en kan gaan en staan waar hij wil!'

[7] De Jood zegt: 'Hoe kunt U ons zo beschuldigen! Denkt U dan dat wij de heiligheid van het gastrecht niet eerbiedigen? Als wij U als gast uitnodigen en als U dan als gast in ons huis komt, dan bent U het heiligste in huis en wee hem, die zich aan U zou vergrijpen! Het gastrecht is bij ons het heiligste recht, hoe kunt U dit recht dan verdacht maken?!'

[8] 'Dit heiligste recht van jullie ken Ik wel', antwoord Ik,'maar Ik ken ook nog het andere: zolang een gast in jullie huis is, geniet hij het gastrecht, maar als hij dan het huis verlaten wil, wachten voor de deur de gerechtsdienaars en de lansknechten, zij nemen de gast in ontvangst en ketenen en boeien hem! Zeg nu eens, behoort dat ook bij jullie aloude gastvrijheid?'

[9] Daarop zegt de Jood ietwat verlegen: 'Wie kan met een goed geweten onze huizen daarvan beschuldigen?'

[10] Ik zeg: 'Degene, Die het weet! Is niet een paar dagen geleden een mens op deze manier in handen van het gerecht gespeeld?'

[11] Nu zegt de Jood nog meer verlegen: 'Meester, wie heeft U dat verteld? En als het al waar zou zijn, zegt U dan Zelf eens, had die misdadiger dat dan niet verdiend?'

[12] Ik zeg: 'Bij jullie is veel een misdaad, wat bij God en bij Mij geen misdaad is; want voor jullie harde harten zijn er veel misdaden, waarvoor Mozes geen wet heeft gegeven. Dat betreft voorschriften van jullie zelf en daardoor kan naar Mijn mening geen enkel mens tot misdadiger verklaard worden! Want jullie voorschriften zijn zondig tegen de wetten van Mozes. Hoe kan nu iemand, die zich aan de wetten van Mozes houdt, door jullie voorschriften een misdadiger worden?! O, Ik zeg jullie: Jullie zitten allemaal vol arglistigheid en schandelijke boosaardigheid!'

[13] De Jood zegt: 'Hoe kan dat nou? Mozes heeft ons het recht gegeven om voor speciale gevallen voorschriften te maken en dus zijn onze weldoordachte voorschriften net zo belangrijk als de wet van Mozes! Is degene, die ze niet houdt dan niet net zo goed een misdadiger, als degene, die tegen het rechtstreekse gebod van Mozes zondigt?'

[14] 'Bij jullie wel, maar bij Mij niet!', zeg Ik, - 'Mozes schreef voor, dat je je ouders moet liefhebben en eren; jullie zeggen echter en de priesters gelasten zelfs: Wie in plaats daarvan offert in de tempel, is zelfs beter af, want daarmee koopt hij zich vrij van het gebod van Mozes. Maar als er dan iemand naar jullie toekomt en zegt: ' Jullie zijn godloochenaars en ellendige bedriegers, want je heft de wet van Mozes op door een voorschrift van jezelf ter wille van je hebzucht, en daarmee kwel je de arme mensen' -kijk dan heeft die mens volgens jullie een misdaad begaan en dan lever je hem op de deurdrempel uit aan het gerecht. - Zeg eens, heeft deze waardige mens dat wel verdiend, of zijn jullie tegenover Mozes niet veel grotere misdadigers?'

[15] Nu werd de Jood ontstemd en ging weg naar zijn andere genoten, waaraan hij alles vertelde wat hij van Mij gehoord had. Zij schudden hun hoofden en zeiden: 'Vreemd! Hoe kan deze mens dat weten?' - Ik verliet echter die plaats en ging met de Mijnen in een kleine herberg buiten de stad en bleef daar enige dagen.

 

 

16 De geestelijke betekenis der tempelreiniging

 

[I] Hetgeen hier boven is verteld, is slechts een vrij beknopte historische beschrijving. Er is echter behalve het genoemde nog op diverse plaatsen veel gebeurd, wat hier vanwege het geringe belang niet werd verteld, omdat het ten eerste het werk onnodig zou verlengen en ten tweede het geheel niet waardevoller zou maken en geen diepere kennis zou geven.

[2] Daarom blijft nu alleen nog een korte uiteenzetting over van de geestelijke betekenis van de tempelreiniging, en deze is de volgende:

[3] De tempel stelt de mens voor in zijn natuurlijke wereldse omgeving. Net als in de tempel bevindt zich in de mens een allerheiligste. Zoals dat allerheiligste maakt dat de rest van de tempel geheiligd en zuiver gehouden moet worden, zo moet bij de mens het geheel geheiligd en zuiver zijn, wil het allerheiligste in hem niet ontheiligd worden.

[4] Het allerheiligste van de tempel bevindt zich achter een dik voor­hangsel, en het mag slechts op bepaalde tijden alleen door een hogepriester betreden worden. Maar noch de voorhang, noch het maar zelden ge­oorloofde bezoek behoeden het allerheiligste voor ontheiliging; want als iemand met zijn lichaam zondigt, verontreinigt hij niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel en daardoor ook zijn geest, die in ieder mens het innerlijke en allerheiligste symboliseert en dat ook in werkelijkheid is. Dit allerheiligste in de mens is, net als in de tempel, verborgen achter een dikke voorhang, en alleen de liefde tot God, die de ware hogepriester van God in iedere mens is, kan straffeloos de voorhang optillen en in dit allerheiligste komen. Als echter deze unieke hogepriester in de mens, zelf onrein wordt, omdat hij te veel waarde hecht aan onreine wereldse dingen en zich daarmee vereenzelvigt, hoe kan dan het allerheiligste heilig blijven bij een bezoek van zo'n onreine hogepriester?

[5] Als op deze manier zowel in de tempel als in de mens alles onrein geworden is, dan is reiniging door de mens niet meer mogelijk. Want als de bezem zelf vol vuil en viezigheid zit, hoe kun je hem dan gebruiken voor het schoonmaken van een vertrek?! In zo'n geval moet Ik dan jammer genoeg Zelf ingrijpen en met geweld de tempel reinigen, en wel door middel van allerlei pijnlijke ingrepen, zoals allerlei soorten ziektes en andere ogenschijnlijk onprettige voorvallen, die allemaal ten doel hebben de tempel te reinigen.

[6] 'Verkopers' en 'kopers' verpersoonlijken de lage onreine hartstochten van de mens; het ten verkoop aangeboden vee duidt op de onderste trede van de dierlijke zinnelijkheid en tevens op de daardoor opgeroepen grote domheid en blindheid van de ziel, wiens liefde gelijk is aan die van een os, die zelfs niets weet van de zinnelijke voortplantings -­ en geslachtelijke liefde, maar die alleen maar de grofste poliepachtige liefde beleeft aan het vreten, en wiens begrip gelijk is aan het bekende vermogen tot begrijpen, dat schapen hebben!

[7] Wat betekenen dan vervolgens de wisselaars en hun geldzaken? -Deze duiden in de mens op alles, wat er naar buiten komt uit de al geheel dierlijk geworden eigenliefde van de mens; want het dier houdt alleen van zichzelf en een wolf vreet, als hij honger heeft, zijn soortgenoten op. Deze 'wisselaars' ofwel deze dierlijke eigenliefde moet, zoals be­schreven, ook met veel pijnlijk geweld uit de mens verdreven worden, en alles wat deze liefde in leven houdt moet omvergegooid en verstrooid worden!

[8] Ja, waarom dan niet geheel vernietigd? -Omdat ook deze liefde haar vrijheid moet behouden; want het edele zaad of de tarwekorrel zal het best opkomen in een akker, die goed bemest is met dierlijk afval, en zal daar een rijke oogst geven. Zou men echter de mest weghalen van de akker om deze zo geheel van afval te zuiveren, dan zou daardoor de edele tarwekorrel maar slecht groeien en zeker een hele slechte oogst opleveren.

[9] Het afval, dat aanvankelijk hoopsgewijs op de akker wordt gestort, moet uit elkaar gehaald en uitgestrooid worden en is dan nuttig voor de akker; zou men het echter op grote hopen bijeen laten, dan zou het waar het ligt alles verstikken en voor de andere delen van de akker geen nut hebben.

[10] Dit is de diepere gedachte in de evangelische tempelreinigings geschiedenis, waarom Ik het geld en de wisselaars alleen maar verstrooid en niet totaal vernietigd heb, wat Ik ook heel makkelijk had kunnen doen.

[11] Wat is dan de betekenis van de duivenverkopers in het binnenste van de tempel, die ook naar buiten en naar hun oude oorspronkelijke plaatsen terug moeten?

[12] Dit slaat op de uiterlijke deugden, zoals die te vinden zijn in allerlei ceremoniën, fatsoen, hoffelijkheid, complimenteusheid, enz., die betrek­king hebben op de puur wereldse omgangsvormen en die de blindheid van de mensen verheffen tot een innerlijke levensvervulling, en waarin men probeert het echte leven van de mens te laten wortelen.

[ 13] De duif is een dier, dat in de lucht thuis hoort, en dit dier werd in het Oosten vaak als postduif gebruikt, vooral in liefdeszaken. Bij de oude Egyptenaren was de duif in het hiëroglyphenschrift reeds het teken voor tedere en sierlijke conversatie en ook in de tempel gebruikte men deze als het teken voor de uitwisseling van zulke gedachten. Het was ook een gebruikelijk en zoals hierboven aangegeven zinnebeeldig offerdier, dat meestal door jonge echtelieden bij de geboorte van het eerste kind geofferd werd als een teken, dat het nu afgelopen was met al die uiterlijke boodschapjes, complimentjes en ceremoniële versierinkjes, en dat ze nu de ware, innerlijke, leven gevende liefde beleefden.

[14] Volgens de ordening der dingen behoort het buitenste aan de buitenkant; de bast mag zich nooit in het merg van een boom bevinden, omdat hij op zichzelf iets doods is, maar alles wat tot de bast behoort moet in de bast zitten. De bast is van groot nut voor de boom, als hij zich in de juiste hoeveelheid op zijn eigen plaats bevindt. Als iemand echter eerst het merg uit de boom haalt en daarna de bast ervoor in de plaats brengt, dan zal de boom verdorren en sterven.

[15] En daarom worden de duivenverkopers verwezen naar de plaats waar ze thuishoren, ten teken dat de mensen alle uiterlijke deugden niet tot iets geestelijks moeten verheffen, waardoor de edele mens verlaagd wordt tot een sprekende pop. Parallel daaraan moeten in ruimere zin alle uiterlijkheden, en in engere zin al de voorvechters van deze uiterlijkheden, die hun waren tot innerlijke levensbehoeften trachten te verheffen, door Mij, op een wat vriendelijker manier, uit en naar hun juiste plaats worden gestuurd.

[16] Dit is dan de geestelijke betekenis van de tempelreiniging, en uit deze juiste en passende gelijkenis tussen de mens en de tempel, is goed te zien, dat een mens dit nooit zo uit had kunnen leggen, maar dat God dit alleen kan, want Hij is de eeuwige wijsheid, Die alles ziet en kent.

[17] Waarom blijft de Heer na deze schoonmaak niet in de tempel?

[18] Omdat Hij alleen weet hoe het innerlijk van de mens moet zijn, wil Hij daar blijvend kunnen wonen. Ook moet na zo'n reiniging de mens zijn vrijheid behouden, omdat hij anders een ledepop zou worden.

[19] Daarom mag de Heer zich nog niet toevertrouwen aan zo'n met geweld gereinigd mens, want Hij alleen weet wat nodig is voor een volledige vernieuwing van de innerlijke mens. Daarom gaat de reiniger weer uit de tempel en komt alleen maar, alsof het toevallig gebeurt, van buiten af naar het innerlijk van de mens. Hij gaat niet in op de eisen van de mens, dat Hij bij en in hem zou moeten blijven en hem zou moeten ondersteunen in de traagheid, integendeel, de mens moet geheel zelfstandig worden en daardoor een volmaakt mens worden, zoals dat in het derde hoofdstuk van het bijbelse evangelie van Johannes wat van meer dichtbij getoond wordt.

 

 

 

Jezus spreekt met Nicodémus. Johannes spreekt over Jezus.

 

17 Jeruzalem. De slaapwandelaars

 

[l] Dat Ik Mij na de tempelreiniging met al degenen, die Mij gevolgd waren, buiten de stad in een kleine herberg ophield, dat is al in het vorige hoofdstuk verteld, maar het is begrijpelijk als men zou vragen:

[2] 'Heer, wat heeft U daar dan gedaan? Want U zult gedurende die periode van op z'n minst acht dagen, toch wel niet niets gedaan hebben?'

[3] Dan zeg Ik: 'Zeer zeker niet! Want er kwamen, zowel overdag als 's nachts, uit alle lagen van de bevolking massaal mensen uit de stad naar Mij toe. De armen kwamen meestal overdag, de machtigen, voor­namen en rijken echter meestal 's nachts, want die wilden aan hun kennissen niet laten merken, dat ze zwak en onzeker waren.

[4] Omdat ze deels gedreven werden door nieuwsgierigheid en deels door een soort gelovig vermoeden, dat Ik toch de Messias zou kunnen zijn, kwamen ze 's nachts en bezochten Mij om nader kennis met Mij te maken. Meestal verdwenen ze nogal verongelijkt, omdat het ze stak, dat Ik met hen niet minstens zo goed en aardig omging als met de vele armen, die onafgebroken Mijn goedheid en vriendelijkheid roemden.

[5] Ook deed Ik als geneesheer veel wonderen bij de armen, bevrijdde de bezetenen van hun plaaggeesten, deed kreupelen weer lopen, maakte de jichtlijders weer recht, de melaatsen rein, de stommen horend en sprekend, de blinden ziende, en Ik deed dat allemaal meestal door het woord.

[6] Degenen, die 's nachts naar Mij toekwamen, wisten dat wel en verlangden van Mij ook zulke tekenen, maar daarop gaf Ik steeds ten antwoord: 'De dag heeft twaalf uren en de nacht heeft er ook twaalf. De dag is bestemd voor het werk, de nacht voor de rust. Degene, die overdag werkt, stoot zich nergens aan, maar degene, die 's nachts werkt, stoot zich gemakkelijk, want hij ziet niet waar hij zijn voet neerzet'.

[7] Er waren er veel, die Mij vroegen door welke macht en kracht Ik zulke wonderen deed. Het antwoord was dan altijd heel kort: 'Door Mijn zeer persoonlijke macht en kracht, en Ik heb daarbij geen menselijke hulp nodig!'

[8] Dan weer vroegen ze Mij, waarom Ik niet liever in de stad zou gaan wonen, want bij grote daden behoorde toch een wereldstad en niet een achterlijk dorpje, dat wel in de nabijheid van die grote stad lag, maar waarvoor niemand aandacht had.

[9] Daarop zei Ik dan: 'Ik wil niet in een plaats wonen, waar voor de poorten van de opgeblazen bewoners lansknechten op wacht staan, die alleen de prachtig uitgedosten binnenlaten en de armen genadeloos afwijzen, en waar men, als men een vreemd gezicht heeft of niet schitterend genoeg gekleed is, in iedere straat minstens zeven keer aangehouden en gevraagd wordt naar naam, herkomst en reden van aanwezigheid. Daarbij houd Ik alleen maar van wat voor de wereld klein is en door haar veracht wordt, want er staat geschreven: 'Wat voor de wereld groot is, is voor God een gruwel!'

[10] En ze vroegen daarop: 'Is de tempel, waarin Jehova woont, niet groot en heerlijk?' - Ik antwoordde: 'Daar zou Hij moeten wonen; maar omdat jullie de tempel ontheiligd hebben, verliet Hij de tempel en woont er niet meer, en de ark van Mozes is leeg en dood!'

[11] De nachtelijke bezoekers zeggen: 'Wat is dat voor goddeloos geklets? Weet u dan niet wat God tegen David en Salomo gezegd heeft? Kan datgene wat God gezegd heeft ooit onwaarachtig zijn? Wie bent u dan, dat u de moed hebt zulke woorden tegen ons te zeggen?!'

[12] Ik zeg: 'Zo waarachtig als Ik in en uit Mij Zelf de macht en de kracht heb om alleen door Mijn wil en door Mijn woord alle zieken te genezen die tot Mij komen, zo heb Ik ook de macht en de kracht en het volste recht, in jullie bijzijn dit over de tempel te zeggen en Ik zeg jullie nogmaals, dat nu jullie tempel ook voor God een gruwel is!'

[13] Sommigen begonnen toen te morren, anderen zeiden echter: 'Dat is kennelijk een profeet, en die waren altijd al niet te spreken over de tempel! Laat hem maar! En zo vertrokken deze slaapwandelaars weer.

 

 

18 Het onbegrip van Nicodémus

 

(Nu was er een mens uit de Farizeeën, zijn naam was Nicodémus, een overste der Joden. Joh. 3:1)

 

[I] In de voorlaatste nacht van Mijn oponthoud in de omgeving van Jeruzalem, kwam een zekere Nicodémus eveneens 's nachts naar Mij toe, omdat ook hij een voornaam iemand uit Jeruzalem was; want ten eerste was hij een Farizeeër, wat in ambt, waardigheid en aanzien ongeveer gelijk staat aan een huidige kardinaal in Rome, en ten tweede was hij als een van de rijkste notabelen van Jeruzalem tevens in deze stad de overste der Joden; hij was de hoogste burgemeester van de stad, en hij was aangesteld door de machthebbers in Rome.

 

(Deze kwam 's nachts naar Jezus en zei tot Hem: 'Meester, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar, want niemand kan de tekenen doen, die U doet, tenzij God met hem is.' Joh. 3:2)

 

[2] Deze man kwam dus als burgerlijk leider van Jeruzalem zelf ook 's nachts naar Mij toe en zei al meteen tegen Mij: 'Meester! Vergeef mij, dat ik zo Iaat in de nacht tot U kom en U stoor in Uw rust; maar omdat ik hoorde dat U deze omgeving al morgenochtend zult verlaten, voelde ik mij verplicht om U mijn verschuldigde eerbied te komen betuigen. Want ziet U, ik en verscheidene van mijn ambtsgenoten weten nu, nadat wij Uw daden geobserveerd hebben, dat U als een hele echte door God gezonden profeet naar ons toe bent gekomen! Want de tekenen, die U doet, kan iemand alleen maar doen als Jehova met hem is! Omdat U dus een kennelijke profeet bent en moet zien hoe slecht het met ons gesteld is, terwijl ons toch door Uw voorgangers het Godsrijk beloofd is, zou ik het erg op prijs stellen als U mij zoudt willen zeggen wanneer dat komen zal, en gesteld dat het komt, hoe men zich dan moet gedragen om daaraan deel te hebben?'

 

(Jezus antwoordde en zei tot hem: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Rijk van God niet zien'. Joh. 3:3)

 

[3] Op deze vraag van Nicodémus antwoordde Ik net zo kort als het vers dat aangeeft, namelijk: 'Waarlijk, waarlijk zeg Ik u: Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Rijk van God niet zien en nog minder binnengaan!', wat zoveel wil zeggen als: ' Als u uw geest niet volgens de wegen, die Ik u met Mijn leer en daad aangeef, opwekt, kunt u het goddelijk levende van Mijn woord beslist niet herkennen, Iaat staan in de leven gevende diepte daarvan binnengaan!'

[4] De overigens rechtschapen Nicodémus begreep dit antwoord van Mij niet, zoals uit het vervolg blijken zal. Het goddelijk levende van Mijn woord is absoluut niet te begrijpen als iemands geest niet tot leven gewekt is, en daarvan geeft Nicodémus duidelijk het bewijs in het volgende vers, waar hij, totaal verbluft door Mijn gezegde, vraagt:

 

(Nicodémus zei tot Hem" 'Hoe kan een mens dan nog een keer geboren worden, als hij oud is? Kan hij weer in het lichaam van zijn moeder gaan en daaruit nogmaals geboren worden?' Joh. 3:4)

 

[51 'Maar geachte Meester, wat zegt U nu toch voor vreemde dingen? Hoe in 's hemelsnaam kan een mens nogmaals geboren worden'? Kan een mens, die groot, oud en stram is geworden, door het enge poortje in het lichaam van zijn moeder gaan en op deze wijze dan van daaruit voor de tweede maal geboren worden'?! Kom, kom, geachte Meester, dat is totaalonmogelijk! U weet niets van het komende Rijk van God, of op z'n minst niet het ware, of U weet het wel en wilt het mij niet zeggen uit angst, dat ik U Iaat oppakken en in de gevangenis werpen. 0, daarover behoeft U Zich geen zorgen te maken, want ik heb nog nooit iemand van zijn vrijheid beroofd, tenzij het een moordenaar of een grote dief was. -U bent echter een groot weldoener van de arme mensheid en U heeft bijna alle zieken van Jeruzalem genezen, een wonder van de kracht van God in U; hoe zou ik me dan aan U kunnen vergrijpen?!

[6] Maar geloof me geachte Meester, het is mij ernst met het komende Rijk van God. Als U daarom iets naders weet, zeg het mij dan op een manier, die ik begrijpen kan! Praat over het hemelse met hemelse en over het aardse met aardse woorden, maar in begrijpelijke beelden, anders heeft Uw uitleg nog minder nut dan het Oudegyptische vogelschrift, dat ik niet lezen en nog minder begrijpen kan. Mijn berekeningen geven maar al te duidelijk aan, dat het Rijk Gods er al moet zijn, alleen weet ik nog niet waar en hoe men er in komt en er in wordt opgenomen. Deze vraag zou ik door U in begrijpelijke en heldere taal beantwoord willen zien.'

 

(Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en geest kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan' Joh.3:5)

 

[7] Op deze herhaalde vraag gaf Ik Nicodémus weer precies het antwoord, zoals dat in het bovenstaande vers 5 staat; dit antwoord verschilt met het voorgaande, want hier wordt nauwkeuriger aangegeven, waaruit men eigenlijk wedergeboren moet worden om in het Rijk van God te komen, namelijk uit het water en uit de geest, wat zoveel wil zeggen als:

[8] De ziel moet eerst met het water der deemoed en der zelfverloochening worden gereinigd en kan daarna pas de geest van de waarheid opnemen, omdat een onreine ziel die nooit bevatten kan, want een onreine ziel is als de nacht, terwijl de waarheid een volle zon is, die overal het daglicht om zich heen verspreidt.

[9] Degene, die zo de waarheid opneemt in zijn door de deemoed gereinigde ziel, en die waarheid als zodanig herkent, wordt door deze waarheid vrijgemaakt in de geest, en deze vrijheid des geestes, ofwel het ingaan van de geest in die vrijheid, is dan het eigenlijke binnengaan in het Rijk van God.

[10] Maar zo'n verklaring gaf Ik niet aan Nicodémus, omdat dat nog verder buiten zijn gezichtsveld lag dan het korte versluierde beginsel zelf.  Daarom vroeg hij Mij ook nogmaals, wat dat betekende.

 

19   Aardse beelden van geestelijke dingen

 

(Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de geest geboren is, is geest.

Joh. 3:6)

 

[I] Ik gaf hem ten antwoord, wat in het bovenstaande vers 6 geschreven staat, namelijk: 'Verwondert u er niet over, dat Ik zo tegen u spreek! Want zie, wat uit het vlees komt is ook vlees, ofwel dode materie ofwel buitenste omhulling van het leven; wat echter uit de geest komt, dat is ook geest ofwel het eeuwige leven en de waarheid zelf!'

[2] Maar Nicodémus begrijpt er nog niets van. Hij haalt zijn schouders op en verbaast zich steeds meer, niet zozeer over het onderwerp, als wel over het feit dat hij, als zeer wijze Farizeeër die toch de Schrift op zijn duimpje kent, niet in staat is om de zin van wat Ik gezegd had te begrijpen; want hij was erg overtuigd van zijn eigen wijsheid en was ook vanwege zijn grote wijsheid tot overste van de Joden gekozen.

[3] Daarom was hij geweldig verbaasd, dat hij in Mij nu geheel onverwacht een meester gevonden had, die hem zeer vreemde wijsheidsnoten te kraken gaf! Omdat hij er helemaal geen raad mee wist, vroeg hij Mij nogmaals: “Ja - hoe moet dat nu weer begrepen worden'? Kan een geest dan ook zwanger worden en vervolgens een nieuwe geest baren'?"

 

('Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.”

Joh. 3:7)

 

[4] Ik zeg tegen hem: ”Ik heb u al gezegd, dat u zich niet zo verwonderen moet omdat Ik tegen u zei: U moet allen opnieuw geboren worden!'

 

('De wind waait waarheen hij wil, en u hoort wel zijn suizen, maar u weet niet waar hij vandaan komt geboren is en waar hij heengaat. Zo is ieder die uit de geest geboren is. Joh. 3:8)

 

[5] Want zie de wind waait waar hij wil, en u hoort het suizen, maar u weet ondanks dat niet, waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Zo gaat het nu ook als u met iemand spreekt, die uit de geest komt. U ziet en hoort hem wel, maar omdat hij op zijn geestelijke manier met u spreekt, begrijpt en verstaat u het niet en ook niet waar, wat hij zegt, vandaan komt, en wat hij daarmee bedoelt. Maar omdat u een rechtschapen wijze bent, zal het u op het juiste moment gegeven worden om die dingen in u op te nemen en te begrijpen.

 

(Nicodémus antwoordde en zei tot Hem: 'Hoe kunnen deze dingen gebeuren?' Joh.3:9)

 

[6] Bij deze woorden schudt Nicodémus bedenkelijk het hoofd en zegt na een poosje: 'Dan zou ik toch graag van U vernemen, hoe zoiets in z'n werk gaat! Want wat ik weet en begrijp, dat weet en begrijp ik door mijn lichaam; als het lichaam mij afgenomen wordt, dan zal ik toch nauwelijks nog iets begrijpen en verstaan! -Hoe, hoe -wordt ik van lichaam tot geest en hoe zal mijn geest dan een andere geest in zich opnemen en opnieuw baren?! -Hoe, hoe zal dat mogelijk gemaakt worden?!'

 

(Jezus antwoordde en zei tot hem: 'U bent toch een leermeester in Israël en u weet dat niet?' Joh. 3: 10)

 

[7] Ik zeg tegen hem: 'Maar - u bent een van de wijste leermeesters in Israël en toch kunt u dat niet in u opnemen en begrijpen?! - Als u, als meester van de Schrift, dat al niet begrijpen kunt, wat moet dat dan met al die anderen, die van de Schrift nauwelijks meer weten, dan dat er ooit eens een Abraham, een Izaak en een Jacob geweest zijn?'

 

('Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat wij weten, en wij getuigen van wat wij hebben gezien, en u houdt niet van ons getuigenis en neemt het niet aan!' Joh. 3'11 )

 

[9] Als U echter al zo iets eenvoudigs in een begrijpelijk gesprek niet bevatten en begrijpen kunt, terwijl Ik toch op een volkomen aardse wijze spreek over geestelijke dingen, die daardoor gewoon aardse dingen worden, dan zou Ik wel eens willen weten wat uw geloof zou doen, als Ik over hemelse dingen op een hemelse manier met u zou spreken!

[10] Ik zeg u: De geest, die in en uit zichzelf geest is, is de enige, die weet wat de geest is en hoe zijn leven er uit ziet! Het vlees is echter alleen maar een buitenste bast en weet niets van de geest, tenzij de geest het aan het omhulsel, de bast, openbaart; uw geest wordt echter nog te veel door uw vlees beheerst en afgeschermd en het kent hem daarom niet. Eens zal uw geest echter, zoals Ik u dat al gezegd heb, vrij worden; dan zult u ons getuigenis begrijpen en aannemen!'

[11] Nicodémus vraagt nu: 'Beste Meester, U wijste van de wijzen! O, zeg mij toch op een begrijpelijke manier, wanneer dit tijdstip, dat ik zo vurig verwacht, zal komen!'

[12] Daarop antwoordde Ik: 'Mijn vriend, u bent nog niet rijp genoeg dat Ik u het tijdstip, de dag en het uur kan zeggen! Zie, zolang de nieuwe wijn niet behoorlijk is uitgegist, blijft hij troebel en als u hem in een kristallen beker doet en dan de beker tegen het zonlicht houdt, dan zal zelfs dat onovertroffen licht niet door de vertroebeling van de nieuwe wijn heen kunnen dringen, en precies zo gaat het met de mens. Als hij niet behoorlijk uitgegist is en door het gistingsproces al het onreine uit zich verwijderd heeft, kan het hemelse licht zijn wezen niet doordringen. Ik zal u echter toch iets meedelen; als u het begrijpt dan zult u voor u zelf vast kunnen stellen, wanneer het gebeuren zal! Luister dus naar Mij!”

 

 
20  Nicodémus en het rijk van God op aarde

 

('En niemand vaart op naar de hemel, dan Hij die uit n de hemel is neergedaald, namelijk de Zoon des mensen, die in de hemel is.  En zoals Mozes in de woestijn een slang had verhoogd, zo moet ook de  Mensenzoon verhoogd worden, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben!' Joh. 3:13-15)

 

[1] 'Zie, niemand stijgt naar de hemel dan alleen Degene, Die uit de hemel is afgedaald, namelijk de Zoon des mensen, die altijd in de hemel is. En zoals Mozes in de woestijn een slang verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat allen die in Hem geloven niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben! Zeg eens, kunt u dat begrijpen?'

[2] Nicodémus zegt: 'Beste Meester! Hoe moest ik dat, hoe kon ik dat?! U bezit een speciaal soort wijsheid; zoals ik al een keer tegen U gezegd heb, zou ik gemakkelijker het oude Egyptische vogelschrift kunnen lezen, dan Uw wijsheid begrijpen! Ik moet U openlijk bekennen dat ik U, als ik niet door Uw geweldige daden aan U gebonden was, voor een nar of een potsenmaker moest houden; want zoals U heeft er nog nooit een verstandig mens gesproken! Maar Uw daden tonen dat God U als leraar gestuurd heeft en dat U een overvloed aan goddelijke macht en wijsheid bezit, want niemand kan anders zulke dingen doen.

[3] Als het ene echter zuiver goddelijk is, dan moet het andere ook goddelijk zijn of ik het nu begrijp of niet! Overdenk ik echter op een wat wereldse manier de stelling: 'Niemand stijgt op naar de hemel, dan alleen Degene, die uit de hemel is neergedaald!' - want dat zou namelijk de Mensenzoon zijn, die voortdurend in de hemel is - dan weet ik het niet meer! Beste Meester, sinds Henoch en Elia heeft stellig geen aards mens het geluk gehad om zichtbaar op te stijgen naar de hemel; wordt U misschien de derde!'? En als U misschien de derde worden zou, had dat dan wel nut voor al die andere mensen die, omdat ze niet uit de hemel afgedaald zijn, ook nooit in de hemel kunnen komen?!

[4] Daarbij zegt U nog dat Degene, Die zo afgedaald is uit de hemel, eigenlijk slechts schijnbaar op aarde aanwezig is, maar in werkelijkheid voortdurend in de hemel is! Zo zouden dan voorlopig alleen Henoch en Elia en later misschien ook U, deelnemen aan het Rijk van God dat zal komen, maar alle andere miljoen maal miljoenen kunnen in het vochtige donkere graf gaan liggen en daar voor alle eeuwigheid der eeuwigheden blijven, en zo door Gods genade en barmhartigheid weer tot aarde vergaan en tenslotte in het niets oplossen!?

[5] Beste Meester, voor zo'n Rijk van God op aarde voelen de arme aardwormen, die in ieder opzicht belachelijk genoeg -mensen -heten, niets! Wie weet niet dat het zo is en altijd al zo was? Een of zelfs drie zwaluwen maken nog geen zomer! Wat had Henoch en wat had Elia ervoor gedaan, dat ze van de aarde naar de hemel werden opgenomen? Uit de aard der zaak niets wat ze al niet als deel van hun hemelse persoonlijkheid hadden meegekregen! Daarom was het geen verdienste van hen en zijn ze volgens Uw huidige verklaring alleen maar van de aarde in de hemel opgenomen omdat ze, net als U, eerst uit de hemel naar de aarde zijn afgedaald!

[6] Weet U, in zo'n verklaring zit ontzettend weinig hoop en haast geen troost voor de mensheid van deze harde aarde! Maar zoals ik U al eerder gezegd heb, het verandert niets aan het feit dat ik vind dat Uw leer toch goddelijk en buitengewoon wijs is, hoewel deze, zoals ik aan de hand van Uw stelling bewees, met het gewone verstand bezien de reinste dwaasheid is en zijn moet, en dat zult U net zo goed inzien als ik.

[7] Wat U echter met de verhoging van de Mensenzoon bedoelt, die zou lijken op die van de toenmalige slang van Mozes in de woestijn, en hoe en waarom allen het eeuwige leven zullen hebben, die in deze op de manier van de slang verhoogde Mensenzoon geloven, dat zweemt al naar het parabolische, ofwel naar iets dat op zichzelf pure onzin is! Wie is deze Mensenzoon? -Waar is Hij nu? -Wat doet Hij? -Komt Hij ook net als Henoch en Elia uit de hemel? -Moet Hij nog geboren worden? ­Wat moeten de mensen, die Hem zeker net zo min als ik ooit gezien hebben, van deze Mensenzoon geloven? -Hoe kan Hij op de aarde komen, als Hij voortdurend in de hemel is? -Waar zal Hij verhoogd worden en wanneer? -Wordt Hij daardoor een van de onoverwinnelijkste en machtigste koningen van de Joden?

[8] Kijk, beste Meester, dat klinkt toch werkelijk erg vreemd uit de mond van een Man, Die tevens door Zijn daden toont dat Hij vervuld is met goddelijke kracht en macht! Maar zoals gezegd, ik wil mij door dat alles niet op een dwaalspoor laten brengen en houd U nog steeds voor een door God gezonden grote profeet.

[9] Daaruit ziet U dat ik niet een van diegenen ben, die een leer meteen verwerpen, als ze deze niet kunnen begrijpen; maar daarom zou ik toch iets meer uitleg van U willen hebben, want in deze vorm kan ik U niet volgen en begrijpen. -Kijk, ik heb veel invloed in het Joodse land en wel speciaal in de stad Salem, want daar ben ik de overste van alle Joden! Als ik U en Uw leer introduceer, dan zal deze worden aangenomen en men zal er naar leven; als ik ze echter Iaat vallen, dan zal ze ook vallen en nergens worden aangenomen. Wees daarom zo goed en licht me nog wat voor!’

[10] 'U heeft veel woorden gebruikt', zeg Ik,'en u heeft gesproken als een mens, die onkundig is van de hemelse dingen; maar dat kan ook niet anders, want u bevindt zich in de wereldse nacht en kunt het licht niet zien, dat uit de hemel is gekomen om de duisternis der wereld te verlichten. Het is wel schemerig om u heen, maar toch ziet u dat niet, wat zo gezegd voor uw neus staat!'

 

 

21  Wie niet in de Heer gelooft, is al veroordeeld

 

(Want zo heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren zullen gaan, maar het eeuwige leven zullen hebben! Joh. 3:16)

 

[I] 'Ik zeg u: God is de liefde en de Zoon is diens wijsheid. God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon, d.w.z. Zijn uit Hemzelf alle eeuwigheden door uitgaande wijsheid, aan deze wereld afstond, opdat allen die in Hem geloven niet verloren gaan, maar het eeuwige leven zullen hebben! -Zeg Mij, begrijpt u ook dit niet?!'

[2] Nicodémus zegt: 'Het komt me wel voor, alsof ik het begrijp, maar goed bezien begrijp ik het toch niet. Als ik nu maar eens wist wat ik onder Mensenzoon verstaan moest, dan zou ik al een eind op dreef zijn! U sprak nu ook over een eniggeboren zoon van God, Die door de liefde van God in de wereld kwam. Is de 'Mensenzoon' en de 'eniggeboren Zoon van God' één en dezelfde persoon?'

[3] Ik zeg: 'Let op! Ik heb een hoofd, een lichaam en handen en voeten. Het hoofd, het lichaam, de handen en de voeten zijn gemaakt van vlees, en dit vlees is een zoon van de mensen, want wat vlees is ontstaat ook uit het vlees. Maar in deze Mensenzoon, die van vlees is, woont Gods wijsheid, en dat is de eniggeboren Zoon van God. Maar niet de eniggeboren Zoon van God, maar alleen de Mensenzoon zal net als de vroegere slang van Mozes in de woestijn verhoogd worden, en daaraan zullen velen zich ergeren. Zij, die zich niet zullen ergeren, maar aan Zijn naam geloven en zich daaraan zullen houden, die zullen de macht krijgen om Kinderen Gods te heten, en aan hun leven en hun Rijk zal voor eeuwig geen eind zijn.

 

(Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij deze zou oordelen, maar opdat ze door Hem behouden zou worden. Joh. 3: 17)

 

[4] Nu moet u echter niet een soort wereldgericht verwachten, zoals oorlogen of overstromingen en zeker geen verterend vuur uit de hemel dat alle heidenen verteert; want zie, God heeft Zijn eniggeboren Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij deze wereld zou oordelen, maar opdat ze door Hem geheel en al zalig zou worden; wat betekent dat ook al het vlees niet te gronde gericht zou worden, maar met de geest zou opstaan tot het eeuwige leven. Maar om dat te bereiken moet de stoffelijke hoogmoed in het vlees vernietigd worden door het geloof, en wel het geloof dat de Mensenzoon, Deze altijd al uit God geborene, in deze wereld gekomen is, opdat allen het eeuwige leven zullen hebben, die in Zijn naam zullen geloven en zich daaraan zullen vasthouden!'

 

(Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.

Joh. 3:18)

 

[5] 'Wie dan ook in Hem geloven zal, Jood of heiden, wordt in der eeuwigheid niet veroordeeld en daardoor vernietigd; wie zich echter stoot aan de Mensenzoon en niet aan Hem geloven zal, die is dan al veroordeeld. Want juist het feit, dat hij niet geloven wil en kan, omdat hij zich door zijn hoogheidsgevoel stoot aan de naam en het wezen van de Mensenzoon, is al het gericht van zo'n mens. Begrijpt u het nu? Ik heb het u nu overduidelijk in beeld gebracht!'

[6] Nicodémus zegt: ' Ja, ja, ik begrijp zo half en half de zin van Uw bijzonder mystiek gehouden betoog, maar het blijft toch allemaal in de lucht hangen, zolang de door U zo hoog geplaatste Mensenzoon, in Wien het totaal van de goddelijke wijsheid woont, er niet is, en U ook de tijd en de plaats kunt of wilt.

[7] Op die manier ziet ook Uw gericht, dat U eigenlijk alleen van het geloof afhankelijk stelt, er zeer raadselachtig uit! Als het gericht noch een zondvloed, noch oorlog of pest en evenmin een verterend vuur is, maar alleen het ongeloof als zodanig, dan moet ik U, beste Meester, openlijk toegeven, dat ik de zin van Uw redenering nog steeds niet zie! Want wie van een redenering één of twee begrippen niet door heeft, die ontgaat in de grond van de zaak de gehele redenering. Wat is dan toch wel Uw 'gericht'? Welke nieuwe betekenis hecht U daaraan?'

[8] 'Mijn vriend', zeg Ik,'weldra zou Ik ook tegen u kunnen zeggen: Ik begrijp nauwelijks meer, waaraan het ligt dat u niet in staat bent de overduidelijke betekenis van Mijn woorden te verstaan! Het begrip 'gericht' begrijpt u niet en Ik heb het u toch zeer duidelijk en in zijn geheel uitgelegd.'

 

(Dit is echter het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen; en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht. Want hun werken waren boos. Joh.3:19)

 

[9] 'Kijk, onder gericht moet u verstaan, dat nu het licht Gods uit de hemel in de wereld is gekomen. Hoewel de mensen uit de duisternis gehaald en in het licht geplaatst zijn, houden ze toch nog veel meer van de duisternis dan van het stralende licht van God! Dat de mensen het licht afwijzen getuigt hun doen en laten, dat door en door slecht is.

[10] Waar kunt u Mij het eerste echte geloof aanwijzen, waar het echte leven uit het geloof? Waar houdt de een van de ander, zonder dat hij er iets voor terug vraagt? Waar zijn zij, die van hun vrouw hielden om haar levende vruchtbaarheid? Ze houden van de jonge meisjes vanwege de wellust en bedrijven ontucht met hen en het is letterlijk hoererij. Want als je het andere geslacht domweg verafgoodt terwille van de wellust en de ontucht, dan maak je je schuldig aan hoererij en dat is het slechtste van al het slechte! -Waar vind je een dief, die een lamp zou nemen en openlijk ging stelen?!'

 

(Want ieder, die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden. Joh. 3:20)

 

[11] 'Zie, allen, die slechte en kwade dingen wensen en doen, die doen het kwade. Degene, die van dit kwade houdt en het doet, is een vijand van het licht en haat het en zal er zeker alles voor geven om niet in het licht te komen, opdat zijn slechte werken, waarvan hij wel weet dat ze door het licht verboden en veroordeeld zijn, niet in het licht in hun volle weerzinwekkendheid herkend en bestraft zouden worden!

[12] Wel, dat is dan het werkelijke gericht; wat u echter onder het gericht verstaat, is niet het gericht, maar alleen een straf, die op het gericht volgt.

[13] Als u er van houdt om 's nachts te wandelen, dan bestaat het gericht van uw ziél reeds daaruit, dat u meer van de nacht houdt dan van de dag. Als u zich daardoor vaker stoot en u erg pijn doet of zelfs in een greppel of een diep gat valt, dan is zo'n stoot of zo'n val niet het gericht maar alleen het gevolg van het gericht in u, omdat, u van de nacht houdt en de dag haat!'

 

(Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden; want zij zijn in God gedaan. Joh. 3:21)

 

[14] ‘Als U daarentegen een vriend van het licht bent, van de dag, de waarheid uit God, dan handelt u ook naar de goddelijke waarheid en zult u zeker vurig wensen dat uw werken voor alle ogen aan het licht zouden komen en voor iedereen openbaar worden. Want u weet dat uw werken, omdat ze in het licht van Gods waarheid verricht zijn, goed rechtvaardig zijn en daarvoor erkenning en openbare beloning ver­dienen

[15] Zo 'n vriend van het licht zal niet 's nachts, maar overdag wandelen en zal het licht direct herkennen, omdat hij uit het licht is. En dit licht heet -het geloof van het hart.

[16] Wie zo gelooft dat de Mensenzoon een licht uit God is, die heeft het leven al in zich; wie echter niet gelooft, die heeft het gericht al in zich en het gericht bestaat alleen uit het ongeloof.

[ 17] Ik denk dat u Mij nu wel begrepen zult hebben.

 

 

 

22  Alleen de liefde is het echte in de mens

 

[I] Nicodémus zegt: 'Op één punt na is me nu alles duidelijk; maar dat éne mankeert nog steeds, en dat éne is nu juist de buitengewone Mensenzoon Zelf, zonder Wie natuurlijk al Uw wijze taal met al de heerlijke beloftes in het bodemloze niets valt! Wat heb ik aan het geloof of aan de beste en vaste wil om aan de Mensenzoon te geloven als de Mensenzoon Zelf er niet is? Uit de lucht of uit een enkel idee kan men geen Mensenzoon te voorschijn toveren. Zeg me daarom waar ik deze eeuwige Godszoon aantref en wees er dan van overtuigd, dat ik Hem met alle geloof tegemoet zal treden!’

[2] Ik zeg: 'Als Ik dat niet in u had gezien, dan zou u van Mij deze uitleg niet hebben gekregen! Maar u kwam 's nachts en niet bij dag naar Mij toe, hoewel u veel van Mijn daden gehoord en gezien hebt! Omdat u zowel in de nacht der natuur, als ook in de daarmee vergelijkbare nacht van uw ziel naar Mij toekwam, is het heel begrijpelijk dat u nog geen weet hebt van de Mensenzoon!

[3] Ik zeg u: als iemand de Mensenzoon 's nachts zoekt omdat hij dat overdag verborgen wil houden vanwege zijn aanzien bij de mensen, dan zal hij datgene wat hij zoekt niet makkelijk vinden. Want u zult als wijste der Joden wel weten, dat de nacht, 't geeft niet welke, het minst deugt voor het zoeken en het vinden. -Wie de Mensenzoon dus zoekt, moet Hem overdag en niet 's nachts zoeken; dan zal hij Hem beslist vinden.

[4] Alleen dit zeg Ik u nog: Ga naar Johannes, die nu nog vanwege het water te Enon in de buurt van Salim doopt, die zal u zeggen of de eniggeboren Zoon van God er al is of niet! Daar zult u Hem leren kennen!'

[5] Nicodémus zegt: ' Ach, ach, beste Meester, dat zal moeilijk gaan! Want ik heb iedere dag zaken die direct afgehandeld moeten worden, en daar kan ik niet gemakkelijk onderuit! Denk U eens in dat er in de stad en naaste omgeving met de vreemden erbij geteld, meer dan achthonderd­duizend mensen leven, waarvoor ik als overste heel veel te doen heb; daarnaast wachten er nog dagelijkse tempelzaken, die ik beslist af moet handelen. Als de genade mij daarom niet hier in Jeruzalem ten deel kan vallen, dan zal ik daar tot mijn spijt van af moeten zien! Kijk, op z'n allerminst zou ik voor deze onderneming drie volle dagen nodig hebben en dat zou dan voor mijn werk net zoveel achterstand opleveren als drie jaar bij iemand anders.

[6] Neemt U me dus niet kwalijk dat ik Uw raad niet op kan volgen. Zo dikwijls U echter met Uw leerlingen naar Jeruzalem komt, kom dan naar mij en ik zal U een goed onderdak bezorgen! Aan mij zult u, tesamen met allen die met U zijn, steeds een oprechte vriend en beschermer hebben. Mijn huis, dat groot genoeg is om tienduizend mensen onderdak te verschaffen, staat aan het Davidsplein, binnen de Salomopoort, ook wel de 'Gouden poort' genoemd; wanneer U ook maar wilt komen, het staat steeds geheel tot Uw beschikking! Alles waar ik iets over te zeggen heb, zal altijd tot Uw dienst gereed staan! Als U iets nodig heeft, hoeft U het maar te vragen en ik zal het U geven!

[7] Want weet U, er heeft een grote verandering in mij plaats gevonden! Goede Meester, ik houd meer van U dan van alles waar ik ooit van hield en deze liefde zegt me op een bepaalde manier: Dat U Zelf Diegene bent waarvoor U mij daarnet naar Johannes in Enon verwezen hebt!? Dat gevoel kan misschien ook wel niet juist zijn; maar wat het dan ook zijn mag, ik houd met geheel mijn hart van U, omdat ik in U een groot Meester van de echte goddelijke wijsheid herken. Als Uw daden, die beslist niemand voor U nog ooit gedaan heeft, mij al met diepe ver­wondering vervuld hebben, dan heeft Uw grote wijsheid mij in mijn hart nog meer voor U ingenomen, goede Meester! Ik houd van U! Zeg mij toch, heeft mijn hart gelijk?!'

[8] Ik antwoord hem: 'Wacht nog een poosje geduldig af en het zal u allemaal duidelijk worden! Binnenkort zal Ik weer bij u komen en uw gast zijn, dan komt u alles te weten!

[9] Volg echter de ingeving van uw hart, dat zal u in één oogwenk meer zeggen dan alle vijf de boeken van Mozes en alle profeten! Want zie, alleen de liefde is het echte in de mens! Houd u daarom aan haar vast en u zult bij dag wandelen! -Nu echter een ander onderwerp!

[10] Ik zal Mij nu in het Joodse land begeven en daar het Rijk van God verkondigen. U heeft het beheer over dit land. Geef Mij, niet voor Mijzelf maar voor Mijn leerlingen, een bewijs van betrouwbaarheid zoals de Romeinse wet dat voor de Joden voorschrijft, zodat er bij de grenzen en de tollen geen moeilijkheden ontstaan! De kinderen zijn weliswaar vrijgesteld, maar ze moeten als zodanig officieel aangemerkt zijn. - Het zou niet moeilijk voor Mij zijn om met ontelbaren overal vrij en zonder moeilijkheden te passeren, maar Ik wil niemand ergeren en voeg Mij daarom naar de wet van Rome. Doe Mij dat genoegen en geef Mij een bewijs van betrouwbaarheid.'

[11] 'Goede Meester', zegt Nicodémus, 'dadelijk zult U het hebben! Ik zal het zelf uitschrijven en binnen een uur brengen; want het is van hier naar mijn huis niet ver.

[12] Nicodémus gaat nu snel naar huis en brengt al binnen een half uur het verlangde bewijs. Nadat wij de officiële op perkament geschreven verklaring in onze handen hadden, zegende Ik de rechtschapen Nicodémus in Mijn hart. Hij nam met tranen in de ogen afscheid en vroeg Mij nogmaals om bij Mijn terugkeer in Jeruzalem van zijn huis gebruik te maken, wat Ik hem beloofde. Ik verzocht hem er op toe te zien dat de tempel rein bleef, wat hij Mij ook beloofde. En zo namen wij in de ochtend afscheid.

 

 

23 Judéa Dopen met water, dopen met de heilige geest

 

(Daarna kwam Jezus met Zijn leerlingen in het Joodse land en hield zich daar met hen op en doopte. Joh.3:22)

 

[1] Toen het helemaal dag was braken we op en gingen het Joodse land in, dat in zekere zin tot Jeruzalem behorend, net zo om Jeruzalem lag als in deze tijd een district om de hoofdplaats van het district ligt. In een paar dagen kon men zonder moeite het hele land door trekken.

[2] Wel, wat deed Ik dan in dit land? Het vers zegt, dat Ik met hen bezig was en dan doopte. Men vraagt zich hier af, wie dan met 'hen' bedoeld werden en waaruit die bezigheid bestond, die Ik met hen had. Onder 'hen' worden in de eerste plaats de leerlingen verstaan, die in Jeruzalem weer met een paar man uitgebreid waren, en verder al degenen, die aan Mijn leer een gelovig interesse hadden.

[3] Allen, die Mijn leer gelovig aannamen, werden door Mij zichtbaar met water, onzichtbaar echter met de geest van Mijn eeuwige liefde gedoopt, en verkregen daardoor de macht 'Gods kinderen' te heten. Daaruit bestond dus Mijn bezigheid met hen. Wat Ik zei en wat Ik deed is in gedeelten door de andere drie evangelisten opgetekend en behoeft hier niet weer herhaald te worden; het bestond voornamelijk uit het aan de kaak stellen van alle grove gebreken waarmee de Joden en de Farizeeën behept waren, en uit het roemen van de liefde voor God en de naaste.

[4] Ik wees hen op al hun gebreken, spoorde de zondaars ernstig aan om boete te doen, waarschuwde allen, die Mijn leer aannamen, voor de terugval in het oude zuurdeeg van de Farizeeën en deed wonderen om daarmee Mijn lichte leer de nodige kracht bij te zetten in deze barre materialistische tijd; Ik genas veel zieken, verloste bezetenen van de onreine geesten en nam steeds meer leerlingen aan

 

(Ook Johannes doopte nog in Enon bij Salim; want daar was veel water, en zij kwamen daarheen en lieten zich dopen. Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. Joh. 3:23-24)

 

[5] Op Mijn tocht door het Joodse land kwam Ik ook in de omgeving waar Johannes in de kleine woestijn bij Enon in de buurt van Salim doopte. Hier had hij water, terwijl de Jordaan in de omgeving van Bethabara zeer weinig water bevatte en dat water was ook nog troebel, onrein en vol stinkende wormen. Daarom was Johannes van standplaats veranderd, hield te Enon zijn indringende boetepredikingen en doopte daar ook zelfde mensen die zijn leer aannamen en oprecht berouw getoond hadden.

[6] Onder hen waren er ook veel die Mijn leer al aangenomen hadden, maar voordien nog niet door Johannes gedoopt waren. Deze vroegen Mij of het nodig was om zich eerst door Johannes te laten dopen. En Ik zei tegen hen: 'Eén ding is noodzakelijk, en dat is het daadwerkelijk uitvoeren van Mijn leer! Wie zich echter eerst door Johannes wil laten reinigen, zolang hij nog vrij zijn werk doet, die zal zo'n reiniging goed van pas komen.' Naar aanleiding van dit gezegde van Mij gingen toen velen daarheen en lieten zich door Johannes dopen

 

(Over de reiniging ontstond toen een woordenstrijd tussen de leerlingen van Johannes en de Joden. Joh. 3:25)

 

[7] Er ontstond weldra een strijdvraag over de reiniging door Johannes en Mijn doop; want de leerlingen van Johannes begrepen niet, dat ook Ik met water doopte, omdat hij verklaard had dat Ik niet met water , maar met de heilige geest zou dopen. Veel Joden, die nu reeds leerlingen van Mij waren, beweerden dat Mijn doop de echte doop was; want hoewel Ik net als Johannes met water doopte, was toch Mijn doop de enig echte, omdat Ik niet alleen met het water der natuur, maar ook gelijktijdig met het water van de geest van God doopte en de gedoopten duidelijk zichtbare macht gaf om Gods kinderen te heten!

 

(En zij kwamen naar Johannes toe en zeiden: 'Meester, Hij Die bij u was aan de overkant van de Jordaan, van Wie u hebt getuigd, zie, Hij doopt nu ook en allen komen naar Hem toe. Joh 3:26)

 

[8] Naar aanleiding van zulke uitlatingen gingen de leerlingen van Jo­hannes samen met de Joden naar Johannes en zeiden: 'Luister naar ons Meester! -Zie, dezelfde man, Die bij u was aan de overzijde van de Jordaan, en Waarvan u dat getuigenis gaf dat Hij met de heilige geest zou dopen, doopt nu ook hier in de buurt net als u met water! Hoe moeten wij dat opvatten en begrijpen? Is deze doper wel Diegene, van Wie u het grote getuigenis gaf?'

[9] Maar Johannes zei tegen zijn leerlingen: “Ga en vraag Hem: - Bent U Degene, Die komen zal of moeten wij op een Onthoudt wat Hij jullie daarop antwoorden zal en Mij! Daarna pas zal ik jullie volledige uitleg geven.’

[10] Daarop gaan een aantal leerlingen van Johannes naar Mij toe en vragen Mij dat, wat Johannes hen gezegd had. Ik geef hen echter het bekende antwoord, namelijk, dat ze tegen Johannes moeten zeggen, wat ze om Mij heen zagen gebeuren, dat namelijk de blinden zien, de lammen lopen, de doven horen en dat aan de armen het evangelie van het Rijk van God gepredikt wordt! En gezegend is hij, die zich niet aan Mij ergert! -Daarmee keren de leerlingen naar Johannes terug en vertellen hem direct, wat ze hebben gezien en gehoord.

 

 

24 Enon. Het grote getuigenis van Johannes de doper.

 

(Johannes antwoordde en zei 'Een mens kan niets aannemen,  tenzij het hem uit de hemel is gegeven.' Joh. 3:27)

 

[I] Johannes wordt kalm en zegt tegen zijn leerlingen: 'Luister, het lijkt mij toe dat het zo is: Een mens kan, speciaal wat betreft geestelijke dingen, zich niets toeëigenen, wat hem niet eerst uit de hemel gegeven wordt! De bijzondere mens, Die Zich door mij aan de overzijde van de Jordaan liet dopen, en boven Wiens hoofd ik de geest van God heel zachtjes, zoals een duif zich op haar nest neervlijt, als een lichtend wolkje uit de hemel zag neerdalen, en van Wien ik dat getuigenis gaf, zou niet kunnen hebben wat hij heeft, als Hij alleen maar mens was. Maar Hij is meer dan alleen maar mens en schijnt de macht te hebben om wat Hij maar wil uit de hemel te kunnen nemen, en daarbij het genomene te behouden of te geven aan wien Hij maar wil! En ik denk dat wij allen, dat wat wij hebben, door Zijn genade ontvangen hebben, en het is dus onmogelijk dat wij Hem voor kunnen schrijven wat en hoe Hij moet doen! Hij geeft, - wij zijn degenen, die het van Hem aannemen. Hij heeft Zijn grote korenschop in Zijn hand; Hij zal Zijn dorsvloer vegen zoals Hij wil en Hij zal het koren in Zijn schuur verzamelen, het stro echter verbranden met het eeuwige vuur, en uit de as maken wat Hij wil!'

 

('Uzelf bent mijn getuigen, dat ik gezegd heb, dat ik niet de Christus ben, maar alleen vóór Hem uitgezonden.' Joh. 3:28)

 

[2] Jullie zelf zijn mijn getuigen, dat ik tegen de priesters en levieten, die uit Jeruzalem naar mij toegekomen zijn, gezegd heb dat ik de Christus niet ben, maar vóór Hem uit ben gezonden! Hoe zou ik me dan bezig kunnen houden met wat Hij doet, Die de eigen korenschop in Zijn hand beeft? Laat Hij Zijn dorsvloer vegen zoals Hij wil, wij mogen Hem niets voorschrijven! Want de akker is van Hem, en ook het koren en bet stro, en van Hem is de schuur en van Hem bet vuur dat nooit dooft!

 

('Wie de bruid heeft, die is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom staat en luistert naar hem en verblijdt zich zeer over de stem van de bruidegom.Deze blijdschap van mij is nu vervuld.' (Joh. 3:29)

 

[3] Hij, die de bruid heeft, is de echte bruidegom; de vriend van de bruidegom staat echter naast hem en luistert en verheugt zich zeer over de stem van de bruidegom! En zie deze vreugde is mij nu te beurt gevallen! Als de Heer Zelf komt, dan is de taak van de aankondiger afgelopen! Want de aankondiger heeft niets anders te doen dan de aankomst des Heren aan te kondigen; als de Heer er is, dan heeft dc aankondiger geen nut meer!'

 

(Hij moet méér, maar ik minder worden.” Joh. 3:30)

 

[ 4] Daarom moet ik nu minder worden; Hij als Heer moet echter méér worden bij de mensen van deze aarde! Jullie waren steeds mijn leerlingen sinds ik als afgezant tot je kwam; wie van jullie heeft ooit uit mijn mond gehoord dat ik mij daarop heb laten voorstaan?! Altijd bewaarde ik de werkelijke eer voor Degene, Die deze toekomt. Toen ik getuigde, dat ik niet waard was Zijn schoenriemen los te maken, was dat beslist geen zelfverheffing, maar ik gaf Hem alleen alle eer, die ik zelf, omdat de mensen zo blind zijn, had kunnen krijgen. En daarom zeg ik nogmaals: Nu is mijn taak ten einde! Als de Heer zelf komt, dan heeft de voorloper geen nut meer; daarom moet de afgezant nu minder worden en Hij, de Heer, moet boven al het vleselijke uitgroeien! Er is een groot verschil tussen de afgezant en Degene, Die macht heeft om de afgezant te zenden waar Hij maar wil.'

 

('Die van boven komt, is boven allen; wie van de aarde is, is  van de aarde. Hij, Die uit de hemel komt, is boven allen.' Joh. 3.31 )

 

[5] Degene, Die de macht heeft om voorschriften te geven, is boven; en hij, die gehoorzamen moet, is beneden. -Er kan gevoeglijk echter niemand boven zijn, die boven niet thuis hoort. Degene, die van boven komt, staat boven allen. Wie tot de aarde behoort, kan nooit van boven zijn, maar is altijd slechts van de aarde en kan alleen maar spreken over de aarde. Hij, die echter van de hemel komt, staat boven allen; want Hij is de Heer en kan derhalve doen wat Hij wil, en kan dopen met water, vuur en geest, want alles behoort Hem toe!

[6] Ik denk echter, dat Hij Zelf niet met water doopt, maar slechts met het vuur van de geest; Zijn leerlingen daarentegen zullen de mensen vooraf op mijn manier dopen, dat wil zeggen al diegenen, die niet reeds door mij gedoopt zijn. -De mens heeft echter niets aan de waterdoop, als hij daarna niet gedoopt zou worden met de geest van God.'

 

('En getuigt, wat hij gezien en gehoord heeft; en toch wil bijna niemand zijn getuigenis aannemen.'  Joh. 3:32)

 

[7]  Het water getuigt alleen over het water en reinigt de huid van het vuil van de aarde. De Geest van God, waarmee alleen de Heer dopen  kan omdat deze Geest Zijn geest is, getuigt echter van wat Hij alleen altijd in God ziet en hoort.

[8] Maar jammer genoeg neemt nog bijna niemand dit getuigenis aan! Want wat vuil is, dat blijft vuil en wil de Geest niet aannemen, tenzij het eerst door het vuur zou gaan en aldaar zelf geest worden; want een echt vuur verteert alles tot op de geest na, die zelf een geweldig Vuur is. Daarom zal de geestelijke doop van de Heer velen vernietigen, en

dat is de reden waarom velen bang zullen zijn om haar aan te nemen.

 

('Wie het echter ook aanneemt, heeft bezegeld dat God waarachtig is.' Joh. 3:33)

 

[9] 'Wie echter deze doop en daardoor het heilige getuigenis zal aannemen, die zal voor de wereld bezegelen, dat Degene, Die hem met de geest gedoopt heeft, Zelf waarachtig God is en de Enige is, Die het eeuwige leven kan geven. Jullie zeggen nu wel direct bij jezelf: 'Waarom moet dat Goddelijke getuigenis van de hemel door God in iemand bezegeld worden?!' Ik heb jullie reeds gezegd: Het vuil is en blijft vuil en de geest is en blijft geest; als echter de aardse mens, die oorspronkelijk gemaakt is van vuil, in die toestand de geest krijgt, zal hij de geest dan kunnen vasthouden, als hij deze niet zeer goed in zichzelf, d.w.z. in zijn hart, bewaren zal?

[10] Of is er soms een bepaalde maat, waarmee de geest verdeeld zou kunnen worden, zodat iedereen weet, hoeveel geest hij gekregen heeft? Als zo'n maat er echter niet is, dan moet de aardse vuile mens in zijn hart een plaats reserveren voor de ontvangen geest; en als de geest in deze plaats blijvend rust heeft gevonden en in deze rust de nieuwe plaats gevuld heeft, dan pas wordt de vuile mens in zichzelf gewaar hoeveel geest hij heeft gekregen.

[11] Wat zou het je baten als je aan zee een lek vat zou willen vullen met water? Kun je dan ooit zeggen en vaststellen, dat je een bepaalde hoeveelheid water uit de naar jouw mening mateloze zee geschept hebt? Als het vat echter goed waterdicht is, dan kun je wel meten hoeveel zeewater je in het vat hebt! Het water van de zee is allemaal hetzelfde; of je er veel of weinig van hebt maakt geen verschil. De zee zelf is ook overal gelijk, en wie, waar dan ook, vee lof weinig uit de zee schept, die schept puur zeewater en merkt daarna pas hoeveel.'

 

('Want Wie God gezonden heeft, Die spreekt Gods woord. God geeft echter Zijn geest niet volgens de maat.' Joh. 3:34 )

 

[12] 'Zo is het nu ook met Hem, Die van God gekomen is om van God te getuigen en het zuivere woord van God te spreken. Hijzelf is de onmeetbare zee. Als Hij aan iemand Zijn geest geeft, dan geeft Hij deze niet volgens de oneindige maat, die alleen maar in Gods eindeloze volheid bestaan kan, maar naar de maat die in de mens is. Maar als de mens de geest behouden wil, mag zijn eigen ruimte niet beschadigd en on­afgesloten zijn; maar deze ruimte moet dicht en goed afgesloten zijn!

[13] Degene echter bij Wie jullie waren en waaraan je gevraagd hebt of Hij de Christus is, heeft, hoewel uiterlijk ook een mensenzoon, de Geest van God niet naar de maat van de mens, maar naar de eindeloze maat van Godzelf ontvangen; want Hij is Zelf de mateloze zee van de Geest van God! Zijn liefde is Zijn eeuwige Vader en deze is niet buiten de zichtbare Mensenzoon, maar in Hem; Hij Die in en uit de Vader, het Vuur, de Vlam en het Licht der eeuwigheid is.

 

('De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in Zijn hand gegeven Joh.3:35)

 

[14] Deze goede Vader heeft Zijn eeuwige Zoon zeer lief en alle macht en kracht ligt in de handen van de Zoon, en alles wat wij volgens de juiste maat hebben, hebben wij uit Zijn mateloze volheid geschept. Hij is volgens Zijn eigen woord nu een vleselijk mens onder ons en Zijn Woord is God, Geest en Vlees, hetgeen wij de 'Zoon' noemen. De Zoon is derhalve ook Zelf het eeuwige leven van al het leven ,

 

('Wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Wie echter niet de Zoon gelooft, die zal het leven niet zien. maar de toorn van God blijft op hem.' Joh. 3.36)

 

[15] Wie dus de Zoon aanneemt en in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven al in zich; want zoals Godzelf in ieder woord Zijn eigen volkomen eeuwige leven is, zo is Hij het ook in iedere mens, die Zijn volle levenswoord in zich opneemt en het behoudt. Wie daarentegen het Woord van God uit de mond van de Zoon niet aanneemt, die dus de Zoon niet gelooft, die zal en kan het leven ook niet ontvangen, noch in zich waarnemen of voelen, en de toorn van God, die het gericht is over de dingen die alleen maar bestaan kunnen onder de eeuwige onveranderlijke dwingende wet, zal net zolang op hem blijven als zijn ongeloof in de Zoon duurt.

[16] Ik, Johannes, heb dit nu tegen jullie gezegd en ik heb daarmee een ten volle geldig getuigenis gegeven. Ik heb jullie met mijn eigen handen gereinigd van het vuil der aarde; neem Zijn woord aan opdat de doop van Zijn geest je ook ten deel valt, want anders is al mijn moeite voor jullie nutteloos en waardeloos! Ik zou zelf ook naar Hem toe willen gaan! Maar Hij wil het niet en openbaart mij in mijn geest, dat ik moet blijven, omdat ik datgene al in de geest ontvangen heb, wat jullie nog niet hebben.'

[17] Dit is het laatste en belangrijkste getuigenis van Johannes over Mij en het behoeft geen verdere toelichting, omdat het op zichzelf al goed begrijpelijk is.

[18] De reden waarom dit getuigenis in het evangelie niet zo compleet gegeven is, is nog steeds dezelfde als die we reeds eerder gaven: Omdat het ten eerste toen zo gebruikelijk was om zo te schrijven dat alleen de hoofdpunten vermeld werden en dat al het andere, dat de begrijpende lezer vanzelfsprekend vond, weggelaten werd; ten tweede opdat het heilige levende in het Woord niet verontreinigd en ontheiligd kon worden. Daarom is ieder vers een graankorrel met een behoorlijk dik omhulsel, waarin de kiem voor een oneindig leven verborgen rust

 

 

Bekering van de Samaritanen. Genezing van de koningszoon

 

25 De Heer trekt door Samaria naar Galiléa

 

(Toen nu de Heer merkte dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer leerlingen kreeg en doopte dan Johannes, hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar alleen zijn leerlingen, verliet Hij het land Judéa en ging weer naar Galiléa.

Joh. 4:1-3)

[I] Na deze rede van Johannes gingen zijn leerlingen weldra naar Mij, en het aantal van Mijn leerlingen vermeerderde zich dag aan dag, ja vaak van uur tot uur. Want ieder, die in Mij begon te geloven, en die Ik naar de mate van zijn geloof en na de doop met het water, die door Mijn eerste leerlingen gegeven werd, Mijn handen opgelegd had, geraakte vol met geestelijke kracht en moed en had geen angst meer voor de dood.

[2] Omdat velen dat ondervonden, vertelden ze dat, ondanks Mijn verbod, aan iedereen die ze maar zagen; en daarbij werden dan nog al Mijn daden, niet zelden uitgebreid en overdreven, in heel Judéa rondverteld; en dat had bij de op wonderen beluste Joden het natuurlijke gevolg, dat er van dag tot dag steeds meer bijkwamen, waarvan er ook veel bij Mij bleven.

[3] Maar dat had ook het onvermijdbare vervelende gevolg, dat alles in de grote oren van de Farizeeën terecht kwam en zoals reeds gezegd, tesamen met veel toevoegingen en overdrijvingen, waaronder er enige zo vreemd klonken, dat daardoor zelfs enige Romeinen begonnen te geloven, dat Ik of Zeus zelf of minstens een zoon van hem zou zijn.

[4] Ook van Romeinse kant werden onderzoekers op Mij af gestuurd, die echter niet datgene vonden waarvoor ze naar Mij toegestuurd waren. In hun bijzijn deed Ik meestal geen wonderen, opdat dit bijgelovige volk niet nog trager van begrip zou worden dan het al was.

[5] Uit zulke overdreven verhalen ontstonden later een groot aantal valse evangeliën en daardoor werd het echte evangelie verminkt.

[6] De Farizeeën, die slechte en mateloos jaloerse leiders van de tempel en van de Schrift, begonnen direct binnenskamers te beraadslagen om Mij en Johannes met ons werk op te doen houden en ons op een geheel onschuldige wijze uit de wereld te helpen of op z'n minst ergens in een levenslange verzorgingsplaats -zo aardig ondergronds gelegen -op te bergen, zoals ze het later bij Herodes toch nog voor Johannes klaargespeeld hebben.

[7] Dat die edele verdere oogmerken Mij niet onbekend waren, dat behoeft wel geen uitleg, daarom bleef Mij geen andere keuze, teneinde vechtpartijen en vervelende grote rellen te vermijden, dan het ultramontaan duistere Judéa te verlaten en Mij naar het meer vrijzinnige Galiléa te begeven

 

(En Hij moest door Samaria gaan. (Joh. 4:4)

 

[8] Het was zelfs niet raadzaam rechtstreeks naar Galiléa te gaan, maar het was beter via Samaria te trekken, dat zich met behulp van de Romeinen allang van de priesters van de tempel had losgemaakt.

[9] In de ogen van de priesters te Jeruzalem waren de Samaritanen daarom dan ook het verachtelijkste en het godslasterlijkste volk der aarde. Daar stond tegenover dat de priesters uit Jeruzalem bij de Samaritanen zo'n aanzien hadden, dat zij gewoonlijk iemand met 'tempelpriester' aanduid­den, als deze persoon in hun ogen zeer slecht was. Als bijvoorbeeld een opgewonden Samaritaan zonder reden tegen iemand 'Jij Farizeeër' zei, dan bracht de uitgescholdene dit voor het gerecht en de belediger moest dan zijn onbezonnenheid vaak met een forse geldboete of een jarenlange gevangenisstraf bekopen. Het is dus wel te begrijpen dat het voor een Farizeeër of een soortgelijke priester niet geraden was ook maar een voet in Samaria te zetten. Dat kwam Mij, en allen die Mij volgden, goed van pas, want in Samaria waren we voor de kwade vervolging van de tempeljoden veilig.

 

(Toen kwam Hij bij een stad in Samaria, Sichar geheten, dichtbij het dorpje,dat Jacob zijn zoon Jozef had

 

[10]  De weg ging door Sichar, een stad gelegen bij het oeroude dorpje dat Jacob als geboortegeschenk aan zijn zoon Jozef gaf. De bewoners van dit dorpje, die merendeels herders waren, kreeg hij toen hij met Rachel trouwde. Hoewel de stad Sichar niet bepaald de hoofdstad van het land was, woonden er toch wel zeer veel en zeer welvarende Samaritanen en ook menige rijke Romein, want deze stad was zeer mooi gelegen en de omgeving was erg gezond

 

(Daar was de bron van Jacob. Omdat Jezus moe was van de reis, ging Hij op de stenen borstwering van de bron zitten,  en het was ongeveer uur het zesde. Joh. 4.6)

 

[11]  In Judéa waren wij volgens de huidige tijdrekening al tegen vier 's morgens vertrokken, vervolgens zonder te rusten snel doorgelopen en we bereikten precies om twaalf uur 's middags, wat toen het zesde uur genoemd werd, de oude Jacobsbron, die nauwelijks veertig passen voor het dorpje in de richting van Sichar lag. Deze bron stond op een zeer goede waterader, er omheen bevond zich een ouderwetse sierlijk gemetselde borstwering en ernaast groeiden schaduwrijke bomen.

[12] Omdat het hoogzomer was, heerste midden op de dag een zomerse hitte en door de zware reis was Ik lichamelijk erg vermoeid en dat gold ook voor allen, die Mij uit Judéa en reeds uit Galiléa gevolgd waren, en deze zochten daarom deels in het dorpje, deels onder de schaduwrijke  bomen onderkomen en een zeer gewenste rust, vanwege de grote vermoeidheid.

[13] Zelfs de leerlingen, die zich het eerst bij Mij gevoegd hadden, zoals Petrus, Mijn Johannes de evangelist, Andréas en Thomas, Philippus en Nathánaël vielen alsof ze bijna halfdood waren op het malse gras onder de bomen neer; alleen Ik zette Mij, hoewel ook erg moe, op de stenen borstwering van de bron, want Ik wist al vooruit dat er zich aan de bron weldra een goede gelegenheid zou voordoen om met de halsstarrige, maar overigens met weinig vooroordelen behepte, Samaritanen een zeer nuttig debat aan te gaan. Tegelijkertijd was Ik ook al erg dorstig en wachtte op een kruik om water mee te scheppen, waarvoor een leerling het dorpje ingegaan was, maar waarmee hij nog steeds niet te voorschijn kwam.

 

26 Bij Sichar. Aan de Jacobsbron

 

(Er komt een vrouw uit Samaria om water uit de bron te putten. Jezus zegt tot haar: 'Vrouw geef Mij te drinken'. Want zijn leerlingen waren de stad ingegaan om voedsel te kopen. Joh. 4:7-8)

[1] Terwijl Ik nog steeds tevergeefs wacht op een kruik uit het dorpje om water mee te putten, komt er als geroepen een Samaritaanse uit Sichar met een kruik om voor zichzelf op deze hete dag een kostelijke dronk uit de Jacobsbron te halen, waarvan het water zeer koel was. Toen ze haar kruik met water aan een touw uit de bron getrokken had, terwijl ze daarbij helemaal niet op Mij lette, zei Ik tegen haar: 'Vrouw! Ik heb erge dorst, geef Mij uit je kruik te drinken!'

 

(Dan zegt de Samaritaanse vrouw tegen Jezus: 'Hoe kunt u, die toch zo gezien een Jood bent, aan mij, een Samaritaanse vrouw, om water vragen? Joden hebben toch geen omgang met ons Samaritanen.' Joh. 4:9)

 

[2] De vrouw zet grote ogen op omdat ze ziet dat Ik een Jood ben, en zegt na een poosje: 'U behoort toch ook tot degenen, die mij stad inwaarts ontmoetten en vroegen waar men ergens eten kon kopen? Dat waren trotse Joden; u bent beslist ook een Jood, zoals aan uw kleding te zien is, en ik ben een Samaritaanse vrouw! Hoe kunt u nu van mij verlangen dat ik u water te drinken geef?! Ja ja, jullie trotse Joden, als u in nood zit is een arme Samaritaanse vrouw goed genoeg, maar in alle andere gevallen tellen we niet mee! Nu, als ik met deze kruik water heel Judéa kon verdrinken, dan zou ik u met groot genoegen uit deze kruik het gevraagde water laten drinken; maar anders zie ik u liever sterven van dorst, dan u ook maar een druppel uit deze kruik te geven!

 

(Jezus antwoordde en zei tot haar: ' Als je de gave van God kende en Wie Hij is die tot je zegt: Geef Mij te drinken, dan zou je Hem smeken en Hij zou je levend water te drinken geven'. Joh. 4: 10)

 

[3] Ik zeg: 'Omdat je niets beseft, daarom praat je zo; maar als je een beetje inzicht had en je zou de gave van God herkennen en Degene, die tegen je spreekt en gezegd heeft: 'Vrouw, geef Mij te drinken!', dan zou je voor Hem neervallen en Hem smeken om het echte water, en Hij zou je levend water te drinken geven! Ik zeg je, wie gelooft wat Ik tegen hem zeg, uit diens lichaam zullen stromen van hetzelfde levende water stromen, zoals dat geschreven staat in Jesaja 44 vers 3 en in Joël 3 vers I.'

 

(De vrouw zegt: 'Heer! U heeft toch niets om mee te putten en de put is diep! Waar haalt u dan het levende water vandaan?' Joh. 4: 11 )

 

[4] Maar de vrouw antwoordt: “U kent de Schrift nogal goed! Maar, zoals ik kan opmaken uit uw vraag om een slok water uit mijn kruik, en omdat u zeker niets hebt waarmee u het water uit deze bron scheppen kunt, en u met de hand het water niet kunt bereiken omdat de bron te diep is en niemand met de hand bij het water kan komen, daarom zou ik wel eens willen zien met welke truc u dat water uit het niets te voorschijn kunt toveren!? (Of wilt u mij misschien heel bedekt te verstaan geven, dat u zin heeft om het met mij aan te leggen? Ik ben nog jong genoeg en aantrekkelijk ook, want ik ben nog geen dertig! Zo'n vraag van een Jood aan een verachte Samaritaanse zou echter toch wel een groot wonder zijn, want jullie vinden de beesten aangenamer dan ons Samaritaanse mensen! Werkelijk daartoe zou ik me nooit over laten halen!)'

 

('Bent u soms meer dan onze vader Jacob, die ons deze heerlijke put heeft gegeven, waaruit hij, zijn kinderen en zijn vee hebben gedronken?' Joh. 4:12)

 

[5] Wie en wat bent u dan, dat u op zo'n manier met mij durft te spreken? - Bent u soms meer dan onze vader Jacob, die ons deze bron gegeven heeft, waaruit hij, zijn kinderen en zijn vee gedronken hebben?! Wie denkt u wel dat u bent? - Zie, ik ben maar een arme vrouw; want als ik rijk was, dan kwam ik niet zelf in deze hitte om een koele dronk voor mij te halen. Zou u als Jood mij nog ellendiger willen maken, dan ik toch al ben?! Kijk eens naar mijn kleren, die nauwelijks voldoende zijn om mijn schaamte te bedekken en dan zal het u toch wel duidelijk zijn, dat ik erg arm ben! Hoe kunt u van mij verlangen, dat ik arme ellendige vrouw u, een trotse Jood, zelfs zou smeken om uw lusten te mogen bevredigen?! Bah, als uw zinnen daarop gericht zouden zijn! Maar ik zie u er toch niet op aan; daarom moet u me wat ik zei maar niet kwalijk nemen! Maar omdat u dit gesprek met mij begon, moet u me nu maar eens uitleggen wat u met dat levende water bedoelt!'

 

(Jezus antwoordde en zei tot haar: 'Ieder, die van het water uit deze bron drinkt, die zal na een poosje weer dorst hebben.' Joh. 4:13)

 

[6] Ik zeg: 'Ik zei al dat je geen besef hebt en daarom is het ook wel begrijpelijk dat je Mij niet verstaan kunt en wilt. Kijk, Ik zei je ook: Wie Mijn woorden gelooft, uit diens lichaam zullen stromen levend water stromen! Nu, Ik ben al dertig jaar in deze wereld en heb nog nooit een vrouw aangeraakt; waarom zou Ik dan nu opeens jou begeren?! 0, jij begripsloze zottin! En gesteld dat Ik het met je aan wilde leggen, dan zou je dorst toch weer terugkomen en zou je weer moeten drinken om je dorst te lessen. omdat Ik je echter levend water aanbood, daarom is het wel duidelijk dat Ik daarmee jouw levensdorst voor eeuwig wilde lessen! Want weet je, Mijn woord en Mijn leer is dat water!'

 

('Wie echter het water drinken zal, dat Ik hem geef, die zal eeuwig geen dorst meer hebben; want het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron van water worden, waarvan het water over zal lopen in het eeuwige leven!' Joh. 4:14)

 

[7] 'Want wie het natuurlijke water uit deze of alle andere bronnen drinkt, die heeft al gauw weer dorst. Wie echter het geestelijke water drinkt, dat Ik alleen maar geven kan, die heeft in eeuwigheid geen dorst meer. Want het water, dat Ik iemand geef, wordt in hem een waterbron, waarvan het water opwelt tot in het eeuwige leven.

[8] Kijk eens, je denkt dat Ik een trotse hoogmoedige Jood ben, maar weet dat Ik met Mijn hele ziel zachtmoedig ben en dat Mijn wezen één en al deemoed is. Deze deemoed is Mijn levende water; wie dus niet net zo deemoedig wordt als Ik, zal geen deel hebben aan het Rijk van God, dat nu neergedaald is op aarde.

[9] Tevens is het je aangeboden levenswater, ook de enig echte kennis van God en van het eeuwige leven uit God; het welt zo uit God, het leven van alle leven, in de mens op als het eeuwige leven. Daar wordt het een nooit opdrogende bron van eeuwig blijvend leven, dat weer in het leven van God terugstroomt; en het is een totaal vrij leven, dat gelijk is aan dat van God. Kijk, dat water bied Ik je aan; hoe kun je Mij zo helemaal verkeerd begrijpen?!'

 

(De vrouw zei tot Hem: Heer! Geef mij dat water, opdat ik nooit meer dorst zal hebben en ik niet meer hierheen behoef te komen om water te putten.' Joh.4:15)

 

[10] De vrouw zegt: 'Graag wil ik dat water van u hebben, zodat ik nooit meer dorst zal hebben en ik die vermoeiende weg om water voor mij uit deze bron te scheppen niet meer hoef te gaan! Want weet u, ik woon aan de andere kant van de stad en het is dus hierheen nog een behoorlijk stuk lopen!'

 

(Jezus zegt tot haar: 'Ga heen en roep je man en kom hier.' Joh. 4:16)

 

[11] Ik zeg: 'O vrouw, je bent bijzonder dom, er is met jou niet te praten, want je hebt geen besef van geestelijke dingen! - Ga maar naar de stad en roep je man en kom met hem weer hierheen; met hem wil Ik praten, hij zal Mij zeker beter begrijpen dan jij! Of is je man soms net eender als jij, dat hij zijn natuurlijke dorst zou willen lessen met het geestelijke water van de deemoed?'

 

 

27 Het echte aanbidden van God

 

(De vrouw antwoordde en zei tot Hem: 'Ik heb geen man.' Jezus zegt tot haar: ' Je hebt terecht gezegd: Ik heb geen man.' Joh. 4: 17)

 

[1] De vrouw antwoordt daarop heel bits: 'Ik heb geen man', waarop Ik dan enigszins glimlachend tegen haar zeg: 'Kort, goed en waar, je hebt nu helemaal de waarheid gesproken.’

 

(Vijf mannen heb je gehad, en die je nu hebt, is je man niet! Dat heb je naar waarheid gezegd.' Joh. 4:18)

 

[2] 'Want kijk eens, beste vrouw, vijf mannen heb je al gehad, en omdat hun natuur niet met de jouwe overeenkwam, werden ze al gauw ziek en stierven; want langer dan een jaar hield het er niet één met je uit. Er zit een dodelijke worm in je lijf en degene, die daarmee te maken krijgt, wordt daardoor al snel gedood. De man die je nu echter hebt, is je man niet, maar je ondergeschikte minnaar -tot zijn en jouw verderf! Ja, ja, je hebt dus echt wel de waarheid tegen Mij gezegd.'

 

(De vrouw zegt tot Hem: 'Heer, ik zie nu, dat u een profeet bent.' Joh. 4:19)

 

[3] Inwendig schrikt de vrouw hiervan, ze wil zich echter niet verraden en zegt na een poosje toch nog: 'Heer, ik zie dat u een groot profeet bent! Als u zoveel weet, dan weet u misschien ook wel, waardoor ik genezen kan worden!?

 

(Onze vaderen hebben op deze berg God aanbeden; en u zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men God moet aanbidden.' Joh. 4:20)

 

[4] Ik weet wel dat in dit geval God alleen maar helpen kan; maar hoe en waar moet men Hem dan daarvoor aanbidden? Onze vaders zeggen dat men op de berg Garizim, waar de eerste aartsvaders God al aanbeden hebben, God moet aanbidden. De Joden zeggen echter dat Jeruzalem de juiste plaats is om God te aanbidden. Omdat u echter duidelijk een profeet van God bent, zeg me dan eens, waar men eigenlijk God moet aanbidden om verhoord te worden. Want zoals u ziet ben ik nog jong en de mensen zeggen dat ik een heel mooie vrouw ben; het zou toch iets verschrikkelijks zijn als ik tijdens mijn leven al door de wormen opgevreten zou worden! O, ik arme slechte vrouw!'

 

(Jezus zei tot haar: 'Vrouw, geloof Mij, er komt een tijd dat je noch op de berg, noch in Jeruzalem God de Vader zult aanbidden.' Joh. 4:21)

 

 [5] Ik zeg: 'Vrouw, Ik ken je armoede, je nood en je slechte lichaam wel; maar Ik ken ook je hart, dat nu juist niet best, maar toch ook niet slecht te noemen is, en kijk, dat is de reden waarom Ik nu met je spreek. Waar het hart ook nog maar een beetje goed is, daar is ook nog iedere hulp mogelijk! -Maar je bent wel heel verkeerd bezig als je twijfelt over waar men God waardig zou moeten aanbidden, om door Hem verhoord te worden!

[6] Luister Ik zeg het je en geloof Mij maar: Er komt een tijd en die is er al, datje noch op de berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden!'

[7] Nu schrikt de vrouwen zegt: 'Wee mij, wee aan het hele volk! Wat zal er dan van ons terechtkomen?! Hebben we dan net als de Joden verschrikkelijk gezondigd?! Maar waarom zond Jehova ons dit keer dan geen profeet om ons te vermanen? U bent nu weliswaar als echte profeet tot ons gekomen, maar wat hebben we eraan als u tegen mij zegt: Men zal God in de toekomst noch op de berg, noch te Jeruzalem aanbidden? Als ik afga op uw opeens heel bedenkelijk ernstig geworden gezicht, betekent dat dan zoveel als: God zal Zijn oude volk helemaal alleen laten en bij een ander volk gaan wonen? Op welke plaats ter wereld zal dat zijn? Zeg het mij toch, opdat ik daarheen ga en daar als een ware boetelinge God de Vader aanbidde, opdat Hij mij ongelukkige helpe, en niet mijn volk geheel verlate!'

[8] Daarop zeg Ik: 'Hoor Mij goed aan en begrijp wat Ik je zeg! - Waarom twijfel je en beef je? Denk je dat God ook zo ontrouw aan Zijn beloftes is als de mensen onderling zijn?!'

 

('Jullie weten niet wat je aanbidt; maar wij weten het, want de redding komt toch van de Joden!' Joh. 4:22)

 

[9]  “Jullie beklimmen de berg wel en bidden daar, maar je weet niet wat je daar bidt en tot wie je bidt. Zo is het ook bij degenen, die te Jeruzalem aanbidden; ze lopen wel in de tempel en jammeren daar afgrijselijk, maar ze weten ook niet wat ze doen en wat ze aanbidden!

[10] Maar toch komt het heil niet van jullie, maar van de Joden, zoals God door de mond der profeten gezegd heeft! Lees maar het derde vers in het tweede hoofdstuk van de profeet Jesaja en je zult het vinden!'

[11] De vrouw zegt: 'Jawel, ik weet wel dat daar geschreven staat, dat de wet uitgaat van Sion, omdat die daar in de ark ook bewaard wordt; maar waarom zegt u dan: Noch op de berg, noch te Jeruzalem?!'

 

('Maar de tijd komt, en is er nu al, waarin de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want de Vader wil Zelf dat de mensen Hem zo zullen aanbidden.' Joh. 4:23)

 

[12] Ik zeg: 'Je hebt Mij nog steeds niet begrepen. Kijk, God de eeuwige Vader is noch een berg, noch een tempel, noch de ark en hoort net zo min thuis op de berg, in de tempel of in de ark! Daarom zeg Ik je: De tijd komt en is nu al zichtbaar, waarin de echte aanbidders God de Vader in geest en waarheid aanbidden zullen; want de Vader wil Zelf van nu af aan, dat de mensen Hem zo zullen aanbidden!'

 

('Want God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en in de waarheid aanbidden!' Joh. 4:24)

 

[13] 'En zie je, daarvoor heeft Hij noch een berg, noch de een of andere tempel nodig, maar alleen een hart, dat zoveel mogelijk rein, liefdevol en deemoedig is! Als het hart is wat het zijn moet, namelijk een vat der liefde tot God, een vat vol zachtmoedigheid en deemoed, dan is de volle waarheid in dat hart; en waar waarheid is, daar is licht en vrijheid, want het licht der waarheid maakt ieder hart vrij. En als het hart vrij is, dan is ook de hele mens vrij.

[14] Wie op deze wijze, met zo'n hart, God liefheeft, is een echte aanbidder van God de Vader, en de Vader zal zijn gebed steeds verhoren en God zal er niet op letten of de plaats, die Hem totaal niet interesseert, een berg of Jeruzalem is, want de aarde is overal op dezelfde wijze van God. Hij let alleen maar op het hart van ieder mens! Ik denk, dat je Mij nu wel begrepen hebt.'

 

 

28  De Heer maakt Zich bekend als de Messias

 

[1] De vrouw zegt: 'Ja Heer, nu heeft u duidelijker gesproken! Maar zeg mij: Heeft u nu geen dorst meer en wilt u niet meer uit de kruik van een zondares drinken?' Ik zeg: 'Beste vrouw, laat dat maar rusten, want zie je, jij bent Mij liever dan je kruik of je water! Toen Ik je te drinken vroeg, bedoelde Ik niet je kruik, maar je hart, waarin een veel kostbaarder water zit, dan in deze bron en in je kruik. Met het water van je hart kun je ook je hele lichaam genezen; want dat deel van jou wat Mij goed doet, dat zal je genezen, als je het geloof daarvoor hebt!

[2] De vrouw zegt: '0 Heer, hoe moet ik dat doen, hoe moet ik het water van mijn hart in mijn schaamte brengen? Heer, vergeef mij dat ik zo vrij met u praat; maar ik ben een ongelukkige vrouw, en weet u, de ellende ziet de schaamte niet als schaamte, maar ziet alleen maar zichzelf en maakt het spreken gemakkelijker naarmate de nood hoger is. Als ik niet zo ongelukkig was, echt dan zou ik u mijn hart geven! Maar - o God, heilige Vader, Die mij helpen moge! -ik ben toch zo ellendig ziek en mag aan mijn vele zonden geen nieuwe meer toevoegen; want het zou zeker de grootste zonde zijn om aan een rein iemand zoals u een onrein hart aan te bieden!'

[3] 'Mijn beste vrouw', zeg Ik, 'je bood weliswaar je hart niet aan, maar Ik heb het Zelf genomen toen Ik je om water vroeg! Daarom mag je je hart toch aan Mij aanbieden, want Ik neem ook de harten van de Samaritanen aan! Als je Mij liefhebt, dan is het goed; want Ik heb je allang, nog voor je aan Mij denken kon, liefgehad!'

[4] Nu krijgt de schone vrouw een kleur en zegt ietwat verlegen: 'Sinds wanneer kent u me dan? Was u dan al eens in deze stad of in Samaria? Werkelijk ik heb nog nooit ergens ook maar een glimp van u gezien! O, ik vraag u, waar en wanneer heeft u mij gezien? Zeg het me toch!'

[5] Ik zeg: 'Noch hier in Samaria of in welk ander oord dan ook, en toch ken Ik je al sinds je geboorte, zelfs nog van vroeger al en Ik heb je altijd al als Mijn leven liefgehad! Hoe bevalt je dat, ben je tevreden met Mijn liefde? Weet je wel, dat toen je op je twaalfde jaar in Samaria in een regenput viel, Ik het was die je er uit trok; maar je kon de hand niet zien, die je uit de put trok! Weet je dat nog?'

[6] Hierdoor raakt de vrouw helemaal in verwarring en weet niets uit te brengen; want haar hart was erg vurig en haar liefde groeide zichtbaar.

[7] Na haar hart even de tijd gegund te hebben, vroeg Ik haar of ze niets wist van de Messias, Die komen zou.

 

(De vrouw zegt tot Hem: 'Ik weet dat de Messias komt, die Christus wordt genoemd; als Hij zal komen, zal Hij ons dat dan allemaal verkondigen?' Joh. 4:25)

 

[8] Daarop zegt de vrouw, terwijl haar wangen nog erg rood zijn en ze diep ademhaalt: 'Heer, wijze profeet van God, ik weet wel dat de beloofde Messias moet komen en dat Christus zijn naam zal zijn! Als Hij echter komt, dan kan Hij toch alleen maar datgene verkondigen, wat u nu tegen mij gezegd hebt?! Maar wie zal ons zeggen wanneer en waarvandaan de Messias zal komen? Misschien weet u, omdat u zo door en door wijs bent, ook over de komst van de Messias iets naders te vertellen? Want ziet u, we wachten allang en er is helemaal nog geen sprake van de Messias! U zou mij daarom een buitengewoon plezier doen als u me zou willen vertellen, wanneer en waar de Messias precies komen zal om Zijn volk van al zijn vele vijanden te verlossen! O zeg het mij, als u het weet! Misschien zou de Messias Zich ook over mij ontfermen en mij helpen als ik Hem dat zou smeken?!'

 

(Jezus zegt tot haar: 'Ik ben het, die nu met je spreekt.' Joh. 4:26)

 

[9] Liefdevol en ernstig zeg Ik kort en duidelijk tegen de vrouw: 'Ik ben het, Die nu met je praat!'

 

 

29 Genezing van de vrouw aan de Jacobsbron

 

(En tegelijkertijd kwamen Zijn leerlingen, en zij verwonderden zich, dat Hij met de vrouw sprak. Toch zei niemand: 'Wat vraagt U, of waarover praat U met haar?'

Joh. 4:27)

 

[1] Toen Ik dit zei, schrok de vrouw erg, temeer omdat net op dit ogenblik de eten brengende leerlingen uit de stad terugkwamen en heel verwonderd keken, toen ze Mij in gesprek met deze vrouw aantroffen. Ze durfden echter noch aan Mij, noch aan de vrouw te vragen, wat wij gedaan hadden of waarover wij met elkaar gesproken hadden. De andere tochtgenoten inclusief Mijn moeder, die ook nog hier was, sliepen nog dermate vast dat ze nauwelijks wakker te krijgen waren, want de lange tocht had hen allemaal erg vermoeid. Tenslotte kwam ook de leerling, die naar een kruik om water mee te putten gezocht had, met lege handen uit het dorpje terug: Hij verontschuldigde zich en zei: 'Heer, het dorpje telt toch zeker twintig hulzen, maar U kunt het geloven of niet, voor U is er niemand thuis en alle deuren zijn afgesloten!

[2] Waarop Ik hem antwoord: 'Maak je daarover maar niet druk! Want geloof Me, datzelfde zal ons lichamelijk en vooral geestelijk nog heel vaak overkomen, als wij door de dorst van onze liefde gedreven aan de deuren van de mensen zullen kloppen om een kruik te zoeken voor het scheppen van het levende water; maar wij zullen de harten afgesloten en leeg vinden! Begrijp je deze beeldspraak?'

[3] De leerling zegt zeer ontroerd en pijnlijk getroffen: 'Heer, goede Meester, jammer genoeg heb ik U goed begrepen! Maar als het zo zal zijn, dan zullen wij geen grote vorderingen maken!'

[4] Ik zeg: 'Toch wel, Mijn broeder! Kijk eens naar deze vrouw! -Ik zeg Je: één verlorene te vinden is meer waard dan negen en negentig rechtvaardigen, die volgens hun geweten geen boete behoeven te doen, omdat ze menen dat ze op iedere sabbat God dienen op Garizim. Maar hier halen ze zelfs op de dag vóór de sabbat al alles waarmee water geput kan worden weg, opdat niemand op de sabbat een slok water uit deze bron zou halen om zijn dorst te lessen, waardoor naar de mening van deze rechtvaardigen de sabbat ontheiligd zou worden. O, wat een grote, ontzettend kortzichtige dwaasheid van dit soort rechtvaardigen! Hier staat echter een zondares met een goede kruik en zij zorgt voor ons. Dan vraag Ik je: wie is er beter: deze of die negen en negentig beoefenaars van de sabbatsheiliging op Garizim?!'

[5] De vrouw zegt echter vol wroeging: 'Heer! Zoon van de Eeuwige! Hier is mijn kruik, bedient u zich daarmee; ik laat hem hier voor u achter! Laat, mij,echter snel, naar de stad gaan, want ik sta in te onwaardige kleding hier voor u! - Ik antwoord: 'Vrouw wees gezond en doe wat je denkt te moeten doen!'

 

(Toen liet de vrouw de kruik staan en liep snel naar de stad en zegt tegen de mensen: ' Joh, 4:28)

 

[6] Met vreugdetranen in de ogen laat de vrouw de kruik achter en gaat van de bron snel naar de stad, ze kijkt onder het gaan nog vele malen groetend naar, Mij om, want ze heeft Mij zeer lief. De vrouw komt bijna bulten adem in de stad en ontmoet daar een groep mannen, die, zoals op de sabbat gebruikelijk, in een schaduwrijke straat voor hun genoegen heen en weer wandelen. De mannen, die de vrouw wel kenden, vroegen haar schertsend: 'Nou nou, waarom zo'n haast? Waar is de brand?' De vrouw kijkt hen welwillend ernstig aan en zegt: 'U moet niet schertsen, beste heren, want onze tijd is ernstiger dan u kunt vermoeden!'

 

(Komt en ziet een mens, die mij alles heeft gezegd wat ik ooit gedaan heb, Is Deze niet de Christus?'  Joh, 4:29)

 

[7] Op dit moment vallen de mannen haar in de rede en vragen vol ongeruste nieuwsgierigheid: Nou, nou, wat is er dan, trekken vijanden ons land binnen of is er een sprinkhanenzwerm op komst?'

[8] Helemaal uitgeput zegt de vrouw: 'Niets van dat alles! Het gaat om iets veel groters en buitengewoners! Luister rustig naar mij!

[9] Al een uur geleden ging ik naar buiten naar de Jacobsbron om voor deze middag water te halen, en zie, daar vond ik een mens, van wie ik eerst echt dacht dat het een Jood was, zittend op de borstwering van de bron! Toen Ik haast zonder op hem te letten mijn water uit de bron geput had, sprak de mens mij aan en wilde dat ik hem uit mijn kruik zou laten drinken. Ik stond hem dat niet toe, omdat ik dacht dat hij een Jood was.

[10] Hij ging echter door met praten, net zo wijs als eens Elia, en vertelde mij alles wat ik ooit gedaan had. Aan het eind begon hij zelf over de Messias en toen ik hem nog vroeg, waar, hoe en wanneer de Messias zal komen, keek hij mij liefdevol en ernstig aan en zei met een stem die mij door merg en been ging: 'Ik ben het, Die nu met je praat!'     ,

[11] Ik had Hem al eerder gevraagd, omdat Hij zei hoe ziek ik was, of ik niet weer gezond kon worden. En toen aan het eind zei Hij tegen mij: 'Wordt gezond', en zie, mijn kwaal verliet mij als een wind en nu ben ik helemaal gezond!

[12], Ga toch naar buiten de stad en zie voor uzelf of dat niet werkelijk Christus, de beloofde Messias, is. Naar mijn mening is Hij het zeker, want grotere wonderen dan deze mens doet, zal Christus, als Déze het niet zou zijn, nooit kunnen doen! Ga dus naar buiten en overtuig uzelf! Ik ga nu vlug naar huis om betere kleren aan te trekken want zo kan ik niet in Zijn hoge bijzijn gekleed gaan! Als Hij de Christus niet zou zijn, dan is Hij toch zeker méér dan een profeet of een koning van het volk.'

[13) De mannen voelen de ernst van de situatie en zeggen: 'Ja als dat zo is, dan is deze tijd werkelijk zeer ernstig en zeer belangrijk! Dan moeten we echter wel met meer mensen gaan en er moeten er ook een paar bij zijn, die de Schrift goed kennen; het is wel jammer dat al onze rabbijnen zich op de berg ophouden! Maar misschien kunnen we Hem overhalen een paar dagen in ons midden te blijven en dan kunnen zij Hem ook toetsen!'

 

(Toen gingen zij de stad uit en kwamen naar Hem toe, Joh, 4:30)

 

[14] Daarop nodigen ze nog meer mensen uit om met hen naar buiten te gaan naar de Jacobsbron, en zo gaat er een optocht van bijna honderd mensen, zowel mannen als vrouwen naar buiten om de Messias te zien.

 

 

30  De heiliging van de sabbat

 

(Intussen vermaanden de leerlingen Hem en zeiden: 'Meester eet nu toch!' Joh.4:31)

 

[1] Terwijl de grote schare uit de stad zich in de richting van de bron bewoog, vermaanden Mijn leerlingen Mij om nu eerst eens te eten! Want ze hadden gemerkt dat Ik niets at zodra ergens mensen tot Mij kwamen. Zij hadden Mij echter lief en waren bang dat Ik zwak en ziek zou kunnen worden. Want, hoewel ze wel wisten dat Ik de Christus ben, hielden ze Mijn lichaam toch voor zwak en gebrekkig en vermaanden Mij daarom dat Ik eten moest!

 

(Maar Hij zegt tot hen: 'Ik eet voedsel, dat jullie niet kennen.' Joh. 4:32)

 

[2] Ik zie hen echter liefdevol en ernstig aan en zeg: 'Mijn beste vrienden. Ik eet nu voedsel. dat jullie niet kennen!.

 

(Toen zeiden de leerlingen onder elkaar: 'Heeft iemand Hem dan al iets te eten gebracht?' Joh. 4:33)

 

[3] Toen keken de leerlingen elkaar aan, hielden ruggespraak en zeiden: 'Heeft iemand Hem dan al ergens vandaan iets te eten gebracht? Wat kan Hij gegeten hebben? Heeft Hij het dan al opgegeten? Er is niets te zien - behalve de kruik vol met water. Heeft Hij misschien het water in wijn veranderd?

 

(Jezus zegt tot hen: 'Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem, die Mij heeft gezonden, en Zijn werk volbreng.' Joh. 4:34)

 

[4] Ik zeg tegen hen: 'O maak toch niet zulke dwaze veronderstellingen over wat Ik wel of niet gegeten heb! Je hebt toch meermalen gezien. dat Ik Mij bij jullie nooit iets extra 's heb laten geven. Ik heb het tegen jullie niet over lichamelijk voedsel, maar over veel hoger en waardiger geestelijk voedsel, en dat bestaat daaruit, dat Ik de wil van Diegene doe. Die Mij gezonden heeft, en dat Ik Zijn grote werk afmaak! Degene, Die Mij daarvoor gezonden heeft is de Vader, waarvan jullie zeggen, dat Hij je God is, hoewel je Hem nog nooit herkend hebt. Ik ken Hem echter en daarom doe Ik, wat Hij gezegd heeft en dat is Mijn echte voedsel. dat jullie niet kennen. Ik zeg het je: Niet alleen het brood, maar iedere goede daad of ieder goed werk, is ook voedsel, wel niet voor het lichaam, maar des te meer voor de geest!.

 

(Zeggen jullie zelf niet: 'Nog vier maanden, dan komt de oogst?' Zie Ik zeg jullie: 'Slaat de ogen op en aanschouwt het veld; het is nu reeds wit om te oogsten!'

Joh. 4:35)

 

[5] 'Velen van jullie hebben akkers thuis, en zelf zeg je: 'Nog vier maanden en de oogsttijd begint en wij zullen naar huis moeten gaan en oogsten!. Ik zeg je echter: Doe je ogen beter open! Nu al zijn alle velden wit om te oogsten. Maar Ik bedoel niet deze natuurlijke velden, maar het grote veld, dat bestaat uit de gehele wereld, waarop de mensen als gerijpte tarwe staan, dat voor de schuren van God geoogst moet worden!.

 

(De maaier ontvangt het loon en verzamelt de vrucht voor het eeuwige leven, opdat een gemeenschappelijke vreugde zal ten deel zal vallen aan degene die zaait en degene die maait! Joh.4:36)

 

[6] En zie, dit oogsten is het ware werk en dit werk is het echte voedsel, dat wij allen volop te eten zullen krijgen. Wie op dit veld een goede maaier is, die verzamelt de ware vrucht voor het eeuwige leven, opdat aan het einde van de oogst, zowel degene, die gezaaid heeft, als hij, die gemaaid heeft, daaraan tesamen vreugde zullen hebben.

 

(Want hier geldt de spreuk: Deze zaait, en een ander maait. (Joh. 4:37)

 

[7] 'Want na de oogst zal zaaier zowel als maaier van één en dezelfde vrucht en één en hetzelfde brood des levens eten; en dan wordt de oude spreuk geheel bewaarheid: De één zaait en een ander oogst, maar beiden zullen op dezelfde wijze van hun arbeid leven en zij zullen één en dezelfde spijs eten!

[8] Kijk eens naar de velen, die uit de stad naar ons toe zijn gekomen om in Mij de Beloofde te zien, en zoals je ziet, komen er nog steeds meer! Let op, dat zijn niets anders dan al overrijpe tarwe aren. die al lang gemaaid hadden moeten worden! Ik zeg jullie met veel vreugde: De oogst is groot, maar er zijn nog veel te weinig maaiers; vraag daarom de Heer van de oogst, dat Hij meer maaiers in Zijn oogst zenden zal!.

 

(Ik heb jullie gezonden om te maaien wat je niet gezaaid hebt; de anderen hebben gezaaid en jullie doen nu hun werk verder. Joh. 4:38)

 

[9] 'Ik heb jullie opgenomen en tijdens het opnemen heb Ik je ook al in de geest uitgezonden om te maaien wat jullie niet gezaaid hebt; want anderen hebben gezaaid, en jullie maken hun werk af, en daarover mag je je wel uitermate gelukkig prijzen! -Want degene, die zaait, is nog ver van de oogst, wie echter maait, die oogst tevens en heeft reeds het nieuwe brood des levens voor zich! Weest daarom ijverige maaiers; want jullie moeite is gelukzaliger dan die van de zaaier!

[10] De meeste leerlingen begrepen deze les wel en begonnen direct Mijn woord over de liefde tot God en over de liefde tot de naaste aan de Samaritanen te verkondigen, en ook dat Ik werkelijk de Christus ben.

[11] Maar een paar dommere leerlingen kwamen naar Mij toe en vroegen Mij heel heimelijk in vertrouwen: 'Heer, waar moeten we de sikkels vandaan halen, en het is toch ook nog sabbat vandaag?!.

[12] Waarop Ik hen antwoordde: 'Heb Ik dan gezegd, dat jullie deze Voor ons liggende natuurlijke gerstevelden moeten maaien? O jullie domkoppen, hoe lang zal Ik je op die manier nog moeten verdragen?! -Begrijpen jullie dan nog niets?! -Luister dan en begrijp het:

[13] Mijn woord van het Rijk van God is de geestelijke sikkel. Dit woord komt eerst in jullie eigen harten en van daaruit over je tong naar de oren en in de harten van je medemensen en broeders. Deze sikkel geef Ik jullie om de mensen, je broeders, te oogsten voor het Rijk van God, het Rijk van de ware kennis van God en het eeuwige leven in God.

[14] Het is vandaag inderdaad sabbat, maar de sabbat is net zo dom en onzinnig als jullie hart, en je houdt rekening met de sabbat omdat het er in je hart nog erg sabbatachtig uit ziet. Ik zeg je echter, omdat Ik ook Heer over de sabbat ben:

[15] Verban in de eerste plaats de sabbat uit jullie harten als je Mijn waarachtige leerlingen wilt zijn en blijven! Ons werk blijft iedere dag doorgaan; waar de Heer van de sabbat werkt, daar mogen Zijn knechten de handen niet in de zakken steken!

[16] Moet de zon op de sabbat niet net eender op­ en ondergaan als op een werkdag? Als echter de Heer van de zon ook de sabbat zou vieren, zou je dan tevreden zijn met een stikdonkere sabbat? Zie eens hoe dom jullie nog zijn! Tracht het te begrijpen en doe daarom wat Ik nu doe en wat je broeders doen, dan zullen jullie een voor Mij welgevallige, echte levende sabbatsviering hebben!

[17] Na deze woorden gingen ook de zwakkere leerlingen naar de Samaritanen, die nu in groten getale uit de stad naar Mij toegekomen waren, en onderwezen hen wat Ik hen geleerd had.

 

 

31  Het echte ereteken

 

(Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, terwille van de vrouw, die getuigde: 'Hij heeft mij alles gezegd, wat ik heb gedaan'. Joh. 4:39)

 

[1] En zo ging het tot aan de avond, en heel veel van degenen, die uit de stad tot Mij waren gekomen, geloofden nu in Mij, eerst vanwege het getuigenis van de vrouw, die het stadsvolk in vurige bewoordingen wist te vertellen, hoe Ik haar alles vertelde wat ze ooit gedaan had; vervolgens echter geloofden velen ook aan de hand van wat de leerlingen over Mij getuigden. Het grootste geloof echter hadden die Samaritanen, die zo dicht bij Mij waren, dat ze Mij zelf konden horen spreken.

[2] Want sommigen van hen, die de schrift goed kenden, zeiden: 'Deze spreekt als David, die zegt: 'De geboden des Heren zijn waar en verblijden het hart; de geboden des Heren zijn zuiver en verlichten de ogen! De vrees des Heren is onverdeeld en blijft eeuwig en de rechten des Heren zijn onloochenbaar en geheel en al rechtvaardig. Ze zijn kostbaarder dan goud en veel fijn goud; ze zijn zoeter dan honing en honingzeem. Uw wil, Heer, doe ik graag en Uw wet heb ik in mijn hart; ik wil Uw gerechtigheid prediken in de wereld. Zie, ik wil mij de mond niet laten snoeren, Heer, dat weet u. Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart; ik spreek van Uw waarheid en Uw heil. Ik verberg Uw goedheid en Uw trouw niet voor de wereld' - Wij weten, en dit getuigenis van ons is vol waarheid en kracht, dat Degene, Die zo spreekt en handelt zoals David vóór Hem in Zijn naam sprak en handelde, dat dat werkelijk de beloofde Messias is. Hij is de enige, Die na David zo gesproken en gedaan heeft als David; daarom is Deze ongetwijfeld de Christus, de eeuwige gezalfde van God! Deze willen we daarom geheel en al aanvaarden!'

 

(Toen nu de Samaritanen naar Hem toe kwamen, vroegen zij Hem bij hen te blijven! En Hij bleef toen twee dagen daar. Joh. 4:40)

 

[3] Nadat deze Samaritanen zo onder elkaar van Mij getuigden, kwamen ze gezamenlijk in alle eerbied naar Mij toe en vroegen Mij, of Ik bij hen wilde blijven. Want ze zeiden: 'Heer, U, Die waarachtig Christus bent, zoals wij U nu duidelijk herkend hebben, blijf bij ons; want in Jeruzalem zult U weinig geloof vinden, in plaats daarvan echter des te meer ongeloof en alle soorten vervolging! Want iets slechters dan een Farizeeër is er op de hele aarde niet te vinden, noch op het land, noch in het water. Hier zal men U echter behandelen, zoals het voor Diegene past, Die ons door Mozes, David en de profeten voorspeld is!'

[4] Maar Ik zei tegen hen: 'Beste mannen uit Sichar! Het verheugt Mij echt, dat Ik zo'n goede oogst op jullie akker geoogst heb; maar het zou niet netjes van Mij zijn als Ik daar, waar Ik de zieken genezen heb en waar ze nu gezond zijn, zou blijven en nooit meer naar de vele andere zieken zou omkijken! Ik zal echter nog twee dagen bij jullie blijven en pas op de derde dag verder naar Galiléa afdalen.

 

(En er geloofden nog veel meer in Hem vanwege Zijn woord. Joh. 4:41)

 

[5] Daarop kwamen er nog veel meer bij, die voordien nog niet helemaal vast geloofden, en zij getuigden nu van hun rotsvaste geloof. Ook de vrouw was daar nu, netjes gekleed, en zij zei tot degenen, die nu geloofden: 'Beste vrienden, jullie zult me nu zeker wel een ereplaats geven? Want ik heb jullie als eerste de weg hierheen gewezen, toen je mij uit de grap vroeg, waar de brand was!’

 

(En zeiden tot de vrouw: 'Wij geloven voortaan niet meer omdat jij het zei; want wij zelf hebben Hem gehoord en onderkend, dat Deze waarlijk de Christus is, de Heiland der wereld. Joh. 4:42)

 

[6] Toen zeiden de Samaritanen: 'Als de Heer je eerder dan ons heeft aangenomen, dan krijg je bij ons ook de eer, zoals dat in Sichar gebruikelijk is. Maar van nu af aan en in de toekomst geloven wij niet meer vanwege jouw woorden; want we hebben Hem nu Zelf gehoord en herkend; Hij IS waarlijk Christus, de Heiland der wereld! En jij zult ons nu nooit geloviger maken, dan we al zijn! Maar van nu af aan zal je ook bij ons echt geëerd worden, als je in het vervolg niet meer zondigen zult!'

[7] De vrouw antwoordt: 'Ik heb in al die tijd heus niet zoveel gezondigd, als jullie tot mijn spijt nog steeds veronderstelt. Voordat ik met een man trouwde, heeft er nog nooit een man mijn lichaam aangeraakt; en nadat Ik getrouwd was, leefde ik geheel zoals dat voor een gehuwde vrouw behoort. Dat ik geen kinderen kreeg en dat ieder van mijn rechtmatige mannen, na gemeenschap met mij, weldra moest sterven, daar kon ik werkelijk niets aan doen. Daarvoor kan men niet mij, maar hoogstens degenen, die mij besmet hebben, aansprakelijk stellen. Nadat mijn vijfde man gestorven was en ik mijn hartzeer nauwelijks verdragen kon, heb ik besloten om nooit meer een man te trouwen. Maar na een jaar kwam, zoals jullie wel weten, een dokter naar Sichar met kruiden, oliën en zalven en genas veel mensen; ik ging ook naar hem toe, gedreven door mijn zeer voelbare nood, in de hoop dat hij mij kon helpen.

[8] Hij bekeek mij echter en zei: 'Vrouw, ik zou de hele wereld er voor geven, als ik je kon helpen, want mijn oog zag nog nooit een mooiere vrouw dan jij! Hoewel ik je er niet van af kan helpen, kan ik je ziekte toch wel verzachten! Hij kwam in mijn armelijke huis wonen, gaf mij iedere dag verzachtende middelen en zorgde voor mij; maar hij heeft mijn zieke lijf nog nooit met slechte bedoelingen aangeraakt, zoals jullie dat geheel ten onrechte schijnen te denken!

[9] En dus ben ik wel voor God altijd een zondares, net zoals jullie ook zeker allen zondaars zijn, maar ik ben niet datgene, waarvoor je mij belieft te houden. Degene echter, Die hier aan de Jacobsbron zit, Die mij eerder gezegd heeft wat ik allemaal gedaan heb, Die moet je maar eens vragen of ik de naam van openbare zondares verdien of niet, en Hij zal het jullie zelf zeggen.'

[10] Nu kijken de Samaritanen elkaar verbaasd aan en zeggen tegen de vrouw: 'Goed, goed, wees maar niet zo boos, we hebben het eerlijk gezegd niet zo kwaad gemeend; om het goed te maken beloven we je dat je nu ereburgeres van Sichar wordt. Zeg eens, ben je nu tevreden over ons?'

[11] De vrouw antwoordt: 'O maak je maar niet bezorgd over de eer van een arme vrouw! Ik heb mijzelf al het grootste deel van het eerbetoon toegeëigend!'

[12] De Samaritanen zeggen: 'Hoe heb je dat dan wel gedaan? Wij weten niets af van een ereteken dat de stad je uitgereikt zou hebben! Waar heb je dat dan vandaan?'

[13] Dan zegt de vrouw, terwijl ze op Mij wijst, met tranen van liefde en oprechte dank in haar ogen: 'Hier zit Hij nog! Hij alleen is nu mijn hoogste eer, een eer, die mij niet door jullie en ook niet door de hele wereld gegeven is en die mij dus net zo min afgenomen kan worden! Want Hijzelf heeft hem mij gegeven en van Hem heb ik hem gekregen! Ik weet wel, dat er niets in mijn hele wezen de moeite waard is om van Hem, de Heer der heerlijkheid eerbetoon te krijgen; maar Hij gaf het en ik nam het voor jullie en vertelde jullie van Hem, omdat je voordien niets van Hem wist. Zie, dat is het wat ik hier heb en wat je mij niet gegeven hebt, en omdat ik het nu eenmaal heb, kunnen jullie het mij niet meer afnemen, en het is een ereteken van de juiste soort en het houdt zijn waarde tot in eeuwigheid. Jullie ereteken is echter maar tijdelijk en dan nog alleen maar voor Sichar, en dat kan men missen als men het eeuwige heeft. Ik hoop dat je nu begrijpt hoe en wanneer ik mijn grootste deel van de echte eer genomen heb.'

[14] De Samaritanen zeggen: 'Heb je dan een bevoorrechte positie, omdat je toevallig als eerste uit het dorp kwam en hier de Christus aantrof? Wij hebben Hem nu ook gevonden en prijzen Hem nu in onze harten net als jij, en Hij beloofde ons ook, net als aan jou, om hier twee dagen in onze stad te blijven. Dit alles in overweging genomen, hoe kun jij het dan hebben over een eerste eer, die jij nog voor ons kreeg?'

[15] 'Beste mannen van Sichar', zegt de vrouw daarop, 'als ik jullie zou willen overtuigen, dan zouden we nooit klaar komen. Ik heb het je nu gezegd, hoe het geheel volgens de waarheid is, een tweede keer zeg ik het jullie echter niet meer! Verscheidene van jullie hebben Romeins recht gestudeerd en zijn nu volgens deze wetten rechters en zeggen, dat het een verstandig recht is! Ik heb deze wetten gelezen, want ik ken het Romeins, en nu staat daarin: Primo occupanti jus! (Het recht van degene, die er het eerst mee begonnen is) Aangezien ik hier de eerste was, geeft mij dat het recht van de eerste, en dat kunnen jullie mij niet ontnemen.'

[16] Toen zwegen de Samaritanen en hadden geen weerwoord voor de vrouw, want ze had hen op hun zwakke plek geraakt, en ze wisten daartegen niets in te brengen. Hun antipathie tegen de Joden maakte, dat ze grote vrienden van de Romeinen waren, en de wijsheid en ordening van het Romeinse recht hoog achtten; daarom zwegen ze nu, omdat de vrouw hen met de Romeinse wet om de oren sloeg.

[ 17] Dat de vrouw de Romeinse taal zo goed kende is niet zo verwonderlijk, want de Samaritanen spraken bijna doorlopend Romeins en ten dele ook Grieks, omdat ze zelfs in de taal iedere overeenkomst met de Joden wilden vermijden.

 

 

32  De Heer ziet het hart aan

 

[1] Het was al avond geworden en allen, die uit Judéa met Mij meegekomen waren en de hele middag geslapen hadden omdat ze erg moe waren, werden de een na de ander wakker en verbaasden zich erover, dat het zo vlug avond was geworden! En ze vroegen Mij, of ze onderdak zouden zoeken, of dat Ik nu in de koelere nachtelijke uren verder zou trekken.

[2] Ik zei echter: 'ook al slapen de mensen, dan waakt toch de Heer, en de Heer zorgt voor alles, en degenen, die bij Hem zijn, behoeven er alleen maar voor te zorgen dat ze bij Hem blijven. Maakt u daarom gereed, zodat we deze Samaritaanse stad in kunnen gaan! Daar zullen we allemaal goed onderdak vinden. Deze vrouw hier, die Mij vanmiddag geen water wilde geven, heeft een ruim huis en zij zal ons, naar Ik meen, twee dagen onderdak niet weigeren.’

[3] Daarop valt de vrouw snikkend van liefde en vreugde voor Mij op de knieën en zegt: 'O Heer, mijn Heiland, waaraan heb ik, arme zondares, deze genade verdiend?'

[4] Ik antwoord: 'Je nam Mij in je hart op en dat hart is veel heerlijker dan je huis, dus zal je Mij ook wel in je huis op willen nemen, dat, net als deze bron, door Jacob voor zijn zoon Jozef gebouwd is. Maar we zijn met veel mensen. Je zult daarom voor twee dagen veel te doen en te zorgen krijgen; maar je zult er veel voordeel aan hebben!'

[5] De vrouw zegt: 'Heer ook al waren jullie met tienmaal zoveel mensen, dan zouden toch, zover mijn middelen dat toestaan, allen bij mij zeer goed onder dak zijn! Want mijn huis is hier en daar wel zeer bouwvallig, maar het heeft veel schone vertrekken en is zo veel mogelijk ook aardig ingericht en wordt slechts door mij, mijn dokter en enige hulpen bewoond. Ik zeg U, o Heer, het huis is het Uwe, U alleen bent er de rechtmatige bezitter van, want U heeft het oudste recht daarop. Kom daarom, o Heer, en trek in Uw huis! Want van nu af aan is het geheel het Uwe en het zal van U ook steeds blijven met alles wat er in is!'

[6] Ik zeg: 'O vrouw, groot is je geloof en liefelijk je hart; daarom zal je ook Mijn leerlinge zijn en blijven. En waar dit evangelie ook verkondigd zal worden, daar zul jij in der eeuwigheid genoemd worden!'

[7] De Samaritanen waren hierdoor een beetje verbaasd en geërgerd en er kwamen er verscheidene naar Mij toe en zeiden: 'Heer, wij hebben ook huizen en het zou beter uitgekomen zijn, als U bij ons ingetrokken was! Want het huis van deze vrouw staat bij ons in een kwade reuk en het is meer een ruïne, dan een huis!'

[8] Ik zeg: 'Jullie zijn nu al drie uur bij Mij, je weet wie Ik ben en het is inmiddels avond geworden; maar, hoewel Ik toegezegd heb om twee dagen in jullie stad te blijven omdat je daarom vroeg, heeft niemand Mij en Mijn leerlingen onderdak aangeboden!

[9] Ik zag echter in het hart van deze vrouw, dat dit zeer verlangde dat Ik in haar huis zou trekken! Ik wenste dus niet om bij haar in te trekken, maar haar hart verlangde dat. Omdat het zich voor jullie niet luid dorst te uiten, kwam Ik dit hart tegemoet en wenste datgene, wat het Mij zo volliefde en levend verlangen bereidwillig wilde geven.

[10] Dat is dan ook de gegronde reden voor Mij om twee volle dagen in het huis van deze vrouw te blijven. Het ga hem goed, die zich daarover aan Mij niet ergert!

[11] Ik zeg u echter: Zoals iemand zaait, zo zal hij ook oogsten; wie zuinig zaait, die zal ook zuinigjes oogsten, wie echter rijkelijk zaait, die zal ook rijkelijk oogsten. Van u allen heeft niemand, noch aan Mij, noch aan Mijn leerlingen, iets aangeboden; deze vrouw geeft echter direct haar hele hebben en houden aan Mij! Wie van u heeft dat voor Mij overgehad? Is het dan onbillijk, dat Ik haar ten overstaan van u allen een verdiend eerbetoon geeft Ik zeg u echter: Wie deze vrouw het recht daarop betwisten wil, die zal het hier op aarde slecht vergaan!'

[12] De Samaritanen kijken elkaar eens aan, ze ergeren zich zichtbaar, maar ze vermannen zich en vragen Mij of Ik hen zou willen toestaan Mij de volgende dag te bezoeken.

[13] Ik antwoord hen echter: 'Ik nodig u niet uit en dwing niemand; wie van u uit vrije wil tot Mij wil komen, zal geen gesloten deur vinden, maar kan zonder meer bij Mij komen. Wie dus komen wil, die kome, wie echter thuis wil blijven, die blijve thuis, want Ik dwing en veroordeel niemand!'

[14] Toen stonden de Samaritanen op en gingen de stad in. Ik bleef nog een poosje bij de bron, en de vrouw gaf met haar kruik al de dorstigen die bij Mij waren, te drinken.

 

 

33 De dokter en de Samaritaanse wetgeleerden

 

[1] Maar haar dokter, die gelijk met haar ook uit de stad was gekomen, liep ons snel vooruit om met zijn dienaren voor Mij een goed onderkomen en een zo rijk mogelijk avondmaal in gereedheid te brengen. Toen hij echter het huis binnenkwam, kon hij zijn ogen haast niet geloven, want hij zag dat zijn mensen al bijna klaar waren met alles wat hij wilde laten doen. Hij vroeg hen heel verheugd, wie dan wel daarvoor opdracht had gegeven. Zij zeiden: 'Een goddelijk uitziende jongeman kwam en zei met zeer zachte stem: 'Doe dat, want de Heer, die weldra in dit huis zal komen, heeft dat allemaal nodig!' Toen we dat op die wonderbaarlijke manier hoorden zeggen, lieten we alles liggen en staan, en deden en doen nu nog wat deze buitengewone jongeman gebood. ,

[2] De dokter verwonderde zich en vroeg: 'Waar is deze buitengewone jongeman dan?' De dienaren antwoordden: 'We weten het niet, want nadat hij ons dat opdroeg om te doen, verliet hij snel dit huis, en we weten niet waar hij heengegaan is'. De dokter zei toen: 'Doe dan goed je best, want er valt dit huis een groot geluk ten deel en jullie allen zullen daarin delen!'

[3] Daarna ging de dokter weer snel de stad uit, om Mij te vertellen dat alles nu al klaar was.

[4] Onderweg ontmoette hij echter een paar zeer rechtzinnige Mozaïsche schriftgeleerden, die hem tegenhielden en zeiden: 'Vriend, het past je niet om op de sabbat zo hard te lopen; weet je dan niet, door welke dingen men zoal de dag van Jehova kan ontheiligen?'

[5] De dokter zegt: 'Jullie Mozaïsche letterknechten! Hard lopen op een sabbat, die, daar de zon al ondergegaan is, nog slechts een na sabbat is, vinden jullie zondig; maar als je op de sabbat je vrouwen maagden verkracht en met hen de grofste ontucht, hoererij en echtbreuk pleegt, hoe vinden jullie dat dan? Heeft Mozes geboden om dat op een feestdag te doen?' De Samaritanen zeggen: 'Als het nu geen sabbat was, dan zouden we je voor zo'n uitspraak stenigen, maar voor deze keer laten we je gaan!' De dokter zegt: 'Nou, nou, jullie durven nogal, juist op een moment waarop de lang beloofde Messias vlak voor de poort van Sichar wacht en ik Hem snel tegemoet ga om Hem te zeggen, dat in Zijn huis alles al voor Zijn ontvangst klaar staat! Hebben jullie dan nog niet gehoord, wat vandaag voor de poort van onze stad gebeurd is?'                                                                     

[6] De Samaritanen zeggen: 'We hebben wel gehoord, dat bulten bIj de bron een verzameling Joden gelegerd is, en dat een Jood, waarschijnlijk hun aanvoerder, zegt dat Hij Christus is. Jij bent dokter en toch begrijp je niet dat de Joden een streek bedacht hebben en nu ons, die ze voor sukkels aanzien, er in willen laten lopen?! Dat zou me een mooie Messias voor ons zijn! Denk je dan dat we hem niet kennen?! Komen wij ook niet uit Galiléa en zijn wij niet jouw geloofsgenoten volgens de ondub­belzinnige wetten van Mozes?! Omdat wij echter uit Galiléa komen, kennen wij deze Nazareeër, die de zoon van een timmerman is. Omdat hij geen zin heeft om nog te werken, Iaat hij zich nu als een schandelijk werktuig van de Farizeeën gebruiken, doet een paar aangeleerde toverkunsten en geeft zich op hun kosten voor Messias uit! En ezels en ossen van jouw slag lopen er in en geloven zijn verlokkende woorden! Ze zouden ze allemaal op moeten pakken, met stokken behoorlijk afranselen en ver­volgens als vuil en drek over de grens moeten gooien!'

[7] De dokter zegt: 'O jullie blinden! In mijn woonhuis wachten Gods engelen op Hem en brachten voor Hem spijs, drank en bedden uit de hemel, en jullie durven zoiets te zeggen! De Heer zal jullie daarvoor straffen!'

[8] Vanaf dit moment worden tien van hen ogenblikkelijk stom en kunnen geen woord meer uitbrengen, en ze blijven stom gedurende de twee dagen van Mijn verblijf in Sichar. De dokter Iaat hen staan en begeeft zich snel weer op weg naar Mij.

[9] Toen hij bij Mij kwam, zei hij: 'Heer! Uw huis is helemaal in orde! Er gebeuren daar wonderbaarlijke dingen; maar op de weg hierheen, o Heer, kwam ik tussen een stel booswichten, die het nodig vonden om tegenover mij een kwaad getuigenis over U te geven. Maar hun geschreeuw hield niet lang stand! Uw engel sloeg hen op de mond en op twee na werden ze volledig stom, die twee schrokken echter geweldig en maakten dat ze wegkwamen. O Heer, dat is allemaal binnen een half uur gebeurd!' Ik zeg: 'Rustig maar, dat moest gebeuren, opdat degenen, die reeds in Mijn naam geloven, zich niet van ons afkeren! Laten we nu echter gaan en vergeet jij, Mijn beste vrouw uit Samaria, je kruik niet!' Meteen put de vrouw vers water en neemt het mee naar huis. - Zo brachten wij een halve dag door aan de Jacobsbron voor Sichar en oogstten in deze stad een tamelijk rijke oogst.

 

 

34 In Sichar. De hemelse inrichting van het huis

 

[I] Mijn leerling Johannes vroeg Mij toen: 'Heer! Als U het er mee eens bent, dan zou ik vannacht nog alles op willen schrijven wat hier gebeurd is!'

[2] Ik zeg: 'Niet alles, Mijn broeder, maar alleen datgene, waarvan Ik zeg dat je het opschrijven moet! Want als je alles zou opschrijven wat daar gebeurde, en wat hier in de komende twee dagen nog gebeuren zal, dan zou je veel vellen vol moeten schrijven; wie zou dat vele dan wel lezen en begrijpen? Als je echter de hoofdpunten juist en in de goede zin van het woord, zoals het je gegeven is, optekent, dan zullen de rechtschapen wijzen die in Mij geloven, zonder meer goed begrijpen wat hier gebeurde en waarom het gebeurde, en je bespaart je veelonnodige moeite. Dus, Mijn beminde broeder, maak het jezelf niet te moeilijk en dan zul je ondanks dat toch altijd de voornaamste schrijver van Mijn leer en Mijn daden blijven.'

[3] Johannes kust Mij op de borst en omdat het al behoorlijk donker is gaan we tezamen met de vrouwen de dokter de stad in en aldaar in het huis van Jozef.

[4] Komend in het werkelijk grote huis, vindt de vrouw in haar huis toebereidselen getroffen voor Mijn huisvesting, waar ze nog nooit van gedroomd had. Want er staan veel goedgevulde tafels en om die tafels ruim voldoende stoelen; en op iedere tafel staan helder lichtende lampen, gemaakt van edele metalen; de vloer is geheel en al bedekt met de prachtigste tapijten, de wanden zijn symmetrisch met bloementapijten behangen, en in prachtige kristallen bekers zien de gasten een kostelijke wijn fonkelen!

[5] De vrouw raakt helemaal uit haar gewone doen en zegt pas na een poosje, terwijl ze zich blijft verbazen: 'Maar Heer, wat heeft U gedaan?! Heeft U dat door Uw leerlingen laten doen en heeft U ze daarvoor soms heimelijk hierheen gestuurd? Waar hebben ze dat dan allemaal vandaan gehaald? Ik weet echt wel wat ik heb, beslist geen goud en zilver, en het staat hier vol met dit metaal! Een kristallen beker, zoals deze hier, heb ik nog nooit gezien, en er staan er hier honderden, die per stuk zeker dertig zilverlingen waard zijn. Deze wijn, dat eten en die vruchten, het mooie brood en zoveel heel dure tapijten, waarvan er één al wel honderd zware zilvermunten kost! O Heer, zeg mij arme alstublieft of U dat allemaal meegebracht hebt, of dat het ergens in de stad geleend werd?'

[6] Ik zeg: 'Kijk, beste vrouw! Buiten aan de bron heb je toch gezegd, dat dit huis van Mij was. Ik heb die schenking van je aangenomen, en omdat het huis nu van Mij is, zou het toch niet netjes van Mij geweest zijn, als Ik jou als schenkster, in een kaal vertrek ontvangen zou hebben! Wel zoals de ene hand de andere wast, zo is het ook hier; de ene dienst is de andere waard! Jij schonk het zonder meer, zoals het was, van ganser harte aan Mij; Ik geef het je weer terug, zoals het nu is ingericht. Ik denk, dat je met deze ruil wel helemaal tevreden zult kunnen zijn?! Want zie je, Ik heb ook wel een beetje verstand van sieraden en verfijnde smaak!

[7] En Ik zeg je: Dat alles heb Ik, net als al het andere, ook van Mijn Vader geleerd! Want de oneindig vele woningen in het huis van Mijn Vader zijn ook heel smaakvol ingericht en vol met de prachtigste sieraden, wat je je wel kunt voorstellen als je naar de bloemen op het veld kijkt, waarvan de eenvoudigste prachtiger versierd is dan Salomo in al zijn koninklijke pracht!

[8] Als de Vader nu zelfs de bloemen, die maar kort bestaan, zo versiert en tooit, hoeveel te meer zal Hij dan wel Zijn woonhuis dat in de hemel is, sieren en tooien?! En wat de Vader doet, dat doe Ik ook; want Ik en de Vader zijn in oorsprong Een! Wie Mij aanvaardt, die neemt ook de Vader aan; want de Vader is in Mij, zoals Ik in de Vader! Wie voor Mij iets doet, die doet het ook voor de Vader; en je kunt Mij daarom niets geven, wat je niet weldra honderdvoudig weer terugkrijgt! Nu weet je alles wat je weten moest.

[9] Laten we nu gaan zitten en het avondeten gebruiken, want er zijn veel hongerigen en dorstigen onder ons. Als wij ons lichaam gesterkt hebben, dan praten we nog verder over dit onderwerp.'

[10] Allen gaan nu aan tafel zitten, danken en voeden zich dan met spijs en drank.

 

 

35 De leerlingen zien de hemel geopend

 

[I] Na de maaltijd komt de vrouw weer naar Mij toe, maar durft haast niets te zeggen, want tijdens de maaltijd hoorde zij van de bedienden van de dokter hoe alles in huis gekomen was. En de bedienden zeiden: 'Beste vrouw, God weet hoe dat gegaan is! Wij hebben heel weinig gedaan; de dokter helemaal niets, want toen hij kwam, was alles al gedaan. Daarvoor, en lang voor de dokter kwam, waren we voor hem bezig en toen kwam er opeens een jongeman, die er stralend mooi uitzag en die tegen ons zei, dat we dit en dat moesten doen, omdat de Heer dat nodig had, en we deden alles direkt wat die buitengewone jongeman gezegd had. Maar zie, dat ging er erg wonderlijk aan toe! Als we iets wilden doen, dan was het al gedaan en we kunnen u daarom niets anders zeggen dan: hier heerste kennelijk de almacht van God, en de witte jongeman moet een engel van God geweest zijn! Anders is dit niet te verklaren! De mens, die een poosje geleden samen met u het eerst in de grote eetzaal kwam, moet een groot profeet zijn, als hij zo door de hemelse krachten gediend wordt!'

[2] Omdat de vrouw dat van de bedienden hoorde, durfde ze nog minder en dorst haast niets te zeggen. Pas na een behoorlijke onderbreking zei ze heel zacht: 'Heer! U bent méér dan alleen maar de beloofde Messias! U was ook Degene, Die de Farao strafte, de Israëlieten uit Egypte voerde en hen vanaf de hoge Sinaï met donderend geluid de wetten voorschreef!'

[3] Maar Ik zeg tegen haar: 'Vrouw! Dit is nog niet het moment om dat aan de mensen bekend te maken, houd het dus voorlopig voor jezelf! Zorg er echter nu voor, dat al die mensen, die uit Judéa met Mij meekwamen, over de slaapvertrekken verdeeld worden; jij en de dokter en Mijn leerlingen, waarvan er nu tien zijn, blijven hier! De vrouw, die naast Mij zat en de moeder van Mijn lichaam is, geef je het schoonste bed, zodat ze prettig kan rusten; want zie je, ze is niet zo jong meer en heeft vandaag een lange weg afgelegd en heeft een goede rust nodig om weer aan te sterken!'

[4] De vrouw verheugt zich bijzonder, dat ze in deze onaanzienlijke vrouw Mijn moeder mag herkennen en verzorgt haar zeer goed. En Maria prijst haar om haar tederheid en drukt haar tevens op het hart om alles te doen wat Ik zou zeggen.

[5] Als alles tot rust is gekomen, en alleen de vrouwen de dokter met de tien leerlingen zich bij Mij in de grote eetzaal bevinden, zeg Ik tegen de leerlingen: ' Jullie weten dat Ik in Bethabara in Galiléa toen Ik jullie aannam gezegd heb: Van nu af aan zul je de hemel open zien en de engelen Gods zien afdalen naar de aarde; en zie dat gaat nu letterlijk voor je ogen in vervulling! Alles wat je hier ziet en wat je gegeten en gedronken hebt is niet van deze aarde, maar door de engelen van God uit de hemel hierheen gebracht. Doe nu echter je ogen open, en zie hoeveel engelen er klaar staan om Mij te dienen!'

[6] Toen werden bij allen de ogen geopend en ze zagen ontelbare engelen, klaar om Mij te dienen, uit de hemel neerdalen. -Want toen hun ogen geopend werden, verdwenen de muren van het huis, en zij zagen allen de hemelen open staan!

[7] Daarop spreekt Nathánaël: ' Ja Heer, U bent waarachtig en getrouw! Wat U gezegd hebt gaat nu wonderbaarlijk in vervulling! Waarlijk, waarlijk U bent de zoon van de levende God! God sprak met Abraham door middel van Zijn engelen; Jacob zag in de droom een ladder waarop de engelen omhoog en omlaag gingen, maar Jehova zag hij niet, behalve dan een engel, die de naam van Jehova in zijn rechterhand had staan. En omdat Jacob met hem streed alsof hij Jehova was, werd hij mank door een stoot tussen de ribben. Mozes sprak met Jehova, maar hij zag alleen maar vuur en rook, en toen hij zich in een spelonk verbergen moest omdat Jehova voorbij zou komen, durfde hij niet te kijken voordat Jehova voorbij was. En toen hij daarna keek zag hij alleen nog maar de rug van Jehova; maar daarna moest hij zijn gezicht drievoudig bedekken, omdat het meer licht afstraalde dan de zon en niemand er naar kon kijken zonder te sterven! Verder was er alleen nog Elia, die Jehova ge waar werd in het suizen van de wind! En hier bent U nu Zelf!'

[8] Op dit moment val Ik Nathánaël in de rede en zeg: 'Dit is genoeg, Mijn broeder, het is nog niet het juiste moment! Alleen voor een reine ziel, zoals de jouwe, die geen valsheid of achterbaksheid kent, is dit te onderkennen. Maar houdt het voor je tot het juiste uur! Want zie, niet ieder die Mij volgt is zoals jij.

[9] Deze vrouw was niet zoals jij, maar nu is ze ook net als jij, daarom vermoedde ze ook al wat je nu zeggen wilde. Maar het is nu nog niet het juiste uur. Pas als in de tempel het voorhangsel in tweeën gescheurd zal worden, neem dan de bedekking van Mozes stralende aangezicht geheel weg!

 

 

36 De Heer trouwt Joram en Irhaël.

 

[1] Daarop vraagt Johannes Mij: 'Heer dit moet ik toch wel opschrijven! Dit is groter dan het teken te Kana! Dit is nu eens echt een teken, dat aangeeft waar U vandaan bent gekomen!'

[2] Ik antwoord: 'Ook dat moet je niet doen, want wat je opschrijft is een teken voor de wereld; die heeft echter niet het begrip om het in zich op te nemen! Waarvoor dan al jouw moeite? Denk je dat de wereld zoiets zou geloven? Kijk, degenen die hier zijn geloven het omdat ze het zien; de wereld echter, die in duisternis ronddoolt, zou nooit geloven dat hier zoiets gebeurd was; want de nacht kan zich de werken van het licht onmogelijk voorstellen. Zou je haar vertellen van de werken van het licht, dan zou ze je uitlachen en tenslotte bespotten. Daarom moet het zo zijn, dat je in de toekomst alleen dat opschrijft, wat Ik in alle openheid voor de wereld doe; wat Ik echter in het geheim doe, ook al is het nog zo groot, dat teken je slechts in je hart op, en niet op het gladde dierenvel!

[3] Er zal echter wel een tijd komen, waarin deze geheime dingen aan de wereld geopenbaard zullen worden, maar vóór die tijd zullen er nog heel veel bomen hun onrijpe fruit van hun takken moeten laten vallen! Want zie de bomen hebben veel beloofd, maar daarvan zal nauwelijks een derde deel rijp worden! Maar het twee derde deel, dat afvalt, zal eerst vertrapt moeten worden en verrotten en verdorren, opdat een regen het dan kan oplossen en een krachtige wind het weer in de stam kan drijven voor de tweede geboorte!'

[4] Johannes zegt: 'Heer dat gaat te diep, wie begrijpt dat?'

[5] Ik zeg: 'Dat is ook helemaal niet nodig, het is voldoende dat je gelooft en Mij liefhebt, het diepere begrip van dit alles zal wel komen als de Geest der waarheid over je uitgestort zal worden. Voordat dat echter zal gebeuren, zullen er zich van jullie, ondanks al deze tekens, nog velen aan Mijn naam stoten!

[6] Want je hebt allemaal nog een heel onjuist begrip van de Messias en Zijn rijk en er zal nog veel moeten gebeuren, voordat je dat begrijpen kunt.

[7] Want het rijk van de Messias zal geen rijk van deze wereld zijn, maar een rijk van de geest en de waarheid in het eeuwige rijk van Mijn Vader, en daar zal nooit of te nimmer een eind aan komen! Wie in dit rijk opgenomen wordt, die heeft het eeuwige leven en dit leven zal een zaligheid zijn, die nog nooit iemand heeft gezien, waar nog nooit iemand van gehoord heeft en die nog nooit door iemand in zijn hart is gevoeld!'

[8] Petrus, die lang gezwegen heeft, zegt nu: 'Heer, wie zal dan ooit voor zo'n zaligheid geschikt zijn?'

[9] Ik zeg: 'Beste vriend, kijk, het is nu al laat en onze lichamen hebben rust nodig, zodat ze morgen sterk zijn voor het werk! Daarom willen wij deze dag afsluiten en morgen, als het goede licht er weer is, verder gaan. Laat ieder zijn slaapplaats opzoeken en daarop geheel uitrusten, want morgen zullen we veel te doen krijgen!'

[10] Op dit moment komt ieder weer tot zichzelf en ziet de muren van de zaal weer, waarnaast zeer goede rustbedden sierlijk opgesteld staan die lijken op een soort divans. De leerlingen, waarvan er een paar erg moe zijn, bedanken en gaan direkt liggen.

[11] Alleen Ik, de dokter en de vrouw blijven nog op. Al snel slapen de leerlingen vast en dan vallen beiden voor Mij op hun knieën en danken Mij uit het diepst van hun hart voor die onuitsprekelijke genade, die Ik hen en hun gehele huis heb geschonken. Maar tevens vragen ze Mij om hen toe te staan, zich bij Mij aan te sluiten en Mij te volgen.

[12] Ik zeg echter tegen hen: 'Ter wille van jullie zaligheid is dat niet nodig. Als je Mij toch wilt volgen, dan is het genoeg, dat je Mij in jullie harten volgt! Je moet echter hier in dit land blijven als Mijn getuigen! Want al gauw zullen er behoorlijk wat twijfelaars opstaan en tot jullie komen; die moet je dan een waar getuigenis van Mij geven.

[13] En jij, Mijn beste Joram, zult van nu af aan een echte dokter zijn! Als je iemand de handen op zult leggen in Mijn naam, dan zal het met diegene meteen beter gaan, hoe ziek hij ook zijn mag. Tevens moeten jullie samen een echt en onverbrekelijk huwelijk aangaan, want anders zou jullie samenwonen een ergernis zijn voor de blinden, die alleen op het uiterlijke letten en geen weet hebben van het innerlijke.

[14] Joram, jij behoeft niet meer bang te zijn voor Irhaël, want ze is nu volkomen gezond naar lichaam en ziel. En Irhaël, jij hebt aan Joram een hemelse man en je zult geheel en al gelukkig met hem zijn, want hij is geen aardse geest, maar een geest, die van boven gekomen is.'

[15] De vrouw zegt: 'O Jehova, hoe goed bent U! Wanneer wilt U, dat wij in het openbaar voor de ogen der wereld in het huwelijk zullen treden?'

[16] Ik zeg: 'Ik heb jullie al getrouwd, en alleen dit verbond is geldig in de hemel en ook op aarde, en Ik zeg je: Sinds Adam was er geen volkomener huwelijk dan dat van jullie nu, want Ik Zelf heb jullie verbond gezegend.

[17] Morgen vroeg zullen hier echter een aantal priesters en andere mensen en burgers van deze stad komen; meldt het aan hen, zodat ze er mee bekend zijn dat jullie nu officieel voor God en de hele wereld getrouwd zijn! Als jullie kinderen krijgen, voedt ze dan in Mijn leer op en doop ze ook in Mijn naam, zoals je Mijn leerlingen er morgen veel zult zien dopen op de manier, zoals een zekere Johannes dat doet in de Jordaan; van hem zullen jullie wel gehoord hebben. Ik zal daarom jou, Mijn Joram, morgen de macht geven om in het vervolg iedereen te dopen, die in Mijn naam geloven zal.

[18] Gaan jullie nu echter naar bed! Maar zolang Ik in dit huis verblijf, moet je elkaar terwille van de kuisheid niet aanraken. Gedurende deze tijd behoef je je geen zorgen te maken over de tafel en de kelder, want zolang Ik hier in dit huis verblijf, zullen tafel en kelder net als vandaag van bovenaf verzorgd worden. Zeg echter niet voortijdig tegen iemand dat dit gebeurt, want de mensen zouden dit niet begrijpen. Als Ik weg ben, dan kan je het nog altijd aan diegenen zeggen, die het begrijpen  kunnen. En ga nu naar bed, Ik zal hier nu alleen waken! Want de Heer mag niet slapen noch rusten, want de slaap en de totale rust zou de dood en het verderf van de wezens zijn! AI zou dan ook de hele wereld slapen, dan waakt toch de Heer en bewaart alle wezens.'

[19 Na deze woorden bedanken de beiden Mij en gaan, ieder in een ander vertrek, de nodige rust genieten. Ik blijf echter tot de morgen in Mijn stoel zitten.

 

 

De eerste dag in Sichar

 

37 Bij Irhaël. Over de betekenis van de droom

 

[I] Vroeg in de morgen, terwijl de zon nog nauwelijks een halve hand­breedte boven de horizon stond, kwamen al veel priesters, die in Sichar woonachtig waren vanwege de nabijheid van de heilige berg Gerazim, voor het huis van Irhaël en maakten meteen veel kabaal en schreeuwden: 'Hosianna boven hosianna en gezegend is Hij, die daar kwam in de naam van de heerlijkheid Gods! Wacht, zon, en sta stil, o maan, tot de Heer aller heerlijkheid met Zijn geweldige rechterarm al Zijn vijanden, die ook onze vijanden zijn, verslaat en vernietigt! Maar bescherm de Romeinen, o Heer, want die zijn onze vrienden, omdat ze ons beschermen tegen de Joden, die nu niet meer kinderen van God, maar kinderen van Beëlzebub zijn, aan welke vader ze offeren in de tempel, die Salomo voor U, o Heer, heeft gebouwd. U heeft er goed aan gedaan, o Heer, dat U naar Uw echte kinderen gekomen bent, die Uw beloften geloofden en U tot op dit uur verlangend verwachtten. U komt weliswaar van de Joden ­er staat dan ook geschreven dat het heil van de Joden komt -maar we hebben gehoord, dat U in Jeruzalem en in de tempel was, en dat U daar de Joden met gesels sloeg en hun stoelen omgooide! O Heer, daarmee heeft U zeer veel goeds gedaan en alle hemelen zullen U daarvoor loven met psalmen, harpen en bazuinen! We hebben altijd al gezegd, dat als U komt, U niet voorbij zult gaan aan de heilige plaats, waarop Daniël, Uw profeet, de verschrikking en de verwoesting van Jeruzalem verkondigde! En op deze plaats zult U, o Heer, het heil aan Uw volkeren verkondigen! Geprezen zij Uw naam, hosianna aan U in de hoge en heil aan alle kinderen, die van goeden wille zijn!'

[2] Dit voor een deel zinnige, voor een deel echter ook zeer onzinnige geschreeuw trok natuurlijk een aantal mensen aan en vooral diegenen, die de vorige dag aan de bron bij Mij waren en Mij nu weer zien en horen wilden. Het lawaai en de menigte werd van seconde tot seconde groter, en iedereen in huis moest het bed uit en kijken, wat er aan de hand was. De leerlingen waren het eerst op en vroegen Mij, wat dat dan toch voor een lawaai was, en of het wel raadzaam was om te blijven of dat het misschien beter was, om er vandoor te gaan.          ,

[3] Ik zei echter: 'O jullie bangeriken! Hoor toch eens, hoe ze hosianna roepen! Waar hosianna geroepen wordt, is het echt niet zo gevaarlijk om te blijven!'

[4] Daarmee waren de leerlingen gerustgesteld en Ik zei vervolgens tegen hen: 'Ga nu maar naar buiten en zeg tegen hen, dat ze hun mond moeten houden en naar buiten op de berg moeten gaan, want Ik zal na het zesde uur (dat is na twaalf uur 's middags) met jullie allen naar buiten komen en dan zal Ik aan jullie en aan hen vanaf de berg het heil verkondigen. Ze moeten ook schrijvers meenemen, opdat die opschrijven wat Ik daar vanaf de berg zal leren.

[5] Johannes, jij behoeft het niet op te schrijven, omdat Mijn leer toch al door meer mensen opgeschreven zal worden. Er is hier een schrijver, ook een Galileeër, Matthéus genaamd, die heeft voor zichzelf al veel uit Mijn jeugd opgeschreven, en omdat hij vlug schrijft, zal hij zeker alles opschrijven wat hij horen en zien zal. Breng die man hierheen; roep zijn naam en hij zal meteen volgen! Waarschuw ook de voornaamste priesters en vraag of ze komen willen, en doe dat ook met een paar van de voornaamsten, die je gisteren aan de bron gezien zult hebben. Maar roep eerst Matthéus voor Mij, want Ik wil dat ook hij ons volgt!'

[6] De leerlingen daalden nu snel af en deden wat Ik hen opgedragen had.

[7] Terwijl de leerlingen beneden op straat in touw waren, kwamen alle andere gasten tesamen met Maria naar Mij in de eetzaal en begroetten Mij zeer vriendelijk, bedankten Mij en vertelden heel in 't kort de wonderbare dromen, die zij in deze nacht hadden gehad, en zij vroegen Mij of zulke dromen ook een betekenis hadden.

[8] Maar Ik zei: 'Wat de ziel in de droom ziet, dat is afhankelijk van haar aard. Is de ziel bezig met het ware en goede, wat Ik jullie leer om te geloven en te doen, dan ziet zij in de droom ook het ware en kan daaruit het goede voor het leven halen; is de ziel echter bezig met het verkeerde en het boze, dan zal ze in de droom ook het verkeerde zien en daar het boze uit maken.

[9] Omdat jullie nu door Mijn leer met het ware bezig bent, waarom je Mij ook volgt, daarom kan je zielook in de droom slechts het ware gezien hebben, waaruit ze veel goeds kan halen.

[10] Of de zielook begrijpt wat ze in de droom ziet, dat is natuurlijk een heel andere zaak. Want net zoals jullie niet alles opnemen en begrijpen wat je ziet in de buitenwereld waarin je overdag leeft, zo begrijpt de ziel ook niet alles wat ze in háár wereld ziet.

[11] Als in jullie echter de geest opnieuw wordt geboren, zoals Ik dat in Jeruzalem aan Nicodémus heb uitgelegd toen hij 's nachts bij Mij kwam, dan zal je alles in je opnemen en begrijpen en geheel en al doorleven. Hiermee zijn ze allen tevreden en klaar met hun vragen.

 

 

38 Niet het horen, maar het doen brengt heil

 

[1] Nu komt de gastvrouw met haar nieuwe gemaal, groet Mij heel innig en vraagt Mij en ook alle andere gasten of we genegen zijn het ontbijt te gebruiken, daar het reeds op ons staat te wachten.

[2] Ik zeg echter: 'Beste Irhaël, wacht nog even, de leerlingen zullen dadelijk nog meer gasten brengen, die ook aan het ontbijt zullen deelnemen en die tevens uit Mijn mond zullen vernemen, dat jullie beiden, jij en Joram, nu officieel getrouwd zijn. Ze zullen ook zien dat jullie huis niet een van de minste, maar in alles, zowel uiterlijk als innerlijk, het eerste huis van deze stad is, en dat Ik daarom in dit huis Mijn intrek nam.'

[3] Terwijl Ik dit tegen het echtpaar zeg, openen Petrus en Johannes ook al de deur en tussen hen in komt Matthéus binnen, die diep buigt en zegt: 'Heer, ik sta helemaal klaar om U alleen te dienen! Ik heb hier wel een baan als schrijver en kan daarvan leven en mijn kleine familie onderhouden; maar als U, o Heer, mij nodig heeft, dan laat ik ogen­blikkelijk mijn werk liggen; en U, o Heer, zult mijn kleine familie niet laten verkommeren!'

[4] Ik zeg: 'Wie Mij volgt, die hoeft zich alleen maar zorgen te maken over dat hij tijdelijk en eeuwig bij Mij blijft. Zie dit huis eens; deze beide eigenaren zullen je familie in Mijn naam opnemen en prima verzorgen, en ook jou, als je overdag of 's nachts hierheen zou komen.'

[5] Matthéus, die dit huis al van vroeger kende, toen het meer een ruïne was dan een huis, was uitermate verbaasd en zei: 'Heer, hier moet een groot wonder gebeurd zijn! Want het huis was een ruïne, en nu is het een paleis, zoals er in Jeruzalem maar enkele zijn! En wat een koninklijke inrichting! Dat moet toch welontzettend veel hebben gekost!'

[6] 'Houd jij nu alleen maar vast voor ogen', zeg Ik, 'dat bij God zeer veel dingen mogelijk zijn, die bij de mensen onmogelijk schijnen, en dan zul je zonder moeite begrijpen, hoe deze vroegere ruïne nu in een paleis kon veranderen! -Heb je wel voldoende schrijfmateriaal?'

[7] Matthéus zegt: 'Ik heb voor twee dagen voldoende; moet ik meer hebben dan zal ik het direct gaan halen.’

[8] Ik zeg: 'Er is genoeg voor tien dagen, daarna zullen we wel ander materiaal krijgen. Blijf maar hier en ontbijt met ons; na zes uur zullen we de berg op gaan. Daar zal Ik deze menigte het heil verkondigen; jij schrijft al het gesprokene voor Mij woordelijk in drie hoofdstukken op en je maakt daarbij een indeling in kleine verzen, zoals bij David gebruikelijk was. Zoek er nog een paar andere schrijvers bij, die het van je kunnen overschrijven, zodat er in dit plaatsje ook een geschreven getuigenis blijft!'

[9] Matthéus antwoordt: 'Heer, Uw wil zal zeer nauwkeurig worden uitgevoerd!'

[10] Na dit noodzakelijke onderhoud met Matthéus komen de andere leerlingen binnen, en daarop volgen de priesters en de andere notabelen van deze stad en zij begroeten Mij zeer berouwvol. En de voornaamste priester komt iets naar voren en zegt: 'Heer, U heeft dit huis zeer goed voor U ingericht, zodat het waardig is om U te herbergen. Salomo bouwde de tempel met veel pracht, opdat deze waardig zou zijn, om als woonplaats voor Jehova bij de mensen te dienen. Maar de mensen hebben deze woonplaats door hun vele ten hemel schreiende laster ontheiligd, en Jehova verliet de tempel en de ark en kwam naar ons op de berg, net zoals U, o Heer, eerst in de tempel was en weinig weerklank vond en toen naar ons, Uw van oudsher echte vereerders, gekomen bent. En zo zal nu geschieden, zoals geschreven staat:

[ll] 'In de eindtijd zal de berg, waar des Heren huis is, zeker hoger zijn dan alle bergen en zal boven alle heuvels verheven worden en alle heidenen zullen er heen gaan. En ook zullen vele volken er heen gaan en zeggen: Komt, laat ons op de berg des Heren gaan, naar het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons Zijn wegen wijst en wij op Zijn hellingen wandelen! Maar toch zal Zijn wet uitgaan van Sion en het woord des Heren van Jeruzalem komen (Jesaja 2:2-3).

[12] Wij allen zijn uitermate blij, zoals een bruid is wanneer haar bruidegom komt en haar begroet en voor het eerst zijn hart en zijn hand aanbiedt! Want waarlijk Heer, Jeruzalem, de uitverkoren stad van de grote koning, is het verkeerde pad opgegaan en deugt nergens meer voor en is U niet waard! Wij vinden ons zelf ook wel niet zoveel waard ­want wat heeft men nodig om waarde voor God te verkrijgen?! -maar het is wel zeker, dat als de Heer nu alleen tussen twee slechten te kiezen heeft, Hij ons, als duidelijk de minst slechte, kiezen zal! En dat zien wij nu wonderbaarlijk in vervulling gaan! U bent het waarop wij al zo lang wachtten, daarom hosianna aan U, Die in de naam des Heren tot ons komt!'

[13] Ik zeg tegen de spreker: 'Ja, u heeft het nu helemaal bij het rechte eind; maar Ik zeg U ook: Als u Mijn leer zult horen, neem deze dan ook in u op en blijf haar volgen, want dan pas zult u het heil werkelijk deelachtig worden, het heil dat Ik u vandaag van de berghoogte zal verkondigen. Want ook al komt de genade onbelemmerd van boven op u neer, dan is dat toch niet voldoende; want ze blijft niet, als ze niet daadkrachtig aangenomen wordt, -net alsof je hongerig onder een boom vol rijpe vruchten zou staan waar de wind de rijpe vijgen afschudt: als je die dan niet opraapt en eet, zullen die je dan verzadigen?!

[14] Dus niet alleen het horen, maar het doen volgens Mijn leer zal maken, dat u deel krijgt aan het heil dat uit Jeruzalem tot u gekomen is! Heeft u dat begrepen?'

[ 15] De spreker antwoordt: 'Ja, Heer, want zoals U kan God alleen maar spreken! ,

[16] 'Nu dan', zeg Ik daarop, 'omdat u het begrepen heeft, laat ons dan nu de ochtendmaaltijd gebruiken! Na de maaltijd moet u nog wel noteren, dat Ik gisternacht Irhaël en dokter Joram in de echt verbonden en gezegend heb, en dat van nu af aan verder niemand zich meer aan hen moet ergeren! Maar gaan jullie nu zitten voor de ochtendmaaltijd! Het zij zo!'

[ 17] Allen gaan nu zitten, en het zijn er veel, om de ochtendmaaltijd te gebruiken, die uit prima melk en honingbrood bestond.

 

 

39  Het oudste en echtste huis van God

 

[1] Elders zou men deze ochtendmaaltijd niet zeer kostelijk genoemd hebben, maar in het land, dat spreekwoordelijk overvloeide van melk en honing was het wel een kostelijke maaltijd, vooral omdat de honing van het beloofde land zeker de beste ter wereld was en nu nog is, terwijl dat ook gold voor de melk, die nergens ter wereld overtroffen werd.

[2] Na de maaltijd werd heerlijk fruit gepresenteerd, en velen genoten daarvan en loofden God, Die de vruchten zo heerlijk deed smaken, en Die aan de bijen de vaardigheid had gegeven, om uit de bloemen des velds de zo voortreffelijke zoete honing te puren en deze in hun kunstig gebouwde cellen op te slaan!

[3] Een wijze man uit het gezelschap van de Samaritanen zei: 'Gods wijsheid, almacht en goedheid kan nooit genoeg geroemd worden! De regen valt op de aarde, duizendmaal duizend vormen en soorten planten, bomen en struiken zuigen dezelfde regen op en staan in dezelfde aarde, en toch heeft iedere soort een andere smaak, een andere geur en een andere vorm! Iedere vorm is mooi en aantrekkelijk om te zien, en zonder nut groeit er niets, en zonder doel groeit zelfs niet de schraalste mosplant op een steen!

[4] En kijk dan eens naar al de dieren op de aardbodem,o in het water en in de lucht! Wat zijn het er veel en wat een verscheidenheid, van de mug tot aan de olifant, van de bladmijt tot de ontembare Leviathan, die bergen op zijn rug zou kunnen dragen en die zou kunnen spelen met de ceders van de Libanon! O Heer, wat een macht, wat een kracht en wat een eindeloos diepe wijsheid moet er in God zijn, Die daar de zon de maan en de ontelbaar vele sterren in hun baan houdt en bestuurt, de zee in haar diepten vasthoudt, de bergen op aarde gebouwd heeft en de aarde zelf gegrondvest heeft door Zijn almachtige woord!'

[5] Ik zeg: 'Ja ja, dat is goed gesproken, want zo is het: God is zeer goed, zeer wijs, zeer rechtvaardig en heeft niemands raad en leer nodig als Hij iets doen wil; maar Ik zeg u: Ook de mens van deze aarde is geroepen om volmaakt te worden zoals de Vader in de hemel volmaakt is!

[6] Dat was weliswaar tot op heden niet mogelijk, omdat de dood op deze aarde de macht had; maar van nu af aan is het voor iedereen, die er ernst mee maakt om volgens Mijn leer te leven, mogelijk!        

[7] Ik denk wel dat, als God dit voor zo iets eenvoudigs, namelijk voor het lichte volgen van Mijn leer, wil geven, dat dan de mens toch wel geen moeite of werk uit de weg zal gaan om dit hoogste te verkrijgen!”

[8] De opperpriester zegt: 'Ja Heer, voor het hoogste moet de mens ook het hoogste inzetten! Wie genieten wil van het uitzicht op een hoge berg, die moet eerst de moeite en de bezwaren van het klimmen willen doorstaan. Wie oogsten wil, moet daarvoor eerst ploegen en zaaien, en iemand, die weet dat hij iets kan winnen, moet eerst iets op het spel zetten; degene, die niets waagt uit angst om te verliezen, die zal onmogelijk ooit iets winnen! Daarom, als ons Uw wegen bekend gemaakt worden, o Heer, zal het voor ons ook helemaal niet moeilijk zijn om datgene te bereiken, wat U ons eerder verkondigd hebt, namelijk -net zo volmaakt te worden als de Vader in de hemel volmaakt is!'

[9] Ik zeg: 'Zeg dat wel, en daar voeg Ik nog aan toe: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht! Maar de mensen hebben tot op heden zware lasten te dragen gehad en konden daarmee niets bereiken; het is maar de vraag, welke vorm hun geloof zal aannemen, als zij het aangeleerde, zwaar drukkende, oude geloof moeten omruilen tegen een ongewoon licht nieuw geloof. Zullen zij tenslotte niet zeggen: 'Grote moeite en zwaar werk brachten ons niets op, wat zal dan deze, daarbij op kinderspel lijkende moeite, ons kunnen opbrengen?'

[10] Ik zeg u: U zult de oude mens als een oud kledingstuk uit moeten trekken en in plaats daarvan een geheel nieuw aan moeten trekken! Dat zal in het begin tamelijk ongemakkelijk zitten; maar wie zich door zo'n kleinigheid niet terug laat jagen in het gemakkelijk zittende oude, en zich daarentegen enig onbehagen laat welgevallen, die zal die volmaaktheid bereiken, waarvan Ik voorheen heb gesproken.

[11] Maak je nu echter allemaal gereed, want Ik vertrek dadelijk voor het tochtje de berg op. Wie met Mij mee wil gaan, moet zich nu gereed maken; en Matthéus, ga je schrijfgereedschap halen! Kom gauw terug, want je ziet dat Ik al klaar sta om weg te gaan!'

[12] Matthéus zegt: 'Heer, U weet hoe graag ik nu klaar sta om U te volgen! Als ik echter nu naar huis ga, en wel daarheen, waar ik mijn door de Romeinen betaalde werk doe als tollenaar en schrijver bij de hoofdtolboom voor de stad, dan is daar net als altijd, zeker veel werk voor mij, en de Romeinse wachten zullen mij niet laten gaan voordat ik het werk gedaan heb. Daarom zou ik liever zien, dat ik voor vandaag hier genoeg schrijfmateriaal zou krijgen, en dat ik dan vanavond het mijne haal, waarmee ik daarna, zoals ik reeds eerder zei, twee volle dagen genoeg voorraad heb; want ik krijg van de Romeinen slechts voor drie dagen materiaal vooruit, en dat verbruik ik haast altijd.'

[13] Ik zeg: 'Mijn vriend doe nu maar altijd wat Ik je zeg, en het zal je steeds goed gaan! Ga nu maar, zoals Ik zei en je zult vandaag geen werk vinden en er zal niemand aan de tolboom staan te wachten! Neem nog wel je andere schrijvers mee, zodat in dit geval Mijn toespraak door meer personen opgeschreven zal worden!' -Matthéus zegt: 'Ja, als het zo gelegen is, dan wil ik wel gaan!'

[14] Daarna vertrekt Matthéus, de tollenaar, en vindt thuis alles zoals Ik hem voorspeld heb. Heel snel komt hij met nog drie schrijvers terug, en we gaan, met allen die in huis zijn, op weg naar de berg Garizim.

En als wij na een uur gaans bij de berg aankomen, vraagt de opperpriester aan Mij of Ik naar boven wil gaan en het oude godshuis wil openen.

[15] Maar Ik wijs hem op de omgeving en de vele mensen, die ons gevolgd zijn en zeg tegen Hem: 'Kijk, vriend, het is het oudste en het echtste huis van God; maar het is erg verwaarloosd, daarom wil Ik het nu herstellen, net zo als Ik het huis van Irhaël hersteld heb! Daarvoor hebben we het oude huis zelf niet nodig, en hebben we voldoende aan deze plaats aan de voet van de berg. Tevens zijn hier een aantal banken en tafels, die goede diensten kunnen verlenen aan de schrijvers. Open nu je oren, ogen en harten en bereid je voor, want nu geschiedt dat voor jullie ogen, wat de profeet Jesaja voorspeld heeft!'

[16] Matthéus zegt: 'Heer, wij zijn gereed om U aan te horen!'

[17] Nu begint de bekende bergrede, die in Matthéus 5, 6 en 7 heel goed weergegeven staat. - Deze prediking duurde echter ongeveer drie uren, want Ik sprak dit keer langzaam ten behoeve van de schrijvers.

 

 

40 Op Garizim. Kritiek op de bergrede

 

[1] Maar toen de prediking geëindigd was, werden velen, vooral de priesters, met ontzetting vervuld, en enigen van hen zeiden: 'Wie kan zo zalig worden?! Wij schriftgeleerden prediken toch net zo juist en rechtvaardig als eens Mozes vanaf de berg de wet aan het volk verkondigde! Maar dat is allemaal niets vergeleken bij deze strenge leer en deze overdonderende prediking! Er is natuurlijk haast niets tegen zo'n leer in te brengen, maar ze is veel te hard en het is voor een mens vrijwel onmogelijk om er ooit aan te voldoen.

[2] Wie kan zijn vijanden liefhebben, wie kan diegene goed doen, die hem kwaad doet en wie kan diegenen zegenen, die hem haten en slechts kwaad over hem spreken?! En als iemand iets van mij lenen wil, moet ik mij dan niet van hem afwenden en mijn oor en hart afsluiten voor zijn vraag, als ik heel goed zie dat de lener het geleende nooit terug zal kunnen geven?! Ah, dat is toch te dom! Als de luien en werkschuwen dat ontdekken, zullen ze dan niet direct naar de vermogenden gaan en net zo lang bij hen lenen tot deze niets meer hebben?! Als deze dan op die manier alles aan de niets teruggevende armen geleend hebben, en er gaat niets gemakkelijker dan dat, dan hebben ze tenslotte zelf niets meer. Dan vraagt men zich af, wie dan in de toekomst nog zal werken en van wie de armen dan nog iets kunnen lenen!

[3] Het is maar al te duidelijk, dat door het in acht nemen van zo'n leer, die helemaal tegen de aard van de menselijke instellingen ingaat, de wereld in korte tijd zou veranderen in een onherbergzame woestijn. Als de wereld echter een woestijn is geworden, waar vinden de mensen dan de een of andere opleiding, als alle opleidingsinstituten noodgedwon­gen verdwijnen moeten omdat niemand geld heeft om ze te vestigen en te onderhouden?!

[4] Deze leer voldoet beslist niet! De slechte mensen en vijanden van de goede mensen en hun goede werken moeten getuchtigd worden, en als iemand mij een oorvijg geeft, dan moet hij er minstens twee uitgemeten terug krijgen, opdat hem in het vervolg de lust zal vergaan om mij nogmaals een oorvijg te geven! De slechte lener zal in de werktoren opgesloten moeten worden, opdat hij leert te werken en verder als een werkzaam mens met de ijver van zijn handen zijn brood verdient, en de zeer arme moet om een aalmoes smeken en hij zal het krijgen! Dat is een oude, maar goede wet, waaronder een menselijke samenleving kan voortbestaan. Maar deze wetten die deze zogenaamde Christus nu gegeven heeft, zijn voor het menselijke leven te onpraktisch en die kunnen daarom onmogelijk aangenomen worden.

[5] Over al het andere wilde ik, hoe onzinnig het ook klonk, niets zeggen, maar wat moet je nu denken van die aanbevolen zelfverminking, als één van de eigen ledematen ergernis geeft; en dan ook nog het kennelijk aanbevolen nietsdoen, waarbij iemand al zijn aandacht moet geven aan een voortdurend op zoek zijn naar het Godsrijk, zonder voor iets anders te hoeven zorgen, omdat al het andere van boven gegeven zal worden!? - Laten we dat nu eens met een kleine proef van een paar maanden uittesten; gedurende die tijd moeten de mensen alles laten liggen en niet werken, dan blijkt wel of de gebraden duiven hen in de mond zullen vliegen!

[6] En hoe dom is tenslotte die aanbevolen zelfverminking, als één van je ledematen je ergert! Stel dat iemand met een scherpe bijl in zijn rechterhand, zich zijn linker afhakt en weggooit; wat zal hij dan doen als zijn rechterarm hem daarna ergert, -hoe zal hij die dan afhakken ­en hoe zal hij zijn ogen uitrukken en tenslotte zonder handen de voeten afhakken, die hem mogelijkerwijs ook nog ergeren?! -Ah, loop heen met zo'n leer! Die zou zelfs voor een krokodil te slecht zijn, laat staan Voor een mens! -Als je de gevolgen een beetje bij elkaar optelt, kun je met je klompen aanvoelen, dat zo'n leer alleen maar een gevolg van het oud joodse fanatisme kan zijn!

[7] En al kwamen alle engelen uit de hemel en leerden de mensen zulke wegen om het eeuwige leven te bereiken, en het gebruik van zulke middelen om de hemel te verdienen, dan zouden zulke domme leraren de wereld uitgeslagen moeten worden en hun domme hemel zelf op moeten vreten! -Alleen al het tegenstrijdige daarin! -'Tand om tand' en 'oog om oog' vindt Hij onrechtvaardig en gruwelijk; Hij predikt de grootste zachtmoe­digheid en het grootste geduld, zet zelfs voor alle dieven de deur wijd open, als Hij zegt: 'Wie uw rok vraagt, geef die ook de mantel erbij!' Mooie leer! -Maar daarentegen moeten de mensen zich zelf wel de ogen uitrukken en handen en voeten afhakken! -Wie van u heeft er ooit grotere onzin gehoord?!

[8] Dan komt de priester naar Mij toe en zegt: 'Meester! Uw daden laten zien, dat U meer kunt dan een gewoon mens. Maar als U werkelijk in staat bent om normaal te denken, en daar twijfel ik niet aan, want ik heb U in het huis van Irhaël heel wijs horen spreken, dan moet U beslist bepaalde erg onpraktische leerstellingen uit Uw prediking herroepen! Anders zijn wij genoodzaakt, ondanks al Uw daden, die zonder meer een Messias waardig zijn, U openlijk te betitelen als een fanatiek magiër, die opgeleid is in de een of andere oud-Egyptische school, en U Uit ons midden uit te wijzen als een pure Messiasschenner!

[9] Bekijk Uw geweldige leer nu Zelf eens een beetje preciezer, dan moet U toch inzien, dat Uw leer voor het verkrijgen van het eeuwige leven totaalonbruikbaar is en door niemand ooit uitgevoerd kan worden! Want als iemand op deze wijze de hemel verdienen moet, dan zal hij die hemel wel niet willen hebben! Want het zou dan beter zijn, dat hij nooit geboren was, dan dat hij op deze manier een hemel zou verdienen, waarin hij slechts als een verminkte binnen zou kunnen gaan! Zeg mij nu eens heel openhartig of U dat inziet, of dat Uw leer U werkelijk ernst is!'

[10] Ik zeg: 'U bent toch een opperpriester en u bent blinder dan een mol onder de grond; wat moet Ik dan van de anderen denken en verwachten?! Ik gaf u hier beelden, en u neemt alleen de bijbehorende materie in u op en die dreigt u te verstikken, maar de geest die Ik In deze beelden gelegd heb, beseft u niet.

[11] Geloof Mij: Zo wijs als u denkt dat u bent, zo wijs zijn wij ook, en wij weten het zeer goed of een mens zich verminken kan en wil om het eeuwige leven te verkrijgen! Maar wij weten ook, dat u de geest van deze leer niet begrijpt en nog lang niet zult begrijpen! Ondanks dat, nemen wij onze woorden niet terug. U heeft wel oren, maar die horen niet het juiste, ook heeft u ogen, die echter evenzo geestelijk blind zijn, en, hoewel uw oren en ogen open zijn, hoort en ziet u toch nog niets!'

 

 

41 Onbegrip voor de beeldspraak der bergrede

 

[I] De opperpriester zegt: ' Ja, ja, U kunt daarmee wel gelijk hebben, en ik wil en kan bij voorbaat ook niet bestrijden of, hoe en wat voor geestelijke zaken er zich in Uw gebruikte beeldspraak bevinden; maar dáárin moet U me dan toch gelijk geven, dat, als ik bijvoorbeeld iemand een les geef, waarvan ik wens dat die door hem als mijn leerling begrepen en uitgevoerd zou moeten worden, ik die les toch noodzakelijkerwijs zo brengen moet, dat mijn leerling de juiste bedoeling daarvan begrijpt. Als ik nu weet dat mijn leerling mijn les naar de geest van de daarin besloten waarheid geheel begrepen heeft, dan kan ik ook geheel terecht van mijn leerling verlangen, dat hij mijn les uitvoert.

[2] Als ik iemand echter in zulke beelden een les geef, dat deze niet herkenbaar zijn, en vroeg de leerling dan aan mij: Wat betekent dat? Hoe moet ik mij om het leven brengen, om het leven te winnen? Hoe zal ik mij doden en dan dood zijnde uit de dood een nieuw, Ja zelfs een eeuwig leven verkrijgen?' - dan zal ik tegen hem zeggen: 'Kijk vriend, dat moet je zo en zo begrijpen en verkrijgen! Want Iet op, tussen het jou gegeven leerbeeld en de daaruit gepuurde waarheid bestaat deze en die geestelijke overeenkomst, en je moet je leven niet inrichten volgens het uiterlijke beeld, maar volgens het overeenkomstige innerlijke beeld!'

[3] Kijk Meester, dan zal de leerling het begrijpen en dan kan ik, zoals reeds eerder opgemerkt, geheel terecht van hem verlangen, dat hij naar de geest der waarheid van mijn leer zal handelen! Kan ik echter, zonder een dwaas te zijn, ook verlangen dat hij handelt volgens mijn harde symbolische beeld? Als ik dat in volle ernst aan mijn leerling zou vragen, dan zou ik mij voor alle denkende mensen toch wel gedragen als iemand, die water in een goed gesloten kruik droeg, terwijl een dorstige naar hem toe komt en hem smeekt, dat hij hem te drinken zou geven. De waterdrager zou hem meteen de gesloten kruik aanreiken en zeggen: 'Hier heb je de kruik, -drink!' Hij zou nu proberen te drinken, maar geen opening vinden en de drager vragen: 'Hoe kan ik daaruit drinken? De kruik is toch aan alle kanten dicht!' De drager zou tegen hem zeggen: 'Als je blind bent en de opening niet kunt vinden, slok dan de hele kruik op en dan zul je op die manier ook wel het water mee opslokken!'

[4] Zeg mij Meester, U die overigens goed en wijs bent, wat zou de dorstige tegen zo'n waterdrager zeggen?! Ik vind dat de dorstige hier toch wel het volste recht zou hebben, om zo'n waterdrager voor nar uit te schelden.

[5] Dat wil niet zeggen, dat ik U direkt voor een nar houd; maar als U zegt dat wij de geest van Uw leer door onze geestelijke blind­ en doofheid niet zien en begrijpen kunnen, dan is Uw leer toch net als het water in de afgesloten kruik, die in alle ernst door de dorstige tegelijk met het water opgeslokt zou moeten worden, een eis, die slechts een ontsnapte profeet uit een gekkenhuis zou kunnen stellen! - U mag erover denken, zoals U wilt! Zolang U aan Uw leer, die op menig punt veel goeds en waars bevat, geen voldoende uitleg meegeeft, blijven ik en veel verstandige denkers bij deze gedane uitspraak! Want echt, U zult nooit beleven, dat wij volgens Uw leer nu meteen zullen beginnen om handen en voeten af te hakken, en ogen uit te rukken! - Ook zullen we net als altijd werken en ons brood in het zweet ons aanschijns verdienen, en degene, die zich boosaardig aan ons zal vergrijpen, die zal zijn rechtvaardige straf niet ontlopen!

[6] Ook zullen we de dief, die een rok van ons steelt, geen mantel er gratis bij geven, maar we zullen de dief grijpen en in de gevangenis werpen, waar hem voldoende tijd gegeven zal worden om zijn slechte daad te betreuren en zijn leven te beteren! Als U een werkelijk van God afkomstige wijze bent, dan moet U ook doordrongen zijn van de heilige noodza­kelijkheid van de instandhouding van de wet van Mozes, die God Zelf onder bliksem en donder aan de Israëlieten in de woestijn verkondigd heeft! Als U echter met Uw leer de wet wilt schenden, dan moet U maar afwachten, hoe U dat tegenover Jehova verantwoorden kunt!'

[7] Ik zeg: 'Ik ben echter van mening, dat het de wetgever vrij staat  de wet te handhaven en deze zelf naar geest en waarheid uit te voeren, of deze ook wel onder bepaalde voorwaarden geheel op te heffen!'

[8] De opperpriester zegt: 'Dat klinkt nu heel vreemd uit Uw mond! Vanmorgen zou ik eerbied voor zo'n gezegde gehad hebben, want toen dacht ik nog heel zeker dat U werkelijk de Beloofde was! Maar n.a deze leer, die U ons nu heeft gegeven, bent U in mijn ogen een gekkenhuisklant geworden, die het leuk vindt om zijn idee-fixe als wijsheid van de beloofde Messias op te dissen. Ik zou daarom liever zien, dat U Uw harde leer uitlegde, want zonder voldoende verklaring zal geen mens deze ooit begrijpen en daarnaar gaan handelen!'

[9] Ik zeg: 'Zeg dan, wat u zo absurd vindt in Mijn leer, en Ik zal het u duidelijk maken!'

[10] De opperpriester zegt: 'Ik heb het U wel meer dan één keer gezegd; maar om U te laten zien, dat ik beslist heel billijk en gematigd ben, zeg ik U nu, dat ik alle andere punten van Uw leer aanneem als goede en wijze regels om te volgen, maar het ogen uitrukken en het afhakken van handen en voeten kan ik onmogelijk accepteren! Bedenk toch Zelf eens, of het wel mogelijk is jezelf een oog uit te rukken! Zal degene, die zichzelf een hand of een voet afhakt, daarna niet doodbloeden en sterven? En als hij dood is, wat zijn dan de vruchten van zijn verbeterde levenswijze?!

[11] Kijk, dat is het meest onpraktische punt van Uw leer, dat bij het volle verstand nooit opgevolgd kan worden! En zo er al werkelijk ooit ergens gekken te vinden zouden zijn, die zo'n leer op zichzelf toepasten, dan zouden die daar beslist niet beter van worden; want als iemand het leven daarbij niet verliest, dan zal hij vanwege de ellende, waarin deze schijnbaar van God afkomstige leer hem gestort heeft, God niet loven. Sterft hij echter, wat het waarschijnlijkste is, dan vraag ik met David: 'Heer, wie zal U in de dood nog loven, en wie zal U prijzen in het graf?!' Dus dit punt zou U ons minstens duidelijk moeten uitleggen; al het andere willen wij als een weliswaar op de spits gedreven -humane leer aannemen!

[12] Ik zeg: 'Goed, uw verzoek is billijk en Ik zeg u: Onder alle priesters na Samuël, bent u de wijste, want u heeft een goed hart, u verwerpt in de aard der zaak Mijn leer niet, maar u wilt hem alleen uitgelegd hebben; en Ik wil u daarom ook uitleg geven! Maar niet uit Mijn mond, maar uit de mond van één van Mijn leerlingen krijgt u een uitleg! Wend u daarom tot één van Mijn leerlingen, opdat het u duidelijk zal worden, dat Mijn leer op dit ogenblik al zonder Mijn verklaring begrijpelijk is geworden voor de mensen!

 

 

42  De bergrede door Nathánaël duidelijk uitgelegd

 

[1] Dan wendt de opperpriester zich tot Nathánaël en zegt tegen hem: 'Op aanwijzing van je meester wend ik mij op goed geluk tot jou; verklaar mij daarom in ieder geval het hardste punt uit de leer van je meester! Maar graag alleen in heldere, klare taal! Want als je mistig praat over mistige dingen, dan wordt het er niet duidelijker op! Dus ga je gang!'

[2] Nathánaël zegt: 'Staart u zich zo blind op het verstandelijke, dat u een zo begrijpelijk gebrachte leer niet op de goede manier kunt begrijpen? Hebben de profeten dan niet bijna allen zonder uitzondering van Christus voorspeld, dat Hij slechts in gelijkenissen Zijn boodschap zou brengen en niet zonder gelijkenissen met de mensen zou spreken?'

[3] De opperpriester zegt: ' Ja, daar heb je gelijk in, want zo staat het geschreven.'

[4] Nathánaël zegt verder: 'Wel dan, als u dat als schriftgeleerde wel weet, waarom scheldt u de Heer dan uit voor een nar, als Hij geheel volgens de schrift Zijn prediking in gelijkenissen brengt. U kunt voor het begrijpen daarvan aan de Heer wel om uitleg vragen, maar u kunt Hem toch niet voor een nar uitschelden als u zijn spreken in gelijkenissen niet begrijpt omdat u zelf in deze dingen van God heel weinig inzicht heeft?!

[5] Zie, de werken der natuur hebben hun orde en kunnen slechts in deze voor hen karakteristieke orde bestaan; en op gelijke wijze hebben de geestelijke dingen hun zeer karakteristieke orde en kunnen buiten die orde niet bestaan, niet gedacht en niet uitgesproken worden. Maar tussen de natuurlijke dingen en de geestelijke dingen is en bestaat, omdat het één uit het ander is voortgekomen, een nauwkeurige overeenstemming, die alleen de Heer het beste kent.

[6] Als de Heer ons nu iets zuiver geestelijks vertelt, terwijl wij toch met z'n allen in het starre keurslijf van de natuurlijke orde zitten, dan kan Hij dat alleen maar doen door middel van de overeenkomstige beelden in gelijkenissen. Om deze echter goed te kunnen begrijpen, moeten wij proberen onze geest wakker te maken door volgens Gods geboden te leven. Pas als de geest wakker is, zullen wij begrijpen, wat de Heer door middel van zo'n overeenkomstig beeld in gelijkenisvorm allemaal gezegd en geopenbaard heeft, en juist hierin zal Zijn goddelijk woord zich eeuwig van ons menselijk woord onderscheiden.

[7] Let nu goed op! Wat bij de natuurlijke mens het oog is, dat is bij de geest het zien van die goddelijke en hemelse dingen, die voor het wezen van de geest een belofte inhouden voor zijn zalige eeuwige bestaan.

[8] De geest moet echter tengevolge van de orde, die God genoodzaakt was in te stellen, een bepaalde tijd in de materie van het vlees van deze wereld ondergedompeld zijn, om sterk te worden in zijn vrijheid en bijna volledige onafhankelijkheid van God. Wordt hij dit niet, dan kan hij God niet zien en nog minder kan hij in, naast en bij God bestaan. ­(Juist wanneer de geest echter in de materie rijp wordt, en gehard wordt in de vrijheid en onafhankelijkheid van God, dan loopt hij onvermijdelijk gevaar zelf door de materie verslonden en tesamen daarmee gedood te Worden, uit welke dood men slechts zeer moeilijk en met veellijden weer tot leven in God gewekt kan en moet worden) -Op deze wijze zei de Heer dus niet tegen de vleselijke mens, maar tegen de geestelijke mens: “Als het oog je ergert, ruk het uit en werp het weg, want het is beter met één oog de hemel in te gaan - dan met beide naar de hel!', wat zo ongeveer betekent: Als het licht van de wereld je te veel aantrekt, verzet je dan en keer je van dat licht af, want het zou je in de dood van de materie trekken! Ontneem je dus zelf, als geestelijke mens, het lege genot van de wereldse zaken, en wend je met je ziel naar de puur hemelse dingen! Want het is beter voor je om zonder alles, wat de wereld als kennis te bieden heeft, het rijk van het eeuwige leven binnen te gaan, dan met te veel wereldse kennis enerzijds, en te weinig geestelijke kennis anderzijds door de stoffelijke dood opgeslokt te worden!

[9] Toen de Heer hier over twee ogen, handen en voeten sprak, bedoelde Hij daarmee niet de twee ogen en de twee handen en voeten van het lichaam, maar alleen het kennelijk dubbele gezichts-, bezigheids -, en verplaatsingsvermogen van de geest, en Hij waarschuwt niet het vlees, dat geen eigen leven heeft, maar de geest, om zich liever niet met de wereld bezig te houden als deze hem te veel zou aantrekken. In dat geval is het beter zonder alle kennis van de wereld het eeuwige leven in te gaan, dan door te veel wereldse kennis tenslotte door het onafwendbare wereldse gericht opgeslokt te worden.

[10] De geest moet de wereld wel zien en leren kennen, maar moet er niet verzot op raken! Als hij merkt, dat de wereld hem aantrekt, moet hij er zich direkt van afwenden, omdat hij dan al gevaar loopt! En kijk, dit noodzakelijke afwenden stemt overeen met het beeld van het uitrukken der ogen; en Degene, Die ons zo'n treffend beeld kan geven, moet echt heel goed thuis zijn in alle geestelijke en materiële verhoudingen van de mensen. Volgens mij kan Diegene dit alleen maar zo weergeven, door Wiens kracht, liefde en wijsheid alle dingen geestelijk en stoffelijk geschapen zijn! Ik denk, dat U me nu wel begrepen hebt en nu zult inzien, hoe grof u zich bezondigd heeft aan Hem, Die uwen ons aller leven in Zijn almachtige hand heeft!?'

 

 

43  Verdere uitleg van Nathánaël

 

[1] De opperpriester staat perplex en ook veel anderen zijn geweldig van hun stuk gebracht, en hij zegt na een poosje: 'Ja ja, nu begrijp ik het toch echt wel! -Maar waarom sprak de Heer dan ook niet direct net zo begrijpelijk als jij nu hebt gedaan, dan zou ik mij zeker niet aan Hem bezondigd hebben!?'

[2] Nathánaël zegt: ' Als een zevenjarige jongen op die manier vragen zou stellen, dan zou ik mij niet erover verwonderen dat een zevenjarige jongen zo vraagt; maar bij u verbaas ik mij bijzonder, u bent nog wel een van de belangrijkste wijzen van deze plaats!

 [3] Wilt u de Heer soms ook nog de bekroonde wijze vraag stellen, waarom Hij de zaadkorrels, die toch nergens mee te vergelijken zijn, de vormings - ­en ontwikkelingsmogelijkheid van de daaruit groeiende boom tot in de kleinste finesses heeft ingeprent. Zou Hij niet beter alle vruchten rijp uit de hemel in de schoot van de mensen kunnen laten regenen?! Waarom die tijdrovende ontwikkeling van zaadkorrel tot boom, en vervolgens nog dat lange wachten op de rijpe vrucht?! Merkt u, hoe dom u nog bent!

[4] Het woord van de Heer is net als al Zijn werk. Hij geeft ons Zijn leer in de vorm van zaden. Wij moeten die eerst in de voedingsbodem van onze geest zaaien; die voedingsbodem heet liefde, daar zal het zaad dan groeien en een boom van de ware kennis van God en onszelf worden, en op de juiste tijd zullen we dan van deze boom volkomen rijpe vruchten voor het eeuwige leven kunnen verzamelen.

[5] Het voornaamste is echter de liefde; zonder liefde is de geest niet vruchtbaar en geeft zij geen vruchten! Zaai de tarwe maar in de lucht; en kijk of hij groeit en of je er vruchten van krijgt! Als je de tarwekorrel echter in een goede voedingsbodem legt, dan zal hij groeien en je veelvoudig vruchten opleveren. De echte liefde is de juiste voedingsbodem voor de geestelijke tarwekorrel die ons door de mond des Heren wordt meegedeeld.

[6] Daarom nam de Heer nu voor u allemaal de harde Mozaïsche strafwet weg, opdat u zoveel te sneller meer voedingsbodem in uw hart zou krijgen. Want wie volgens de wet straft, heeft weinig of ook wel helemaal geen liefde; bij hem zal het goddelijke zaad van het woord daarom heel slecht gedijen! Degene echter, die gestraft wordt, bevindt zich toch al in het gericht, waarin geen liefde is, want het gericht is de dood van de liefde.

[7] U kunt daarom beter niet klaar staan om de fouten van uw naasten te zien, maar het is beter inschikkelijk en geduldig met hen te zijn! En als ze in hun zwakheid iets van u verlangen, dan moet u ze niets onthouden, want zo vermeerdert zich de liefde in uzelf en evenzo in uw zwakke broeders! Als deze liefde eenmaal zowel in u als in uw broeders rijkelijk aanwezig is, dan zal het goddelijke zaad goed in u gedijen en de zwakke zal dan in zijn sterkte u welwillend aanzien en u viervoudig vergelden, wat u hem in zijn zwakheid gegeven heeft.

[8] Als u echter karig bent en hard tegen uw zwakke broeders, dan zult u zelf nooit tot enige godvruchtigheid komen, en het oordeel der zwakken zal in het eind ook II mee in het verderf storten.

[9] Toen de Heer zei: 'Die van u een rok vraagt, geef die ook de mantel erbij!', wilde Hij alleen maar aanduiden, dat u, als u rijk bent en veel bezit, ook rijkelijk en veel moet geven aan de armen, als zij tot u komen! Want daardoor krijgt u ook snel veel voedingsbodem in uw hart en zult u op die manier zeer gelukkig worden door het bezit van zo'n echte voedingsbodem en de armen zullen u zeker zegenen; want uit uw hart zullen ze de daadkrachtigste prediking van het echte evangelie van God horen, en daardoor worden ze zelf sterk en u tot eeuwige steun! Als u echter karig geeft en berekent wanneer en hoeveel u geeft, dan heeft dat noch voor uzelf, noch voor de arme broeders enig nut, en deze zullen  u daarom nooit tot steun worden!'

 

 

44   Symbolische ogen, armen en voeten

 

 [1] De opperpriester, die zeer opmerkzaam naar deze toespraak geluisterd heeft, zegt: 'Dat is nu allemaal goed en wel, en ik denk, dat ik nu zo ongeveer alles wel begrijp; maar één ding wil ik nog opmerken, en dat is, dat de Meester eigenlijk alleen van het uitrukken van het rechter oog en het afhakken van de rechter hand gesproken heeft. Ik heb in mijn onderzoekingsdrang zo voor een totaalbeeld ook de voeten er maar bij betrokken, en tot mijn verwondering heb je mij het afhakken van de voeten net eender verklaard, als dat van oog en hand, die bij mijn weten alleen maar door de Heer genoemd zijn. Je zegt echter, dat de woorden van de Heer alleen maar een geestelijke betekenis hebben; hoe komt het dan, dat je in mijn aanvulling ook een geestelijke overeenkomst vond?

[2] Nathánaël zegt: 'U vergist zich! De Heer sprak ook van de rechtervoet; alleen gaf Hij de schrijvers een aanwijzing, dat over de voet er uit te laten, want als u begonnen bent om uw innerlijke blik naar de hemel te richten, en uw wil tot liefde, die overeenkomt met de linkerhand, zijnde de hand van het hart, volgens de wil van God te activeren, nadat u de rechterarm of de rechterhand, waaronder de puur wereldlijke bezigheden verstaan worden, verwijderd hebt, dan is het niet meer nodig ook de rechtervoet nog af te schaffen. Want als het eenmaal zo ver is, dat het oog het juiste licht ziet en de hand, of liever gezegd de wil, zich bezig houdt met het juiste doen, dan is de voortgang in het gebied van het eeuwige leven er al vanzelf, of wel, dan is de rechtervoet, die de voortgang in de wereld aangeeft, al vanzelf verwijderd en men behoeft dan daarvoor geen extra moeite te doen.

[3] U, als Samaritanen, kunt echter gevoeglijk met de voeten beginnen, want ofschoon uw oog nu naar het goddelijke is gewend, en uw handen goed werk doen, is uw voet, of wel uw lust tot verder gaan, puur op de wereld gericht! Want u verwacht van de Messias iets geheel anders, dan wat u volgens de voorspelling van alle profeten van Hem verwachten moet! En dat is geestelijk gezien uw rechtervoet, die u afhakken moet om de juiste weg naar her rijk van God te kunnen inslaan. En daarom heeft de Heer alleen voor u ook over de rechtervoet gesproken, maar Hij heeft het niet op laten schrijven, omdat de latere aanhangers van de leer des Heren wel zullen weten, waar en waaruit het rijk van de Messias bestaat, en wat men moet doen om daarin te komen. Heeft u nog meer bezwaren?'    

[4] De opperpriester zegt: ' Alles is me nu wel duidelijk, in zoverre het me dan ook duidelijk kan zijn. Alleen moet ik ondanks al het begrip dat ik er nu voor heb, toevoegen, dat jullie leer zoals ze gebracht wordt, een harde en moeilijk begrijpbare leer is, en je zult ondervinden dat velen zich er aan zullen stoten!

[5] Ik wil geen ongeluksprofeet zijn, maar ik zeg je toch, dat je daarmee bij de verheven Joden niet zult bereiken, wat je bij ons, ondanks onze veelvuldige domheden, bereikt hebt. Wij geloven nu, ook al lijkt het nog of we dromen; maar de grote Joden zullen jullie niet op die manier geloven! Ze zullen tekenen eisen en je vervolgens ook nog vanwege de tekenen vervolgen; wij vroegen echter geen tekenen van jullie, ondanks dat deed je ze vrijwillig.

[6] Wij geloven jullie niet vanwege de tekenen, die voor een deel ook wel door mensen gedaan kunnen worden, maar wij geloven zuiver vanwege de leer, omdat je die aan óns uitgelegd hebt! Je kunt daarom beter bij 'ons blijven, want bij de hoge Joden en Grieken zal het slecht voor jullie aflopen!

 

 

45 Niet iedereen kan de Heer lichamelijk volgen

 

[I] Nathánaël zegt: 'Tot hiertoe moest ik met u spreken, het verdere ligt geheel in de hand van de Heer. Wat hij wil, dat zullen ook wij willen en doen. Want wij zijn allen geestelijk nog zeer arm; daarom moeten wij bij Hem blijven, opdat het hemelrijk ons deel wordt. Wij willen met de Heer ook elk leed en iedere vervolging dragen, opdat we door en in Hem de ware troost hebben. In Zijn naam willen wij zachtmoedig zijn in al onze gedachten, oordelen, wensen en begeerten, en in al ons doen en laten, opdat we echte bezitters van de ware voedingsbodem, de zuivere liefde Gods in onze harten, worden.

[2] Wij willen ook het land niet vermijden waar het hard en onrechtvaardig toegaat, wij moeten hongeren en dorsten naar de ware gerechtigheid; we hebben Hem toch bij ons, Die daarvan werkelijk voor eeuwig overvloedig kan geven!

[3] Wij willen zelf echter tegen iedereen, of hij nu rechtvaardig of onrechtvaardig tegen ons is, vol barmhartigheid zijn, opdat wij in des Heren ogen waardiger geacht worden voor de grote goddelijke barm­hartigheid.

[4] Wij willen dus overal, net als hier bij jullie, onze harten zo goed mogelijk vrij houden van iedere onzuiverheid, opdat de Heer niet van ons weggaat als wij Hem zien; want met een onrein hart kan men God niet naderen en in geest en waarheid Zijn aangezicht en de volheid van de wonderen van Zijn werken zien!

[5] Als we een rein hart hebben, moeten wij vreedzaam, geduldig en zacht tegen iedereen zijn, want een toornig hart kan nooit rein zijn, omdat de toorn steeds veroorzaakt wordt door de hoogmoedigheid. Is ons hart echter vreedzaam, dan kunnen wij Hem ook heel getroost als kinderen naderen, Hem, Die ons het kindzijn van God bracht, en ons leerde tot God als onze Vader Zelf te bidden.

[6] Mochten wij naar uw mening, voor onze beslist rechtvaardige zaak in andere landen en oorden vervolgd worden, dan heeft dat niets te betekenen, mijn vriend, want wij hebben Hem toch, en door Hem de hemel der hemelen! Dus zijn wij hier al gelukkig, overgelukkig, of de mensen nu van ons houden of ons verachten en ons om Hem vervolgen, want Hij is een Heer over allen en over alles! Want Hem, die alle hemelen gehoorzamen en voor Wiens dienst zij steeds klaar staan, zoals wij gisteren en daarvoor al hebben gezien, Die dienen ook wij in alles, en dat alleen al is voor ons het hoogste loon en de hoogste eer! Maakt u zich dus maar geen zorgen over ons, want wij weten en beseffen waar wij aan toe zijn!'

[7] De opperpriester was zeer verbaasd over deze vastbesloten taal en zei: 'Werkelijk, als men mij hier niet nodig had, en ik geen vrouwen kinderen had en nog een heleboel andere dingen, dan zou ik zelf met u meegaan!'

[8] Nathánaël zegt: 'Wij hebben echter vrouwen, kinderen en bezit verlaten en zijn Hem gevolgd, en ondanks dat, leven onze vrouwen en kinderen! Ik zeg u wat ik ervan denk: Wie uit liefde voor Hem in deze wereld niet alles, onverschillig wat, verlaten kan, die is Zijn genade niet waard! Of ik u hiermee beledig of niet, het is nu eenmaal zo! Want mijn hart geeft het mij in, en in het hart is alles waar als eenmaal de geest tot het levende denken in God daarin is ontwaakt. Hij heeft ons niet nodig, maar wij hebben Hem nodig.

[9] Heeft u Hem al ooit eens moeten helpen om de grote zon over de wijde horizon omhoog te heffen en haar hemelse licht over de hele aarde te verspreiden? Of heeft u ooit de boeien gezien, of soms gesmeed, waarmee de Heer de winden in toom houdt, of heeft u wel eens gezien hoe hij de bliksem en de geweldige donder en de zee in haar diepten vasthoudt? Wie kan zeggen, dat hij de Heer ergens bij heeft geholpen?! Maar als dat zo is, wie kan dan, als de Heer tot hem zegt dat hij Hem volgen moet, nog denken aan zijn vrouw, zijn kinderen, zijn bezit. En wie kan dan niet onvoorwaardelijk Hem volgen, de Heer van al het leven van alle hemelen en alle werelden, van Wie wij al zo lang hebben gehoopt dat Hij komen zou, en Die nu is gekomen, precies zoals alle profeten en aartsvaders het hebben voorspeld?!'

[10] Nu zegt de opperpriester: 'Was ik nu maar geen opperpriester, dan zou ik werkelijk doen, wat jullie allen hebben gedaan! Maar ik ben opperpriester, en omdat jullie nog slechts één dag bij ons zult blijven, zoals ik heb gehoord, ben ik voor deze zwakgelovigen zo onmisbaar als het oog bij het zien. Daarom zullen jullie wel begrijpen, dat ik niet direct voor mijn vrouw of mijn kinderen of voor mijn bezit hier moet blijven, maar vooral voor deze zwakgelovigen, die zich nog lang niet geheel los kunnen maken van de vanouds geleerde opvatting over de hoedanigheid van de Messias en over het doel van Zijn optreden. Het zal mij veel moeite kosten, maar wat kan ik anders?

[11] Ik geloof nu eenmaal vast, dat jullie Meester de beloofde Messias is; maar hoe staat dat met mijn gemeente?! Je hebt gezien, hoe al tijdens de prediking een aantal mensen weg ging! Die zijn vol boos ongeloof, en zullen dat nu ijverig verbreiden, en velen die hier nog zijn gebleven en gisteren vol geloof waren, zijn nu ook vol twijfel en weten niet, wat ze moeten geloven!

[12] Denk je mijn situatie eens in; wat zal ik, het orakel van al deze mensen, nu moeten doen! Maar als ik ze niet bekeer, dan blijven ze tot het einde der wereld alles wat je maar wilt, alleen niet datgene, wat ze moeten zijn. Zie je, dat is de voornaamste reden, waarom ik het beste hier kan blijven! En ik geloof dat de Heer me dat niet kwalijk zal nemen. Want al ben ik dan niet lijfelijk in Zijn gezelschap, dan ben ik toch altijd geestelijk daar, en ik zal Hem als een trouwe knecht en herder van Zijn kudde getrouwen geheel volgens Zijn hier verkondigde leer trachten te dienen, en ik meen dat Hij het daarmee eens zal zijn!'

[13] Ik zeg: 'Ja, zo is het volledig naar Mijn zin! Want voor Mij ben je in deze gemeente een ijverig werktuig, en je loon in de hemel zal evenredig groot zijn! Het is nu echter avond geworden, laten we daarom weer naar huis gaan! Het zij zo!'

[14] Na deze woorden gingen wij van de berg af naar huis. Maar, ondanks dat velen al eerder volongeloof en ergernis waren weggegaan, was er nog veel volk toen Ik de prediking had beëindigd.

 

 

46  Terug naar Sichar. De genezing van de melaatse

 

[1] Zoals al eerder werd aangeduid, bevonden we ons niet precies op het hoogste deel van de berg, maar vanwege de grotere en aangenamere ruimte meer beneden op de eerste hellingen, omdat veel volk uit de stad Mij gevolgd was, en ook omdat daaronder veeloude en al zeer zwakke mensen waren, die bij de aanmerkelijke hitte van de dag de top van de berg nauwelijks zouden hebben bereikt. Maar ondanks dat waren we toch tamelijk hoog en de stoet bewoog zich vrij langzaam, omdat veel slecht ziende mensen door de schemering het pad niet zo goed zagen.

[2] Terwijl we zo behoedzaam lopend van de berg af het vlakke land bereikten, lag daar aan de weg een mens bedekt met kwaadaardige melaatse plekken. Deze mens richtte zich zo snel mogelijk op, ging naar Mij toe, en zei met een klagende stem: 'O Heer, als U wilde, kon U me wel genezen! , Ik strekte direct Mijn hand over hem uit en sprak: 'Ik wil dat je genezen bent!' En de zieke was op datzelfde ogenblik genezen van zijn melaatsheid; alle zwellingen, schurftige plekken en huidschilfers verdwenen plotseling. Het was een hele erge melaatsheid, die door geen dokter te genezen was; het volk zag het dan ook als een groot wonder, dat deze man zo plotseling van zijn melaatsheid werd genezen.

[3] De genezen man wilde Mij nu luidkeels gaan bejubelen; Ik waar­schuwde hem echter ernstig en zei: 'Ik zeg je dat je het voorlopig aan niemand zegt, behalve aan de opperpriester! Ga naar hem toe, hij loopt achter ons bij Mijn leerlingen! Als hij zal hebben bevestigd, dat je genezen bent, ga dan naar huis, pak daar de gave die Mozes heeft voorgeschreven en offer die op het altaar!'

[4] De genezene deed dadelijk, wat Ik hem had aangeraden. De opper­priester verbaasde zich ook buitengewoon en zei: ' Als een dokter tegen mij gezegd zou hebben: 'Kijk deze mens zal ik gezond maken!', dan zou ik danig hebben gelachen, en dan zou ik hebben gezegd: 'Wel, zot, ga naar de Eufraat en probeer die leeg te scheppen! Als je één emmer hebt geschept, dan krijg je er honderdduizend voor in de plaats; maar toch zal het je makkelijker vallen de Eufraat droog te leggen, dan deze mens gezond te maken, want zijn vlees is al bijna helemaal vergaan!' En deze Mens, waarvan wij nu geloven dat Hij de Messias is, gelukte dat door een enkel woord! - Waarlijk, dat is voor ons voldoende! - Hij is in alle opzichten de Christus! - Wij hebben nu geen verdere getuigenissen meer nodig.

[5] Heus, als iemand mij nu om een rok vraagt, dan geef ik hem niet alleen de mantel erbij, maar ook mijn hele voorraad kleren! Werkelijk, voor die prijs geef ik nu tot op mijn hemd alles weg, en ik zie nu in, dat Zijn leer puur goddelijk is! Ja, nu is Hij Zelf als Jehova in levende lijve bij ons! Wat willen we nu nog meer?! De hele nacht wil ik voor heraut spelen en Zijn aanwezigheid in alle straten en stegen verkondigen!'

[6] Na deze woorden, juist in de buurt van de bron, loopt hij naar Mij toe, valt voor Mij neer en zegt: 'Heer wacht even, opdat ik U aanbidden kan; want U bent niet alleen Christus, een zoon van God, maar U bent God Zelf, Die in vleselijke gedaante bij ons is!'

[7] Ik zeg: 'Vriend, laat dat nu maar! Ik heb jullie toch laten zien, hoe je moet bidden; bid daarom in stilte, dat zal voldoende zijn! Doe vandaag niet te veel en vervolgens morgen des te gemakkelijker te weinig! Men moet alles met mate doen! Als je bij de rok ook de mantel voegt, dan is dat voldoende om voor altijd de arme tot een goede vriend te maken; als je hem echter, terwijl hij slechts een rok vroeg, je hele voorraad kleren zou geven, dan zal hij verlegen worden en bij zichzelf denken dat je hem vernederen wilde of dat je zelf niet goed bij je hoofd was. En je begrijpt wel, dat er dan niets goeds uit voortkwam!

[8] Als iemand je echter om een zilverling vraagt, en je geeft hem er dan twee of ook wel drie, dan zal je het hart van degene die van je leent, blij maken en dat van jezelf zalig; als je echter degene, die naar je toe kwam om een zilverling te lenen, er zo maar duizend geeft, dan zal hij schrikken en bij zichzelf denken: 'Wat heeft dat te betekenen? Ik vroeg om één zilverling en nu wil hij mij zijn hele bezit geven?! Houdt hij mij dan voor zo hebzuchtig, wil hij mij vernederen, of is hij helemaal gek geworden?' En zie, zo'n mens zal geen winst voor jouw hart zijn en jouw handelwijze zal net zo min een winst voor zijn hart zijn! Dus alleen maar in alles een goede volle maat houden, en dan voldoet het volkomen!'

[9] Met deze les is de opperpriester helemaal tevreden gesteld en hij zegt tegen zichzelf: 'Ja ja, Hij heeft in alles gelijk! Precies dat doen wat Hij heeft gezegd, is het allerbeste; wat daaronder of daarboven is, is slecht of dom. Want als ik nu alles weggaf, en er kwam morgen iemand voor mijn deur die nog behoeftiger was, wat zou ik die dan willen geven? Hoe hard en zwaar zou het mij om het hart worden, want ik zou dan de nog armere geen hulp meer kunnen bieden.

[10] De Heer heeft in alle dingen volkomen gelijk en weet overal de beste maat van aan te geven; Hem alleen zij daarom alle eer, alle prijs en roem en de hoogste aanbidding uit alle harten!'

 

 

47 Bij Irhaël. Iedere heer heeft dienaren

 

[1] Inmiddels komen wij bij het huis van Irhaël en Joram aan, waar alles al net als de dag ervoor, maar nu veel rijkelijker, voor het avondmaal voorbereid is. In de hal van het huis willen nu veel mensen uit Sichar, die op de berg waren, afscheid nemen, maar een aantal witgeklede jongemannen nodigt hen direct al uit voor het avondmaal.

[2] De opperpriester, die bijzonder verwonderd is over het grote aantal schone jongemannen en vooral over hun grote minzaamheid, vriende­lijkheid en menselijkheid, komt dadelijk naar Mij toe en vraagt nu vol deemoed: 'Heer vertel mij toch alstublieft, wie zijn deze heerlijke jon­gemannen? Er is er beslist niet één ouder dan zestien, en toch verraden ze met ieder woord en iedere beweging, dat ze buitengewoon beschaafd zijn! Zeg mij toch, waar ze dan wel vandaan zijn gekomen en tot welke school ze behoren! Wat hebben ze een mooi figuur en wat zien ze er goed doorvoed uit. Hun stem klinkt zo prettig en zo echt hartverkwikkend! Daarom Heer, zeg, toe zeg het mij, wie zijn deze jongemannen en waar komen ze vandaan!'

[3] Ik zeg: 'Heb je dan nooit gehoord, dat er al van ouds her wordt gezegd: 'ledere heer heeft zijn dienaren en knechten!' Jij noemt Mij nu Heer, en dan is het dus passend, als ook Ik Mijn dienaren en knechten heb! Dat ze zeer beschaafd zijn getuigt ervan, dat hun Heer een wijze en liefdevolle heer moet zijn. De wereldse heren zijn harde en liefdeloze mensen en dus zijn hun dienaren net eender. Maar de Heer, Die een hemelse Heer is, en nu naar de aarde in de harde mensenwereld kwam, Die heeft Zijn dienaren ook vanwaar Hij gekomen is, en de dienaren lijken op Hem, omdat ze niet alleen Zijn dienaren, maar ook kinderen van Zijn wijsheid en liefde zijn. Heb je Mij goed begrepen?'

[4] De opperpriester zegt: 'Ja Heer, voor zover men tenminste Uw zeer gedenkwaardige beeldspraak kan begrijpen. Er is weliswaar nog veel te vragen om deze zaak geheel te verstaan, maar dat laat ik voor dit moment achterwege en ik hoop, dat daarvoor vandaag nog ruim gelegenheid zal komen.'

[5] Ik zeg: 'O zeker! Laten we nu echter aan het avondmaal gaan, want alles staat klaar!'

[6] Al het volk dat geloofde, at mee; slechts een nog ongelovig deel ging naar huis, want dat dacht, dat het een valstrik was. Dat kwam, omdat het merendeels geïmmigreerde Galileeërs waren, waaronder velen uit Nazareth, die Mij kenden en ook Mijn leerlingen, die ze vaak op de vismarkt hadden gezien. Zij zeiden ook tegen de inheemse Samaritanen: 'Wij kennen hem en zijn leerlingen; hij is timmerman van beroep en zijn leerlingen zijn vissers. Hij was bij de Essenen in de leer, en die zijn goed bedreven in allerlei kunsten, in de heelkunde en in buitengewone toverij. Dat heeft hij daar geleerd, en nu oefent hij zijn perfect geleerde kunst uit om de Essenen een grote aanhang en veel inkomen te verschaffen. Deze jon­gemannen zijn verklede en door dezelfde Essenen in de Kaukasus gekochte en welopgevoede meisjes; die konden wel eens de grootste aantrekkings­kracht uitoefenen! Wij laten ons echter niet zo gemakkelijk verlokken, want we weten dat met de God van Abraham, Isaäk en Jacob volstrekt niet te spotten is. Maar voor de Essenen, die zo ongeveer van mening zijn dat hun voorvaderen de wereld geschapen hebben, is het gemakkelijk te spotten met wat voor hen niet bestaat. Zolang wij aan een God van Abraham, Isaäk en Jacob geloven, hebben we die Esseense goocheltrucs niet nodig; en mocht het zijn, dat we ooit ons geloof verliezen, dan zullen de Essenen met hun slimme afgezanten zeker niet in staat zijn om dat te vervangen, maar dan zouden ze maken dat we pure Sadduceeën werden, die in geen opstanding en eeuwig leven geloven. Daarvoor behoede ons Jehova!' Met zulke opmerkingen gaan ze naar huis terug.

[7] Ik en een groot deel van die ons gevolgd zijn, voornamelijk Sama­ritanen, zetten ons aan de maaltijd en laten ons na gedane arbeid goed verzorgen en laten ons bedienen door de engelen; want Ik werkte ook daar in een woestijn en er staat geschreven: 'Toen de satan zich terug moest trekken, kwamen de engelen tot Hem en dienden Hem.'

 

 

48 Heerlijke belofte voor daadwerkelijke volgers

 

[I] Maar weinigen van degenen die aan tafel zaten, wisten, dat ze door engelen met voedsel uit de hemel bediend werden. Ze dachten echt, dat Ik zulke bedienden in Mijn gevolg had, en deze in Klein-Azië voor geld gekocht had. Alleen begrepen ze hun grote opgewektheid en vriendelijkheid en fijne beschaving niet; want zulke lijfeigenen trokken gewoonlijk zure gezichten en verrichtten hun diensten zuiver slaafs als machines, en van beschaving en menselijkheid was bij hen gewoonlijk geen sprake. Kortom, de gasten hadden het zeer naar hun zin en de opperpriester, die nu steeds meer inzag, dat deze vele dienaars bovenaardse wezens waren, begon steeds meer, zoals men wel zegt op hete kolen te zitten, omdat hij er zich voor schaamde, dat het volk zich wel keurig, maar toch te amicaal, met deze heerlijke dienaren onderhield.

[2] Het meest schaamde hij zich voor dat deel, dat ondanks alle tekenen uit de wijd geopende hemel, ongelovig naar huis liep. Met een benauwd gemoed zei hij: 'Mijn Heer en Mijn God! Waardoor kun je zulke mensen nu nog laten geloven, als zulke tekenen geen uitwerking hebben! Uzelf, o Heer, en de vele engelen uit de open hemelen, waren niet in staat dit gespuis te bekeren; wat zal ik arme sukkel nu met ze doen? Zullen ze mij niet in m'n gezicht spuwen, als ik de moed zou hebben, om ze Uw leer te onderwijzen?'

[3] Ik zeg: 'Je hebt toch ook een groot aantal gelovigen om je heen; maak hen tot je helpers, dan zal het gemakkelijker gaan. Want als er ergens een mens is, die een grote last moet optillen en daar alleen niet sterk genoeg voor is, dan neemt hij een helper. Gaat het met die ene nog niet, dan neemt hij een tweede en een derde daarbij en wordt op die wijze de last de baas. Als er al een dergelijk groot aantal gelovigen is, en hier is dat zelfs iets groter dan het aantalongelovigen, dan is daar het werk licht.

[4] Geheel anders staat het er voor in zulke plaatsen, waar helemaal geen gelovigen wonen! Wel moet men er een poging wagen, zodat zich niemand daar kan verontschuldigen door te zeggen: 'Ik heb er nooit een woord over gehoord.’

[5] Als er een gelovige is, blijf dan bij hem en openbaar hem het rijk van Gods genade! Als echter ook niet één het woord aanneemt, ga dan verder en schud op zo'n plaats ook het stof van je voeten, want zo'n plaats is verder geen genade waard, behalve de genade, die aan de dieren des velds en aan de bossen wordt gegeven. Dit is de manier waarop je je verder tegenover al de ongelovigen moet gedragen!

[6] Maar Ik waarschuw je, dat je zelf vast moet blijven geloven, anders zul je voor Mijn rijk maar weinig kunnen bereiken! Laat je niet op een dwaalspoor brengen door allerlei mededelingen, die je binnen enige jaren uit Jeruzalem over Mij zult ontvangen! Want Ik zal daar aan het gerecht worden overgeleverd, en zij zullen Mijn lichaam doden, maar op de derde dag zal Ik het weer levend maken, en op die wijze tot aan het einde der wereld bij en onder jullie blijven! Want het gespuis in Jeruzalem zal pas dan geloven, als het ervan overtuigd is dat Ik niet te doden ben!

[7] En daarna zal het ook op verschillende plaatsen van de aarde zo zijn, dat de halstarrige mensen de verkondigers van het evangelie licha­melijk zullen doden. Maar juist zo'n dood zal hen gelovig maken, omdat ze daardoor zullen zien, dat al degenen, die hun geestelijk leven gebaseerd hebben op Mijn woord, nooit gedood kunnen worden! Want de gedoden zullen bij hun respectievelijke leerlingen terugkomen en ze zullen hen Mijn wegen leren!

[8] Maar naar de harde wereldse mensen, die geen geloof hebben of, als ze al geloof hebben, desondanks niet handelen zoals het geloof hen leert, zullen noch Ik noch Mijn leerlingen komen om de duisternis van de twijfel volledig uit hun hart weg te nemen. Wanneer het eind voor hun vlees komt zullen ze het kwaad van hun ongeloof en de gevolgen van het miskennen van Mijn leer daadwerkelijk voelen, terwijl degenen, die door hun daden laten zien dat ze geloven, de vleselijke dood niet, zullen voelen en beleven!

[9] Want als Ik de deuren van hun vlees voor hen open, zullen ze hun: vlees verlaten, net als gevangenen, die door de goedheid van hun meesters hun kerkers mogen verlaten.    :

[10] Laat je dus nooit iets wijsmaken als er het een of ander over Mij, verteld wordt! Want degene, die tot aan het eind toe trouw en onverstoord blijft in het geloof en in de liefde, zoals Ik dat verkondig en verkondigd heb en voortdurend verkondigen zal, die zal zalig worden in Mijn eeuwig: rijk in de hemelen, dat je nu boven je geopend ziet, terwijl Mijn engelen opstijgen en neerdalen!'

 

 

49 Iedere dag is van de Heer

 

[1] De opperpriester zegt: Ik ben nu op het goede spoor en hoop dat dit plaatsje dat binnenkort ook zal zijn. Maar veroorloof mij nog één vraag en deze vraag is de volgende: Moeten wij nu nog de berg en Uw oude huis eren en daar Uw sabbat heiligen, of moeten wij nu hier een huis gaan bouwen, waarin wij ons in Uw naam zouden kunnen verzamelen? Als dit laatste Uw wil zou zijn, zou U ons dan morgen een passende plaats aan willen wijzen, een die U het beste aanstaat, dan zullen wij alles doen om Uw wensen ook daarin te vervullen!'

[2] Ik zeg: 'Vriend, Ik heb je vandaag op de berg verteld, waaraan jullie het meeste behoefte hebben.

[3] Om daaraan te voldoen, heb je noch het oude huis op de berg en nog minder een nieuw in de stad nodig, maar alleen je gelovige hart en je vaste goede wil."

[4] Toen Ik gisteren hierheen kwam en rustte aan Jacobs bron en daar Irhaël ontmoette, vroeg zij Mij ook, toen ze Mij beter leerde kennen, waar men God aanbidden moest, op de Garizim of te Jeruzalem in de tempel. Laat haar zeggen wat Ik daarop ten antwoord gaf!'

[5] Hier wendt de opperpriester zich tot Irhaël en zij zegt: 'Dit zei de Heer tegen mij:

[6] 'Er komt een moment en het is er al, dat de echte aanbidders van God noch op Garizim, noch in de tempel te Jeruzalem zullen aanbidden!  Want God is een geest, en degenen, die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en de waarheid aanbidden!' Dat zei de Heer; u bent een opperpriester en zult nu wel weten, wat er gedaan moet worden!

[7] Ik ben van mening: Als de Heer ons allen reeds eenmaal de overgrote genade bewees om in dit huis te verblijven, dat met mijn, maar Zijn huis is en blijven zal, dan zal dit huls daardoor voor altijd een zeer gedenkwaardig huis blijven, en wij wensen ons daarin altijd in Zijn naam te verzamelen en daarin tot Zijn eer de sabbat te heiligen!'

[8] De opperpriester zegt: ' Ja, ja, je hebt wel gelijk, als wij allemaal al gelovigen zouden zijn, maar men moet toch een beetje rekening houden met de zwakken! Die zouden zich daaraan nog meer stoten.'

[9] Ik zeg: 'Irhaël heeft gelijk! Wie zich stoot, die moet zich dan maar stoten en moet dan maar zijn berg beklimmen! Als hij daar niets meer zal vinden, dan zal hij vanzelf wel iets beters gaan bedenken.

[10] In het vervolg moeten jullie geen bedehuizen voor Mij bouwen, maar onderdak en eetgelegenheden voor armen, die daar niets aan jullie hoeven te betalen !

[11] In de liefde tot de arme broeders en zusters zullen jullie Mijn echte aanbidders zijn, en Ik zal in zulke bedehuizen vaak bij jullie zijn, zonder dat je het di rekt zult merken; maar in de tempels, die, zoals dat tot op heden het geval was, speciaal voor de lippendienst gebouwd zijn, zal Ik van nu aan net zo min wonen, als het verstand van de mens in zijn kleine teen.

[12] Als je echter toch in een grootse tempel je hart voor Mij wilt openstellen, en daar klein wilt zijn voor Mij, ga dan naar buiten in de ruime tempel van Mijn scheppingen, en zon, maan en sterren en de zee, de bergen, de bomen en de vogels in de lucht, zowel als de vissen in het water en de talloos vele bloemen op de velden zullen je Mijn eer verkondigen!

[13] Wat denk je, is de boom niet heerlijker dan alle pracht van de tempel te Jeruzalem?! De boom is een puur werk van God, hij leeft en geeft een vrucht als voedsel. Maar waartoe is de tempel in staat? Ik zeg u allen: alleen maar tot hoogmoed, toorn, nijd en de schreeuwendste naijver en heerszucht, want hij is niet het werk van God, maar slechts een ijdel mensenwerk!

[14] Waarlijk, Ik zeg u allen: Wie Mij eert en liefheeft en Mij aanbidt, doordat hij in Mijn naam goed doet aan zijn broeders en zusters, die zal in de hemel zijn eeuwig loon krijgen; Wie Mij echter van nu af aan door allerlei ceremonieën in een speciaal daarvoor gebouwde tempel zal vereren, die zal ook zijn loon hier op aarde van de tempel krijgen! Als hij echter na de vleselijke dood tot Mij zal komen en zal zeggen: 'Heer, heer, wees mij, Uw dienaar, genadig!', dan zal Ik tegen hem zeggen: 'Ik ken je niet, ga daarom bij Mij vandaan en zoek je loon bij degene, bij wie je in dienst was!' Dit is de reden waarom ook jullie je verder met geen tempel meer moeten bemoeien!

[15] Maar in dit huis mogen jullie tot Mijn gedachtenis steeds bijeenkomen, hetzij op de sabbat of op een andere dag; want iedere dag is van de Heer, niet alleen de sabbat, waarop je in het vervolg net als op de andere dagen ook goede dingen moogt doen!

 

 

50  De naastenliefde kent geen rustdag

 

[1] Het is de beste heiliging van de sabbat, als je op die dag meer met al het goede bezig bent dan op een andere dag!

[2] Alleen de slavenarbeid, waarmee Ik het werken voor geld en werelds loon bedoel, moet je voortaan niet op een doordeweekse dag en evenmin op een sabbat verrichten! Want van nu af aan moet iedere dag voor jullie een sabbat, en iedere sabbat een volle werkdag zijn! Hiermee heb je nu, Mijn vriend, de algehele regel, die aangeeft hoe je God in de toekomst moet dienen! - En daarbij blijft het!'

[3] De opperpriester zegt: 'Ik zie nu wel heel duidelijk de heilige waarheid in deze regel, die ik graag als wet aanneem, maar het zal bij de wettische Joden heel wat voeten in de aarde hebben, vóór hen deze regel, die uit de puur goddelijke wil komt, helder en volgens de diepe waarheid die er in zit, begrijpelijk wordt! Ik ben van mening, dat er zeer velen deze regel tot aan het einde van de wereld niet zullen aannemen. Want de mensen zijn al sinds de oertijd te zeer aan de sabbat gewend en zullen zich die niet af laten nemen. O dat, dat zal zeker heel veel moeite en werk geven!'

[4] Ik zeg: 'Maar het is toch ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat! God de Heer heeft onze dienst en onze eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder enige vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking!

[5] Wat is dat dan voor godsdienst, als je alleen op de sabbat aan God denkt en gedurende de week nooit?! Is God dan niet iedere dag dezelfde onveranderlijke God? Laat Hij niet iedere dag, of het sabbat of werkdag is, Zijn zon opgaan en haar licht geven aan rechtvaardigen en onrecht­vaardigen, waarvan er altijd veel meer zijn dan rechtvaardigen?

[6] Werkt God niet Zelf dag in dag uit? Als de Heer Zichzelf echter geen rustdag gunt, waarom zullen de mensen zich dan rustdagen gunnen, alleen terwille van het niets doen? Want ze doen op hun sabbat niets zo precies als zorgen, dat er niets gedaan wordt! Daarmee bewijzen ze God echt wel de slechtste dienst!

[7] Want God wil, dat de mensen voortdurend en steeds frequenter er aan zullen wennen om de liefde te beoefenen om te zijner tijd in het andere leven tot alle werk en moeite in staat te zijn, en alleen daarin de ware en hoogste zaligheid te zoeken en te vinden! Zouden de mensen door niets doen in staat zijn, dat ooit in zich zelf te ontwikkelen?! Ik zeg je: Nooit of te nimmer!

[8] Tijdens de werkdag oefent de mens zich, ondanks dat hij werkt, alleen maar in de zelfzucht; want hij werkt dan voor zijn vlees en noemt dat het zijne, wat hij aan goederen en geld met werken verdient. Wie het verdiende van hem wil hebben, moet het van hem kopen, hetzij door arbeid of met geld, anders krijgt hij van niemand Iets van enige betekenis. Als de mensen nu op de werkdagen alleen voor hun zelfzucht zorgen en op de sabbat, de enige dag waarop ze zich in de werken der liefde moeten oefenen, tot de starste leegloperij gedwongen zijn, dan vraagt men zich in alle ernst af, wanneer de mensen zich dan wel in de echte godsdienst oefenen moeten of oefenen mogen, als je beseft, dat die dienst alleen maar bestaat uit het liefdevol helpen van je naaste!

[9] God neemt Zelf geen ogenblik rust, maar is altijd door voor de mensen bezig en nooit voor Zichzelf, want Hij heeft voor Zichzelf noch een aarde, noch een zon, een maan en al de sterren nodig en alles wat daarin is en daaruit voortkomt. Dat heeft God allemaal niet nodig; maar al de geschapen geesten en mensen hebben dat nodig, en de Heer is dus alleen voor hen, altijd maar door onafgebroken bezig.

[10] Maar als de Heer, Wiens werk iedere dag gelijk is, al maar door voor de mensen bezig is, en wil dat de mensen als Zijn kinderen in alles aan Hem gelijk zullen zijn, hoe kan Hij dan ooit hebben gewild, dat de mensen na zes dagen van zelfzucht, Hem op de zevende dag heel welgevallig door starre leegloperij zouden dienen, en Hem, die altijd bezig is, eren door de traagheid?!

[11] Tegen jou, als opperpriester, zeg Ik dit nu in duidelijke taal, opdat je in het vervolg -goed wetend, wie Degene is, Die dit nu tegen je gezegd heeft - aan je gemeente de sabbat in een beter licht zult laten zien dan het sedert Mozes tot op dit uur het geval was! Want net zoals Ik je nu onthulde wat de sabbat is, zo is het aan Mozes ook gezegd, maar het volk heeft dit maar al te snel veranderd in een heidense leegloperij, en het meende God een aangename dienst te bewijzen door het nietsdoen, en door diegene te bestraffen, die het bij tijden waagde om ook op de sabbat een klein werkje te doen, of een zieke een heilzame dienst te bewijzen. O wat een grote blindheid, o wat een zeer grove dwaasheid!'

[12] De opperpriester zegt vol wroeging over deze waarheid: O wat een heilige pure waarheid komt er uit Uw mond! Ja, nu is mij alles duidelijk! Nu pas hebt U, o Heer, de drievoudige doek van Mozes geheel van mijn ogen weggenomen! Nu, o Heer, zijn er geen tekenen meer nodig, want hier is Uw heilige ware woord alleen voldoende! En ik verklaar nu uit volle overtuiging, dat van nu af aan, al degenen, die U geloven vanwege de tekenen en niet vanwege het ware woord, geen echt levend geloof hebben en slechts trage en machinale uitvoerders van Uw leer en Uw heilige wil zullen zijn. Bij ons zal het echter anders zijn! Niet de tekenen, die wij tijdens Uw aanwezigheid ontvingen, maar alleen Uw heilige ware woord zal in onze harten de bron zijn voor het echte levende geloof en de totale liefde voor U en uit U, en, terwille van U, zal het ook de bron zijn voor de juiste hoeveelheid liefde voor alle mensen. En verder geschiede alleen Uw heilige wil, die U, o Heer, ons nu zo overduidelijk en voor eeuwig waar hebt meegedeeld!'

[13] Ik zeg: ' Amen! Ja, beste vriend en broeder, zo is het waar en goed! Want alleen zo zullen jullie volmaakt kunnen worden, zoals de Vader in de hemel volmaakt is. Als jullie echter zo volmaakt zijn, dan zijn jullie ook waarachtige kinderen van God en kunnen jullie Hem altijd aanroepen met: 'Abba, onze Vader!' En waar je Hem als Zijn echte kinderen om zult vragen, dat zal Hij je geven, want de Vader is zeer goed en geeft Zijn kinderen alles wat Hij heeft! Eet en drinkt nu, want het eten hier is niet van deze aarde, maar de Vader zendt het je uit de hemel en Hij is Zelf nu bij je!'

 

 

51 Het 'Evangelie van Sichar'

 

[I] De opperpriester zegt: 'Heer, gaan we nu nogmaals eten? Hoewel we tijdens het eten voortdurend over allerlei onderwerpen hebben ge­sproken, hebben we aan het begin van het avondmaalons direct gesterkt met spijs en drank! Ik ben helemaal verzadigd en kan niets meer eten of drinken.’

[2] Ik zeg: ' Je hebt gelijk, want je zit vol eten en kostelijke wijn uit de hemel. Maar er zijn er hier nog veel, die niet durfden te eten of te drinken, want Mijn naam en Mijn woord zei hen nog niets, en ze waren bang dat er hekserij in het spel was. Maar nadat ze ons gesprek aangehoord hadden en daaruit het volle licht der waarheid zagen schijnen, verdween hun dwaze angst, en honger en dorst kwamen daarvoor in de plaats. Nu willen ze graag eten, maar durven niet van louter ontzag. Denk je, dat we ze nu zo moeten laten gaan? Beslist niet! Ze moeten nu echt naar hartelust eten en drinken! Want hierna zullen ze pas weer uit deze keuken eten en drinken, als ze in Mijn rijk in de hemel zijn!'

[3] Na op deze wijze tekst en uitleg te hebben gegeven, spoorde Ik de aanwezigen nogmaals aan om te eten en te drinken, en Ik zei tegen de jongemannen: 'Laat het hen aan niets ontbreken!' - En de jongemannen brachten opnieuw een behoorlijke hoeveelheid brood en wijn en allerlei heerlijke vruchten.

[4] Er waren er echter, die niet wisten of ze de vruchten, die ze niet kenden, wel eten mochten. Toen zeiden de jongemannen: 'Beste broeders! Eet al deze vruchten maar gerust, want ze zijn rein en smaken overheerlijk! Er zijn op aarde een aantal vruchten en grassen en dieren, die in hun groei geholpen worden door onreine geesten, omdat dat zo ingepast is in de goddelijke ordening, want ook duivels moeten de Heer dienen, hoewel dat tegen wil en dank gaat! Want zoals een geketende slaaf zijn heer moet dienen, zo moeten ook de duivels hun diensten verlenen; maar er rust geen zegen op dit werk!

[5] En zo zijn er op de aarde, waarop mensen en dieren en duivels meer dan eens onder een dak wonen en daar ieder op hun manier werken, niet zelden allerlei daden, werken en vruchten, die in hun aard en wezen slecht en onrein zijn. De mensen kunnen zich hier beter afzijdig van houden, als ze verschoond willen blijven van al het mogelijke kwade van de aarde.

De Heer heeft daarom door Zijn knecht Mozes vast laten stellen, wat rein en goed is, en de Heer heeft de mensen het gebruik van onreine dingen, waaraan ook boze geesten werken, ontraden, - en dat is een voortreffelijk voorschrift. Maar alles wat u hier wordt aangeboden om van te genieten, is rein, omdat het voor u op zo'n wonderbare manier uit de hemel hierheen werd gebracht, daarom kunt u zonder bezwaar van alles genieten! Want wat de Vader uit Zijn hemel geeft is rein en goed, en helpt het leven van de ziel en de geest eeuwig vooruit.'

[6] Dit onderricht van de kant van de wijze jongemannen deed alle gemoederen goed, en allen loofden God voor hun vriendelijke wijsheid. Deze les werd later ook nog door sommigen uit het geheugen opgeschreven, en nog veel jaren in deze stad en omgeving in ere gehouden.

[7] Toen later echter allerlei vijanden deze stad en omgeving erg havenden, ging er veel verloren en ook deze les, waarover Paulus in zijn brieven met nogal mystiek aandoende woorden spreekt, als hij het over 'allerlei geesten' heeft.

[8] Het hele grote gezelschap was nu goed geluimd en de gesprekken gingen al gauw over Mij, over Mijn leer en over deze maaltijd uit de hemel, en de jongemannen bespraken ook veel dingen met de gasten.

[9] Maar Nathánaël ging staan en zei tegen de gasten: 'Beste vrienden en broeders! Nog maar een paar maanden geleden was ik visser in de omgeving van Bethabara aan de rivier de Jordaan, niet ver van diens uitmonding in zee, toen er een heel onopvallende man bij Johannes kwam en zich door hem liet dopen. Zonder dat Johannes Hem ooit persoonlijk op aarde gezien had, begon hij direct over Hem te getuigen, en hij zei: 'Zie het lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!' En Johannes getuigde nog meer en zei: 'Deze is het, van Wien ik gezegd heb: Hij, die vóór mij was, en ná mij komt, en Wiens schoenriemen ik niet waard ben los te maken!'

[10] Ik hoorde dit getuigenis van de prediker in de woestijn en moest er diep over na denken, en ik ging daar weg en vertelde het thuis aan mijn vrouwen mijn kinderen, en deze waren erg verwonderd dat de boeteprediker zo over een mens getuigde!

[11] Want je kon heel moeilijk met de prediker praten, en als hij wat zei, waren zijn woorden nogal ruwen hij spaarde niemand, of het nu Farizeeën, priesters of levieten waren; iedereen hekelde hij met zijn vlijmscherpe tong!

[12] Maar toen Hij kwam, Die nu onze Heer is, werd Johannes zo mak als een lam en sprak zo teder, als het zingen van een leeuwerik in de lente! Kort en goed, mijn familie geloofde bijna niet wat ik verteld had, want ze was te goed bekend met de manier waarop Johannes gewoonlijk sprak.

[13] Twee dagen daarna ging ik echter vrij vroeg aan mijn dagelijkse werk, ik zat onder een boom en repareerde mijn visgerei. Toen kwam Dezelfde, waarover Johannes dat tedere getuigenis had gegeven, in gezelschap van enigen die Hem volgden, naar mij toe, riep mij bij mijn naam en zei dat ik Hem moest volgen. En toen ik mij afvroeg, hoe Hij mij kende, omdat ik Hem nog nooit eerder had gezien, zei Hij: 'Verbaas je daar maar niet al te veel over , want je zult nog verbazingwekkender dingen beleven! Vanaf nu zul je de hemel geopend zien en de engelen boven de Zoon des mensen zien opstijgen en neerdalen!'

[14] En zie, wat de Heer toen tegen mij heeft gezegd, wordt hier nu op een heerlijke manier werkelijkheid! Alle hemelen zijn geopend en de engelen dalen neer en bedienen Hem en ons allen. Wat voor overtuigender bewijs hebben we nu nog nodig om te bewijzen, dat Hij alleen Degene is Die komen zal volgens de voorspelling, die reeds vanaf Adam tot op heden aan alle kinderen Israëls is gedaan?! Ik denk echter, dat Hij meer is dan de Messias! Hij is -,

[15] Hier onderbreek Ik hem en zeg: 'Mijn beste vriend en broeder, voorlopig tot hier toe en niet verder! Pas als dit vlees door de Joden verhoogd zal worden, kun je alles watje van Mij weet zonder terughouding zeggen, maar niet eerder, want de mensen kunnen dat nog niet begrijpen!'

[16] Nathánaël stelde zich hiermee tevreden, maar begreep toch niet goed, wat Ik bedoelde met de verhoging van Mijn vlees, en er waren er veel die dachten, dat Ik in Jeruzalem op de troon van David zou gaan zitten­. Maar de opperpriester begreep wel wat Ik bedoelde met de verhoging van Mijn vlees, maar hij zweeg en staarde treurig voor zich uit! Ik troostte hem en wees hem op wat Ik in dit opzicht al eerder met hem besproken had, en hij werd weer opgewekt en loofde Mij in zijn hart.

[17] Ondertussen kwam de ochtend van de volgende dag al in zicht. Maar niemand voelde zich vermoeid, en men had ook geen slaap, want allen waren zo verkwikt, als ze nog nooit eerder, ook niet na de beste nachtrust, waren geweest. Zij smeekten Mij daarom allemaal of ze deze hele dag bij Mij door mochten brengen. En Ik willigde hun vrome wens in.

 

Heer! Ik arme zondaar dank U voor deze eerste dag in Sichar, een stad, die op mijn innerlijk leek. J. Lorber

 

 

De volgende dag in Sichar

 

52 De belastering van de dochters van Jonaël

 

[I] De opperpriester ging staan en vroeg Mij, zeggende: 'Heer, nu U ons toch de grote eer bewijst om ook gedurende deze dag bij ons te blijven, heeft U dan zin om, samen met mij, Uw leerlingen en alle anderen die in U geloven, de drie dichtbij gelegen dorpjes te bezoeken? Misschien zijn daar ook nog mensen, die in U zullen geloven, als zij U zien en horen.'

[2] Ik zeg: 'Niet voor hen, maar wel voor jou! Jij verheugt je erop en Ik doe je graag dit plezier. Maar je hebt toch ook vrouwen kinderen, wil je die ook niet aan Mij voorstellen? Waar zijn ze en hoeveel zijn het er?'

 [3] De opperpriester zegt een beetje verlegen: 'Heer, ik heb een lieve vrouw, die net als ik al enigszins op leeftijd is, en ik heb ook zeven kinderen, maar tot mijn spijt zijn het alleen meisjes van twaalf tot een en twintig jaar. Zoals U weet strekt het een Israëliet nu juist niet tot eer als hij geen mannelijke nakomelingen heeft, daarom - Heer, heb geduld met mijn zwakheid! - durfde ik niet met al die vrouwen in de openbaarheid te komen!

[4] Als U er echter prijs op stelt, o Heer, dan zou ik U willen vragen ook langs mijn huis te gaan, waar ik U dan mijn vrouwvolk voor kan stellen. Maar ze hierheen laten komen komt niet zo goed uit, want ziet U, ik heb weliswaar overal voldoende van en ik kan met mijn familie hier redelijk leven, maar onze kleding is wat armelijk. Voor in huis en voor de huiselijke bezigheden is het voldoende, maar om in een gezelschap, zoals dit hier te verschijnen, zien ze er als familie van de opperpriester veel te armelijk uit! En daarom is het in ieder opzicht beter, denk ik, als ze netjes thuis blijven, waar ze niet bloot staan aan de bespotting van de wereld en geen voedsel vinden voor hun aangeboren ijdelheid. En het is voor hen ook goed om zo min mogelijk met de wereld in aanraking te komen, want de wereld is en blijft altijd slecht!'

[5] Ik zeg: 'Ik zal doen wat je wenst, maar dan moet je ze allemaal met ons mee laten gaan! Er zal voor wat betere kleding gezorgd worden, zodat ze goed genoeg in onze kring passen! Dat je ze zoveel mogelijk van de wereld afleidt is heel goed en wijs van je, maar bij ons toch zeker niet wereldse gezelschap zouden ze, zoals ze waren, best gepast hebben.

[6] Kijk naar Maria, de moeder van Mijn lichaam! Ze heeft schone witte kleding aan en draagt daarover een heel gewone blauwe schort, en ze is goed genoeg gekleed! Haar hoofd is meestal bedekt met een vierkante doek tegen de zon, net zoals bij alle vrouwen, die Mij uit Galiléa en Judéa gevolgd zijn, en zo passen ze bijzonder goed bij ons gezelschap. Maar dat geeft verder niet,jouw vrouw en je zeven dochters zullen vandaag ook in ons gezelschap zijn!'

[7] Een van de. Samaritanen zegt: 'Dat is nu wel allemaal goed en best, en ik weet er zelf niets van, maar wat ik van verschillende mensen uit deze omgeving gehoord heb, dat wil ik nu toch zeggen, - dan kunnen jullie er mee doen wat je wilt. Er wordt echter verteld, dat de vier oudste dochters iedere keer dat de opperpriester niet thuis was, 's nachts op straat gezien zijn en vanwege hun schoonheid geld aannamen van wellustige knechten, en zich door hen lieten gebruiken! Dat wordt gefluisterd. Ik weet daar verder niets van! Maar ik meen echter, dat als deze nieuwe leer door het nog zeer grote aantalongelovigen in deze plaats aangenomen zou moeten worden, het vanwege het dwaze gepeupel aanbeveling zou verdienen, tenminste de vier oudsten niet in het gezelschap op te nemen! Want broeder Jonaël weet hoe spitsvondig en buitengewoon dwaas en ongelovig ons volk is. Als ze zoiets zien en horen, kan zelfs Jehova niets meer met zo'n volk beginnen! Ik geef deze raad alleen maar in verband met het feit, dat ons volk zo te keer kan gaan en opdat de goede zaak niet geschaad wordt, je hoeft je er echter niets van aan te trekken als je dat niet wilt!'

[8] De opperpriester wordt hierop erg treurig en zegt: 'Heer! Als ik ook maar een beetje onverschilliger en nalatiger zou zijn geweest bij de opvoeding van mijn dochters, dan zou het mij niet raken zoiets te horen, maar ik weet, dat bij mijn dochters niets verzuimd werd om ze geestelijk en verstandelijk te ontwikkelen en ik durf er de heiligste eed op te zweren, dat ieder van mijn dochters nog zo rein is als een bloem op de berg van Jehova! Wat is dan de reden voor deze schandelijke laster?!'

[9] Ik zeg: 'Beste broeder Jonaël, maak je daar maar niet druk over! Als je dochters voor Mij rein zijn, dan is dat voor jou meer dan voldoende! Want de wereld is nu eenmaal geheel van de duivel en daardoor door en door slecht! Heb je ooit gehoord, dat men druiven van dorens en vijgen van distels geoogst heeft?! Ik wist al lang van deze zaak af en heb dat ook op de berg bij de vergelijking van de splinter in het oog van de naaste duidelijk aangegeven! En kijk, dit beeld maakte, dat er toen veel van de berg afgingen, want ze merkten dat Ik hen bedoelde.

[10] Ik zeg je echter: Nu gaan je dochters zeker met ons mee, en Ik zal in hun midden gaan! Want wat des duivels is, dat zal ook des duivels blijven, als het zich niet wil laten bekeren! Nu gaan we echter meteen op stap! Ik heb je vrouwen je kinderen al op de hoogte gebracht, ze zullen ons verwachten.'

 

 

53 De bestraffing van de leugenaar en lasteraar

 

 [I] Onderweg zegt Simon Petrus opeens: 'AI die wonderen stijgen me nu toch behoorlijk naar mijn hoofd! Nee, wie nu nog niet beseft, dat deze Jezus uit Nazareth in levende lijve Jehova's echte zoon is, die moet in een tiendubbele Egyptische duisternis ronddwalen, of hij is morsdood! Zieken worden door een enkel woord plotseling gezond, blinden zien: doofstommen horen en lammen lopen, en de ergste melaatsen worden zo rein of ze nooit gezondigd hadden!

[2] Daarbij openen de hemelen zich en de heerlijkste engelen zweven in grote getale snel naar beneden, bedienen ons en gaan met ons om alsof ze sinds de schepping van de eerste mens de aarde nooit verlaten hebben, en ze zijn zo mooi, dat men bij hun aanblik zou wegsmelten van geluk! En als Hij nog nooit eerder gehoorde wijsheden zegt, dan moet je eens zien hoe deze mooie dienaars van Jehova vol eerbiedige opmerkzaamheid en heilige aandacht zijn, terwijl ze toch ook zo opgewekt zijn als de zwaluwen op een prachtige zomerdag! Waarlijk, als er iemand is, die nu nog zeggen kan: 'Deze Jezus is alleen maar een magiër en meer niet!', dan zouden ze die meteen als een os moeten slachten! Want zo'n mens kan geen mens zijn, maar alleen een beest dat praten kan, en moest dan ook niet sterven als een mens, maar als een huisdier!'

[3] Terwijl Petrus zo loopt te fantaseren en niet merkt, wat er om hem heen gebeurt, tikt een ongelovig burger uit de stad hem behoorlijk hard op de schouder en zegt: ' Als dat zo is, dan voel ik me als redelijk mens verplicht te voorspellen, dat jij als een klinkklare os sterven zult! Want als jij het in je leven nog niet zo ver hebt gebracht om te kunnen vaststellen wat een echte magiër allemaal kan, dan zou je in gezelschap van ervaren en intelligente mensen je grote mond dicht moeten houden!'

[4] Petrus zegt: 'Zeg eens, onbehouwen duistere geest! Kunnen jouw magiërs ook alle zieken door één woord op slag genezen, en de hoge hemelen openen die geen magiër met zijn hand of met zijn verstand kan bereiken?!'

[5] De burger zegt: 'O jij domme blinde Galileeër! Weet je dan niet, dat een echte magiër uit ieder stuk hout een vis of een slang kan maken?! Nog maar kort geleden was er hier een uit Egypte, die stokken in het water wierp en het werden direct vissen; als hij de stokken op het land wierp, werden het slangen en adders; blies hij in de lucht, dan waren er ineens sprinkhanen en ander vliegend ongedierte; hij nam een paar witte stenen, wierp ze in de lucht, en het werden duiven die wegvlogen; dan weer nam hij van de straat een handvol stof en verspreidde dat in de wind, en een ogenblik later was de lucht vol muggen, zodat men de zon er nauwelijks doorheen kon zien; toen hij daarna in deze muggen blies, kwam er een sterke wind en deze wind dreef de muggen als een wolk weg! Hij bracht ons daarna naar een poel achter de beek waar hij eerder vissen uit stokken maakte, daar raakte hij met een staf het water aan en het veranderde in bloed, en hij raakte het nogmaals aan en het werd weer water! 's Avonds riep hij naar de sterren en ze vlogen als tamme duiven in zijn handen! En hij beval hen en ze vlogen weer terug naar het hoge firmament! En zeg jij nu: 'Waar is een mens wiens handen tot in de hemel reiken?' Dat dit hier allemaal gebeurd is, kan ik door honderd getuigen laten bevestigen. - Wat zeg je nu over je Zoon van God uit Nazareth, waarvan ik wel weet wiens zoon hij is, en waar hij dat allemaal geleerd heeft?'

[6] Petrus zegt: 'Dan moeten die allen, die in Jezus van Nazareth wel de Christus herkend hebben, ook wel wat van deze magiër gehoord hebben, waarvan je hier al die wonderen hebt verteld. Maar ik denk eerder dat je als een krokodil, met zijn klagende kindergeluidjes, de zaak bedriegt, en aan je honderd getuigen wel steekpenningen zult hebben gegeven! Ik zal het dadelijk aan Jonaël vragen! En pas op als je me belogen hebt!

[7] De burger zegt: “Deze mensen zullen je er niets over kunnen vertellen, omdat ze er niet bij waren uit angst dat de magiër dat allemaal met de hulp van de duivel deed, en dat de duivel hen iets zou doen! Alleen wij, die niet bang waren, gingen er heen, want wij geloven met dat de duivel bestaat, omdat wij de krachten der natuur iets beter kennen, en wij overtuigden ons en waren heel verbaasd over wat een mens allemaal kan!'

[8] Petrus zegt: 'Je bent een mooie klant, maar ik zeg je dat je het nu met mij aan de stok krijgt, en je zult je straf met ontlopen!, Kom maar mee naar de opperpriester van deze stad, voor hem zal dit zaakje uitgezocht en afgehandeld worden!'

[9] De burger zegt: 'Wat heb ik met deze opperpriester te maken? Ik ben een Galileeër en tevens meer Griek dan Jood; deze opperpriester is echter een domme ijveraar, en er wordt gezegd, dat zijn vier oudste dochters 's nachts met toestemming van de moeder, schandalige dingen uithalen en zich aan ontucht overgeven. Wat moet ik met zulke stom­melingen? Kunst en wetenschap vind ik het belangrijkst, en ik heb veel achting voor geleerden en kunstenaars, maar dan moeten ze geen ver­beelding krijgen!    .,                                                                                                           ,

[10] Als jullie meester, die ik werkelijk heel aardig en geleerd vind, in alle kunsten en wetenschappen zichzelf bleef, dan zou hij een van de hoogst geëerde mensen onder de Joden, Grieken en Romeinen zijn! Maar hij denkt dat hij God is, en dat is dom en hoort thuis in de oude duistere tijden!

[11] Jullie zijn in de aard van de zaak eerlijke en rechtschapen mensen, maar verder dan het vangen van vissen schijnt jullie kennis en ervaring niet te reiken. Laten we er verder maar niet over vechten! Jullie mogen geloven wat je wilt, maar ons kun je moeilijk iets wijs, maken, want Wij bezitten kennis en allerlei wetenschappen, Wij weten iets van magie af en weten daarom wat we aan jullie meester hebben!'                                                                                           .

[12] Petrus zegt: 'Vriend, het zal je niet lukken om wat zwart is weer wit te praten! Het gaat er hier niet om, wat je over mijn meester denkt, dat is een aardig verhaal om mij te laten vergeten hoe grof je, daarvoor tegen mij hebt staan liegen! Het kan me met schelen of je van de opperpriester vindt dat hij een ijveraar is, hij moet, als openbaar ambts­bekleder van deze kleine stad toch weten of er hier kort geleden zo n magiër is opgetreden, zoals jij mij die hebt beschreven! Want dat is voor mij het voornaamste, omdat ik daaraan wil afmeten, wat ik van mijn Meester moet denken!

[13] Denk je eens in; ik en velen met mij hebben alles, zelfs vrouwen kinderen, verlaten en zijn Hem onvoorwaardelijk gevolgd, omdat we Hem dingen zagen doen die volgens ons geen mens ooit kan doen, en omdat we Hem tevens zo wijs hoorden spreken als vóór Hem nog nooit een mens gesproken heeft en ná Hem waarschijnlijk nooit meer iemand spreken zal!

[14] Jij vergelijkt Mijn meester echter met een ander, die mijn Meester nog wel niet overtreft, maar toch wel gelijk is, die dingen doet waarvoor ieder mens het grootste respect moet hebben! En nu gaat het er alleen maar om, of mij klaar en duidelijk bewezen kan worden, dat zo'n magiër werkelijk die dingen gedaan heeft die jij hebt beschreven!

[15] Als het waar is, dan zweer ik je dat ik mijn Meester, Die volgens mij goddelijke kracht heeft, direct verlaat en terug ga naar mijn familie thuis! Want een schimmige magiër volg ik geen stap verder; want ik ben nog steeds een echte Jood, die Mozes meer gelooft dan honderdduizend fantastisch goede magiërs. Als je echter - wat voor mij vaststaat ­gelogen hebt, om uit pure kwaadaardigheid mijn verheven Meester verdacht te

maken, dan ben je - zoals ik al eerder gedreigd heb -nog niet met mij klaar! Je zult ondervinden, dat ook ik door de genade van mijn goddelijke meester al tot heel wat in staat ben, zonder dat ik mij voor iemand als wonderdoener behoef voor te doen!

[16] Kom daarom maar heel gewillig met mij mee naar de opperpriester, die op dit ogenblik iets met jullie tollenaar Matthéus bespreekt, die waarschijnlijk ook wel wat van jouw magiër af zal weten, want hij was hier al die tijd in de stad en moet het dus weten. Kom nu maar gewillig mee, anders gebruik ik geweld!'

[17] De burger zegt: 'Waarom geweld gebruiken als ik niet mee wil? Wees verstandig, achter mij staan er een paar honderd! Als je het waagt om mij aan te raken, dan zal het je slecht bekomen!'

[18] Petrus zegt: 'Ik zal je met geen vinger aanraken, iets wat jij tamelijk onzacht met de jouwe wel beliefde te doen, maar toch zul je gedwongen worden! Er gaan hele scharen engelen van God met ons mee, die je kennelijk niet ziet! Eén wenk en ze brengen je daar waar ik je hebben wil en hebben moet!'

[19] De burger zegt: 'Zijn die hier meelopende witgeklede jongetjes soms jullie engelen? Ha, ha, ha! Nou als dat jullie beschermers zijn, behoeven we alleen maar een paar dozijn uitbranders uit te delen en dan liggen jullie samen met je witte beschermjongetjes buiten de muren van de stad!'

[20] Deze opmerking jaagt Petrus helemaal in het harnas en hij doet direct een beroep op een jongeman om de burger te bestraffen! De jongeman zegt echter: 'Ik zou het wel willen, als de Heer het wilde; maar de Heer heeft me nog geen opdracht gegeven en daarom kan ik je wens nog niet vervullen. Ga echter eerst naar de Heer en zeg Hem dat! Als Hij het wil, zal ik het doen.'

[21] Petrus liep dadelijk naar voren waar Ik was, en klaagde Mij zijn nood. Ik zei toen, terwijl Ik juist voor het huis van Jonaël bleef staan: Ga en breng die mens bij Mij!'

[22] Voor Petrus was dit een pak van zijn hart en hij liep snel terug en zei tegen de jongeman: 'Hij wil het!'

[23] Toen keek de jongeman de burger aan en deze begon te beven en terwijl de jongeman hem voortdreef, volgde hij Petrus zonder tegenspraak naar Mij. Ik zag hem aan en de burger bekende, dat hij gelogen had en dat hij zo'n magiër nooit gezien had, maar dat hij alleen maar over zo'n magiër had horen spreken en alleen maar had willen testen of deze leerling wel gelovig genoeg was, waar hij overigens beslist geen kwade bedoeling mee gehad had.

[24] Ik zeg: 'Jij bent er zo een, die met een tweede leugen de eerste leugen wil goedpraten en daarom ben je een kind van de duivel! Ga heen, hij zal je je loon geven, omdat je zo'n goede knecht van hem bent!'

[25] Meteen nam een boze geest bezit van de burger en begon hem verschrikkelijk te kwellen. Maar toen schreeuwde de burger zo hard mogelijk: 'Heer, help mij! Ik beken voor iedereen dat ik gezondigd heb!'

[26] Ik zei echter: 'Van wie heb je gehoord, dat de vier oudste dochters van Jonaël hoeren zouden zijn? Beken het hardop, anders laat Ik je kwellen tot aan het eind der wereld!'

[27] De burger zegt: 'O Heer, ik heb het van niemand ooit gehoord, maar ik kwam zelf eens op een nacht de vier dochters tegen toen ze water haalden aan de Jacobsbron, en ik deed ze toen oneerbare voorstellen. De dochters dienden mij echter dusdanig van repliek, dat ik maakte dat ik wegkwam, maar ik zwoer toen wraak te nemen; ik verzon met mijn slechte hart dat schandelijke verhaal en strooide dit als een gerucht overal rond! De dochters zijn beslist nog maagden! O Heer, alleen ik ben slecht, alle anderen zijn goed en rein!'

[28] Nu gebied Ik de boze geest om de burger met rust te laten, maar de burger moet Jonaël daarvoor in de plaats genoegdoening geven! De burger is echter een koopman, hij gaat terug en brengt voor de dochters tienmaal meer dan Ik gezegd heb en smeekt Jonaël en de dochters om vergeving.

[29] Maar Ik zeg tegen hem: 'Je kunt zo'n onrecht niet afdoen met een gift alleen! Ga heen en herroep overal al het slechte, wat je over hen verteld hebt; afhankelijk daarvan zullen je zonden je zijn vergeven! Zo zij het en zo geschiede het!'

[30] De burger belooft dat allemaal meteen te doen, maar merkt daarbij nog op, dat als een vreemde het gehoord mocht hebben, iemand, die hij niet kende en waarvan hij ook niet wist waar hij woonde, dat Ik het hem dan niet kwalijk moest nemen, als hij zo iemand de waarheid niet kon vertellen!

[31] Ik zeg: 'Doe wat mogelijk is, al het andere zal Ik doen en het zal je verder niet aangerekend worden!'

[32] Dan is de burger tevreden en gaat al het kwaad wat hij heeft aangericht weer goedmaken.

 

 

54  Bij Jonaël. Kritiek van de leerlingen op de Heer.

 

[I] Als de burger weg is, roep Ik Jonaëls vrouwen dochters, die toen ze de burger bij Mij zagen, geschrokken uit het voorhuis terug in huis waren gegaan.

[2] op Mijn roepen komen ze allen snel aanlopen, haasten zich met

verheerlijkte gezichten naar Mij toe, en danken Mij met tranen in de ogen dat Ik hun door deze slechte mens belasterde onschuld weer gezuiverd heb!

[3] Daarop leg Ik Mijn handen op hun hoofden, zegen hen en zeg, dat ze de verdere dag naast Mij moeten wandelen! Maar zij verontschuldigen zich en zeggen: '0 Heer, zo'n grote genade zijn wij niet waardig! Wij zijn al overgelukkig, als wij U aan het eind van deze grote stoet mogen volgen!'

[4] Ik zeg: 'Ik ken jullie waarachtige nederigheid en juist daarom heb Ik graag dat je zo dicht mogelijk naast Mij meewandelt op de weg, die Ik vandaag in deze omgeving zal gaan!'

[5] De dochters bedanken Mij voor die voor hen nauwelijks te begrijpen hoge onderscheiding. Maar Jonaël vraagt zijn dochters, zeggende: 'Mijn beste dochters! Hoe komen jullie aan deze prachtige kleren, die werkelijk hemels mooi staan?!'

[6] Dan pas merken de dochters, dat ze kleren aanhebben die gemaakt

zijn van zeer fijn en degelijk linnen en dat hun hoofden met de kostbaarste diademen getooid zijn, en dat ze er uit zien als koningsdochters.

[7] Als de zeven merken hoe prachtig ze er uit zien, zijn ze volledig van hun stuk gebracht! Hun harten beginnen te gloeien van liefde en be­wondering, en in bekoorlijke verwarring weten ze helemaal niet, wat er met hen gebeurd is. Pas na een tijdje verbaasd gekeken te hebben, vragen ze aan Jonaël hoe dat nu gebeurd is, want ze begrepen in het geheel niet, hoe die prachtige koninklijke kleren en diademen daar gekomen waren.

[8] Jonaël, die zelf helemaal betoverd is door de grote bekoorlijkheid van zijn dochters, zegt: 'Bedank Degene maar, Die jullie gezegend heeft! Hij heeft het jullie op wonderbare wijze gegeven!'

[9] Dan vallen de kinderen Mij sprakeloos om de hals, met tranen van vreugde en liefde in de ogen. De leerlingen achter Mij zeggen echter: 'Kijk, als dat nu nog in huis gebeurde! Maar hier open en bloot op straat ten aanschouwe van een paar duizend toeschouwers, dat geeft toch wel veel te veelopzien!'

[10] Ik hoorde wel dat ze dat zeiden, draaide Mij om en zei tot hen: 'Ik ben allang bij jullie, maar je hebt Mijn hart nog nooit zoveel vreugde gegeven als deze zeven dochters hier! Ik zeg je, zij zijn al op de goede weg en hebben het beste deel gekozen; als jullie niet dezelfde weg gaan, dan zul je nauwelijks in Mijn rijk komen! Want de kinderen, die zó tot Mij komen, zullen ook bij Mij blijven, degenen echter, die alleen maar met lof en prijs komen, zullen slechts Mijn weerschijn, maar niet Mijzelf in hun midden hebben!

[11] Mijn echte rijk is alleen maar daar, waar Ikzelf werkelijk aanwezig ben! Onthoudt dit! De Heer is een volkomen Heer boven al het wereldse, of het nu wel passend is voor de domme wereld of niet! Hebben jullie dit begrepen?'

[12] Petrus zegt: 'Heer, heb geduld met onze grote dwaasheid! U weet toch dat wij niet in de hemel, maar op deze wereld opgevoed zijn. Het zal allemaal wel weer goed komen, want we hebben U toch ook boven alles lief, anders zouden we U niet gevolgd zijn!'

[13] Ik zeg: 'Nu blijf dan in de liefde en let niet op deze wereld, maar wel, door Mij, op de hemel!' De leerlingen zijn daarmee tevreden en prijzen Mij in hun harten.

 

 

55 Bij Ezau 's slot. De koopman en het hoogste ambt

 

[I] We gaan nu verder met onze wandeling en komen na een uur in een mooi schaduwrijk bos, dat eigendom is van een rijk koopman uit Sichar. In dit bos zijn allerlei verfraaiingen aangebracht, zoals kleine tuinen, beekjes, vijvers met vele soorten vissen, en allerlei vogels. Aan het eind van het zeer uitgestrekte bos staat een oud en heel groot kasteel met dikke beschermende muren. Dit kasteel had Ezau gebouwd en hij woonde daar ten tijde dat Jacob in den vreemde was. De stormen der tijden hadden het niet onberoerd gelaten, maar deze koopman had er veel geld aan besteed en het weer geheel bewoonbaar gemaakt, en hij woonde met zijn hele huishouding vaak in dit kasteel, en woonde er ook nu. Hij was weliswaar iemand die veel goeds deed, en hij had nog meer landgoederen, maar op dit bezit was hij bijzonder gesteld en hij vond het niet prettig, als zijn grote bos door te veel mensen betreden werd, want hij gaf veel uit voor de aanleg en het onderhoud ervan.

[2] Toen hij uit zijn kasteel zag, dat zich een grote menigte mensen door het bos in de richting van de kasteelmuren bewoog, stuurde hij snel een groot aantal dienaren en knechten om ons uit het bos te verwijderen en om te vragen, wat we daar deden.

[3] Ik zei echter tegen de knechten: 'Ga naar uw heer en zeg hem: zijn en uw Heer laat weten dat Hij, tesamen met allen, die bij Hem zijn, bij hem het middagmaal zullen gebruiken!'

[ 4] De knechten en dienaren gaan daarop meteen weer terug en zeggen dat aan hun heer. Deze vraagt ze echter of ze ook wisten, wie Ik, die zoiets van hem verlang, wel was. De knechten en de dienaars antwoorden en zeggen: 'Wij hebben toch al gezegd, dat hij ons toegesproken heeft, alsof hij uwen onze heer is, waarom vraagt u dat dan nog een keer?! Hij wordt omringd door zeven koninklijk geklede dochters en daarachter volgt hem een onafzienbare menigte! Misschien is hij wel een vorst uit Rome, en u zult er zeer zeker goed aan doen hem tegemoet te gaan, en hem bij de grote toren aan de muur met alle eerbetoon te ontvangen!”

[5] Als de koopman dat hoort, zegt hij: 'Breng mij dan direct mijn duurste feestkledij en zorg, dat iedereen er zo feestelijk mogelijk uitziet! Want zo'n vorst moet schitterend ontvangen worden!'

[6] Het hele kasteel is dan meteen een en al actie, de koks en kokkinnen duiken in de provisiekamers en torsen massa 's eetwaren naar de keukens, en de tuinlieden haasten zich de grote tuin in om allerlei heerlijk fruit te plukken.

[7] Na een poosje komt de kasteelheer, omgeven door honderd van zijn

voortreffelijkste dienaren, in piekfijne kledij naar Mij toe, buigt driemaal tot hij bijna de grond raakt, en verwelkomt Mij en allen die Mij vergezellen, en dankt voor de hoge eer die hem te beurt valt, want hij denkt dat Ik werkelijk een vorst uit Rome ben.

[8] Ik kijk hem aan en vraag hem: 'Vriend, wat vind u het hoogste ambt dat een mens op aarde kan bekleden?'

[9] De rijke koopman zegt: 'Heer, vergeef mij, uw gehoorzame slaaf, ik was zo dom om uw buitengewoon wijze vraag niet te begrijpen, zoudt u daarom van uw onmeetbare berg der wijsheid af willen dalen, en de vraag genadiglijk zo willen stellen, dat het voor mijn absolute domheid te begrijpen is!' (Hij had de vraag heel goed begrepen, maar men had in die tijd het kinderachtige hoffelijke gebruik om ook maar de eenvou­digste vraag niet meteen te begrijpen als een hooggeplaatst persoon Iets vroeg, want daardoor verhoogde men de wijsheid van het hoge personage.)

[10] Maar Ik zeg tegen hem: 'Vriend, u hebt Mij heel goed begrepen en u doet maar net alsof u Mij niet begrijpt, terwille van een oude en geheel overleefde traditie. Laat die poespas maar achterwege, en geef Mij antwoord op Mijn vraag!'

[11] De koopman zegt: 'Ja, als het mij toegestaan is, o verheven heer, om direct op uw belangrijke vraag te antwoorden, dan geloof Ik met uw verheven toestemming de belangrijke vraag wel begrepen te hebben, en mijn antwoord zou dan het volgende zijn: Ik zie en houd het ambt van keizer natuurlijk als het allerhoogste wat een mens op deze aarde bekleden kan.'

[12] Ik zeg: 'Maar vriend, waarom staat u zichzelf nu zo tegen te spreken

en gaat u tegen uw eigen devies in, dat luidt: 'De waarheld is het hoogste en heiligste op deze aarde, en een ambtenaar, die in zijn ambt getrouw is aan waarheid en gerechtigheid, bekleedt het hoogste en verhevenste ambt op aarde!' Dat is toch uw lijfspreuk?! Hoe kunt u dan nu zeggen, dat u het ambt van keizer als het hoogste ziet, terwijl deze toch als hoogste bevelhebber met ruw geweld te maken heeft, wat zeker niet altijd gebaseerd is op waarheid en gerechtigheid?!' .

[13] De rijke koopman kijkt hiervan op, en zegt na enig nadenken: 'Machtige heer! Wie heeft u mijn lijfspreuk verteld? Ik sprak hem nog nooit hardop uit, wel dacht ik hem meer dan duizend keer! Want het is maar al te waar, dat de naakte waarheid maar beter niet altijd gezegd kan worden, en uit politieke overwegingen kun je beter je mond houden, wil je er bij de mensen zonder kleerscheuren afkomen!

[14] Maar ik merk nu wel dat u, o hoge vorstenzoon, zelf een groot vriend bent van waarheid en gerechtigheid, en daarom zult u het ook wel op prijs stellen als men tegen u de waarheid spreekt, want hoge heren willen nooit de waarheid horen en zij houden daarom de vleierij in eer, want dat bevalt hen veel meer, en alle rechten van de mensen, zijn zeer tegengesteld aan hun wensen. Wat zij wensen, nemen ze van andere mensen -met geweld, zo is het vaak gesteld. Of de armen over het onrecht klagen, nu en in vroeger dagen, is niet iets wat hen bezeert, zij worden hoog geëerd. Wees daarom politiek en volg hun tactiek, anders wachten kerkers en galeien, die menigeen doen schreien!'

[15] Ik zeg: 'U heeft goed en oprecht gesproken! Ik ben het helemaal met u eens, maar zeg Mij nu eens, wie u eigenlijk denkt dat Ik ben!'

[16] De koopman zegt: 'Heer! Dat is een hele lastige vraag. Waardeer ik u te hoog, dan wordt ik uitgelachen, waardeer ik u echter te laag, dan is het met mij gedaan! Het lijkt me daarom beter nu hierop het antwoord schuldig te blijven, dan daarna voor dit antwoord in een kerker mij de tijd te verdrijven met kwelling en pijn!'

[17] Ik zeg: ' Als Ik u nu verzeker, dat u noch het een noch het ander te wachten staat, dan kunt u Mij toch wel een antwoord geven?! Zeg daarom zonder omwegen, wie u denkt dat Ik ben!'

[18] De koopman zegt: 'Een vorst uit Rome, denk ik - als ik het nu toch zeggen moet!'

[19] Achter Mij zegt Jonaël: 'Dat kon wel eens veel te gering zijn! U moet wel wat hoger raden, met die vorst komt u er niet!'

[20] De koopman schrikt en zegt: 'Is het dan toch de keizer zelf!!'

[21] Jonaël zegt: 'Nog steeds veel te min, raad daarom hoger!'

[22] De koopman zegt: 'Dat zal ik wel laten, want er is niets hogers dan een keizer van Rome!'

[23] Jonaël zegt: 'Toch wel! Er is zelfs nog veel hoger, denk na en zeg het dan zonder te aarzelen! Want ik zie aan uw gezicht, dat de keizer van Rome bij u op de laagste plaats staat, waarom zegt u dan wat anders dan wat u in uw hart voelt en denkt!'

 

 

56 Het gevolg van leugen en waarheid

 

[1] De rijke koopman zegt na een ogenblikje: 'Beste hoge gasten! Er is niets beters dan ijverig een slot op je mond te houden en zo weinig mogelijk te spreken! Want men mag nooit, en in het bijzijn van hoog­geplaatste personen wel het allerminst, datgene frank en vrij zeggen, wat men in zijn hart denkt en voelt; want gewichtige mensen hebben een heel gevoelige huid, die de harde klap der waarheid niet verdraagt. Daarom is het ook in aanwezigheid van zulke belangrijke personages speciaal gevaarlijk om met de waarheid voor de dag te komen. Want zulke personen hebben iets uitdagends over zich, en daarvoor moet men zich meer in acht nemen dan voor slangen, adders en draken; want er zijn voorbeelden te noemen -beslist er zijn heel merkwaardige voorbeelden! Denk wat je wilt, maar wees in je doen en laten een goede vaderlander, dan kun je met alle mensen goed opschieten! Praat echter zo weinig mogelijk, anders kun je heel gemakkelijk heel onaangenaam kennis maken met de verschrikkelijke beulsknecht!

[2] Ik heb eigenlijk al veel te veel waarheden gezegd! Daarom houdt ik het beslist op de keizer en zeg nog eens: Op aarde is de keizer het hoogste; Caesarem cum love unam esse personam. Wat een keizer wil, dat doet God stil!

[3] Dus weg met de waarheid op aarde, gesteld al dat er ergens waarheid bestaat; die is toch onbruikbaar voor het mensengeslacht! Hoeveel onheil heeft de waarheid al veroorzaakt, en haar verkondigers hebben aan het kruis of onder het zwaard hun laatste adem der waarheid uitgeblazen! De echte leugenaar is er echter nog altijd zonder kleerscheuren afgeko­men, -hetzij dan dat hij een enkele keer, als het een domme leugen was, zijn ogen heeft neer moeten slaan; maar hij heeft er verder niet veel van overgehouden, terwijl echter, een enkele uitzondering daargelaten, toch bijna alle grote waarheidsvrienden door een gewelddadige dood van de aarde zijn verdwenen.

[4] Als dat nu het 'loon' van de waarheid is, welke ezel of os zal dan verder nog een vriend van de waarheid willen zijn? Je kunt de waarheid beter als een gevangene in je eigen borst opgesloten houden en je vrij onder de mensen bewegen, dan de waarheid de vrijheid te geven, en zelf naar lichaam en ziel gevangene worden. Want als het lichaam versmacht in een kerker, kan de ziel op haar beurt niet in een park gaan wandelen.

[5] Ik heb ook nog nooit gehoord dat de waarheid iets goeds veroorzaakt zou hebben. Laten we dit met een paar voorbeelden duidelijk maken:

[6] Een dief is gearresteerd, omdat men hem onder zware verdenking heeft, en hij staat voor de strenge rechter. Als hij goed liegen kan, wordt hij ontslagen wegens gebrek aan bewijs; spreekt de ezel echter de waarheid, dan krijgt hij de volle straf. Beëlzebub hale dan de waarheid!

[7] Volgend voorbeeld: iemand betaalt, zoals maar al te vaak gebeurt, aan een slimme handelaar veel te veel geld voor bepaalde goederen. De bedrogene heeft veel geld en goederen en merkt niets van het bedrog en voelt zich opperbest. Nu komt er echter een waarheidslievend mens, die het bedrog gemerkt heeft, en die maakt het de bedrogene duidelijk, hoe hij door zijn zakenman voor zoveel geld bedrogen werd! Pas op dat moment wordt de bedrogene ongelukkig, hij gaat naar de rechter en geeft veel geld uit om de bedrieger gestraft te krijgen. Heeft deze waarheid hem iets goeds gebracht?! Nee, alleen toorn en wraak heeft het bij hem gewekt en het heeft hem er toe gebracht nog méér geld uit te geven! De bedrieger echter, die goed liegen kon, wist de zaak zo te verdraaien, dat men de waarheid van de verrader niet alleen niet geloofde, maar hem ook nog als een kwaadwillige lasteraar in de gevangenis zette! Vraag: wat voor loon gaf de waarheid hier nu weer aan haar vriend?!

[8] Daarom, weg met de waarheid op aarde! Zij alleen is de schuld van al het menselijke ongeluk, zoals ook Mozes in het eerste boek zegt: 'Zodra je van de boom der kennis, de boom van de veelvoudige waarheid, eten zult, zul je sterven!' En zo is het en blijft het tot op dit uur! Met de leugen komt men op de troon en met de waarheid in de gevangenis! Een mooi presentje voor de vrienden van de waarheid!

[9] Zoek daarom de waarheid waar je maar wilt, maar betrek mij er niet bij! Wat in mijn voorraadkamers ligt opgeslagen en wat in mijn tuin groeit, staat voor jullie klaar; het heiligdom van mijn hart is echter als gift van Jehova, van mij alleen. U en de hele wereld geef Ik wat ik van de wereld heb en dat is het heil der wereld! Het heil van God houd ik echter alleen voor mijzelf!'

[10] De opperpriester zegt: 'Ik geef zonder meer toe, dat u nu heel juist beoordeeld heeft hoe het werkelijk in de wereld toe gaat, als men het van de wereldse kant bekijkt. Maar, omdat u alover Mozes gesproken heeft, zult u ook wel weten, dat Mozes van God voor zijn volk een wet kreeg, waarin de leugen of het valse getuigenis verboden is, en waarbij alle mensen verplicht worden om waarheidslievend te zijn!? Als alle mensen deze wet zouden houden, zeg dan zelf, zou het dan niet heerlijk zijn om op aarde te leven?!

[11] Ik zeg u en dat moet u kunnen begrijpen: Niet de waarheid, maar alleen de leugen is het, die al het onheil op de aarde onder de mensen heeft gebracht, en wel daarom, omdat de mensen over het algemeen heerszuchtig en hoogmoedig tegenover elkaar zijn. Iedereen wil meer zijn dan zijn naaste, en zo pakt de blinde mens alles wat hem in staat stelt om meer te zijn dan zijn naaste, en om de zwakkere te laten geloven, dat hij veel meer en uitnemender is dan wie ook’

[12] Deze eerzucht verleidt dan de mensen op den duur tot allerlei geroddel, zelfs tot moord en doodslag als het met de andere manieren van leugen en bedrog niet gelukt om bij de andere mensen tot groot aanzien te komen.

[13] Omdat volgens dit patroon de mensen bijna allemaal beter en uitnemender willen zijn, dan ze zijn, blijft hen werkelijk niets anders over, dan maar her en der steeds door te blijven liegen, en de waarheid heeft te midden van zulke mensen een bijzonder moeilijke standplaats.

[14] Als de mensen echter zouden ontdekken hoeveel beter de waarheid is dan de leugen, en dat zou heel gemakkelijk gaan als ze God en Zijn heilige wil in hun daden zouden gehoorzamen, dan zouden ze de leugen nog meer schuwen dan de pest, en de echte gerechtigheid van God zou dan een leugenaar met de dood bestraffen. Maar omdat de mensen allemaal hoogmoedig en heerszuchtig zijn, houden ze van de leugen en gebruiken haar woorden.

[15] Maar de mensen leven niet eeuwig op de aarde, zoals een duizendjarige ervaring Iaat zien, maar ze moeten allen na met al te lange tijd dit, lichaam verlaten, dat dan voedsel voor de wormen wordt; maar de ziel komt dan voor het gerecht van God! Dan vraag ik mij wel af, hoe ze met haar hoog geprezen leugen voor God bestaan zal!

[16] Ik vind echter en geloof echt, dat het in deze wereld beter is ter wille van de waarheid aan het kruis te komen, dan op een bepaald moment voor God te schande te staan en van Hem voor altijd te horen: 'Ga weg van Mij!'

[17] Als u mij goed heeft begrepen en geconstateerd dat wij echte vrienden van de waarheid zijn, spreek dan de waarheid en heb niet zo'n dwaze angst dat wij u voor de waarheid zullen straffen, en zeg open en eerlijk, wat u van ons en speciaal van Hem denkt, Die nu met mijn dochters spreekt!'

 

 

57 Hoe de koopman de Messias verwachtte

 

[I] De koopman zegt: 'Vriend, u heeft nu zeer juist en wijs met mij gesproken en mij datgene verteld, wat ik maar al te vaak in mij heb gevoeld; maar ik begrijp niet waarom u er zo op staat, dat ik vertel wat ik van u en speciaal van hem denk. Waar ik hem meteen voor gehouden heb, daarvan zei u, dat hij dat niet was, maar veel meer! Hoe men echter, zonder een God te zijn, meer kan zijn dan een God van de aardse mensen, dat wil zeggen, dan een keizer, dat begrijp ik niet! Alleen Jehova is in aardse en geestelijke termen meer dan de aardse God-keizer! Maar dat zal hij toch niet zijn?'

[2] Jonaël zegt: 'Ik zeg u: Kijk eens een beetje beter naar ons gezelschap; misschien valt u dan toch iets op! Wat denkt u van die vele heerlijke jongemannen, die u in ons gezelschap ziet? Kijk eerst en spreek dan!'

[3] De koopman zegt: 'Ik heb tot nog toe gedacht, dat het edelknapen van de keizer en zonen van patriciërs uit Rome waren, hoewel het vanwege hun zachte en blanke huid misschien eerder meisjes uit Achter Klein­Azië konden zijn. Want echt, ik heb al veel van dat schoons gezien, omdat ik vroeger daarin handel gedreven heb op Egypte en Europa, voornamelijk op Sicilië, ten behoeve van de grote en aan alle weelde van het leven zeer toegewijde Romeinen; maar zulke onuitsprekelijk heerlijke figuren heb ik daar nog nooit bij gehad! Zeg mij, waar ze vandaan komen en wie het zijn! Uw dochters zien er ook schitterend uit, maar met deze ­ men zou haast zeggen -stralende gestalten, zijn ze echt niet te ver­gelijken. Als u ze echter beter kent dan ik, zeg mij dan wie ze zijn en waar ze vandaan komen!'

[4] Jonaël zegt: 'Daartoe heb ik niet het recht, maar dat kan Hij alleen­ die hier temidden van mijn dochters staat. Vraag het Hem! Hij zal het juiste antwoord geven!'

[5] Nu wendt de koopman zich geheel tot Mij en zegt: 'Heer van al deze mensen, die ut naar het mij toeschijnt, volgen als lammeren hun herder, zeg mij toch, met wie ik de hoge eer heb te spreken! Want ze vroegen het mij en ik raadde de hoogste aardse positie die ik ken; maar men zei mij, dat ik het mis had. Daarmee houdt voor mij alles op; wilt u mij daarom de eer aandoen, mij iets naders over uw maatschappelijke staat te vertellen!'

[6] Ik zeg: 'U behoort ook tot diegenen, die pas geloven als ze een teken zien. Zien ze dat echter, dan zeggen ze: 'Kijk dat is een leerling van de Essenen of het is een magiër uit Egypte, of zelfs uit het land waar de Ganges stroomt, of hij is een knecht van Beëlzebub!' Maar wat blijft er dan nog over? Zeg Ik u echter zonder meer Wie Ik ben, dan gelooft u Mij niet!

[7] U hebt uw mening gegeven, en die was fout. Toen Jonaël u zei, dat Ik meer ben dan Uw aardse god, toen zei u: 'Alleen Jehova is meer, dan een keizer!' en u sloot stilzwijgend de mogelijkheid uit, dat Ik meer zou kunnen zijn dan een Romeins keizer, die u in de grond van de zaak alleen maar uit vrees voor zijn aardse macht, als hoogste op aarde erkent. In uw hart veracht u hem echter meer dan de pest, en zijn macht meer dan een sprinkhanenplaag.

[8] Het is nu al de derde dag dat Ik in Sichar verblijf en het is van daar naar de stad een wandelingetje van enige landwegen; het zou Mij erg  verwonderen, als u van uw collega 's uit de stad niets over Mij gehoord had!'

[9] De koopman zegt: 'O, u bent het dus, waarover men mij gisteren en vandaag verteld heeft dat hij de Messias is, en dat door wonderbare daden bewijst! Het oude huis van de mooie Irhaël zou u gerestaureerd en wonderbaarlijk koninklijk hebben ingericht?! En men vertelde mij ook over een harde prediking die u op de berg gehouden zou hebben, waaraan zich echter velen hebben gestoten, omdat deze geheel tegen de wetten van Mozes indruiste! - Wel, wel, dat bent u dus!?

[10] Nu het verheugt mij, dat u mij heeft opgezocht en ik hoop u nog nader te leren kennen! Weet u, ik sta niet afwijzend tegenover deze gedachte en geloof vast dat de Messias zal en moet komen! Volgens mijn bere­keningen zou de tijd daar heel goed mee overeen kunnen stemmen, want de druk van de Romeinen is haast niet meer te verdragen! En waarom zou u niet de verwachte Messias kunnen zijn?! O dat neem ik direkt moeiteloos aan!

[11] Als u zich van uw kracht bewust bent en het goed verstaat om u als Messias overal te presenteren, dan sta ik onmiddellijk met mijn hele grote vermogen tot uw dienst. Die zwijnen uit de heidense avondlanden moeten zo vlug mogelijk het land onzer vaderen verlaten! Want weet u dat ik vanaf mijn jeugd al mijn inspanningen alleen dáárop gericht heb, om zo veel mogelijk rijkdommen te vergaren te behoeve van de verwachte Messias, omdat daarmee een groot leger van de dapperste en vermetelste en sluwste soldaten voor goed geld gekocht zou kunnen worden! Ik heb ook al met verscheidene van de dapperste volken uit Achter­ Azië gecorrespondeerd, en nu zijn er maar een paar boden nodig en dan staat er binnen enkele maanden een verschrikkelijke macht in deze landstreek! Maar nu niets meer daarover, in mijn ruime huis bespreken we het verder!

[12] Nu zal het middagmaal voor u allen echter wel klaar zijn; komt daarom allemaal en eet en drinkt naar hartelust!'

[13] Ik zeg: 'Nu dan, alles is tot zover naar wens; al het andere zullen we dan nog geheel doornemen en afspreken! En breng ons dan nu maar allen in de grote zaal. Maar die mannen daar helemaal achteraan, laat die hier, die horen niet bij Mij, maar alleen maar bij de wereld!'

 

 

58  Het vlees heeft een aards einde

 

[1] De koopman zegt: 'Ik ken ze, het zijn domme inwoners van Sichar, die in hun geloof en denken meer heiden zijn dan kinderen van Israël. Maar de miserabelsten daarvan komen uit de omgeving van de Galileese zee, die zijn zeer materialistisch en hebben van iets hogers en goddelijks totaal geen weet! Pure herrieschoppers! Ze hebben liever een magiër uit Egypte dan Mozes en alle profeten, en liever een welgevormde hoer uit Boven-Azië dan goud en edelstenen! Ik ken hen maar al te goed; maar om hun geroddel te voorkomen, zal ik ze in mijn grote tuinzaal laten verzorgen: Want als ze niets zouden krijgen, waren we nog niet klaar!'

[2] Ik zeg: 'Doe wat je wilt en kunt, want geven is zaliger dan nemen! Maar in het vervolg geef je alleen maar aan behoeftigen en armen, en als iemand geld van je wil lenen, en zo rijk is dat je kunt zien dat hij het je veelvoudig terugbetalen zal, dan leen je het hem niet! Want als je hem geleend hebt, zal hij weldra in het geheim een vijand van je worden, en het zal je veel moeite kosten om je geld tesamen met de rente weer terug te krijgen.

[3] Als er echter iemand tot je komt, aan wien je kunt zien dat hij arm is en niet in staat zal zijn om jou ooit je geld terug te betalen, leen hem dan, en de Vader in de hemel zal het je honderdvoudig op een andere manier hier op aarde al vergoeden, en zal het geld, wat je aan de armen geleend hebt, voor jou in de hemel omvormen tot een grote schat, die na dit aardse leven in het hiernamaals hoog boven het graf op je wacht.

[4] Ik zeg je: Wat de liefde op aarde doet, dat is ook in de hemel gedaan en blijft eeuwig; wat echter gedaan wordt uit pure aardse slimmigheid, dat verzwelgt de aardbodem en voor de eeuwige hemel blijft niets over. Wat kan al het aardse bezit voor de mens van nut zijn, als daarbij zijn ziel schade lijdt?!

[5] Wie voor de aarde en voor het vleselijke zorgt is een dwaas, want net zoals het vlees van de mens zijn einde heeft, zo is het ook met de aarde! Als echter het einde der aarde eenmaal onafwendbaar zal komen, op welke grond zal de arme ziel dan kunnen wonen?!

[6] Ik zeg je echter, dat ieder mens die zijn lichaam verliest, ook tegelijkertijd voor eeuwig de aarde verliest. En als hij niet door de liefde in zijn hart een nieuwe aarde voor zichzelf geschapen heeft, dan zal zijn ziel zich over moeten geven aan de wind en de wolken en de nevels, en wordt heen en weer gedreven in de eeuwige oneindigheid. Zij zal nooit ergens rust en stilte vinden behalve in het valse en waardeloze voortbrengsel van de eigen fantasie, en hoe langer deze rust duurt, des te zwakker, duisterder zij wordt en tenslotte gaat zij over in pikzwarte nacht en duisternis, waaruit de ziel vrijwel nooit zelf een uitweg vindt! Daarom kun je in de toekomst ook maar beter zo doen als Ik het je nu gezegd heb; maar doe voor dit ogenblik, wat je zelf wilt en kunt!'

[7] De koopman zegt: 'U bent bijzonder wijs en kunt best in alles gelijk hebben, maar over dat geldlenen ben ik het niet helemaal eens. Want als men veel geld verkregen heeft en het graag gebruikt, dan kan men het toch beter tegen een matige rente uitlenen, dan dat men het begraaft opdat de dieven het niet kunnen stelen als ze 's nachts kwamen en alle kasten en kisten openbraken. Daarnaast kan men van zijn overvloed toch altijd aan de armen geven wat ze nodig hebben; want als ik in één keer alles weggeef en het vermogen niet goed beheer, dan zal ik weldra niets meer hebben en ik zal niet in staat zijn om de vele armen nog iets te geven. ,

[8] Ik zeg: 'Laat het echte beheer maar aan God de Heer over, en geef aan degenen, die de Heer naar je toestuurt, en dan zal je vermogen niet kleiner worden! Heb je dan niet vele en grote akkers en weiden, en tuinen volooft en druiven, en zijn je uitgebreide stallen niet volossen, koeien, kalveren en schapen? Kijk, als je daarmee handel drijft, dan zal de zegen van God je steeds datgene volledig vergoeden, wat je in de loop van het jaar aan de werkelijk armen hebt gegeven; maar wat je op de rentegevende rekening van de rijken wegzet, zal je van bovenaf nooit worden vergoed, en je zult veel zorgen hebben en je steeds afvragen, of ze je geld wel goed beheren. Doe daarom, zoals Ik je nu gezegd heb, dan zul je een goed en zorgeloos leven hebben, en alle armen zullen je liefhebben en overal waar het maar mogelijk is zegenend van dienst zijn, en de Vader in de hemel zal je doen en laten steeds zegenen; en zie, dat zal beter zijn dan de steeds grotere zorgen die de rentegevende rekeningen je zullen geven!'

 

 

59 Ezau's slot. Liefde in plaats van vrees

 

[1] De koopman zegt terwijl wij het kasteel ingaan: 'Mijn Heer en mijn vriend, volgens mij predikt u een zuiver goddelijk vrome wijsheid, die zachter is dan ik ooi( uit een menselijke mond gehoord heb; maar bij het volgen van die leer van u behoort een sterk vertrouwen in Jehova, en ondanks mijn vaste geloof heb ik dat niet. Ik weet, dat Hij het is, Die alles geschapen heeft, en Die alles nu leidt, regeert en onderhoudt, maar ik kan mij niet levendig genoeg voorstellen dat Hij als allerhoogste geest Zich met privé aangelegenheden kan en wil inlaten! Want Hij is voor mij zo buitengewoon heilig dat ik het nauwelijks waag om Zijn allerheiligste naam uit te spreken, laat staan dat ik van Hem zou verwachten dat Hij mij bij mijn smerige geldzaken Zijn almachtige hand zou geven om mij te helpen!

[2] Ik geef echter wel aan de armen die naar mij toekomen, en heb geen hond om een bedelaar van de deur te houden. Alleen dit bos, waar ik erg van houd, zie ik niet graag gebruikt door vreemden en armen, omdat ze de tuinen en nieuwe beplantingen vaak moedwillig beschadigen, en omdat ze daarin als hongerigen en dorstigen toch niets vinden waarmee ze zich kunnen verzadigen en hun dorst kunnen lessen. Daarentegen heb ik op ongeveer twintig landwegen gaans van hier een groot vijgen­ en pruimenbos aangeplant; daar mogen alle vreemdelingen en armen vrij plukken, alleen mogen ze de bomen niet beschadigen, en daarvoor heb ik er ook een aantalopzichters lopen.

[3] Daaraan kunt u zien, dat ik echt wel aan de armen denk; maar het zij verre van mij, dat ik om die reden de verhevenste geest zou vragen, dat Hij ofwel aards of hemels mijn geld zou beheren! Als Hij iets wil doen en ook al werkelijk iets gedaan heeft, waaraan ik niet twijfel, dan laat ik dat afhangen van Zijn vrije heilige wil! Ik heb echter zo'n onbegrensde eerbied voor Hem, dat ik het nauwelijks waag Hem daarvoor te bedanken, want ik geloof dat door zo'n zuiver materiële dank, waarmee ik Hem eigenlijk zeg dat ik geloof dat Hij mij als handlanger van dienst geweest zou zijn, ik Hem helemaal niet zou eren. Ik leef en werk daarom zo rechtvaardig mogelijk volgens de wet met mijn door God verkregen krachten, en bind de bek van os en ezel niet dicht als ze mijn oogst dorsen; maar de grote Geest eer ik alleen op Zijn dag! Want er staat geschreven: 'De naam van uw God zult u nooit ijdel uitspreken!'

[4] Ik zeg: ' Als Ik niet reeds lang geweten had, dat je een rechtvaardig en uitermate godvrezend man bent, dan zou Ik niet naar je toegekomen zijn. Maar weet wel, dat je Diegene vréést, die je eigenlijk boven alles moest liefhebben; dat is niet helemaal juist van jou, en daarom kwam Ik hierheen om je te tonen, dat je in de toekomst God meer moet liefhebben dan vrezen. Dan zal God wel naar je afdalen en bij alles wat je doet, jouw zekere, krachtige en betrouwbare helper zijn!'

 

 

60  Bij de Heer is de echte wil gelijk aan de daad

 

[1] Na deze opmerking van Mij hebben we nu ook langzaam voortlopende de grote binnenplaats van het kasteel bereikt en daar komt de hele bediendenschaar verbaasd en verlegen de koopman tegemoet, en de opperdienaar, het hoofd van de bedienden, voert het woord en zegt: 'Heer, heer, dat is me een mooie geschiedenis! Onze koks en kokkinnen kunnen niets koken, alles mislukt! Om toch iets te hebben wilden we daarom de tafels in ieder geval voorzien van fruit en wijn en een goede hoeveelheid (brood; maar de kamers zijn zodanig afgesloten, dat we ondanks de grootste inspanning,niet één deur konden openen! Wat zullen we nu doen?'

[2] De koopman, die deels bijzonder verbaasd en deels zeer geërgerd was, zegt: 'Zo gaat dat nu, als ik ook maar één stap buiten de deur zet; niets dan een opeenhoping van wanorde! Wat hebben die koks en kokkinnen nu weer? Er zijn hier toch al vaak tienduizend gasten verzorgd en dan ging alles zoals het behoort; en nu zijn het er nauwelijks duizend, en overal heerst de grootste wanorde! Maar wat zie ik?! Uit alle ramen kijken jongemannen naar buiten; mijn kasteel is dus vol mensen, en jij en je ondergeschikte knechten zeggen, dat alle deuren in mijn kasteel afgesloten zijn?! Hoe zit dat nu? Liegen jullie en wil je je voor je traagheid verontschuldigen, of, als de kamers inderdaad afgesloten zijn, wie heeft ze dan afgesloten?'

[3] Het hoofd weet niet, wat hij zijn meester daarop zal antwoorden en de hele grote schaar dienaren van de kasteelheer is tot zijn zichtbare ergernis zeer verlegen en onder de indruk; niemand weet hoe te handelen of te helpen.

[4] Maar Ik zeg tegen de koopman: 'Beste vriend, laat de zaak maar op z'n beloop zoals het nu reilt en zeilt! Het is namelijk zo, dat toen jouw dienaren en wachters een tijdje geleden door jou naar Mij toegestuurd werden om Mij te vragen, wie Ik ben en wat Ik hier met zo'n groot gezelschap zoek, Ik, als een heer, van jou verlangde dat je ons allemaal een goed middagmaal moest geven! Je was meteen bereid om dat te doen, hoewel je niet wist, wie Degene is Die Zich het recht aanmatigt om van jou voor zoveel gasten een middagmaal te verlangen.

[5] Jouw dienaars en ook jij hielden Mij eerst voor een Romeins vorst, en dat was voor jou een reden te meer, om aan Mijn wens te voldoen; toen je echter tijdens ons veelzijdig leerzame gesprek tot de erkenning kwam, dat Ik de Messias ben, was je hart gelukkig en wenste nog sterker Mij en het hele gezelschap de beste verzorging te geven, zodat het Mij bevallen zou om bij je te blijven tot je jouw noodzakelijk geachte strijdmacht uit Boven­ en Achter-Azië tegen de Romeinen bij elkaar gebracht zou hebben, om onder Mijn leiding alle vijanden uit het land van God te verdrijven, omdat zij pure heidenen zijn en niet geloven in de levende echte God!

[6] Toen je dat in je binnenste besloten had, heb Ik ook iets in het geheim besloten, en wel, dat jij nu in je eigen huis Mijn gast zou zijn en Ik niet de jouwe! Daarom gaf Ik Mijn voortreffelijke dienaren daartoe opdracht, en zie, alles staat geheel klaar, en je zult vandaag aan Mijn zijde met hele echte hemelkost gevoed worden!

[7] Zet jouw tuinvruchten en dat wat je keuken heeft geproduceerd, maar voor aan die lasterende schreeuwers uit Sichar, die daar nog in het bos rondscharrelen en van ergernis niet weten wat te doen, omdat ze niet zijn uitgenodigd! Ik denk dat je daar geen moeite mee zult hebben; want als Ik bij iemand zie dat hij het goede wil, dan vind Ik die wil al meteen net zoveel waard als het werkelijke doen! Bij jou heb Ik een goede wil gezien en daarom bevrijd Ik je van de dure uitvoering daarvan. Want Ik ben rijker dan jij, en Ik wil Mij daarom niet door jou laten verzadigen, maar Ik wil dat jij door Mij wordt verzadigd!'

[8] Nu zet de koopman grote ogen op en zegt na enig diep nadenken: 'Heer, dat is teveel ineens voor een arm zondig mens! Ik ben niet in staat het wonder in al zijn grootte en diepte te begrijpen! Als u alleen maar een mens zou zijn, zoals ik maar een mens ben, dan zou u dat niet kunnen; want in uw gezelschap heb ik geen lastdieren gezien. Op wat voor een bijzonder vreemde manier moet u dan langs natuurlijke weg aan eten gekomen zijn?! Even geleden zag ik ook een paar van die hele mooie bedienden -of zijn er soms ook dienaressen bij? -in uw gezelschap en ik zie ze nog en het zijn dezelfde; maar waar zijn die dan vandaan gekomen? Ik heb veel vertrekken in mijn kasteel en de meeste daarvan zijn groot en ruim; tienduizend mensen kunnen er gemakkelijk een plaats vinden. Nu zie ik echter die mooie dienaren uit alle ramen op ons neer kijken! Daarom vraag ik nog een keer: waar vandaan en op wat voor manier zijn die dan hier gekomen?'

[9] Ik zeg: 'Vriend, als je uit dit huis naar een willekeurig ander land zou gaan om daar te kopen of te verkopen, dan neem jij toch ook de dienaren mee, die je nodig hebt, en laat je daardoor bedienen; nu, zo doe Ik het ook! Ik heb er buitengewoon veel; hoeveel het er zijn zou je bezwaarlijk ooit kunnen begrijpen. Als Ik dus op reis ga, waarom zouden Mijn dienaren en knechten dan bij zo'n gelegenheid thuis blijven?!'

[10] De koopman zegt: 'Heer, zonder twijfel is dat beslist zoals het hoort; ik wilde alleen maar weten, waar u en al die schitterende dienaren van u vandaan zijn gekomen. Dat, ja dat wil ik o zo graag weten.'

[11] Ik zeg: 'Laten we eerst het middagmaal gebruiken en dan hebben we daarna nog wel tijd voor verdere uitleg. Nu hebben we echter al genoeg gepraat en het wordt nu wel eens tijd om uit te rusten, en de inwendige mens te versterken. Laten we daarom naar de grote zaal gaan, die in dit slot aan de oostkant ligt, en van hieruit niet gezien kan worden, omdat we hier net aan de westkant van het kasteel staan waar je de grote zijvleugel van het kasteel niet kunt zien!'

[12] Van pure verwondering verliest de koopman bijna het bewustzijn en na een ogenblik van grootste verbazing zegt hij: 'Heer, nu wordt het geheel me bijna te overdreven wonderlijk! Er is ooit wel eens een oostvleugel aan dit kasteel van Ezau geweest, maar sinds deze oostvleugel heeft bestaan, zijn er toch al wel tweehonderd jaren weggegleden in het onherroepelijke verleden; ik en mijn voorouders weten er nauwelijks meer iets van. Hoe kunt u dan praten over de grote zaal in de oostvleugel van dit kasteel?'

[13] Ik zeg: 'Pas als je in dit kasteel van jou geen oostvleugel zult vinden, mag je wat zeggen; als je er echter een vindt, denk en begrijp dan, dat bij God alle dingen mogelijk zijn! Maar wees dan stil en zeg niets tegen Mijn gezelschap; want voor zulke dingen is Mijn omgeving nog niet rijp!'

[14] De koopman zegt: 'Waarlijk in alle ernst brand ik nu van nieuws­gierigheid om deze oostvleugel van mijn kasteel te zien, waarover mijn voorvaderen slechts bij geruchte wat gehoord hebben! De fundamenten zijn hier en daar nog wel te zien, maar dat is dan ook alles wat ik ooit gemerkt heb van deze vleugel van dit kasteel, die eens zo mooi moet zijn geweest.' -Nu pas gaat de koopman vlug voorop en wij volgen hem.

 

 

61 Een wonder maakt de geest niet vrij

 

[1] Als hij op de eerste verdieping komt, ziet hij direct de voorspelde vleugel, loopt vol verrukking door de open deuren naar binnen, beziet de grote zaal en krijgt een flauwte van verbazing. Meteen lopen enige van de witte jongemannen op hem toe, helpen hem en brengen hem bij. Als hij een beetje bij zijn positieven is, komt hij weer naar Mij toe en vraagt Mij met een stem, die trilt van opperste verwondering: 'O Heer, ik smeek u, overtuig me toch of ik wel waak of dat ik misschien slaap en nu heel vast droom!'

[2] Ik zeg: 'Zoals je het nu vraagt, lijkt het er op dat je meer droomt dan wakker bent; maar toch droom je niet en wat je daar ziet is voelbare werkelijkheid! Je zei Mij zelf buiten in het bos, dat je had gehoord dat Ik het oude huis van Jozef, dat thans door Irhaël wordt bewoond en ook haar eigendom is, in een oogwenk helemaal heb vernieuwd. Nu, als Ik Jozefs huis kon herbouwen, dan ben Ik toch ook wel in staat om de oude vesting van Ezau te vernieuwen?!'

[3] De koopman zegt: 'Ja ja, dat is nu zichtbaar en waar, maar het is toch welongelooflijk dat een mens zoiets kan! Heer, luister naar mij! Als u geen profeet bent zoals Elia, dan moet u een aartsengel in menselijke gedaante of uiteindelijk misschien wel Jehova Zelf zijn! Want zulke dingen zijn bij God alleen maar mogelijk!'

[4] Ik zeg: ' Ja, ja, als je geen teken gezien had, dan zou je Mij ook niet geloofd hebben! Nu geloof je weliswaar, maar met dat geloof is je geest niet vrij! Opdat je in je hart toch wat vrijer worden zult, zeg Ik je: Niet Ik, maar deze vele jongemannen hebben dit gedaan; God de Vader heeft hen de macht daarvoor gegeven. Aan hen kun je vragen, hoe ze dit hebben gedaan!'

[5] De koopman zegt: ' Juist! Ik heb buiten al aan Jonaël gevraagd, wie en waarvandaan deze heerlijke schone jonge wezens zijn, maar ik kreeg geen antwoord en werd heel eenvoudig naar u verwezen. Toen ik daarvoor naar u toekwam, ben ik het vreemd genoeg helemaal vergeten; Ik was alleen maar met u bezig en onze discussie nam een heel andere wending. Nu pas herinner ik het me weer en ik zou nu van u een goed antwoord willen hebben over alles wat betreft deze lieflijke jongemannen!'

[6] Ik zeg: 'Om je niet te lang in het ongewisse te laten zeg Ik je dat het engelen van God zijn, als je dat gelooft. Wil je het echter niet geloven, houd ze dan maar voor wat je wilt, als je maar niet denkt, dat het duivels of dienaars van de duivel zijn!'

[7] De koopman zegt: 'O Heer, o Heer, hoe staat het nu met me?! Daarnet vroeg ik u, of ik wel wakker was, of dat ik sliep en droomde; nu vraag ik u, of ik nog leef. Want zulke dingen kunnen op de echte aarde toch niet gebeuren!”

[8] Ik zeg: 'Oh, - en of je op aarde bent! Ik heb je innerlijk gezichts­ vermogen ontsloten en

nu kun je ook de hemelse geesten zien! Maar, vraag nu niet verder, want het is tijd voor het middagmaal! Alles is klaar en nu gaan we aan tafel!'

[9] De koopman zegt: 'Ja, ja, dat is goed! Maar ik zal van verbazing niet veel kunnen eten, want de wonderen stapelen zich hier op! Nee, dat had ik vanmorgen niet kunnen vermoeden! Dit gebeurde allemaal veel te snel en te onverwacht. Pas drie uur geleden bent u uit Sichar in mijn grote bos gekomen en wat is er niet allemaal in die drie uur gebeurd?! - Het ongelooflijkste!  -En toch is het er! Maar wie, buiten degenen, die het gezien hebben, zal het geloven, ook al zouden duizend getuigenissen het bevestigen?!

Heer, Heer, grote meester, door God Zelf geleerd en geleid, ik geloof het, omdat ik het nu met eigen ogen zie. Maar ook al vertellen jullie het aan duizenden, dan zullen ze het niet alleen niet geloven, maar ze zullen zich ergeren en zeggen, dat de vertellers onbeschaamde leugenaars zijn! Vertel het daarom aan niemand verder, want het is te wonderbaarlijk! Wie heeft ooit zo iets heerlijks als deze zaal gezien?! De wanden lijken gemaakt van zuivere edelstenen, het plafond van goud, de vloer van zilver, de vele tafels van jaspis, hyacinth en smaragd, de voetstukken van goud en zilver, het drinkgerei van het zuiverste diamant en de eetschotels als uit het fijnste en vurigste robijn, de banken om de tafels eveneens van edele metalen en de bekleding van dieprode zijde; en de geur van de spijzen en dranken is hemels! En dat alles in - zeg maar - drie uur! Nee dat is meer dan ongelooflijk!

[10] Heer! U moet God Zelf zijn of U bent stellig minstens Gods Zoon!'

[11] Ik zeg: 'Heel goed, heel goed! Maar nu aan de maaltijd! Na de maaltijd zul je nog genoeg beleven; maar nu zeg Ik vóór de maaltijd niets meer. Kijk eens naar de velen, die honger en dorst hebben omdat het vandaag juist zo warm is! Daarom moeten ze nu eerst worden verkwikt en helemaal gesterkt, want dan komt geestelijk al het andere ook wel weer!'

 

 

62  De Heer opent voor allen de weg naar de hemel

 

[1] Nu zegt de koopman niets meer, dankt met Mij de Vader en zet zich dan aan een grote tafel, die in het midden van de zaal staat. Ik en al Mijn leerlingen, Jonaël met zijn vrouwen kinderen, Irhaël met haar gemaal Joram en in hun midden Maria, de moeder van Mijn lichaam, gaan dan ook aan dezelfde tafel zitten.

[2] De koopman doet dat erg veel genoegen en hij zegt: 'Heer, omdat U mij de eer aangedaan heeft om aan deze tafel te komen zitten, waaraan: ik ben gaan zitten, zal ik van nu aan een tiende deel van alles wat mijn goederen opbrengen aan de armen geven, en alle belasting, die ze aan de Romeinen moeten afdragen, zal ik voor tien jaar vooruit betalen! Daarna hoop ik dat God, Uwen onze Vader, ons door U, o Heer, van deze plaag verlossen zal, waaraan ik met al de mij ten dienste staande middelen zal meehelpen, zoals ik U dat buiten reeds waarachtig en getrouw heb aangeboden.

[3] O Heer, bevrijd ons slechts van deze plaag, en geef dat de Joden van Jeruzalem weer met ons samen willen gaan, want ze hebben zich mijlenver van de oude waarheid verwijderd! Bij hen heerst alleen maar zelfzucht, machtshonger en praal; aan God denken ze nooit en van naastenliefde is geen spoor meer te vinden! Garizim verachten ze, maar de tempel van Jehova in Jeruzalem hebben ze veranderd in een wissel­kantoor en handelszaak! En zegt men hen, dat ze misdadigers zijn in het heiligdom van God, dan vervloeken ze degene, die ze de waarheid durft te zeggen! Heer, dat moet anders worden, zo kan het niet meer blijven! En als het zo blijft, dan kunnen we weldra een nieuwe zondvloed verwachten! Overal in de wereld niets dan heidenen, en in Jeruzalem en in Judéa leven Joden, priesters, levieten, schriftgeleerden, Farizeeën en wisselaars en handelaars, die allemaal bij elkaar tienmaal erger zijn dan alle heidenen! Kortom, de wereld is nu vele malen erger dan ten tijde van Noach! Als dit kwaad niet wordt verholpen en de Messias geen vlammend zwaard in de hand neemt, komen we zeer waarschijnlijk weer tot het bouwen van een nieuwe ark! Heer, doe dus, waar U mogelijkerwijs toe in staat bent! Ik ben altijd tot Uw hulp bereid!'

[4] Ik zeg daarop: 'Beste Jaïruth! Kijk naar Mijn jongemannen! Ik zeg je: Ik heb er zoveel, dat je ze op duizendmaal duizend aardbollen niet zou kunnen bergen, en één van hen zou voldoende zijn, om het hele Romeinse rijk in drie tellen te vernietigen. Maar hoewel jullie meer geloof hebt dan de Joden, hebben jullie toch net als de Joden een totaal foute voorstelling van de Messias en Zijn rijk.

[5] De Messias zal wel een nieuw rijk op deze aarde stichten, maar ­ let op! -geen stoffelijk met kroon en scepter, maar een rijk van de geest, de waarheid, de echte vrijheid door de waarheid, onder de alleen­heerschappij van de liefde!          ,

[6] Er zal op de wereld een beroep gedaan worden om aan dit rijk deel; te nemen. Als zij hiernaar luistert, dan zal het eeuwige leven haar loon zijn; als zij niet luistert, zal zij weliswaar blijven zoals zij is, maar tenslotte zal de eeuwige dood haar deel zijn!

[7] De Messias is nu als mensenzoon niet gekomen om deze wereld te oordelen, maar alleen om allen, die nu in de duisternis des doods wandelen, uit te nodigen voor het rijk van de liefde, het licht en de waarheid!

[8] Hij kwam niet op deze wereld, om voor jullie datgene terug te winnen wat jullie vaders en koningen aan de heidenen hebben verloren, maar alleen, om jullie datgene terug te brengen, wat Adam verloren heeft voor alle mensen, die ooit op deze aarde geleefd hebben en ooit zullen leven!

[9] Tot op heden is nog geen enkele ziel, die het lichaam verliet, losgekomen van de aarde; tallozen, te beginnen bij Adam en verder allen na hem tot op dit uur, smachten nog in de aardse nacht. Maar pas vanaf nu worden ze vrij! En wanneer Ik naar de hemel op zal varen, zal Ik voor allen de weg van de aarde naar de hemel openen en ze zullen allen over deze weg het eeuwige leven binnengaan.

[10] Kijk, dat is het werk dat de Messias moet volbrengen en niets anders! En je hoeft jouw strijders uit Achter-Azië niet te roepen, want Ik zal ze nooit nodig hebben. Maar veel geestelijke arbeiders zal Ik nodig hebben voor Mijn rijk, en Ik zal ze Zelf daarvoor klaarmaken. Hier aan deze tafel zitten er al een paar, maar er worden er nog meer in alle liefde en waarheid klaargemaakt.

[11] Zie je, het is Mijn taak om dat ten uitvoer te brengen! Vorm je hier nu eens een mening over, en zeg Mij dan eens, hoe je zo'n Messias vindt!'

[12] De koopman Jaïruth zegt: 'Heer, daar moet ik nog eens goed over nadenken! Want van zo'n Messias heeft nog nooit een mens gehoord! Het lijkt mij echter, dat de wereld op die manier niet veel aan de Messias hebben zal! Want zolang de wereld wordt gelaten zoals ze is, zal ze steeds de onaangenaamste vijand zijn van alles wat met de geest te maken heeft! Ik wil er echter nu nog verder over nadenken.'

 

 

63 De uitwerking van hemelse en aardse wijn

 

[I] Iedereen eet en drinkt nu, en zelfs Jaïruth begint diep in gedachten te eten en daarbij ook flink wat te drinken. Wanneer hij door de hemelse liefdewijn helemaal vervuld wordt van de liefde, zegt hij tegen Mij: 'Heer, Ik kreeg net een heerlijke gedachte! Ik zou graag, als dat mogelijk is, wijnstokken willen hebben van zo'n soort, dat ik uit de druiven daarvan een wijn als deze zou kunnen persen! Want als ik zo'n wijn in mijn kelders heb, dan vul ik de hele wereld met niets anders dan de opperste liefde! Ik heb het nu aan den lijve ondervonden. Ik ben weliswaar ook maar een mens die een zekere voorliefde heeft voor alles wat goed, juist en mooi is, maar ik kan niet zeggen, dat ik ooit ook maar iets van een speciale liefde voor de mensen in mij gevoeld heb.

[2] Tot nu toe deed ik alles wat ik deed volgens een zekere norm, die Ik mij aan de hand van mijn wetskennis zelf voorschreef. Het kon me weinig schelen of een wet goed of slecht was, daarover heb ik eigenlijk nooit gepiekerd. Mijn lijfspreuk was: wet is wet, hetzij van God of Caesar! Als de wet straf kan opleveren, dan eist het eigenbelang, dat je het zó aanpakt, dat je je niet aan straf bloot stelt! Heeft een wet echter geen sanctie, dan is het ook geen wet, maar alleen een goede raad die je op kunt volgen; zonder straf is er geen plicht.

[3] Als je een goede raad niet opvolgt, kun je weliswaar ook schade oplopen, die er bijna net zo treurig uit kan zien als bij een wettelijke straf, maar het niet opvolgen van een goede raad is toch geen zonde in die zin, dat er, behalve degene die de goede raad niet opvolgde, nog meer mensen bij betrokken konden worden. Als een raad echter slecht is, bega ik duidelijk een grote zonde als ik hem opvolg.

[4] Met de wet ligt dat anders. Of die nu goed of absoluut slecht is, ik moet gehoorzamen omdat het een wet is. Gehoorzaam ik niet, bijvoorbeeld omdat ik het slecht vind, dan zondig ik tegen God of tegen het staatshoofd, en allebei zullen ze mij straffen! Daaruit blijkt duidelijk, dat ik het mogelijke goede uit de wet nooit uit liefde doe, maar alleen vanwege de mij steeds met innerlijke afkeer vervullende dwang van de wet. Maar nu ik deze heerlijke hemelse wijn gedronken heb, zie ik overal liefde en zou ik de hele aarde willen omarmen en zoenen!

[5] Bovendien zie ik ook dezelfde uitwerking bij allen, die deze echte hemelse wijn gedronken hebben. Daarom zou ik zelf een grote wijngaard vol met zulke wijnstokken willen verbouwen en dan alle mensen van de wijn daarvan laten drinken, en dan zouden ze net als ik beslist heel snel van liefde vervuld worden! Als ik dus zulke wijnstokken zou kunnen krijgen, dan zou ik de gelukkigste mens op Gods lieve en mooie aarde zijn!'

[6] Ik zeg: 'Druiven, die je net zo'n sap zullen geven, kan Ik je wel bezorgen, maar daarmee krijg je bij de mensen toch niet de gewenste uitwerking. Want deze wijn versterkt de liefde wel, als deze zich reeds in de mens bevindt; heeft een mens echter geen liefde maar alleen het boze in zijn hart, dan wordt dat boze net zo in hem versterkt als de liefde nu in jou versterkt werd, en hij verandert in een volkomen duivel en zal met evenveel enthousiasme het boze gaan stimuleren als jij nu het goede wilt gaan bevorderen.

[7] Daarom moet men bij dit sap heel goed opletten wie men ervan Iaat genieten! Maar Ik wil je toch wel een wijnberg met zulke wijnstokken schenken, als je er maar op Iet wien je dit sap te drinken geeft! De versterkte liefde kan wel veel goeds verrichten; maar het is beter wanneer de liefde door Gods woord versterkt wordt omdat ze dan blijft, terwijl ze bij het genieten van deze drank maar tijdelijk is, en dan weer vervluchtigt zoals dit sap zelf. Let daar ook goed op, anders veroorzaakje iets slechts inplaats van iets goeds!'

[8] Daarop zegt de koopman Jaïruth: 'Heer, als dat zo is, dan zou het niet goed zijn zo'n wijn te verbouwen! Want je kunt toch niet weten, of een mens, die je dit sap te drinken geeft, liefde of boosheid in zijn hart heeft. En als je dan de goede intentie hebt om zijn liefde te versterken,

maar in plaats daarvan zijn boosheid versterkt, dan zou je daardoor behoorlijk in verlegenheid gebracht worden en bovendien gevaar lopen!

Nee, nee, dan zou ik het verbouwen van die wijn toch maar nalaten!'

[9] Ik zeg: 'Het maakt me niets uit; je krijgt wat je hebben wilt! Maar Ik zeg je: In meer of mindere mate heeft iedere wijnsoort, die op aarde verbouwd wordt, deze zelfde eigenschap. Laat maar eens verschillende mensen van je eigen verbouwde wijnen ongeveer net zoveel drinken, als jij nu van Mijn zuivere hemelse wijn gedronken hebt, en dan zul je zien, dat een deel vervuld wordt met liefde, en een ander deel zo agressief wordt, dat je ze met touwen moet laten binden! Als de aardse wijn al zo'n uitwerking heeft, dan heeft de hemelse wijn dat in nog veel sterkere mate!'

 

 

64 De wil van de Heer is de kracht van de engelen

 

[I] Jaïruth zegt: 'Heer, als dat wat ik al enige malen door ernstig zelfonderzoek geconstateerd heb, waar is, dan lijkt het mij het beste om tenslotte alle wijnbouw op te geven en het genot daarvan in mijn huis helemaal af te schaffen. Volgens Uw mening, die ik heel juist en goed vind, kan de ware liefde ook door het ware woord, en dan met blijvend resultaat, opgewekt worden, en het boze moet daarbij zo ver mogelijk op de achtergrond blijven. Als dat zo is, stop ik meteen met.alle wijnbouw en leg mijzelf de verplichting op, om na deze hemelse Wijn nooit meer een aardse wijn te drinken! Wat zegt U van dit plan?'

[2] Ik zeg: 'Ik kan het noch loven noch afkeuren. Doe jij maar wat je het beste vindt! Als het voor je ziel goed is, dan moet je jouw betere opvatting daarover volgen! Overigens kun je, als je dat wilt, al het goede van Mij krijgen, omdat je een man bent die in het goede zeer streng en rechtvaardig is en omdat Ik het je beloofd heb.'

[3] Jaïruth zegt: 'Heer, blijft U toch samen met Uw vrienden bij mij, of geef mij in ieder geval één of twee van die jongemannen van U, zodat ze mij in de ware liefde en wijsheid kunnen onderwijzen!'          .

[4] Ik zeg: 'Ik kan voorlopig met Mijn vrienden aan je goede wens met voldoen, want Ik heb in deze wereld nog veel te doen; maar twee van die jongemannen, die je zelf kunt uitkiezen, wil Ik wel bij je laten! Pas echter op dat jij en ook niemand van je familie toegeeft aan de een of andere zonde, want dan zouden ze verschrikkelijke tuchtmeesters voor je worden en weldra je huis verlaten! Want weet, dat deze jongemannen engelen van God zijn en altijd Diens aangezicht kunnen zien!'   .

[5] Jaïruth zegt: 'O Heer, dat is alweer een tegenvaller! Want wie kan er Voor instaan dat hij niet één keertje per jaar in gedachten, woorden en daden zondigt?! Met een paar van die tuchtmeesters erbij, die alles weten, zou dat niet zo'n leuke geschiedenis worden! Daarom zou ik ook dit verzoek weer willen intrekken, en alles moet blijven zoals het is en was.'

[6] Ik zeg: 'Het komt in orde, je krijgt het zoals je het hebben wilt! Je bent vrij, en je wordt nergens toe gedwongen; wees daarvan verzekerd!'

[7] Jaïruth zegt: 'Nee, die jongemannen, ik bedoel deze echte engelen van God, zien er toch zo vriendelijk en aardig uit! Mij dunkt dat het onmogelijk is om in hun tegenwoordigheid een zonde te begaan. Daarom Iaat gebeuren wat gebeure, ik houd er in ieder geval twee!'

[8] Ik zeg: 'Nu dan - goed,­ er blijven er twee bij je en ze zullen zichtbaar in jouw huis aanwezig zijn zolang ze het naar hun zin hebben! Mijn vriend Jonaël zal je naderhand zo precies mogelijk Mijn leer uitleggen. Zolang jij en je gehele huis zich daaraan zullen houden, zullen ze bij je blijven en je in alles dienen, en je huis voor ieder ongemak beschermen; als je daar echter van afwijkt, dan zullen ze jou en jouw huis verlaten.'

[9] Jaïruth zegt: 'Goed dan, daarbij blijft het! Wijn zal er in mijn huis door niemand meer gedronken worden, en met de bestaande voorraad wil ik de Romeinen de reeds vermelde tienjarige belasting voor de armen van deze omgeving betalen. Maar de druiven, die in mijn wijngaard groeien, zal ik drogen en dan eten als een heerlijke zoete vrucht, en wat te veel is verkopen! Is dat zo goed?'

[10] Ik zeg: 'Volkomen! Alles wat je zult doen uit liefde voor Mij en je naasten, die je broeders zijn, dat zal goed en juist zijn gedaan!'

[11] Hierna kies Ik meteen twee jongemannen uit, stel ze aan Jaïruth voor en zeg: 'Vind je deze beiden geschikt?' Jaïruth, die alleen al vanwege hun aanblik in de zevende hemel is, zegt: 'Heer, als U vindt dat ik de genade waard ben, dan ben ik daar tot in het diepst van mijn hart mee tevreden; ik ben mij echter erg bewust van mijn onwaardigheid voor het bezit van zo'n hemelse genade. Maar ik zal van nu aan mijn uiterste best doen, om die genade meer en meer waard te worden; en op die manier onderga ik dan Uw voor mij steeds heiliger wordende wil!'

[12] De twee jongemannen zeggen echter: 'De wil van de Heer is ons bestaan en leven. Als die daadwerkelijk in alles wordt gevolgd, zijn wij de actiefste helpers en hebben daarvoor kracht en sterkte in overvloed, want onze macht reikt tot buiten de zichtbare schepping; voor ons is de aarde een zandkorrel en de zon een erwt in de hand van een reus, en alle wateren der aarde zijn niet in staat één haar van ons hoofd te bevochtigen, en het leger der sterren beeft voor de adem van onze mond. Maar wij hebben de kracht niet gekregen om ons daarop te beroemen tegenover de grote zwakheid van de mensen, maar om hen geheel volgens de wil des Heren te dienen. Daarom kunnen en willen wij jou ook geheel volgens de wil des Heren dienen zolang je deze in al je daden zult erkennen, aannemen en respecteren. Verlaat je echter de wil des Heren, dan verlaat je ook ons, omdat wij niets meer of minder zijn dan de gepersonifieerde wil van de Heer. Wie ons verlaat, die verlaten wij ook. Dit zeggen wij je in het bijzijn van de Heer, Wiens aangezicht wij altijd zien en aan Wiens zachte wenken, die ons onweerstaanbaar tot een nieuwe daad roepen, wij altijd gehoor geven.'

[13] Daarop zegt Jaïruth: 'Vriendelijke jongemannen! Ik begrijp en zie heel goed en duidelijk, dat jullie een kracht bezitten die voorons sterfelijken onmeetbaar is; maar ook ik kan veel, dat zelfs jullie misschien niet kunnen; ik kan mij namelijk voor laten staan op mijn zwakheid, waarin noch macht noch welke kracht dan ook aanwezig is. Maar in deze grote zwakheid van mij ten opzichte van jullie, bevindt zich toch ook een kracht, die mij in staat stelt om de wil van de Heer te herkennen, aan te nemen en te vervullen !

[14] Zeker niet in die mate zoals jullie, maar de Heer zal mij toch echt niet meer te dragen geven dan wat ik dragen kan! En zo is mijn zwakheid zeer eervol; want het is beslist de moeite waard om te beseffen, dat de zwakheid van de mens toch ook dezelfde wil des Heren doet, als jullie onmeetbare kracht en macht.

[15] En als ik tot dusver de Heer goed begrepen heb, dan zou het nog wel eens zo kunnen zijn, dat de Heer liever de in zwakheid volbrachte daad der kinderen heeft; en dat de kracht en de daden van de grote en machtige geesten des hemels uiteindelijk geleid moeten worden door de zwakte der kleine kinderen om bij de tafel der kinderen te komen! Want als de Heer Zelf tot de zwakken komt, dan veronderstel ik, dat Hij de zwakken sterk zal maken!'

[16] De jongemannen zeggen: 'Ja ja, zo is het zeker en waar! Erken dus de wil van de Heer en volg deze, dan heb je onze kracht en macht al in je, en dat is niets anders dan de zuivere wil van God de Heer! Wij hebben zelf noch kracht, noch wat voor macht dan ook, maar al onze kracht en macht is alleen maar de in ons en door ons vervulde wil van God!'

[17] Ik zeg: 'Van beide kanten is het nu wel genoeg! Wij hebben ons gesterkt en, beste mensen, nu staan wij op van tafel en vervolgen onze weg!' Dit is voor iedereen het teken om op te staan, te danken en met Mij naar buiten te gaan.

 

 

65 Aangeklaagd en onschuldig verklaard

 

[I] Jaïruth wenst wel dat Ik de hele dag bij hem zou doorbrengen, maar Ik wijs hem er op dat er nog diverse zieken in deze omgeving zijn, die Ik onderweg bezoeken wil. In plaats daarvan vraagt Jaïruth mij dan, of hij mij tenminste tot aan de stad mag begeleiden, en Ik sta hem dat toe. Hij gaat direkt op weg, maar vraagt ook meteen aan de beide jongemannen of ze hem zouden willen begeleiden!

[2] De jongemannen zeggen echter: 'Het is beter voor jou als we hier blijven; want de gasten in de tuinzaal hebben je bij de Romeinen als oproerkraaier aangegeven, en het zou slecht met je huis gaan als wij er niet waren! Begrijp je dat?'

[3] Jaïruth raakt door die mededeling bijna buiten zinnen en hij vraagt opgewonden: 'Welke menselijke satan heeft dat aan de Romeinen verraden, en wat mag de reden daarvoor zijn?'

[4] De jongeman zegt: ' Ja, in Sichar leven kooplieden, die niet zo gelukkig zijn als jij, ze kunnen voor zichzelf geen kasteel laten herbouwen, en nog minder een heel groot stuk grond kopen, zoals jij dat flinke stuk land aan de Rode zee in Arabië gekocht hebt. Zulke kooplieden worden daarom afgunstig op jou vanwege je aardse geluk, en ze hebben de hartstochtelijke wens om je in het verderf te storten. Dat zou hen dit keer ook gelukken, als wij niet bij je waren; maar omdat we je in de naam des Heren beschermen, zal je deze keer geen haar worden gekrenkt. Zorg echter, dat je minstens drie dagen van huis wegblijft!'

[5] Dit stelt Jaïruth gerust, en hij haast zich met Mij om het kasteel te verlaten.

[6] Net als we over de binnenhof van het kasteel gaan, komt ons een plechtige groep Romeinse huurlingen en gerechtsdienaars tegemoet, deze stopt voor ons, en bedreigt ons niet verder te gaan! Ik kom Zelf naar voren en laat ze de doorlaatpas van Nicodémus zien. De aanvoerder zegt echter: 'Dat helpt niet als er een gegronde verdenking is van muiterij tegen Rome!'

[7] Ik zeg: 'Wat wilt u dan van ons? Een brutale onbeschaamde leugen van een groep afgunstige mensen is de reden van uw komst, Ik zeg u echter, dat daar geen waar woord bij is! Als u de leugen zo gewillig het oor leent, leen het dan nog gewilliger aan de zuivere waarheid, waarvoor u hier meer getuigen vindt, dan in de stad voor die onbeschaamde leugen van een paar gevaarlijke afgunstige mensen!'

[8] De aanvoerder zegt: 'Dat zijn loze uitvluchten en die hebben voor mij geen waarde. De waarheid komt er pas in de confrontatie voor het gerecht uit; gaat u nu maar dadelijk heel gewillig met ons mee naar het gerecht, anders gebruiken wij geweld!'

[9] Ik zeg: 'Daar is het kasteel, alleen de kasteelheer is bij u als muiter aangegeven, ga daar heen en onderzoek of u iets van een muiterij kunt ontdekken! -Als u ons echter met geweld wilt dwingen om u te volgen naar uw onrechtvaardige rechtbank, dan zullen wij u ook met een rechtvaardig geweld laten kennis maken, en dan zullen we wel zien, wie aan het kortste eind trekt! Doe maar zoals u wilt! Mijn tijd is nog niet gekomen, Ik heb u gezegd dat men hier geen schuld heeft! Wie echter het recht aan zijn zijde heeft, die moet het recht ook met woord en daad beschermen!'

[10] De aanvoerder overziet Mijn talrijke gezelschap, en geeft bevel om ons allemaal direkt te vangen en te boeien. Eerst vallen zijn huurlingen en gerechtsdienaars de jongemannen aan en proberen ze te vangen; de jongemannen ontsnappen hen echter steeds zo vaardig, dat ze er ook niet één kunnen vangen. Terwijl de huurlingen en gerechtsdienaars zich zo afmatten met het vangen van de jongemannen, en daarbij steeds verder overal heen zwermen, omdat de jongemannen zo gezien naar alle kanten wegvluchten, zeg Ik tegen de aanvoerder: 'Mij dunkt, dat het moeilijk voor u wordt om ons te vangen.' De aanvoerder wil met zijn zwaard naar Mij slaan; maar op dat ogenblik ontrukt een jongeman hem het zwaard en slingert het buiten gezichtsbereik ver in de hoogte en vernietigt het op die manier .

[11] Ik zeg tegen de aanvoerder: 'Wel, waarmee zult u nu naar Mij slaan of steken?' De aanvoerder zegt, helemaal razend van drift: 'Dus zo wordt hier de macht van Rome gerespecteerd?! Goed ik zal dat aan Rome weten over te brengen, en bekijk dan over een poosje deze omgeving nog maar een keer en zeg dan, of die er dan nog net eender uitziet! Geen steen zal op de andere worden gelaten!

[12] Ik wijs hem er echter op, hoe zojuist de jongemannen alle huurlingen en gerechtsdienaars met touwen gebonden voor zich uitdrijven! Als de aanvoerder dat ziet, begint hij Zeus en Mars en zelfs de Furiën aan te roepen, opdat ze hem zouden beschermen voor deze smaad!

[13] Ik zeg echter tegen de jongemannen, dat ze de huurlingen en gerechtsdienaars weer vrij moeten laten, en zij doen dat meteen. Vervolgens zeg Ik tegen de aanvoerder: 'Nu, heeft u nog zin, om verder geweld tegen ons te gebruiken?' Daarop zegt de aanvoerder, dat volgens hem, deze jongemannen goden moeten zijn, anders zou het hen niet mogelijk zijn geweest zijn uitgelezen krijgers zo alleen maar met blote handen te overwinnen.

[14] Ik zeg: 'Ja, ja, ze zullen voor u en uws gelijken wel goden zijn, laat ons daarom nu verder gaan en zet uw onderzoek in het kasteel voort, anders staat u nog iets ergers te wachten!'

[15] De aanvoerder zegt: 'Ik constateer hierbij, dat u onschuldig bent en sta u toe uw weg te vervolgen. Troepen van Mij, ga het kasteel in, onderzoek alles, en laat niemand eerder het kasteel verlaten tot je alles onderzocht hebt; ik zal hier op jullie wachten!' Een onderaanvoerder zegt: 'Waarom wilt u niet zelf het onderzoek in het kasteel leiden?' De aanvoerder zegt: 'Je ziet toch dat ik mijn zwaard kwijt ben; zonder zwaard is zo'n onderzoek ongeldig!' De onderaanvoerder zegt: 'Dat geldt ook voor ons, hoe zal het er dan met de geldigheid uitzien na ons zwaardloze onderzoek?!' De opperaanvoerder zegt: 'Zo, - jullie ook al zonder wapens?! Dat is erg! - Zonder wapens kunnen we niets doen. - Hm, wat doen we nu?'

[16] Ik zeg: 'Daar aan de zuidkant onder de hoge ceder liggen jullie wapens; ga en haal ze, want we zijn net zo min bang voor jullie met wapens, als zonder wapens!' Na deze woorden gaan ze naar de plaats waar hun wapens liggen.

 

 

66 Dorpje bij Sichar. Genezing van de verlamde

 

[1] Wij trekken verder naar het oosten en komen weldra bij een klein dorpje ongeveer twintig landwegen gaans van het kasteel verwijderd. Alle Inwoners komen ons vrolijk tegemoet en vragen vriendelijk, waarmee ze ons. van dienst zouden kunnen zijn. Ik zeg echter tegen hen: 'Is er bij Jullie niemand ziek?' Ze antwoorden bevestigend en zeggen: ' Ja, één is er, die zwaar aan jicht lijdt!'

[2] Ik zeg: 'Breng hem dan hier, opdat hij weer gezond worde!' Eén van hen zegt: 'Heer, dat zal moeilijk gaan! Deze jichtlijder is dermate kromgegroeid, dat hij al bijna drie volle jaren het bed niet meer verlaten kan, en het bed waarop hij ligt, is niet te verplaatsen, want het is aan de grond vastgemaakt. Kunt u niet beter naar de zieke toegaan?' Ik zeg: Als het bed moeilijk te vervoeren is, rol de zieke dan in een mat en breng hem hierheen!' Na dit advies gaan er een aantal vlug naar het huis waar de jichtlijder ligt, rollen hem in een mat en brengen hem naar Mij op straat en zeggen: 'Heer, hier is de arme zieke!'

[3] Dan vraag Ik de zieke of hij gelooft, dat Ik hem zou kunnen genezen. De zieke kijkt Mij onderzoekend aan en zegt: 'Beste vriend, u ziet er wel naar uit; u schijnt wel een echte Heiland te zijn! Ja, ja, ik geloof het!'

[4] Daarop zeg Ik: 'Nu dan, - sta daarom op en wandel! Je geloof kwam je te hulp; maar doe die bepaalde zonde in het vervolg niet weer, opdat de jicht niet terugkomt, en deze tweede maal erger dan nu!'

[5] En dadelijk staat de zieke op, neemt de mat op en loopt. Als hij daardoor pas aan den lijve voelt dat hij helemaal beter is, valt hij voor Mij neer, dankt en zegt dan: 'Heer, in U is méér dan menselijke kracht, geloofd zij de kracht van God in U! O zalig het lichaam, dat U gedragen, en nog zaliger de borst, die U gezoogd heeft!'

[6] Maar Ik zeg tegen hem: 'En zalig allen, die Mijn woorden horen, ze in hun harten bewaren en er naar leven!' De zieke zegt: 'Heer, waar kan men U horen spreken?'

[7] Ik zeg: 'Je kent toch de opperpriester Jonaël van Sichar, die op Garizim offerde! Wel, die spreekt Mijn taal, ga heen en leer het van hem!' De genezene zegt: 'Heer, wanneer kan ik hem thuis aantreffen?' Ik zeg: 'Hij staat hier naast Mij, vraag het hem zelf, hij zal het je zeggen!'

[8] Nu wendt de genezene zich tot Jonaël en zegt: 'Waarde opperpriester van Jehova op Garizim, wanneer zou ik bij u kunnen komen?'

[9] Jonaël zegt: 'Tot op heden bestond je bezigheid uit liggen en het geduldig dragen van je ziekte, je hebt daarom thuis niet veel te verzuimen. Ga deze dag met ons mee en luister, er zal nog genoeg gebeuren, en morgen zal je al het andere te weten komen!'

[10] De genezene zegt: ' Als ik waardig geacht wordt om in zo'n gezelschap mee te lopen, dan volg ik jullie met blijdschap! Want beste vriend, als je drie volle jaren vaak ondraaglijke pijnen op het harde bed hebt moeten doorstaan, en nu door een waar godswonder opeens van de boze kwaal genezen wordt, dan voel je pas echt de waarde van de gezondheid! En wat een plezier geeft het om recht van lijf en leden te kunnen lopen! Daarom zou ik nu graag net als David, dansend en springend voor jullie uit gaan, en luid juichend de grote goedheid des Heren loven!'

[11] Jonaël zegt: 'Ga en doe dat, opdat hetgeen van de Heer geschreven staat voor onze ogen in vervulling zal gaan: 'En de lamme zal springen als een hert!'

 [12] Nu werpt de genezene de mat weg, gaat vlug voor het gezelschap lopen, begint te springen en te juichen en laat zich door niemand in zijn vreugde storen. Want na twee a drie landwegen gaans komen de Romeinse huurlingen en gerechtsdienaren met hun leiders hem tegemoet, die bij het slot van Jaïruth door de twee jongemannen op een zijweg uit elkaar geslagen zijn. Zij storen hem in zijn vreugde en vragen hem wat hij daar doet. Hij laat zich daardoor niet van de wijs brengen en zegt, terwijl hij blijft huppelen en springen, alsof hij de vraag van de opperaanvoerder niet gehoord heeft: ' Als de mensen vrolijk worden, wordt het vee treurig, want de vreugde van de mensen brengt dood aan het vee! Daarom slechts Jurahel! Jurahel! - De mensen vol vreugde, het vee treurig op de heil ­ Jurahel, Jurahel!' En zo gaat de genezene maar door. Dat ergert de opperaanvoerder en hij verbiedt hem zo'n lawaai te maken.

[13] De genezene zegt echter: 'Denkt u mijn vreugde te kunnen verbieden!? Ik lag drie volle jaren als jichtlijder op bed! Als u naar mij toe was gekomen en tegen mij gezegd had: 'Sta op en wandel!', en ik zou op dat gezegde zo gezond zijn geworden als ik nu ben, dan zou ik u en ieder woord uit uw mond goddelijk hoog geëerd hebben, maar omdat u er zo een niet bent en uw macht tegenover die van mijn nieuwe meester helemaal niets is, daarom gehoorzaam ik de machtige heer, - en dus nu weer Jurahel, Jurahel, Jurahel!'

[14] De opperaanvoerder gebiedt hem nu heel ernstig om op te houden met dat lawaai en bedreigt hem met straf; maar op dat moment komen twee van de jongemannen naar de vrolijke man toe en zeggen tegen hem: 'Laat je niet storen in je vreugde!'

[15] Als de aanvoerder de hem welbekende jongemannen ziet, schreeuwt hij meteen tegen zijn geheel onbewapende troep: 'Vlucht! Pas op, alweer twee dienaren van Pluto!'

[16] Op dit commando van de opperaanvoerder gaat het hele Romeinse vanglegioen er zo snel vandoor, als men nog nooit eerder gezien had. De genezene springt en juicht nu echter nog meer en schreeuwt de vluchtenden na: ' Jurahel, Jurahel! Als de mensen vrolijk zijn, is het vee treurig!' -Dan wordt hij rustiger, komt bij Jonaël terug en zegt tegen hem: 'Vriend, als je het niet vervelend vindt om tijdens het lopen te praten, dan kon je mij al wat vertellen over de nieuwe leer van deze Heer, die mij de gezondheid heeft gegeven!? Want als ik zo'n leer tot mijn wet wil maken, dan moet ik hem eerst kennen!'

[17] Jonaël zegt: 'Wacht, we komen weer bij een dorp, dat nu volgens de Romeinse grondwet zelfstandig is, daar zal de Heer zeker weer iets ?oen! Laten we afspreken, dat je ons volgt tot in de stad, dan vind je in mijn huis of in dat van Irhaël zolang je wilt onderdak. Daar zul je alles te weten komen! Het is nu ook niet zo ver meer naar de stad. Deze plaats, waar we nu komen, behoort volgens de nieuwe verordening van de Romeinen eigenlijk al tot de stad, maar omdat het een voortreffelijke vesting voor de Romeinen is, hebben ze het van Sichar gescheiden, er een wal omheen gelegd en het een eigen naam gegeven. Dit plaatsje is niet groot, met duizend passen ben je er door. Daarna gaan we naar links en dan is het nauwelijks zeven landwegen gaans tot aan de eerste huizen van Sichar; heb dus nog een beetje geduld en dan zal dadelijk je wens in vervulling gaan!'

[18] De genezene zegt: 'O bij Abraham, Isaäk en Jacob! Als dit plaatsje een Romeins garnizoen heeft, dan zal het ons slecht vergaan! Want de Romeinse veldheer zal ons niet vriendelijk onthalen, nu hij een paar minuten geleden zo oneervol op de vlucht is gegaan.'

[19] Jonaël zegt: 'Dat laten we allemaal aan de Heer over Die nu bij ons is; Hij zal alles in goede banen leiden! Ik zie echter nu al een groep soldaten met een witte vlag uit het plaatsje ons tegemoet komen, dat lijkt me een goed voorteken!'

[20] De genezene zegt: 'O ja, als het geen gewone krijgslist van de Romeinen is!? Want daarin zijn de Romeinse en Griekse legers bijzonder goed!'

 

 

67 Vesting bij Sichar. De nieuwe wet der liefde

 

[I] Jonaël zegt: 'Dergelijke listen kunnen tegen de menselijke macht resultaat hebben, maar zijn zinloos tegen de goddelijke macht. Alleen de reine en ware liefde bereikt iets met de goddelijke macht, al het andere is kaf tegen de stormkracht van de harde wind! Maak je dus maar niet bezorgd, want God is met ons! Wie zal dan tegen ons kunnen zijn?!'

[2] De genezene zegt: 'Jawel, jawel, je hebt gelijk! Maar God was toch zonder twijfel ook met Adam, en toch is het de satan met een heel sluwe list gelukt om Adam weg te kapen! En Michaël heeft na een gevecht van drie dagen het lichaam van Mozes toch aan de satan moeten afstaan! God is wel almachtig, daar is geen twijfel aan, maar de satan is vol heel gemene listen, en hij heeft het volk van God al menige schade toegebracht. Als je oog in oog staat met een tijger, is, net zolang als deze leeft, voorzichtigheid geboden, alleen na zijn dood kan men pas onbezorgd helemaal vrij ademhalen!'

[3] Jonaël zegt: 'Ook jij hebt op jouw manier gelijk, maar je moet nu wel bedenken, dat de Heer in vroeger tijden de satan toestond om op een bepaalde manier dingen te doen; want de eerstgeschapen geest (Lucifer) moest veel tijd worden gelaten bij het uitproberen van zijn vrijheid, omdat hij niet alleen de eerste, maar ook de belangrijkste was van de geschapen geesten.

[4] Maar die tijd is nu ten einde en de vorst van de nacht zal nu met erg nauwe banden worden geboeid, waarin hij zich nooit zo vrij zal kunnen bewegen, als tot nu toe.

[5] Dit is de reden waarom wij, als in ons de ware liefde tot God heerst, met minder zorgen op de aarde kunnen wandelen dan vroeger tijdens het harde juk van de wet.

[6] Van Adam tot ons heerste de wet der wijsheid, en er behoorde veel wijsheid en een krachtige en onverzettelijke wil toe, om die wet te gehoorzamen.

[7] God zag echter dat de mensen de wet der wijsheid nooit zouden kunnen opvolgen, en Hij kwam toen Zelf in de wereld om hen een nieuwe wet van de liefde te geven, die ze gemakkelijk zullen kunnen gehoorzamen. Want in de wet van de wijsheid liet Jehova alleen Zijn licht onder de mensen schijnen; dat licht was Hij echter Zelf niet, maar het straalde slechts uit Hem onder de mensen, zoals ook de mensen uit Hem geschapen zijn, maar daarom nog niet Jehova Zelf zijn. Maar door en in de liefde komt Jehova Zelf naar de mens en gaat in volle werkelijkheid geestelijk in de mens wonen en maakt de geschapen mens daardoor volledig gelijk aan Zichzelf. En dan is het voor de satan niet meer mogelijk, de zo gewapende mens met zijn sluwe streken aan te grijpen, want de geest van Jehova in de mens doorziet altijd de nog zo verborgen gehouden trucs van de satan, en heeft altijd macht in overvloed om de totale onmacht van de satan aan de kaak te stellen.

[8] De profeet Elia beschreef de nu ingetreden toestand van de mensen, waarbij Jehova direkt in de liefde tot de mensen komt, als het zachte suizen dat voorbij de grot kwam; maar in de zware storm en in het vuur was Jehova niet!

[9] Het zachte suizen is derhalve de liefde van de mensen tot God en hun naasten, waarin Jehova Zelf is, terwijl Hij niet in de storm der wijsheid en in het vlammende zwaard is!

[10] En omdat Jehova Zelf nu bij ons, met ons en onder ons is, behoeven we niet al te zeer bang te zijn voor de listen van de satan, zoals dat in de oertijd helaas treurig genoeg het geval was, en je mag daarom de bloeddorstige tijger uit Rome nu wel moediger en zorgelozer in zijn listige gelaat zien! Zag je daarnet niet, hoe het hele legioen er op de oneervolste manier voor de twee jongemannen vandoor ging?! Wij worden door een groot aantal van die jongemannen begeleid, en zullen we dan bang zijn Voor de met een witte vlag hierheen komende Romeinen?! Ik zeg je: nog niet eens in een droom, Iaat staan in werkelijkheid!'

[11] Bij deze toespraak zet de genezene grote ogen op en zegt na een poosje: 'Wat zeg je? Zou Jehova nu onder ons zijn? Ik dacht dat deze man, die mij hielp, alleen maar de verwachte Messias was!? Wat nu, is bij jou dan Jehova en de Messias Eén en Dezelfde?

[12] Dat in de Messias de kracht van Jehova veel sterker tot uiting komt dan bij alle profeten tesamen, dat kan ik echt wel begrijpen, maar dat de Messias en Jehova ook nog Eén en Dezelfde zouden zijn, dat had ik niet eens durven denken, laat staan durven zeggen! Daarenboven staat er ook nog geschreven, dat men zich onder geen beding een beeld van Jehova mag vormen, en nu moet dan deze mens, die echt wel alle bij de Messias behorende eigenschappen bezit Je -ho -va Zelf zijn?! Nu Ja, Ik heb er niets op tegen, als het voor jou, onze opperpriester, niets uitmaakt!

[13] Dat de Messias een bijzondere God kon zijn, dacht ik al direkt na mijn genezing; want, in meer of mindere mate zijn wij volgens de Schrift allemaal goden, afhankelijk van de wet van Jehova. Maar dat Hij Jehova Zelf zou zijn!? -Ja -als dat zo is, dan wordt het zaak om mij nu anders te gedragen! Ik ben door Hem Zelf genezen,  en mijn dankgeroep moet nu wel een beetje aangepast worden!'

[14] Daarop wil hij direkt naar Mij toegaan. Maar Jonaël houdt hem tegen en raad hem aan, dat pas in Sichar te doen, en de genezene is daar geheel tevreden mee.

 

 

68 De overste en het toepassen van de leer

 

[1] Op dit ogenblik arriveerde de Romeins militaire deputatie en hun aanvoerder overhandigde Mij een verzoekschrift van de hoofdaanvoerder en kommandant van deze versterkte plaats, waarin deze Mij vraagt, in ieders belang het voorgevallene te vergeten, en er bij het gezelschap op aan te dringen aan niemand te vertellen wat er gebeurd was. Dat zou hem schade berokkenen, terwijl niemand er baat bij zou hebben! Het zou daarentegen voor iedereen nuttiger zijn, als men hem, de Romeinse bevelhebber, te vriend hield en niet tot vijand maakte! Jaïruth zou ook zijn mond moeten houden en kreeg hierbij de verzekering, dat hij voortaan , in zijn huis met rust gelaten zou worden. Verder verzocht hij Mij om  hem in zijn residentie te bezoeken, want hij had met Mij heel geheime en belangrijke zaken te bespreken!

[2] Daarop antwoord Ik de overbrenger van de brief: 'Zeg tegen je gebieder, dat het gebeuren zal zoals hij gevraagd heeft. Ik zal evenwel niet in zijn residentie komen; als hij met Mij over geheime belangrijke zaken wil spreken, dan moet hij Mij aan de ingangspoort van deze plaats opwachten, en dan zal Ik hem datgene vertellen, waarover hij met Mij spreken wilde.'

[3] Na die woorden verwijdert de afgezant zich met zijn begeleiding en meldt zijn gebieder alles wat hij van Mij gehoord heeft, en deze gaat direkt met zijn allerbekwaamste onderbevelhebbers naar de poort van hef plaatsje en wacht Mij daar op.

[4] Jaïruth vraagt Mij echter of de uitnodiging wel te vertrouwen is, want hij kent de grote sluwheid van deze opperbevelhebber, die tevens overste is. Die man heeft op deze manier al veel mensen naar de andere wereld geholpen!

[5] Maar Ik zeg: 'Beste vriend, Ik ken hem ook, hoe hij was en hoe hij nu is. De jongemannen hebben hem een heilig ontzag ingeboezemd, hij denkt dat het beschermgeesten zijn en Mij ziet hij aan voor een zoon van zijn god Jupiter en hij wil nu van Mij horen, wat daarvan waar is. Ik weet echter wel, wat Ik hem zal zeggen!'

[6] Hierdoor is Jaïruth gerustgesteld en we komen aan de poort, waar de overste met zijn officieren al op ons staat te wachten. Hij komt dadelijk naar voren, groet Mij vriendelijk en wil Mij meteen datgene zeggen, wat hij op het hart heeft.

[7] Ik ben hem echter voor en zeg tegen hem: 'Vriend! Mijn dienaren zijn geen beschermgeesten en Ik ben zeker geen zoon van jouw Zeus! En nu weet u alles wat u van Mij weten en aan Mij vragen wilde.'

[8] De overste verbaast zich er geweldig over, dat Ik hem dadelijk klaar en duidelijk kon vertellen, wat hij alleen maar gedacht had, en waarover hij met niemand had gesproken.

[9] Nog niet helemaal van zijn verbazing bekomen, wil hij Mij nog een keer wat vragen en zegt: ' Als u dat niet bent, zeg me dan eens wie en wat u en uw dienaars dan eigenlijk wel zijn! Want u bent in ieder geval méér dan zomaar gewone doorsnee burgers, en ik zou het op prijs stellen als ik u de eer kan bewijzen, die u toekomt.'

[10] Ik antwoord: 'leder mens, die iets eerlijk en oprecht vraagt, behoort ook een gelijksoortig antwoord te krijgen. U heeft Mij nu eerlijk en oprecht wat gevraagd en krijgt daarom ook een passend antwoord; luister dus: Ik ben in de eerste plaats Degene, Die als persoon voor u staat, namelijk een mens! Er zijn er weliswaar veel op aarde die er net zo uitzien als Ik, maar daarom zijn het nog geen mensen, ze hebben slechts de mogelijkheid om mens te worden. Hoe volmaakter een echt mens is, des te meer macht en kracht ligt er in zijn inzicht en in de uitwerking van zijn wil!'

[11] De overste zegt: 'Kan ieder mens net zo volmaakt worden als u?'

[12] Ik zeg: 'O ja, als hij datgene doet wat Ik leer, om volmaakt te worden!'

[13] De overste zegt: 'Laat uw leer eens horen, dan wil ik hem toepassen en er naar leven!'

[14] Ik zeg: 'De leer zou Ik u wel kunnen geven, maar daar zou u weinig aan hebben, omdat u volgens die leer niet zou leven. Want zolang u dat bent, wat u hier in opdracht van Rome bent, heeft u geen profijt van Mijn leer, -u zou dan alles in de steek moeten laten en Mij volgen, omdat het u anders niet mogelijk zou zijn om Mijn leer in uw leven toe te passen!'

[15] De overste zegt: ' Ja, dat zou zeker erg moeilijk gaan! Maar niet­tegenstaande dat, zou ik toch een paar belangrijke hoofdbeginselen van uw leer willen horen! Want ik weet al veel van verschillende dingen af en heb daar wel begrip voor; waarom zou ik dan ook niet van uw leer wat kennis opdoen? Misschien kan ik die dan toch nog ergens in praktijk brengen!?'

[16] Ik zeg: 'Mijn vriend, als het nu zo is dat Mijn leer vereist, dat iemand Mij moet volgen, omdat hij anders niet Mijn volmaakte Rijk binnen kan gaan, hoe wilt u die leer dan bij u toepassen?!'

[17] De overste zegt: 'Dat klinkt weliswaar erg vreemd, maar het kan toch wel steek houden! Laat me daarom even erover nadenken!'

[18] De overste denkt een poosje na en zegt dan: 'Bedoelt u nu het persoonlijke volgen of eigenlijk alleen het toepassen van de moraal?'

[19] Ik zeg: 'Het persoonlijke volgen is, indien mogelijk, tesamen met het zedelijke volgen, het meest aan te bevelen. Als het persoonlijke volgen echter door een werkkring, die ook noodzakelijk is, niet mogelijk is, dan voldoet ook een nauwgezet zedelijk volgen. Maar het geweten moet Mij als grondslag hebben van de liefde tot Mij en alle mensen, want dan berust het op de zuivere waarheid. Het zedelijk volgen zonder meer, zou anders geestelijk dood zijn. -Begrijpt u dat?'

[20] De overste zegt: 'Dat is onbegrijpelijk! Als het echter zo gelegen is, wat moet ik dan met al mijn mooie goden? Mijn overgrootouders hebben aan hen geloofd; is het dan juist, als ik dit geloof van mijn voorvaderen trouw blijf, of moet ik in de God van de Joden gaan geloven?'

 

 

69 Het verstand kan talloze goden creëren

 

[1] Ik zeg: 'Beste vriend, u hoeft zich van al uw voorvaderen niets aan te trekken en nog minder van de goden, die zij vereerden; want uw voorouders zijn reeds lang dood, en hun goden bestaan slechts in de fantasie van dichterlijke mensen. Hun namen en afbeeldingen hebben niets met de realiteit uitstaande. Als u dus dat totaal inhoudsloze geloof in uw goden laat varen, dan stelt dat echt niets voor; want zij kunnen net zo min uw ziel versterken, als dat u uw honger kunt stillen met een afbeelding van voedsel! Daaraan heeft u, zoals reeds gezegd, totaal niets; maar u heeft alles aan de ene zuivere waarheid en het leven in, uit en door deze ene zuivere waarheid!

[2] Want als je uit de leugen leeft, dan is je leven zelf een leugen en kan nooit werkelijkheid worden; als je leven echter gebaseerd is op de waarheid, en is het zelf ook waarheid, dan is alles wat het leven je brengt werkelijk en reëel! Uit de leugen kan niemand de waarheid halen of leren kennen, want de leugen liegt over alles. Alleen degene, die uit de geest der waarheid opnieuw geboren wordt en in zichzelf waarheid, ja zelfs totale waarheid wordt, die ziet zelfs in de leugen wat de waarheid is!

[3] Want wie ziet, dat de leugen een leugen is, die is zelf geheel en al waarheid, omdat hij de leugen weet te onderscheiden; en dat is ook waarheid! Begrijpt u dat?'

[4] De overste zegt: 'Vriend! Wat U zegt is waar en u bent erg wijs! Maar wat, en waar is die grote heerlijke waarheid? Zijn de dingen ook werkelijk zoals wij ze zien, of ziet het oog van de neger ze soms anders? Een vrucht smaakt de ene mens zoet en aangenaam, en dezelfde vrucht smaakt voor een ander bitter en weerzinwekkend! Ook spreken verschil­lende mensenstammen verschillende talen; welke is daarvan waar en goed?! In het persoonlijke, dat rekening houdt met ieder individu apart, kan veel waars zitten; maar een algemene allesomvattende waarheid kan er volgens mij nooit zijn, -en als er een is, toon mij dan, waar en wat deze is, en waaruit ze bestaat!'

[5] Ik zeg: 'Mijn vriend, kijk, dit is de aloude, u welbekende gordiaanse knoop, die niemand anders dan uw bekende held uit Macedonië kon ontwarren!

[6] Wat u met behulp van uw lichamelijke middelen ziet en voelt is afhankelijk van uw lichaam en haar middelen; het is net zo onbestendig en vergankelijk. Maar iets wat onbestendig en vergankelijk is, kan toch onmogelijk gegevens verschaffen over de altijd voortdurende bestendige en onvergankelijke waarheid?!

[7] Er is slechts één waarheid in de mens en deze grote en heilige E n e is de liefde, en deze liefde is een echt vuur uit God en woont in het hart; nergens anders dan in deze liefde is waarheid, want de liefde is zelf in iedere mens de diepste grond van alle waarheid in en uit God!

[8] Als u de dingen, net als uzelf, waarheidsgetrouw wilt zien en kennen, dan moet u dat doen vanuit deze enige ware diepste grond van uw bestaan; alle andere manieren zijn misleidend, en het hoofd van ieder mens en alle bedenksels die daar ontstaan, behoren bij de bekende gordiaanse knoop, die met bedachtzaamheid niet ontward kan worden.

[9] Alleen met snijdend geweld kan de mens in het eigen hart deze knoop met de geest der liefde doorhakken, waarna hij dan kan beginnen met in het hart te denken, te zien en te herkennen. Pas op deze nieuwe weg komt hij tot de waarheid van zijn en van ieder ander bestaan en leven!

[10] Het hoofd kan talloze goden voor u creëren, maar wat stellen die voor? Ik zeg u, het zijn slechts waardeloze levenloze beelden, die door de onsamenhangende werking van het verstand opgeroepen zijn; in uw hart vindt u echter maar één God, en die is waarachtig, omdat de liefde, waarin u een ware God hebt gevonden, zelf waarheid is.

[11] Als men de waarheid zoekt, dan is die alleen maar in de waarheid te vinden; voor het hoofd is het voldoende als het u de sleutel tot de waarheid levert. Houd daarbij voor ogen dat alles, wat u tot de liefde aanspoort en brengt, een sleutel tot de waarheid kan zijn; laat u dan door zo'n aansporing en door zo'n les leiden en treed binnen in de liefde van uw hart, en u zult de waarheid vinden, die u zal bevrijden van alle bedrog!

 

 

70 De waarheid die alles doordringt

 

[1] 'Ik zal het geheel met een voorbeeld nog duidelijker voor u maken.

[2] Stel, dat een paar van uw ondergeschikten zich niet aan uw voor­schriften hebben gehouden, en dat ze daarvoor gestraft moeten worden. Op de voorgeschreven manier onderzoekt u wat ze hebben gedaan en u probeert ze tevens door allerlei slimme vraagjes te laten bekennen; maar ze gebruiken hun verstand en zien kans alles te weerleggen, wat u met Uw verstand zo slim en verstandig weet te vragen. Op die manier maakt de ene leugen steeds weer ruimte voor de andere, en het eind van het liedje is, dat u hen veroordelen moet, zonder dat ze bekend hebben, waarbij u moet afgaan op de verklaringen van getuigen, die hen vaak vijandig gezind zijn en die óók geen waarheid spreken. Bij zo'n rechtspraak kunt u gevoeglijk aannemen, dat misschien in één van de tien gevallen een rechtvaardig oordeel uitgesproken wordt en dat de onschuldige hetzelfde lot ondergaat als de schuldige!

[3] Als u zich echter niet als rechter, maar als een liefdevol mens gedraagt ten opzichte van uw arme broeders, die zich tegenover u misdragen hebben, en als u ook in hun harten liefde weet op te wekken, dan zullen deze boosdoeners u berouwvol en onder veel tranen oprecht en eerlijk bekennen, hoe, wanneer en wat ze tegenover u misdaan hebben! Maar daar moet dan geen straf op volgen! Want iedere straf als zodanig is geen waarheid, maar het tegendeel, omdat de straf niet uit de liefde, maar uit de toorn van de wet en de wetgever voortkomt. De toorn is zelf een oordeel; en in het oordeel is geen liefde. Maar waar geen liefde is, is ook geen waarheid.

[4] Houdt u daarom aan de zuivere liefde, en werk in haar waarheid en kracht, en u zult dan altijd de waarheid vinden en heel duidelijk gewaar worden dat er echt wel een algemene waarheid is, die niet alleen deze aarde, maar de hele oneindigheid doordringt!

[5] Als u zo zou omgaan met uw medemensen, dan zou u Mij zedelijk op de juiste manier volgen, en door dit volgen het eeuwige leven verwerven. Als u echter blijft zoals u nu bent, dan zal er voor u aan de andere zijde van het graf niets anders overblijven dan de dood van de geest der liefde en waarheid, ofwel duisternis en een leeg bestaan volleugens!

[6] Want weet, dat het aardse leven maar erg kort duurt; daarna komt de eindeloze eeuwigheid! Als de echte waarheid niet in u tot leven gekomen is, zult u blijven liggen zoals u valt!

[7] Nu weet u alles wat u vooreerst moet weten. Mocht u nog meer willen weten, ga dan bij gelegenheid naar de opperpriester Jonaël te Sichar; die zal u alles vertellen wat hij van Mij geleerd, gezien en ondervonden heeft! Pas dat in de praktijk toe en u zult op die wijze zalig worden!'

[8] De overste zegt, geheel doordrongen van de waarheid van Mijn toespraak: 'Vriend, het is me uit uw toespraak duidelijk geworden, dat u een van de wijste mensen van deze aarde bent, en ik zal daarom ook alles doen, wat u mij aangeraden hebt; maar alleen zou ik nu graag van u zelf horen, wie u eigenlijk bent! Want u hebt me door de u begeleidende jongemannen een zeer smadelijke totale nederlaag toegebracht, die ik slechts kan verklaren door aan te nemen dat deze jongemannen goden of beschermgeesten uit de hemel zijn, die me daardoor op wonderbare wijze op de vlucht hebben doen slaan. Afgezien daarvan is het mij echt wel duidelijk, alleen al door uw buitengewoon grote wijsheid, dat u beslist méér bent dan zo maar een heel eenvoudig mens! Aan veel van uw leerlingen heeft u waarschijnlijk al verteld en laten zien wie u bent; u ziet echter dat het mij nu volkomen ernst is om in ieder geval naar de geest een leerling van u te worden! Vertel mij daarom ook, wie u bent! Wie en wat en waarvandaan bent u nu eigenlijk?

[9] Ik antwoord: 'In de eerste plaats heb Ik het u eigenlijk al gezegd en wel zodanig, dat u het makkelijk had kunnen weten, als u er goed over had nagedacht, en ten tweede heb Ik u daarnet gezegd dat Jonaël uw verdere vragen zou beantwoorden. Wanneer u naar hem toe gaat, dan zult u heus alles te weten komen wat u nu nog niet begrijpt. Houd ons nu echter niet langer op; want de dag loopt alweer op zijn eind, en Ik moet vandaag nog veel doen!'

[10] De overste zegt: 'Sta me dan toe, dat ik met u meega tot aan de stad!'

[11] Ik zeg: 'De weg is vrij, en als u Mij met goede bedoelingen wilt

begeleiden, doe dat dan! Maar als u daarentegen, hoe geheim ook, de een of andere duivelse beweegreden hebt, dan kunt u beter thuis blijven; want dan zou uw meegaan u beslist geen zegen brengen! Mijn macht hebt u al welleren kennen.'

[12] De overste zegt: 'Ik ben het echt niet van plan, hoewel ik in deze hachelijke tijd er best een reden voor zou hebben. Het lijkt er namelijk op alsof de tijd steeds dichterbij komt, waarin de Joden volgens hun overlevering een geweldige door hun God gezonden redder verwachten, die hen moet verlossen van de heerschappij van Rome. En men hoort nu hier, dan daar van Joodse zijde mompelen, dat die redder zich al op aarde zou bevinden! Ik zou me daarom heel goed in kunnen denken, dat u wel eens die redder zou kunnen zijn, -ja heimelijk heb ik dat ook al gedacht. Hoe het ook zij, -ik vind, dat u één van de zeer wijzen bent en ik waardeer u als een echte mensenvriend. Daarom zullen mijn gedachten in die richting mij volstrekt nooit hinderen u ter wille van de waarheid te volgen, lichamelijk nu naar Sichar en geestelijk mijn hele leven lang, hoewel ik me wel ervan bewust ben, dat ik daarmee, als Romein, voor mijzelf geen triomfboog oprichten zal! Ik heb u nu alles uitgelegd en ik vraag u dan nog één keer, of ik u mag begeleiden. Zegt u ja, dan zal ik u begeleiden; zegt u echter nee, dan blijf ik hier!'

[13] Ik zeg: 'Nu dan, begeleid Mij maar met al degenen, die hier naast u staan, zodat wettige getuigen u kunnen helpen!'

 

 

71 De Heer getuigt van de Vader

 

[1] Na dit antwoord vraag Ik de overste of er geen zieken in dit plaatsje zijn. En de overste zegt: 'Mijn vriend, als u soms ook iets van de geneeskunde afweet, genees dan mijn vrouw! Want ze lijdt nu al een heel jaar aan een onbekende ziekte, waar geen dokter raad mee weet. Misschien gelukt het aan uw grote wijsheid, om vast te stellen wat de kwaal is, en mijn vrouw te genezen!?'

[2] Ik zeg: 'Ik zeg u: Uw vrouw is gezond! Laat haar halen!'

[3] De overste stuurt dadelijk een dienaar op weg, en de vrouw komt deze al op de drempel blij en gezond tegen en gaat onmiddellijk met hem mee naar de overste. Deze verwondert zich daar uitermate over en zegt tegen Mij: 'Vriend, u bent een god!'

[4] Ik zeg: 'Jullie mensen zijn toch allemaal hetzelfde! Als je geen tekenen ziet, dan geloof je niet. Maar je wordt toch behouden als je gelooft vanwege de tekenen; maar als iemand, ondanks de tekenen die Ik doe, niet gelooft, dan is hij ten dode opgeschreven.

[5] In het vervolg zullen alleen die mensen behouden worden, die, zonder tekenen, slechts door de waarheid van Mijn woord zullen geloven en daarnaar zullen leven! Daardoor zullen deze het echte levende teken in zichzelf ontdekken, namelijk het eeuwige leven, en dat zal dan niemand meer van hen kunnen afnemen.

[6] U bent nu blij, dat Ik uw vrouw zomaar, door het in Mijn hart te willen, genezen heb en u staat zich nog steeds af te vragen: 'Hoe is dat mogelijk?' Maar Ik zeg u: Als een mens zou leven volgens de innerlijke zuivere waarheid en daardoor zelf een deel van die waarheid zou worden, en niet meer aan zijn waarheid zou twijfelen, dan zou hij tegen één van de ons hier omringende bergen kunnen zeggen: 'Verhef je en val in de zee!' - en de berg zou zich verheffen en in de zee vallen!

 [7] Maar omdat die waarheid in u, zoals in heel veel anderen, niet woont, kunt u zoiets niet alleen niet doen, maar u moet zich bovendien nog uitermate verwonderen, als Ik, Die die waarheid in al haar volheid in Mij heb, voor jullie ogen dingen doe die alleen door de macht van de innerlijke levende waarheid gedaan kunnen worden!

[8] Slechts door die waarheid wordt het geloof, dat voor de menselijke geest de rechter hand is, levend en kan het daden verrichten; en de arm van de geest reikt ver en doet grote dingen!

[9] Als u door die innerlijke waarheid uw geestelijke armen voldoende krachtig gemaakt hebt, dan zult u zelf doen wat Ik nu voor u gedaan heb, en u zult dan tevens heel duidelijk beseffen, dat dat nog veel gemakkelijker gaat dan dat u met uw lichamelijke handen een steen opraapt en een aantal passen voor u uit gooit!

[10] Leef daarom volgens Mijn leer! Wees uitvoerders en niet alleen oppervlakkige hoorders en bewonderaars van Mijn woorden, leer en daden, dan zal ook u dat ten deel vallen, wat u nu zo zeer in Mij bewondert!

[11] Alles wat Ik u hier laat zien, doe Ik echter niet door Mijn eigen kracht, maar door de kracht van Hem, Die Mij dat vóór het bestaan der wereld geleerd heeft. En Deze is het, Die u de Vader noemt, -hoewel u Hem niet kent en ook nog nooit herkend hebt! Hij, van Wie u zegt, dat Hij uw Vader is, Die is het, van Wie alle dingen zijn, zoals: engelen, zon, maan en sterren en deze aarde met alles wat daarin en daarop is!

[12] Zoals deze Vader Mij vóór het bestaan van de wereld heeft onder­wezen, zo onderwijs Ik u nu ook, opdat de Vader, Die nu in Mij leeft, ook in u zal gaan wonen en in u, net als in Mij, de oereeuwige zuivere waarheid tot leven zal brengen uit het eeuwige oorspronkelijke fundament, zijnde de liefde in God, het eigenlijke wezen van God Zelf!

[13] Laat u daarom niet te veel beïnvloeden door de tekenen, die Ik ten aanschouwe van u doe, want anders komt u in een onnut dood veroordeeld geloof. Maar leef en doe datgene wat Ik u leer, dan zult u in uzelf zien gebeuren, waarover u zich nu bij Mij zo uitermate verwondert. Want u zijt allen geroepen om net zo volmaakt te zijn als de Vader in de hemel Zelf volmaakt is! Nu weet u alles; leef daarnaar en dan zult u in u zelf gewaar worden of Ik u de waarheid verteld heb of niet! Onderzoek Mijn leer dus door de daad, maar doe het wel met veel vuur, en vermijd iedere vorm van lauwheid, en pas op die manier zult u ervaren of dit een menselijke of een goddelijke leer is!'

[14] Na deze belangrijke les zegt de overste: 'Nu begint het bij mij een beetje te dagen! Er is in dit alles nog wel een onvoorstelbare diepe wijsheid verborgen,. die voor ons gewone mensen zo direkt niet makkelijk te begrijpen is; maar dat is op dit moment niet het belangrijkste. Want als je pas door het dóen tot het juiste inzicht kunt komen, dan stop Ik nu met al het verdere gepieker en zal Ik me meteen met het heel serieuze doen gaan bezighouden, nadat ik door Jonaël in de hele leer ben ingewijd. En daarbij blijft het!'

[15] Ik zeg: 'Goed zo, Mijn vriend; als u echter op deze manier tot het licht zult komen, laat uw licht dan ook voor uw broeders schijnen, dan zal de hemel u daarvoor belonen! - Nu gaan we echter naar Sichar; want Ik heb daar ook nog wat te doen. Laten we dus verder gaan!'

 

 

72  Het einde der wereld en het oordeel

 

[I] Wij gaan nu op weg, en de overste met zijn genezen vrouwen twee van zijn voornaamste onderkommandanten begeleiden Mij. De overste en zijn vrouw nemen Jonaël tussen zich in, onderhouden zich met hem en vragen hem uitleg over verschillende zaken betreffende de Joodse religie en wat daarin op Mij betrekking zou hebben; en de in het eerste dorpje genezen jichtlijder neemt heel aandachtig deel aan dit gesprek. Zelf ga Ik..tussen de zeven dochters en de vrouw van Jonaël lopen. Die stellen MIJ vragen over heel wat zaken, zoals wat er binnenkort met de wereld, met Jeruzalem en met Rome zal gebeuren. Daar ga Ik heel serieus op rn, en Ik beschrijf hun, hoe binnen niet al te lange tijd de geheime vorst der wereld terechtgesteld zal worden en niet lang daarna zijn hele aanhang. Daarbij heb Ik het ook over het einde der wereld en een wereldomvattend oordeel zoals in de tijd van Noach, en ze vragen Mij in opperste verbazing, wanneer en op welke manier dat gebeuren zal.

[2] Ik zeg tegen hen: 'Beste dochters! Zoals het in Noach's tijd was, zo zal het ook dan zijn; de liefde zal verkoelen en helemaal verkillen, het geloof aan een uit de hemel aan de mensen geopenbaarde zuivere levensleer , en het geloof in: God, zal veranderen in een duister en doods bijgeloof volleugens en bedrog. De machthebbers zullen de mensen weer als dieren voor zich laten werken en ze zullen ze koelbloedig en gewetenloos laten afmaken als ze niet zonder enige tegenspraak doen wat de pralerige machthebbers willen! De machtigen zullen de armen door allerlei lasten kwellen en ze zullen iedere vrije geest met alle middelen vervolgen en onderdrukken, en daardoor zal er een ellende over de mensen komen, zoals er op aarde nog nooit een is geweest! Maar terwille van de vele uitverkorenen, die zich onder de armen zullen bevinden, zal deze tijd niet zo lang duren; want anders zouden zelfs de uitverkorenen verloren kunnen gaan !

[3] Vanaf nu gerekend tot aan die tijd zullen er duizend en niet. Nog eens duizend jaar voorbijgaan! Dan zal Ik dezelfde engelen, die Je nu hier ziet, met grote bazuinen tussen de arme mensen sturen! Deze zullen de geestelijk dode mensen als het ware uit de graven van hun nacht opwekken; en als een vuurzuil, die van het ene einde der wereld naar het andere rolt, zo zullen deze vele millioenen ontwaakte mensen zich over alle wereldmachten heen storten, en niemand zal hen kunnen weer­staan!

[4] Dan zal de aarde weer een paradijs worden en Ik zal voortdurend Mijn kinderen op de goede weg leiden.

[5] Maar vanaf die tijd gerekend na een verloop van duizend jaar wordt de vorst van de nacht éénmaal voor een zeer korte tijd van zeven jaar en enige maanden en dagen in het tijdelijke vrij ter wille van zichzelf; voor een totale val of voor een mogelijke terugkeer.

[6] Gebeurt het eerste, dan zal het inwendige van de aarde veranderd worden in een eeuwige kerker; maar de buitenkant zal een paradijs blijven. In het tweede geval zou de aarde echter veranderd worden in een hemel, en de vleselijke­ en de zieledood zou voor altijd verdwijnen! -Hoe en of het zal gebeuren?! - Dat mag zelfs de eerste engel in de hemel niet van te voren weten; dat weet alleen de Vader. Wat Ik jullie nu echter geopenbaard heb, dat mag je aan niemand vertellen voordat je over een paar aardse jaren gehoord zult hebben, dat Ik boven de aarde verhoogd ben!'

[7] Toen vroegen de dochters, waaruit die verhoging zou bestaan.

[8] Maar Ik zeg tegen hen: ' Als je dat zult horen, zal je dat heel veel verdriet doen! Maar troost je er dan mee, dat Ik vervolgens na drie dagen weer in jullie midden zal zijn en je persoonlijk de bevestiging van het nieuwe testament en de sleutels tot Mijn eeuwige Rijk; zal brengen! Zorg er echter voor dat Ik jullie dan net zo rein aantref, als je nu bent, omdat je anders niet voor eeuwig Mijn bruiden kunt worden!' - De dochters en hun moeder beloven Mij daarop, dat ze precies zullen doen wat Ik hen heb opgedragen en aangeraden.

 

 

73 Sichar. Johannes, de genezen verlamde man

 

[I] Op dit moment bereiken we de stad, op een punt vlak bij het huis van Irhaël, dat nu ook het huis van Joram is. Jaïruth en de overste met zijn vrouwen de twee onderkommandanten raken niet uitgekeken op de nieuwe schoonheid van het huis, en de genezen jichtlijder is ook uitermate verbaasd en roept tenslotte luidkeels: 'Dat is alleen bij God mogelijk! Ik heb als jongen vaak tussen de merendeels vervallen muren van dit slot of huis, dat Jacob voor zijn zoon Jozef liet bouwen, uit baldadigheid hagedissen gevangen; en nu staat het er zo volmaakt bij, dat Jacob het eertijds niet volmaakter had kunnen bouwen! O, dat kan geen menselijke macht in één nacht tot stand brengen! Ik weet nu echt wel waar ik aan toe ben, en ik weet ook wat ik doen zal! Mijn naam is Johannes; onthoudt die naam!

[2] (Hij is dezelfde Johannes, die later eens door Mijn apostelen, toen Ik ze in het tweede jaar uitzond om het volk te leren, bedreigd werd, omdat hij ook in Mijn naam mensen genas en boze geesten uitdreef, zonder dat hij daarvoor van Mij een uitdrukkelijke opdracht had) (Mark. 9,38-40).

[3] Jonaël zegt: 'Vriend, jouw wil, je gedachten en je woorden zijn goed, maar één ding ontbreekt je nog, en dat is een zuiver inzicht in de goddelijke wil! Kom daarvoor morgen eens naar mij toe, of blijf nu meteen hier, en ik zal je nadere uitleg geven over de wil van God de Heer! Daarna kun je pas al je goede plannen op de juiste manier aanpakken'.

[4] De genezene zegt: 'God de Heer moge je daarvoor verlichten! Ik zal doen, wat je mij zult aanraden; want ik zie, dat je een echte vriend van deze grote profeet bent en daarom zul je ook goed weten wat Hij wil. Deze profeet is echter meer dan alle anderen, en ik geloof, dat juist Hij degene is van Wie David zong en profeteerde:

[5] 'De aarde is des Heren en wat daarin is, en de aardbodem met wat daarop woont; want Hij heeft haar gegrondvest in de zeeën en gevestigd aan de wateren. Wie wil op de berg des Heren gaan, en wie zal op Zijn heilige plaats staan? Die onschuldige handen heeft en een rein hart, en niet houdt van ijdel gepraat en niet valselijk zweert, die zal zegen van de Heer ontvangen en gerechtigheid van de God zijns heils. Het geslacht, dat naar Hem vraagt, zoekt jouw aangezicht, Jacob!

[6] Verbreedt de poorten en verhoogt de deuren der wereld, opdat de koning der eer binnentrekt! Wie is de koning der eer? Het is de Heer sterk en machtig, de Heer machtig in de strijd. Verbreedt de poorten en verhoogt de deuren der wereld, opdat de koning der eer binnentrekt! Wie is de koning der eer? Het is de Heer Zebaoth; Hij is de Koning der eer'.(Psalm 24)

[7] En ik, Johannes, die door Hem werd genezen, verklaar hier aan iedereen, dat Deze in levenden lijve dezelfde koning der eer is, waarvan David zo gezongen en voorspeld heeft! Hem zij daarvoor alle eer in eeuwigheid!'

[8] Jonaël zegt: 'Vriend, je bent op de goede weg! Maar, onder ons gesproken, dit is nog niet het goede ogenblik om daar onze mond over open te doen. Maar pas als Hij, zoals Hij Zelf gezegd heeft, hier vandaan misschien naar Galiléa gaat, zullen we beginnen het volk over Hem te leren, en als Hij dan binnen niet al te lange tijd weer bij ons komt, dan zal Hij onze poorten behoorlijk wijd en de wereldse deuren behoorlijk hoog vinden voor Zijn intocht, d.w.z. onze harten zullen zo ruim mogelijk zijn om Hem op te nemen en onze liefde tot Hem zal tot boven de sterren verhoogd zijn; want onze harten zijn de poort, die verbreed moet worden en de ware liefde tot Hem is de deur, die boven alles verhoogd moet worden!'

[9] Op dit moment ga Ik bij hen staan, leg Mijn handen op hun schouders en zeg: 'Zo is het goed, Mijn beste vrienden! Waar jullie zo in Mijn naam bij elkaar zult zijn, daar zal Ik, weliswaar niet zichtbaar, maar dan toch jullie zo krachtig mogelijk versterkend, in jullie midden zijn! ­ Nu hoor Ik echter lawaai in de straten van de stad; wees daarom allemaal kalm! We zullen zien, met welke geest de gemoederen bezield zijn endoor wie ze geleid worden!

[10] Jaïruth komt meteen naar Mij toe en zegt: 'Heer, dat is een dreigend lawaai en kondigt niets goeds aan! Als U wilt, laat ik meteen twee legioenen hierheen ontbieden, en de rust zal dadelijk hersteld zijn!'

[11] Ik zeg: 'Zeg maar niets! Als het nodig is, dan heb Ik de juiste bewaking hier al bij de hand; jij zelf kunt je beter in het huis terugtrekken, zodat niemand je ziet en herkent. Want in deze stad heerst nu geen goede geest onder de wereldse mensen, en ze zouden later veel schade kunnen aanrichten aan je bezittingen!'

[12] Jaïruth zegt: 'Ik heb die twee jongemannen nog; die zullen mijn bezittingen wel beschermen!'

[13] Ik zeg: 'Dat doet er niet toe, laat die zaak nu maar even rusten; want als Ik menselijke hulp nodig zou hebben, dan vroeg Ik dat wel aan de overste, die hier ook is! Maar Ik heb die hulp niet nodig, wees daarom rustig en houd er over op! Jaïruth legt zich daarbij neer en gaat het huis van Irhaël binnen.

 

 

74  Bij Irhaël. Nooit kwaad met kwaad vergelden

 

[I] Direkt daarna komt een tamelijk grote, van knuppels voorziene bende op ons af, met in haar midden de tien stommen, die door de dokter op de eerste avond stom werden gemaakt vanwege de lasterpraatjes die zij rondstrooiden; en de bende eist dreigend dat de tong van deze stommen weer losgemaakt moet worden!

[2] Joram, de dokter, stapt onmiddellijk naar voren en zegt met een zware mannelijke stem: 'O,jullie kinderen van de 'boze! Is dat de nieuwste manier om tot God te komen en Hem om genade te smeken?!’

[3] De bende wijkt wat achteruit en schreeuwt: 'Wie is hier God, en waar is Hij?! Verbeeld je je nu ook nog dat je zelf God bent, of moet dat soms die tovenaar uit Galiléa zijn, breedgeschouderde godslasteraar?!'

[4] Joram zegt nu nog heftiger: 'Wie bedoel je met dat 'tovenaar uit Galiléa', jullie ellendige schepsels?!' Dan schreeuwt de hele bende: 'Die timmerman uit Nazareth, die Jezus heet, die bedoelen we, die kennen we heel goed, net zoals zijn moeder die hier nu ook is, en zijn broers en zusters, die ook hier zijn! Ook zijn vader hebben we gekend, die een jaar geleden moet zijn overleden, en naar wij gehoord hebben kwam dat door het verdriet over zijn vrouwen kinderen die hem niet wilden volgen en hem van alle kanten bedrogen zouden hebben!'

[5] Joram wordt nu helemaal dol van woede over deze schandelijke laster. Hij loopt snel op Mij toe en ook Jacobus en Johannes komen er bij en zeggen gezamenlijk: 'Heer Heer,Heer! Laat nu toch gauw vuur van de hemel op deze kerels vallen, zodat ze verteerd worden! Het is toch ten hemel schreiend, wat voor ontzettend brutale leugens ze tegen ons durven uit te spreken!'

[6] Ik zeg: 'Kalm aan, jullie heethoofden, laat ze maar liegen! Kun je je een vuur voorstellen, dat nog feller brandt dan dat van de leugen?! Wees bovendien goed voor hen, dan rennen ze straks met gloeiende kolen op hun hoofden weg! -Onthoudt dit goed! Vergeldt nooit slechtheid met slechtheid en kwaad met kwaad!' Alle drie kalmeren ze nu, en Joram vraagt, wat hij dan met deze boeven moet doen.

[7] Ik zeg: 'Doe in Mijn naam met hen wat ze vragen, en zeg dan dat ze moeten weggaan!' En Joram zegt daarop tegen de bende: 'In de naam van de Heer! Ieder van jullie, die stom is, spreekt nu weer en gaat terug naar huis, en geve God de eer!'

[8] Dit woord van Joram maakte bij ieder, die stom was, de tong weer los; maar ze gaven God niet de eer, behalve één, die de anderen tenminste nog vermaande. Die zeiden echter: ' Jij gek, heeft Jehova ons dan stom gemaakt?! Een tovenaar heeft ons die last bezorgd, moeten wij dan soms ook nog de heidense tovergod eren?! Als we dat deden, wat hadden we dan van de almachtige ware God van Abraham, Izaak en Jacob te verwachten?!' Toen ging ook die ene, iets betere, tegelijk met de andere negen weg en dorst Mij niet de verschuldigde eer te geven.

[9] Joram en al Mijn jongeren ergerden zich hierover, en Simon Petrus kwam ook heel ontstemd naar Mij toe en zei: 'Wat U prettig vindt is natuurlijk wel goed, Heer, maar als ik ook maar iets van Uw kracht en macht zou hebben, dan wist ik wel wat ik gedaan zou hebben met deze domme en boosaardige lasteraars van Uw naam, die mij zo bijzonder heilig is!'

[10] Ik zeg: 'Simon, ben je dan Mijn leer al vergeten, die Ik op de berg gaf? Wat voor goeds kun je doen, als je kwaad met kwaad vergeldt?! Als je smakeloos eten kookt, doe je er verstandig aan, als je er goed zout, goede melk en goede honing aan toevoegt om het smakelijk te maken, en je zult het toch niet met gal en aloësap overgieten?! Als je aan een toch al goed gerecht nog iets beters toevoegt, zal niemand zeggen dat je een domheid begaat, maar als je een slecht gerecht met nog slechtere bijvoegsels slechter maken wilt dan het al is, dan moet je me toch toegeven, dat iedereen met een greintje verstand zou zeggen: 'Kijk nu eens wat die dwaas daar doet!'

[11] Zie je, dat is nog in sterkere mate met mensen het geval! Als je het kwade van hen vergeldt met nog meer kwaad, stel jezelf dan eens de vraag, of het kwade van hen daardoor ooit in iets goeds verandert! Vergeld je het je aangedane kwade echter met iets goeds, dan zul je daardoor het kwade in je broeder verzachten en uiteindelijk een goede broeder van hem maken!

[12] Als een heer een knecht heeft, die hij veel toevertrouwt, en deze knecht daarentegen, omdat hij de goedheid van zijn heer kent, zijn heer bedriegt en daarom een bestraffing verdient, -zal de heer dan beter en zachtaardiger tegen zijn knecht worden, als deze boos wordt en zijn heer een smadelijk weerwoord geeft zodra de heer de knecht roept en hem zijn ontrouw verwijt? Nee, zeg Ik, dan wordt die heer pas echt boos op de trouweloze knecht en hij zal hem laten boeien en opsluiten!

[ 13] Als de knecht echter, omdat hij ziet dat zijn heer hem voor zijn ontrouw wil straffen, voor zijn heer neervalt, hem zijn misstap berouwvol bekent en hem dan heel zachtmoedig en liefdevol om vergeving van zijn schuld vraagt, zal de heer dan ook zijn knecht op laten sluiten?! Nee, zeg Ik! Door de berouwvolle zachtmoedigheid van de knecht, zal de heer zelf zacht en toegeeflijk worden en zal hij de knecht niet alleen alles vergeven, maar hem daarbij ook nog goed doen.

[14] Vergeldt daarom nooit kwaad met kwaad als jullie allen goed willen worden! Als je echter diegenen veroordelen en straffen zult, die tegen je zondigen, dan worden jullie uiteindelijk allemaal slecht, en in niemand zal er meer echte liefde of iets goeds zijn!

[15] De sterke zal het recht opeisen om degenen te straffen die zich niet aan zijn wetten houden; de slachtoffers zullen daarentegen op wraak zinnen en proberen de sterke te vernietigen. Dan vraag Ik: Wat voor goeds komt hier uiteindelijk uit voort?!

[16] Veroordeel en verdoem daarom niemand, opdat je zelf niet eveneens veroordeeld en verdoemd wordt! Hebben jullie allemaal deze allerbelang­rijkste les begrepen? Want zonder deze leefregel kan Mijn rijk in jullie nooit terrein winnen!

 

 

75 Behandeling van dieven, rovers en moordenaars

 

[I] Simon Petrus zegt: 'Ja Heer, de kern van de zaak hebben we wel begrepen; maar er is ook een schaduwzijde aan deze zaak, vind ik. Als we volgens Uw leer het straffen van het kwade helemaal achterwege laten, dan zal het aantal boosdoeners zo snel toenemen als het gras op de aarde en het zand in de zee. Bij iedere wet behoren toch passende straffen, anders is het geen wet. -Of kan een wet ook zonder straf bestaan?

[2] Ik zeg: 'Mijn beste, je oordeelt hier net als een blinde over de kleur van het licht! Ga nu eens kijken in de dierentuinen van de rijken; daar zie je allerlei wilde dieren, zoals tijgers, leeuwen, panters, hyena's, wolven en beren. Als die beesten niet in sterke kooien zaten, wie zou dan in hun buurt geen gevaar lopen?! Het zou echter wel heel dwaas zijn, om de tere lammetjes en duiven in kooien te houden!

[3] In de hel zijn beslist de strengste wetten nodig, met daaraan verbonden de pijnlijkste straffen; maar in Mijn Rijk, dat de hemel is, heeft men geen behoefte aan een wet en nog minder aan een straf!

[4] Ik ben niet gekomen, om jullie door de harde straffen van de wetten der hel op te voeden, maar alleen om jullie door liefde, zachtmoedigheid en waarheid voor de hemel klaar te maken. Als Ik jullie nu door Mijn nieuwe leer uit de hemel bevrijd van de wet en als Ik jullie de nieuwe weg door het hart naar het ware eeuwige vrije leven wijs, waarom wil je dan toch nog steeds veroordeeld en verdoemd onder de wet leven, en waarom bedenk je dan niet, dat het beter is lichamelijk duizendmaal te sterven in de vrijheid der liefde, dan één dag te leven onder de dood van wet?!

[5] Het spreekt vanzelf, dat men de dieven, rovers en moordenaars moet pakken en opsluiten; want zij zijn net als de wilde verscheurende beesten, die als spiegelbeelden van de hel in holen van de aarde leven en dag en nacht op de loer liggen om te roven. Het is zelfs een plicht van de engelen in de hemel om daarop een rechtvaardige jacht te maken; maar niemand mag ze vernietigen, men moet ze in de gevangenis onderbrengen en daar kalmeren en temmen! Alleen in geval van gewelddadige weerstand moeten ze gekortwiekt en bij hardnekkige weerstand ook lichamelijk gedood worden! Want dan is een dode hel beter dan een hel, waarin leven is.

[6] Maar wie ooit een opgesloten dief, rover of moordenaar nog verder berecht of doodt, die zal Ik eenmaal met toornige ogen aanzien. Want hoe zwaarder de mensen hun boosdoeners berechten en straffen, des te onmenselijker, voorzichtiger, stiekemer en hardnekkiger zullen de zich nog in vrijheid bevindende boosdoeners worden; en als ze dan 's nachts in een huis inbreken, zullen ze niet alleen alles nemen wat ze vinden, maar ze zullen ook allen vermoorden en alles vernietigen, wat hen misschien zou kunnen verraden.

[71 Als je echter het strenge recht wegneemt en alle mensen de wijze raad geeft, dat ze degene, die van iemand een rok vraagt, ook de mantel erbij moeten geven, dan zullen de dieven weliswaar nog wel komen en het een en ander van jullie eisen, maar roven en moorden zullen ze niet!

[8] Als echter de mensen uit ware liefde tot hun broeders en zusters door hun liefde tot Mij de vergankelijke goederen van deze aarde niet meer zullen bijeen garen en zullen leven zoals Ik, dan zullen er al gauw geen dieven en nog minder rovers en moordenaars zijn!

[9] Wie meent, dat de boosdoeners door strenge wetten en steeds zwaardere veroordelingen ooit nog eens uitgeroeid zullen worden, die vergist zich heel erg! In de hel is nog nooit een tekort geweest. Wat heb je er aan, als je één duivel doodt, en de hel stuurt er meteen tien voor in de plaats, die stuk voor stuk tienmaal erger zijn dan de eerste?! Als de boze bij zijn komst tegenover een andere boze komt te staan, dan wordt hij woedend en verandert in een complete satan; als hij echter bij zijn komst slechts liefde, zachtmoedigheid en geduld vindt, dan Iaat hij zijn boosheid varen en gaat verder .

[10] Als een leeuw ziet, dat een tijger of een andere vijand hem nadert, dan wordt hij meteen woedend, springt er met al zijn kracht op af en vernietigt zijn tegenstander; maar een zwak hondje mag met hem spelen en hij wordt zachtmoedig. En zelfs als een vlieg op hem af komt en nog wel op zijn sterke poten gaat zitten, bekijkt hij deze nauwelijks en Iaat hem ongehinderd wegvliegen, want de leeuw houdt zich niet bezig met het vangen van muggen en vliegen. Zo zal iedere machtige vijand zich tegenover jullie gedragen, als je hem zonder geweld tegemoet komt.

[11] Zegen daarom liever je vijanden, dan dat je ze vangt, berecht en in kooien zet, dan zul je gloeiende kolen op hun hoofden stapelen en ze voor jullie onschadelijk maken!

[12] Met de liefde, de zachtmoedigheid en het geduld kom je overal terecht; als je echter de mensen, die ondanks hun blindheid tenslotte toch je broeders zijn, berecht en veroordeelt, dan zul je in plaats van de zegen van het evangelie slechts vloek en tweedracht zaaien onder de mensen op de aardbodem!

[13] In alles moeten jullie daarom in woord, leer en daad Mijn leerlingen zijn als je tot uitbreiding van Mijn Rijk op aarde Mijn dienaren wilt zijn en worden! Wil je dat echter niet, of vind je dat te bezwaarlijk of niet juist, dan kunnen jullie beter allemaal naar huis gaan; ook uit stenen kan Ik Mij leerlingen maken!

 

 

76 De mens kent het goede, maar doet het kwade

 

[1] Simon Petrus zegt: 'Heer! Wie zal U verlaten, wie zal U niet willen dienen?! Want U alleen geeft immers richtlijnen voor het leven zoals ze vóór U nog nooit door een mens zijn uitgesproken! U kunt alles van ons verlangen en wij zullen het doen, maar verlang nooit van ons dat we U moeten verlaten! Heb echter geduld met ons in onze grote zwakheld en sterk ons door de genade van de Vader in de hemel, die ook U zo wonderbaar gesterkt heeft, zodat U daar staan kunt en kunt Ieren en werken in volkomen eenheid met Uw Vader in de hemel!

[2] Datgene, wat U ons op de berg geleerd heeft, willen wij in l!.w naam altijd tot de Vader bidden en zeggen: Vader in de hemel! Uw rijk kome en Uw wil, die alleen heilig is, geschiede! En vergeef ook U ons onze zwakheden en zonden, zoals wij degenen vergeven, die ons kwaad gedaan hebben!'

[3] Ik zeg: 'Simon, deze taal bevalt Mij beter dan je eerdere verdediging van de wet en diens straf! Wat heeft een land of rijk eraan als het met grote dwang de rust en orde handhaaft?! Het zal best een tijd goed gaan; maar wanneer het voor de te sterk onderdrukte duivels te zwaar wordt, dan zullen ze opspringen en onder hoongelach de wet en de wetgever onder de voet lopen. Want zolang je nog met geweld in toom gehouden en geleid moet worden, ben je een duivel; maar als je je door de liefde, de zachtmoedigheid en het geduld Iaat leiden, ben je als een engel van God, en waard om een kind van de Allerhoogste te zijn!

[4] Met liefde bereik je alles, het geweld haalt alleen de duivel maar uit zijn slaap! En als die wakker is, kun je niet veel goeds voor de aarde verwachten!

[5] Daarom is het veel beter, dat de liefde en de zachtmoedigheid in de mensen groeit en altijd wakker blijft en dat daardoor de duivels de kans krijgen om te slapen en te rusten zodat ze de aarde geen kwaad doen, dan dat men de duivels met het dreunende lawaai van het geweld wakker schudt, waarna zij dan de aarde en alles wat daarop is te gronde richten! Zeg maar eens, wat je daar tegen inbrengen wilt en kunt!'

[6] Simon Petrus zegt: 'Heer, daar is niets tegen in te brengen; want het is allemaal duidelijk en goed begrijpbaar! Maar hoeveel van de hier op aarde levende mensen weten iets af van deze heilige waarheid?! Heer, er zijn toch legioenen engelen uit de hemel bij ons; waarom zendt U ze niet naar alle mensen op de gehele aarde om Uw waarheid aan hen allen mee te delen! Ik denk, dat als dat zou gebeuren, het zeker lichter en beter zou worden op de zondige aardbodem!'

[7] Ik zeg: 'Dat is jouw mening; maar Ik moet daarover toch met je van mening verschillen! Kijk, duizendmaal meer engelen dan je hier ziet, zijn er altijd al bij de mensen, en ze beïnvloeden hun innerlijke gevoelens en gedachten zonder de mens tot iets te dwingen, en daardoor kan de mens toch die gedachten, wensen en neigingen geheel als de zijne aannemen en volgen! Wat gebeurt er echter?!

[8] In hun binnenste denken de mensen wel het goede, ze hebben goede wensen en prijzenswaardige voornemens; maar als het op het doen aankomt, dan kijken ze naar de wereld, hun bezit en naar de bedrieglijke behoeften van hun lichaam, en wat ze dan doen is slecht en zelfzuchtig!

[9] Ik wil wel massa 's pure boosdoeners voor je hierheen brengen en ze vragen, of ze zich ervan bewust zijn dat ze kwaad doen, -en ze zullen allemaal toegeven, dat ze het weten! Vraag je ze echter waarom ze dan kwaad deden, dan zullen velen zeggen: 'Omdat we het prettig vinden!', en anderen zullen zeggen: 'We wilden wel het goede doen, maar omdat de anderen kwaad doen, daarom doen wij het ook!' En nog anderen zullen zeggen: 'Wij kennen het goede wel, maar wij zijn niet bij machte het uit te voeren; want we zijn nu eenmaal zo, we moeten diegene haten, die ons beledigd heeft!'

[10] Wel, je zult van al die mensen allemaal van dat soort antwoorden krijgen en dat zal je er gauw genoeg van overtuigen, dat zelfs de grootste en ergste boosdoeners kennis hebben van het goede en het ware, maar toch het kwade doen!

[11] Als nu de mensen, ondanks hun besef van binnenuit, toch kwaad doen, wat verwacht je er dan van als Ik van buitenaf op hen in laat werken?! Ja, van nu af aan zal er ook van buitenaf inzicht aan de mensen gegeven worden over het goede en het ware uit de hemel, en ze zullen Mij en jullie en nog velen, die hen leren zullen het goede te doen en het kwade te laten, daarvoor doden!'

[12] Simon zegt: 'Heer, als dat zo is, dan moest de hele wereld maar beter helemaal aan de duivel worden overgelaten! Wat heb je nu aan zo'n mensenwereld, die nooit het goede erkennen en aannemen wil?!'

[13] Ik zeg: 'Wie, zoals jij, toegeeft aan zijn emoties, is nog ver van Mijn Rijk verwijderd! Maar nadat Ik opgevaren ben, zal je anders praten! ­

Het is nu echter al avond, laten we daarom in huis gaan en daar onze vermoeide ledematen rust gunnen!'

 

 

77 De Heer weet de juiste maat

 

[1] Nadat Ik dat gezegd heb, dringen veel mensen, die tijdens het gesprek met Simon Petrus hierheen gekomen zijn, zich naar voren en eisen van Mij dat Ik tekenen doe. Ze zeggen: ' Als u voor die domme blinden tekenen kunt doen, dan willen wij dat ook wel eens zien! Als u dat werkelijk kunt, dan geloven wij u ook; is het echter bedriegerij, dan weten we meteen wat ons te doen staat! Wij kunnen dat beoordelen, want we hebben overal verstand van!’

[2] Ik zeg: 'Goed, als u dan overal verstand van hebt, waarom hebt u dan tekenen nodig? Wanneer u zo wijs bent dat u denkt net als God overal verstand van te hebben, dan moet u zonder meer toch vast kunnen stellen, of Ik de waarheid verkondig of niet! Waar hebt u dan die tekenen voor nodig?! In bijna drie en een halve dag zijn hier een groot aantal zeer bijzondere tekenen gedaan, waar honderden betrouwbare getuigen voor instaan dat ze echt waren; als dat voor u niet voldoende is, dan zullen uw boosaardige harten de nieuwe tekenen ook beneden de maat vinden! Wees daarom zo verstandig om zelf hier vandaan te gaan, anders zult u met geweld verwijderd worden!'

[3] Degenen, die zo antwoord gekregen hebben, schreeuwen: 'Wie zal, wie kan en mag ons hier met geweld verwijderen?! Wij zijn toch zeker de bestuurders van deze plaats, waar wij als burgers van Rome wonen, handel drijven en werken en besturen?! Wij kunnen jóu welogenblikkelijk laten verwijderen of wegjagen, maar denk niet, dat jij onnozele Galileeër óns hier kunt verwijderen, zoals dat in je kraam te pas komt! En nu gebieden wij je dan ook meteen, daartoe gerechtigd door onze hier geldende onbeperkte macht, dat je vóór middernacht de stad verlaat; want we zijn je gescharrel hier zat geworden!'

[4] Ik zeg: 'O blinde dwazen! Hoe lang wilt u nog in uw onbeperkte macht blijven leven? Slechts één gedachte van Mij, en u zou met uw onbeperkte macht ogenblikkelijk in stof veranderen! Ga daarom terug naar uw huizen, anders zal de plaats waar u staat u opslokken!'

[5] Op dit moment splijt de grond vlak voor hun voeten uiteen, en rook en vuur lekken uit de spleet omhoog. Als de praatjesmakers dat zien, jammeren ze: 'Wee ons! We zijn verloren! Want we hebben tegen Elia gezondigd!' Al kreten slakend rennen ze weg, en de spleet sluit zich weer. Heel kalm gaan wij dan het huis van Joram binnen.

[6] Bij onze binnenkomst in het huis van Irhaël en Joram staat daar alles voor het avondmaal gereed. Ik spreek de zegen uit en iedereen gaat aan de tafels zitten; allemaal bij elkaar zijn dat nu zo'n duizend mensen. Allen eten en drinken en prijzen de bijzonder goede smaak van de spijzen en van de wijn en men is vrolijk en opgewekt. Alleen de overste, die ons met zijn genezen vrouwen enige onderkommandanten uit het eerder genoemde plaatsje hierheen begeleid heeft, was somber gestemd en at en dronk weinig. Jonaël ging naast hem zitten en vroeg hem naar de reden van zijn sombere stemming.

[7] De overste zuchtte diep en zei: 'Edele wijze vriend! Hoe kun je nu toch opgewekt zijn, als je bijna de hele mensheid nog duizend maal te slecht vindt voor de onderste Tartarus, gesteld al dat die er zou zijn. Als twee uitgehongerde wolven een bot vinden en dan door honger gedreven daarom op leven en dood met elkaar vechten, dan is dat begrijpelijk! Want ten eerste zijn het wolven, dieren zonder hersens, door de natuur in stand gehouden machines, die door de hun opgelegde natuurlijke aard gedreven worden zich te verzadigen, en ten tweede zijn ze daardoor goed beschouwd totaalontoerekeningsvatbaar, zoals een gezwollen beek, die door haar grote en zware watermassa alles vernietigt wat ze op haar weg tegenkomt. Maar hier gaat het om mensen die van zichzelf zeggen, dat ze in zekere zin alle kennis en wijsheid hebben, maar die ondanks dat in hun hart erger zijn dan alle wolven, tijgers, hyena's, leeuwen en beren! Voor zichzelf eisen ze alle mogelijke consideratie, terwijl ze hun medemensen in geen enkelopzicht ontzien! -Vertel jij me nu eens, vriend, zijn dat dan nog mensen?! Verdienen zij ook maar het minste medeleven?! Nee, zeg ik, en nog eens duizendmaal nee! Wacht maar, jullie onbehouwen volk! Ik zal het jullie wel eens duidelijk maken, zodat je voor altijd horen en zien zal vergaan!'

[8] Jonaël zegt: 'Wat wil je dan doen? Als je de hele kliek ombrengt, dan maak je je ergens anders weer vijanden; die zullen je verraden aan Rome, en daar kun je dan een slechte naam krijgen die maken kan dat je vervolgens naar een plaats ergens in het land van de Scythen verplaatst wordt! Laat daarom de wraak maar aan de Heer alleen over en wees ervan verzekerd, dat Hij dit volk precies dat zal geven, wat ze nodig hebben!

[9] Lees de geschiedenis van mijn volk maar eens, en die zal je haarfijn aantonen, hoe de Heer in alle tijden iedere zonde die het volk beging, zeer streng en vaak haast onverbiddelijk heeft gestraft, en ik zeg je: De Heer van hemel en aarde is nog voortdurend onveranderlijk Dezelfde, Die Hij alle eeuwigheden door was! Hij is lankmoedig, zeer geduldig en laat het volk nooit helemaal zonder leraar en tekenen van boven; maar wee het volk, als de Heer eens Zijn geduld verliest! Als Hij eenmaal de grote tuchtroede zwaait, dan houdt Hij ook niet op voordat alle ledematen van het volk fijngehakt zijn en haar botten zo murw worden als een lichte en dunne brei!

[10] Wat jij hier met veel gevaar en moeite zou doen, dat kan de Heer door de geringste gedachte. Zolang de Heer echter Zelf zulke mensen wil verdragen, moeten wij onze handen thuis houden.

[11] Je hebt toch gezien, hoe weinig moeite het voor de Heer was om de aarde voor de boosdoeners te laten scheuren, en daarna rook en vuur uit de gapende scheur te laten opstijgen?! Het zou net zo eenvoudig voor Hem geweest zijn, om deze lasteraars in stof en as te veranderen! Maar Hij vond het voldoende ze alleen maar schrik aan te jagen en op de vlucht te drijven.

[12] Als dat voor de Heer voldoende is, dan moet dat voor ons ook voldoende zijn; want Hij alleen weet altijd de juiste maat te bepalen! Nu de Heer hier bij ons echter blijkbaar goed geluimd is en toont, dat Hij toch nog wat vreugde beleeft aan ons groepje, waarom zullen wij dan somber en treurig zijn?! Wees vrolijk en opgewekt en verheug je in de genade van God; en laat al het andere helemaal aan Hem over!’

 

 

78  Straffen als geneesmiddel

 

[1] De overste zegt: 'Beste wijze vriend! Wat je zegt is zonder meer waar, maar wat moet ik als vreemdeling daar nu over zeggen?! Ik ben nu tot geloof gekomen en ik ben er geheel en al van overtuigd dat deze Jezus uit Nazareth niemand anders is dan de enig werkelijke God in menselijke gedaante. En dat concludeer ik niet speciaal uit de grote tekenen die Hij deed, maar veel meer uit Zijn onbegrensde wijsheid! Want wie een wereld scheppen wil, moet zo wijs zijn als Hij in ieder van Zijn woorden is!

[2] Maar deze schurken hier bezondigen zich op de ergste manier door zich Gods kinderen te noemen, tot wie God in alle tijden hetzij indirect of direkt gesproken heeft; en nu Hij Zelf in levende lijve tot hen komt, verachten ze Hem als een straatboef en willen Hem bovendien nog de stad uit gooien! Vriend, ik ben een Romein, volgens mijn godsdienst ben ik een gebrekkig pantheïst, een blinde heiden dus, en ik geloof in Hem en sta voor dit nieuwe geloof met mijn leven in!

[3] Als het heidenen zouden zijn, dan zou ik geduld met hen hebben; maar omdat ze zich Gods kinderen noemen en God, die ze hun eeuwige Vader noemen, op deze wijze honen, daarom heb ik als vreemdeling geen geduld met hen!

[4] Zij wilden God de Heer uitwijzen; nu zullen zij uitgewezen worden!

Het ongedierte en het onkruid moet weg, opdat hier op deze akker die de Heer nu Zelf bewerkt heeft, een zuivere vrucht zal groeien! Want als het onkruid hier blijft, dan bederft het op korte termijn alles wat de Heer Zelf hier zo heerlijk heeft gezaaid! Zeg me nu eens heel eerlijk, ­heb ik gelijk of niet? Aan wie moet ik meer waarde hechten, -aan de Heer of aan dit ellendige straatgespuis?!'

[5] Jonaël zegt: 'Dat je van jouw standpunt uit bekeken helemaal gelijk hebt, kan en zal niemand je bestrijden; maar of zoiets nu al meteen noodzakelijk is, dat is dan weer een heel andere vraag. Het kan zijn dat deze booswichten, omdat ze nu erg geschrokken zijn, tot inkeer zullen komen en berouw zullen hebben over hun boosheid en hun leven zullen beteren; en dan zou het toch niet juist zijn, om ze allemaal uit te wijzen! Want een zonde blijft bij de mens alleen strafbaar zolang hij in de zonde blijft; legt de mens echter de zonde geheel af en voegt hij zich naar de door God ingestelde orde, dan is de mens losgekomen van de zonde en diens straf!

[6] Het zou toch erg onzinnig zijn om een geheel verbeterd mens te straffen, omdat hij vroeger één of meer keren in zijn blinde dwaasheid en zwakte gezondigd heeft; dat zou onwaardig zijn voor een echt mens, en tegen de goddelijke orde in. Zo'n straf zou op een haar na precies lijken op die van een domme dokter die, nadat zijn zieken gezond zijn geworden, naar hen toeging en zei: ' Jullie zijn nu weliswaar weer helemaal gezond , maar je begrijpt ook wel dat jullie lichaam, en wel dit of dat bepaalde deel, tegenover jullie gezondigd heeft en nu gestraft dient te worden in die mate waarop het je geplaagd heeft!' Als de genezenen dan hun lichaam, dat nog maar net genezen is, met allerlei kwellingen zullen laten bestraffen, of als men hen gewelddadig martelt, wat zal er dan van hun genezing terecht komen?! Wel ze zullen daardoor beslist tien maal zieker worden dan ze eerst waren! De vraag is dan: Wat was het nut van zo'n ontijdige bestraffing van het vlees? -Is de behandeling zelf dan al niet voldoende bestraffing van het vlees? Waarom dan nog een straf achteraf, die het gezonde vlees weer ziek maakt?! Als zo'n behandeling in het vleselijke al oerdom genoemd kan worden, hoeveel te meer als dit zonder een spoortje medelijden in het geestelijke toegepast wordt?!

[7] Het is wel onze plicht om de mensen, die gezondigd hebben en hun leven daarna geheel gebeterd hebben, broederlijk te wijzen op de grote gevaren der zonde. We moeten hen daarentegen ook in hun verbeterde toestand met alles, wat ons ter beschikking staat, steunen en sterken, opdat ze nooit weer terugvallen in het slavendom van de zonde; maar als je ze na hun verbetering ter verantwoording roept en straft, dan maak je je er aan schuldig, dat de verbeterde zondaars terugvallen in tienvoudig grotere en ergere zonden!

[8] En dan vraag je je af, of zó'n handeling voor God niet honderdmaal strafbaarder zou zijn dan alle zonden, die de veroordeelden ooit begaan hebben! -Geloof mij, de straf die iedere zonde al met zich meesleept, is een geneesmiddel tegen de kwaal van de ziel, die 'zonde' heet; als de kwaal echter al verholpen wordt door het in de kwaal opgesloten geneesmiddel, waarom zou er dan nog een volgend geneesmiddel nodig zijn, als de kwaal al over is?!' De overste zegt: ' Als een middel ter voorkoming van het mogelijk weer de kop opsteken van de kwaal!'

[9] Jonaël zegt: ' Ja, ja, voorbehoedmiddelen zijn wel goed en noodzakelijk; maar ze moeten, zoals ik al eerder gezegd heb, ondersteunend en versterkend werken, maar niet verzwakkend en zelfs dodelijk zijn! Met toorn verzacht men nooit toorn, dat gebeurt alleen door liefde, zacht­moedigheid en geduld!

[10] Als iemand in brand staat, moet men water over hem heen gieten, en geen kokende teer of roodgloeiend vloeibaar erts! Als iemand zijn been breekt moet men hem dragen en het gebroken been zetten, het verbinden en die persoon in een goed bed leggen, opdat zijn beenbreuk zal genezen; maar men moet hem niet met knuppels slaan omdat hij zo onhandig liep dat hij viel en zijn been brak!

[11] Nog niet zo lang geleden heb ik me eens door een zendeling, die uit het land van de Scythen terugkwam en daar was geweest om die mensen de God van Abraham, Isaäk en Jacob te verkondigen, laten vertellen, dat deze wilde, steeds rondtrekkende volken een mens, als hij gestorven is, ervoor straffen dat hij dood ging! Ze kleedden hem bijna geheel uit, bonden hem dan zo aan een paal en geselden hem een hele dag lang; en dat deden ze ook, als de dode door iemand anders gedood was. Want dat was puur zijn eigen schuld, omdat hij zich had laten overweldigen en tenslotte zelfs had laten doden! De moordenaar werd echter geprezen, omdat hij de ander overwonnen en zijn eigen leven behouden had!

[12] Hoe dom dit ook klinkt, het lijkt toch precies op wat wij doen, als we op de een of ander manier iemand, die door de zonde, wat toch een echte ziekte van de ziel is, al zonder meer geestelijk dood is, nog doder willen maken dan hij al is!

[13] Een zieke heeft wel de dokter en het goede geneesmiddel nodig; maar hem ervoor straffen, omdat hij het ongeluk had om ziek te worden, dat, beste vriend, hoort thuis in het ergste deel van het land der Scythen! Ik denk echter wel, dat je nu zult inzien dat het altijd beter is de Heer van het leven in alles na te volgen, dan Hem met grove onbekwame handen met wat dan ook te willen helpen, en daardoor de grote goddelijke kwekerij op een duivelse manier moedwillig of toch zeker uit pure domheid te gronde te richten!

 

 

79 De behandeling van zielsziekten

 

[1] De overste, die erg onder de indruk is van de treffende en waarachtige toespraak van Jonaël, zegt nu: 'Ja, nu is het mij wel helemaal duidelijk, en ik zie van mijn voornemen af! Pas als jij het mij zult vragen zal ik het uitvoeren, en ik zal jou, als de door God aangestelde leider van deze gemeente, op die manier steeds de leiding geven; zonder jouw raad zal ik in het vervolg niets meer doen'.

[2] Jonaël zegt: 'Ik feliciteer je met je besluit, het zal de Heer welgevallig zijn! Als iemand lichamelijk ziek is, dan moet hij lichamelijke hulp hebben; is iemand echter zielsziek, dan moet hij een aan de ziekte aangepaste zielkundige hulp krijgen!

[3] De zielsziekten van kinderen kan men het beste genezen door een goede vast omschreven tucht, waarbij de roede niet ontbreken moet; de zielsziekten van volwassenen worden echter genezen door wijze en lief­devolle raad, door degelijke leer en onderwijs, door uit zuivere liefde opwellende vermaningen en door het wijzen op de onafwendbare ernstige gevolgen, die anders zullen ontstaan als de zwakke ziel de goede raad niet opvolgt. Als bij de erge verstokten, ofwel blinde en dove zielen, dit alles geen resultaat meer oplevert, dan pas wordt het tijd om zulke wezens een strengere en krachtiger behandeling te geven, waarin echter de naastenliefde toch ten volle aanwezig moet zijn, want zonder naastenliefde rust er geen zegen op een krachtiger behandeling!

[4] Als de leiding echter uit toorn en helse wraaklust handelt, dan is alle moeite tevergeefs! In plaats van de zielszieken te genezen tot echte mensen, verandert men ze in duivels met een onstilbare dorst naar wraak.

[5] De satan kan door macht en geweld van boven wel een tijdlang vastgehouden worden, maar als de Heer Zijn macht terugtrekt en de satan de boeien afneemt vanwege de hoogmoedige mensen, die ondanks alles van mening zijn, dat ze door eigen macht en wijsheid, bestaande uit een onverbiddelijke tirannieke hardheid, hun gewenste orde in stand kunnen houden, dan is het met de macht van degenen, die dachten dat ze macht hadden, ineens afgelopen! Want de door zo'n verkeerde behandeling in pure duivels veranderde mensen zullen zich als een gezwollen rivier over hen heen storten en hen vernietigen, alsof ze er nooit geweest waren!

[6] De doodstraf heeft echter de slechtste uitwerking! Want wat heb je eraan om iemands lichaam te doden, als je zijn ziel en geest niet gevangen kunt houden, waarin zich toch de werkelijke kracht voor het handelen en het doen bevindt!

[7] Wie gelooft, dat hij van zijn vijand af zou zijn door het doden van diens lichaam, is met een tienvoudige blindheid geslagen! Want juist daardoor maakt hij uit één zichtbare, zwakke vijand, duizend onzichtbare vijanden, die hem daarna dag en nacht vervolgen en hem schade be­rokkenen aan lichaam, ziel en geest!

[8] Kijk naar een oorlog, waar niet zelden duizenden mensen lichamelijk gedood worden! De overwinnaar denkt nu, dat hij van zijn vijanden af is, omdat hij ze volgens zijn blinde gedachte lichamelijk vernietigd heeft. Maar dat is een hele grote vergissing! De zielen en geesten van de gedode mensen hebben een direkte invloed op de weersgesteldheid op aarde en langs die weg vernietigen ze alle mogelijke zaden en vruchten; de voedingsmiddelen worden hierdoor schaarser en duurder, daardoor ont­ staat hongersnood en dat geeft weer aanleiding tot allerlei besmettelijke ziektes en pest! Daardoor worden bij de overwinnaar in korte tijd meer mensen weggemaaid, dan er bij zijn vijand soldaten gedood zijn. Omdat de macht van zijn eigen land hierdoor te gering is geworden, moet hij soldaten uit vreemde landen voor veel geld gaan werven. Zijn land komt daardoor in de schulden en na een aantal jaren, als land en volk totaal verarmd zijn en hij zijn schulden en soldaten niet meer kan betalen, zal men hem dra onder verwensingen overal gaan vervolgen. Zijn volk, dat hem de macht gaf, zal door de te grote nood tegen hem opstaan en de vijanden van buitenaf zullen deze gelegenheid ook niet onbenut voorbij laten gaan en zij zullen tegen hem ten strijde trekken, en hij, de eerst gevierde overwinnaar, zal die strijd nooit winnen, maar de vertwijfeling zal hem als met tijgerklauwen grijpen en geestelijk tot in zijn binnenste levensvezels verscheuren!

[9] Kijk, dat is dan allemaal het gevolg van het lichamelijk doden van vijanden!

[10] Dit is dan ook de oorzaak van het ontstaan van een oeroude regel en gebruik, dat alle naasten van een lichamelijk stervende zich met hem verzoenen en zich door hem laten zegenen. Want sterft hij als iemands vijand, dan is de nog in leven zijnde vijand te beklagen. Want ten eerste zal de vrijgekomen ziel het gemoed van de overlevende zonder ophouden martelen door hem te kwellen met gewetenswroeging, en ten tweede zal ze alle aardse omstandigheden, die betrekking hebben op de overlevende, zodanig leiden, dat de overlevende vrijwel niets meer gelukken zal!

[11] Dit wordt allemaal door de Heer toegelaten, opdat de beledigde zielen de verlangde genoegdoening krijgen, en omdat de overlevende oneindig veel beter in deze wereld der materie gepijnigd kan worden voor zijn hoogmoed, dan dat hij direkt na zijn lichamelijke dood in honderd­duizend handen van vijandelijke geesten terecht zou komen, die met hem, als een geheel onervarene in die wereld, zeker niet vriendelijk om zouden gaan!

[12] Daarom is het nu juist ook zo dringend nodig om op deze wereld liefde en ware vriendschap te geven en welke vijand dan ook liever goed dan kwaad te doen en diegene te zegenen, die mij vervloekt; want ik kan niet weten wanneer de Heer hem van deze wereld zal wegroepen! Als hij in deze wereld slechts in bepaalde kleine dingen een vijand van mij was, dan zal hij het mij later als geest honderdvoudig in grote dingen terugbetalen.

[13] David was toch vanaf zijn jeugd een mens en een man naar het hart van Jehova, maar hij had zich slechts één mens, namelijk Uriah, tegen de wil des Heren tot vijand gemaakt, en hoe erg heeft toen, met toestemming van de Heer, Uriah's geest wraakgenomen op David! En dat is en blijft steeds het onontkoombare gevolg van een vijandige handeling een mens aangedaan, tegen de wil van God!

[14] Ja, het is heel wat anders, als de Heer daartoe Zelf opdracht geeft, zoals Hij David tegen de Filistijnen heeft bevolen om, reeds tot de duivel behorende Gods­ en mensenvijanden, met oorlogsgeweld te slaan en naar aardse termen te vernietigen! Die komen aan gene zijde meteen in een streng oordeel terecht en kunnen zich nooit en te nimmer tegen de arm Gods verheffen; want ze worden door de macht des Heren tot nederigheid gebracht.

[15] Weer geheel anders staat het met die vijanden, die je je zonder Gods opdracht gemaakt hebt door je onvriendelijkheid, door je eventuele hoogmoed of door de gebrekkige menselijke rechtspleging, waarvan reeds spreekwoordelijk gezegd wordt, dat het hoogste recht tevens het hoogste onrecht is; die zullen na het afleggen van hun lichamen zeker je onver­zoenlijkste vijanden worden!

[16] Als ik ze had zou ik je duizend levens geven als je mij één gelukkig mens aan kunt wijzen, wiens vijand al eerder naar de andere wereld is gegaan! Ik heb er nog nooit één gezien! Daarentegen ken ik wel gevallen, waarbij de wraak van een vijandige geest een familie tot in het tiende geslacht achtervolgde, en ook, dat grof beledigde mensen na hun dood als geesten een land of streek vele jaren lang zodanig verwoest hebben, dat geen mens daarin leven kon! Vriend, hoe ongeloofwaardig je deze echt welgemeende les mag voorkomen, het is een keihard feit! En stel dat het niet waar zou zijn, hoe zou ik het dan ooit hebben kunnen wagen dit nu in het bijzijn van de Heer en Zijn engelen tegen je te zeggen?! Als je echter toch nog enige twijfel hebt, vraag het dan aan de Heer, de eeuwige schepper van alle dingen, en Hij zal getuigen of ook maar één van mijn woorden onwaar was!

 

 

80 Vermijd de eigendunk

 

[1] De overste zet grote ogen op, net als veel van de andere aanwezige gasten en zegt: ' Ja, als dat zo is, dan is het aardse leven een bijzonder gevaarvolle onderneming; wie zal dat overleven?'

[2] Ik zeg: 'Ieder, die leeft volgens Mijn leer! Wie echter leeft volgens zijn eigen, merendeels door de eigenliefde en de hoogmoed gevoede eigendunk en die degene, die hem ergens mee beledigd heeft, niet van ganser harte kan vergeven en hem ook niet tienvoudig kan zegenen, die zal dan ook vroeger of later de onafwendbare gevolgen van de vijandschap smaken, waarbij hij volstrekt geen bescherming van Mij heeft te verwach­ten, behalve als hij zijn schuld aan de vijand tot op de laatste penning betaald heeft! Leef daarom met iedereen in vrede en eendracht! Het is beter voor jullie om onrecht te verdragen, dan ook maar schijnbaar iemand onrecht aan te doen. Daardoor zul je je geen wrekers bezorgen en de geesten, die anders je vijanden zouden zijn geworden, worden dan je beschermgeesten en zullen veelonheil van je hoofden afwenden!

[3] Waarom dat alles echter zo is en moet zijn? Daar antwoord ik op: Omdat het zo moet zijn volgens Mijn wil en Mijn onveranderlijke orde!'

[4] De overste zegt: 'Ja, Heer, ik herken nu overduidelijk Uw eindeloze en door niets beperkte liefde en wijsheid en zeg: Als misschien eens alle mensen doordrongen zullen zijn van Uw leer, dan zal de aarde geheel en al in een hemelrijk zijn veranderd! Maar - en dat is een enorm groot maar! - wanneer zal dat gebeuren?!

[5] Als ik me nu de grote aarde voorstel, waarvan geen onderzoeker nog heeft vastgesteld waar ze begint en waar ze eindigt, en denk aan het zeer grote aantal verschillende mensen dat het onmetelijk wijde aard­oppervlak bewoont, dan begint het mij te duizelen! De onbeschaafdste en ruwste kwaadaardigheid schijnt bij vele bewoners van de grote aarde de algemene hoofdtrek van hun levenswijze te zijn!

[6] Het overgrote deel van de mensen is geheel doortrokken met dierlijke zelfzucht en duivelse hoogmoed!

[7] Waar zich maar ooit een vredelievend volkje op de grote aardbodem vestigde en door gemeenschappelijk samenwerken een bepaalde welstand bereikte, daar werd het weldra opgespoord door de fijne neus van de wolf­ en tijgermensen en vijandelijk overvallen; de ongelukkigen werden overwonnen en daardoor duizendmaal ongelukkiger gemaakt, dan ze daarvoor in hun natuurlijke bestaan waren!

[8] In het geval echter dat zulke vreedzame en ontwikkelde volkjes toch nog door moed, wijsheid en geestelijke kracht de vijanden van zich af sloegen, waarbij ze deze, natuurlijk met de wapens in de hand, voor het grootste deel vernietigen moesten, zouden de geesten van de gedode vijanden vanaf dat moment nu juist hun grootste en schadelijkste vijanden worden. Dan vraag ik me in gemoede af: Hoe, wanneer en onder welke omstandigheden zal Uw heilzame leer op de aarde ooit helemaal ingang vinden en het doen en laten van alle mensen der aarde bepalen?

[9] Als slechts enkele volkeren zich in de milde stralen van Uw onover­trefbare leer in volkomen geluk zonnen, dan zullen ze van dag tot dag door steeds meer en meer vijanden omringd worden; als ze zich zonder tegenstand aan de vijanden overgeven, dan worden ze alleen maar slaven van hun veroveraars en zullen ze zich iedere druk, hoe onmenselijk ook, ja ten slotte zelfs het verbod tot navolging en uitoefening van deze leer van U,  moeten laten welgevallen.

[10] Als ze echter door welk machtsmiddel dan ook hun vijanden verslaan, dan zullen op dat moment de in de strijd gedode vijanden nu juist hun onoverwinnelijkste vijanden worden, en met het hemelse rijk op aarde zal het dan nog wel even duren, volgens mijn beslist niet als maatstaf dienende mening!

[11] Ik betwijfel dan ook ten zeerste of men nu juist - al is het voor de beste zaak -het kwaad van iedere vijand met goed moet beantwoorden! Ik betwijfel niet, dat je daardoor wel uit menig blinde vijand een ziende vriend zal maken; maar of die regel ook op grote aantallen vijanden van de goede zaak zegenrijk toegepast kan worden, dat, Heer, vergeef mij mijn zwakke begrip, wil ik dan toch gezien de eerder aangevoerde redenen, enigszins in twijfel trekken!

[12] Ik moet maar steeds aan dat onzalige Scylla en Charybdis denken, waar men, als men het geluk heeft de eerste vijand te ontlopen, door de tweede des te zekerder in de pan gehakt wordt! -Heer, geef ons hierover nog wat opheldering en ik zal al mijn vijanden broederlijk omarmen en alle gevangenen uit de kerkers vrij laten, -ook alle dieven, rovers en moordenaars, ook al zijn ze nog zo slecht!'

 

 

81 De Heer is de brug naar de geestelijke wereld

 

[1] Ik zeg: 'Vriend, als je Mijn leer zo uitlegt en begrijpt, ben je nog erg kortzichtig! Jonaël heeft je toch ook al gezegd dat een gevecht met een slechte vijand op bevel van God, of een niet te voorkomen geval van noodweer, door Mij zo geregeld is, dat mensen die in die gevechten gedood worden, ofwel hun zielen, direkt onder een streng oordeel vallen en noch hun rechtvaardige overwinnaar, noch ergens op de aarde schade kunnen berokkenen. Als dit nu een onwrikbare waarheid is, waaruit je duidelijk kunt zien wat de kern van deze zaak is; hoe kun je dan zo twijfelachtig over Mijn leer praten?!

[2] Wie heeft je dan verteld dat men echte misdadigers, die vaak erger zijn dan alle wilde beesten, niet moet gevangen nemen en op de een of andere wijze in verzekerde bewaring moet brengen?! Integendeel, de echte naastenliefde gebiedt je dit; want net zo zeker dat je, als een hyena een mens aanvalt, het beest met een scherp wapen zou doden, net zo zeker zul je een eerlijk mens te hulp komen, als die buiten op straat of in huis door een roofmoordenaar werd aangevallen.

[3] Omdat echter zulke menselijke hyena 's, als ze zich erg vermeerderen, niet alleen voor eenzame wandelaars, maar op het laatst ook voor hele woongemeenschappen gevaarlijk kunnen worden, daarom is het zelfs een noodzakelijke plicht van de machthebbende overheid, jacht te maken op zulke gevaarlijke mensen en ze in kerkers op te sluiten.

[4] Maar de doodstraf mag alleen over diegene uitgesproken worden, bij wie over een periode van tien jaar, elk middel om op welke wijze dan ook zijn leven te beteren, zonder gevolg blijft. Als de misdadiger op het schavot beterschap belooft, dan moet men hem nog een jaar erbij geven! Heeft in die tijd echter geen beterschap plaats gevonden, dan moet de doodstraf voltrokken worden; want van een beterschap van zo'n mens op aarde is dan niets meer te verwachten, en het is beter hem van de aarde te verwijderen!

[5] Als de rechtmatig machthebbende overheid echter met toestemming van het volk zo'n welverdiende doodstraf veranderen wil in een levenslange gevangenisstraf, en door wil gaan met te trachten de misdadiger te verbeteren, dan is ,ze daarin vrij, en. Ik zal ze daarvoor nooit ter verantwoording roepen.

[6] Zulke vijanden van de volgens Mijn leer levende mensen, hebben na hun dood geen macht om te reageren. Dat kunnen alleen maar die geesten, die, behorend aan mensen die het betere wilden op deze wereld, door tirannieke, bovenmatig hoogmoedige, zelf­ en heerszuchtige en derhalve ook totaalonrechtmatige heersers op de gruwelijkste wijze gedood zijn!

[7] Als onmenselijke rechters zich met hun onrechtvaardige vonnissen vijanden maken, zullen de geesten van deze vijanden zich op de onrecht­vaardige rechters wreken; want zij hebben van Mij toestemming om te reageren; maar de echt boze geesten mogen dat nooit! -Nu geloof Ik wel dat je geen twijfels meer zult hebben!?'

[8] De overste zegt: 'Ja, nu is de Scylla en de Charybdis wel van de baan; in dat opzicht ben ik nu helemaal klaar .

[9] Hoe Uw waarlijk heilige leer zich echter op een weg met zo ontzaglijk veel hindernissen baan zal breken door de nacht waarin de mensheid nu begraven ligt, dat is me nog net zo onduidelijk als voorheen! Als het puur met wonderen te weeg gebracht moest worden, dan zou het voor de mensen niet veel nut hebben, zoals U Zelf al zei, omdat op die manier de mensen, die vrij moeten worden en zijn, alleen maar machines zouden worden; daarentegen zal het langs de natuurlijke weg veel bloed kosten en een ontzettend lange tijd vergen! Ja, ik zou bijna met zekerheid durven zeggen, hoewel ik geen profetische gave heb, dat afgaande op mijn kennis van de mensheid uit de vrij verre omtrek van Azië, Afrika en Europa, van nu aan gerekend, binnen twee duizend jaar nog lang niet de helft van de aardse mensen zich in het licht van deze leer van U zal zonnen! - Heb ik gelijk of niet?'

[10] Ik zeg: 'In de aard van de zaak heb je volstrekt geen ongelijk. Maar over het geheel genomen heeft dat niet die waarde die jij daaraan hecht; want het gaat er hier niet zo zeer om of Mijn leer wel door iedereen op aarde aanvaard wordt, maar veel meer om de door Mijn huidige komst op aarde en de door Mijn woord en Mijn leer eindelijk geslagen brug tussen deze materiële en die geestelijke wereld, waarvan de eeuwige velden aan de andere zijde van het graf liggen!

[11] Wie Mijn leer aan deze zijde geheel zal aannemen, gaat reeds in zijn lichaam over deze brug; wie echter op de aarde Mijn leer lauw en onvolledig of helemaal niet aanneemt, die zal in die andere wereld een diepe duisternis om zich heen vinden, waardoor het heel moeilijk voor hem zal zijn om deze brug te vinden!

[12] Maar de mensen, die in het geheel niet met Mijn leer in aanraking komen, krijgen aan de andere zijde gidsen, die hen naar deze brug zullen brengen. Als de met Mijn leer onbekende geesten de gidsen volgen, zullen ze ook over de brug tot het ware leven komen; als ze echter hardnekkig bij hun eigen leer blijven, dan zullen ze overeenkomstig hun leer als schepsel slechts naar hun levenswandel geoordeeld worden en nooit het kindschap van God bereiken! -Kijk, zo zit het in elkaar! Denk er over na en zeg Mij, wat je er van denkt, -maar vlug; want weet je, Mijn tijd in deze plaats is bijna verstreken!'

[13] Na enig nadenken antwoordt de overste: 'Heer, alles is me nu klaar en duidelijk, en mocht ik in de loop van de tijd ergens aan twijfelen, nu, dan heeft U ons toch hier een man gegeven, die ons over alles onderrichten kan! Daarvoor zij Uw naam door mij en ons allen boven alles geloofd en geprezen! -Veroorloof mij alleen nog genadig een verzoek, en dat is dat als U nu van ons weggaat, U weldra weer tot ons zoudt willen terugkeren! Want hier zal het mijn voornaamste zorg zijn, dat U bij Uw terugkomst waardiger harten zult vinden dan dit keer het geval was !

 

 

82  Afscheid van Irhaël en Joram

 

(Maar na twee dagen ging Hij daar weg en trok naar Galilea. Joh. 4:43)

 

[I] Ik zeg: 'Ik zal jullie nog wel eens in het geheim bezoeken, maar dan moet niet de hele plaats van Mijn aanwezigheid in kennis gesteld worden, want door de grote belastingdruk in Judéa en Galiléa zullen zich hier steeds meer mensen vestigen, omdat dit land het minst onder druk staat en Mijn Jaïruth voor de armen bijna alle belasting betaalt.'

 

(Want Hij zelf Jezus, getuigde dat een profeet in eigen land niet meetelt. joh. 4:44)

 

[2] Temidden van zoveel streekgenoten heeft een profeet echter weinig waarde, tenzij hij een grijsaard is! Alleen wat een grijsaard zegt is voor de dwazen Gods woord, en de wijsheid van een jonge man houden ze voor een spel van de verhitte fantasie, waar maar een vleugje verstand bij te pas komt. En ook al zijn de wonderen nog zo buitengewoon, men verwijst ze toch zonder uitzondering naar de thans helaas zo veel voorkomende kunsten der magie. De mensen zijn nu zo blind, dat ze het valse niet van het echte kunnen onderscheiden en dus geloven ze maar liever niets meer .

[3] Daarom is het beter, dat een profeet tussen vreemden verkeert; want daar waar men hem niet kent, kan hij nog het beste iets te weeg brengen bij de mensen. En daarom zal Ik, samen met Mijn leerlingen, jullie nu verlaten, maar Ik zal, zoals Ik beloofd heb,jullie binnenkort weer bezoeken.

[4] Ik neem echter de man Matthéus, die hier schrijver bij de tol was, vanwege zijn snelle en leesbare handschrift met Mij mee om Mijn lessen en daden op te schrijven; daarom had Ik graag voor wereldse doeleinden een reispas voor hem!'

[5] De overste zorgt daar meteen voor en bedankt Mij uit het diepst van zijn hart voor alles. Alle overige gasten, opgewekt door het voorbeeld van de overste, doen hetzelfde; maar verscheidene zijn vermoeid door de dagreis, aan de tafels en banken ingeslapen. De wakenden willen hen wakker maken. Ik :zeg echter: 'Laat ze rusten tot het dag is! Ik ga nu liever midden in de nacht in alle stilte weg, dan baart het vertrek niet Zo'n opzien. Blijven jullie allemaal hier tot het dag wordt, en laat niemand met Mij of de Mijnen meegaan, behalve dan in jullie harten.

[6] Mijn Jonaël, zorg ervoor dat Mijn leer hier wortelt en dan als een nieuwe levensboom vele en goede vruchten drage! Ik geef je daarbij door Mijn naam ook een hemelse bovenzinnelijke macht; Iaat je echter door je ijver niet verleiden daarvan een ontijdig en daardoor onwijs gebruik te maken, want dan zou je meer schaden dan helpen! Gedurende enige tijd zal Ik je een engel in je huis geven; van hem zul je de hemelse macht wijs leren gebruiken! Zeg echter tegen geen enkele vreemde dat er een engel uit de hemel in het huis van J onaël woont.

[7] Nu komen ook Irhaël en Joram naar Mij toe; ze hebben tranen in de ogen en kunnen van liefde en dankbaarheid geen woord uitbrengen! Ik zegen ze en zeg: 'Wees getroost! Binnenkort kom Ik weer bij jullie!'

[8] Beiden omvatten echter Mijn voeten, maken ze met hun tranen nat en Joram roept: 'O heilige tijd, haast je en breng de Heer der heerlijkheid voor altijd bij ons in Zijn huis! - O Heer, denk aan ons die U liefhebben uit de volheid van onze harten, en kom gauw en blijf dan altijd bij ons!'

[9] Ik zeg: ' Ja, Ik zal terugkomen, maar, zoals gezegd, heel in 't geheim; want in het vervolg mag nooit Mijn aanwezigheid de reden ervan zijn dat iemand aan Mijn zending van boven, en daarom aan Mijn woord, gelooft'.

 

 

83 De macht van het Woord

 

[I] 'De leer zelf moet de waarheid aantonen. Wie in het vervolg niet uit het woord zal leven, zal sterven door het gericht van datzelfde woord dat tot hem gesproken werd en dat hij niet geloofde en vertrouwde.

[2] Want net zoals Ik in Mij de van de Vader uitgaande macht heb, om aan iedereen die een wil heeft, het eeuwige leven al of niet te geven, zo heeft Mijn woord dat ook; want Mijn woord is altijd de almachtige en voor alle eeuwigheid durende uiting van Mijn wil!

[3] Wie dus Mijn woord geheel in zich opneemt en in zijn handel en wandel daar niet van afwijkt, die neemt daardoor Mij Zelf met al Mijn liefde, wijsheid en kracht in zich op en is daardoor een echt Godskind geworden, aan wien de Vader in de hemel niets van wat Hij heeft zal onthouden!

[4] Meer kan de heilige Vader niet doen dan dat Hij Zich in Mij, Zijn Zoon, Zelf lichamelijk openbaart, jullie veroordeelde schepsels herboren doet worden tot geheel vrije goden en jullie op die wijze vrienden en broeders noemt!

[5] Houd steeds voor ogen, Wie Degene is, Die jullie dit nu openbaart en wat je met deze openbaring gegeven wordt, dan zal de materiële wereld je niet meer verontrusten en je zult haar met weinig moeite overwinnen, wat noodzakelijk is, omdat je zonder de wereld geheel overwonnen te hebben, geen kinderen van de Vader in de hemel kunt worden!

 [6] Dat wil niet zeggen dat jullie daarom kniesoren en wereldvreemde mensen moet worden, maar jullie moeten wijze gebruikers van de wereld worden!

[7] Zou je diegene niet dwaas noemen, die zo verliefd werd op een bepaald handig werktuig dat hij voor de uitoefening van zijn kunst nodig had, dat hij het helemaal niet voor het beoogde doel wilde gebruiken, maar het alleen maar wellustig aangaapte en in een kast bewaarde, opdat het niet roestig en daardoor lelijker zou worden en hem dan minder genot zou geven bij zijn waardeloze genoegen?!

[8] Voor jullie is de wereld ook een werktuig, waarmee, als je het heel doelbewust gebruikt, buitengewoon veel goeds en heerlijks gemaakt kan worden! Maar nu je Mijn leerlingen bent moeten jullie dit werktuig zó gebruiken, zoals Ik, jullie enige waarachtige Meester, het je nu gedurende drie en een halve dag geleerd heb!

[9] Als je het zó gebruikt, zal dit werktuig jullie het eeuwige leven bezorgen en verzekeren. Als je het echter anders gebruikt, dan wordt dit werktuig als een te scherp mes in de handen van een onmondig kind, dat zich daarmee maar al te gemakkelijk en te snel een dodelijke wond toebrengen zal, die een dokter vrijwel niet meer kan genezen!

[10] Ontvang met deze woorden ook Mijn gehele zegen en deel deze woorden ook mee aan al degenen, die ze nu niet hebben kunnen horen; opdat zich later niemand kan verschuilen achter onwetendheid!

[11] En nu, Mijn kleine groep leerlingen en jullie allen, die vanaf Galiléa en Jeruzalem hierheen meegegaan zijn, maak je klaar voor de reis, en wel naar Galiléa, waar jullie weer kunt gaan zorgen voor het bebouwen van je velden!'

[12] Na deze mededeling sta Ik op, geef de nog wachtende engelen een teken dat zij alleen begrijpen, en allen verdwijnen, behalve die van Jonaël. Ook de zichtbaar geopende poorten der hemelen sluiten zich; maar het huis van Irhaël en Joram met de hele inrichting uit de hemel blijft, net zo als het slot van Jaïruth. Alle aanwezigen die wakker zijn, begeleiden ons tot aan de huispoort. De overste laat het zich echter niet ontnemen om Mij tot aan de grens van het rechtsgebied van de stad te begeleiden en keert vandaar naar Sichar terug.

 

Einde van de tweede dag in Sichar.

 

 

De reis naar Galiléa

 

84 Naar Galiléa. De zonsverduistering

 

[1] Wij vervolgen onze weg, komen tegen het opgaan van de zon bij de grens van het land der Samaritanen en betreden dan het land der Galileeërs, waar wij op een onbeboste helling, op een mooi begroeid grasveld, een nodige rustpauze inlassen.

[2] Iedereen is vol van het heerlijke uitzicht en de schrijver Matthéus zegt: 'Heer als de mensen in al hun doen en laten doordrongen waren van Uw leer, dan zou een land als dit werkelijk mooi genoeg zijn om als hemel voor de mensen te worden aangemerkt! Maar als ik bedenk dat de mensen voor het grootste deel nog erger zijn dan de verscheurendste en bloeddorstigste beesten, dan zou ik hier juist God de Heer een verwijt maken, omdat Hij deze aarde zo heerlijk gevormd heeft voor zulk slecht volk!'

[3] Ik zeg: 'Het verwijt treft dus eigenlijk Mij, want de Vader en Ik zijn Eén! Want de wijsheid van de eeuwige Zoon, die van oorsprong de wijsheid van de Vader is, maakte het grote scheppingsplan en de liefde des Vaders voegde daaraan het grote 'Wordt' toe, en zo werden deze aarde, zon, maan en sterren geschapen!

[4] Maar ook de mensen, die deze aarde bewonen, zijn door Mij geschapen en die zullen en moeten nu worden herschapen!

[5] Als de verhoudingen nu zo liggen, hoe kun je dan Mij een verwijt maken? En -daarbij is deze aarde helemaal niet zo mooi als jij meent; al die landschappen, die je hier ziet, lijken alleen maar op een zekere afstand liefelijk. Ga er maar eens heen, en je zult weinig of ook wel helemaal niets moois of bekoorlijks aan of in deze landschappen vinden, behalve hier en daar een boom of zelfs een door mensenhanden aangelegde tuin en daarin misschien een paleis van een rijk mens! Blijf je die dingen dan ook nog schoon en heerlijk vinden?

[6] Kijk eens omhoog naar de zon; daar zijn andere landschappen! Een woestijn daar is heerlijker dan een paradijs hier! Want als de landstreken der aarde er alleen maar door het licht van de zon mooi, heerlijk en vriendelijk uitzien, omdat de aarde zonder het licht van de zon een tranendal en een dal vol verschrikkingen zou zijn, hoeveel heerlijker moeten de landstreken van de zon zelf dan zijn, als je bedenkt dat de aarde haar doffe schijn ontleent aan de glans en pracht van de zon!'

[7] Matthéus zegt: 'Heer, wat zegt U? Is de zon ook een heel grote wereld, en is een woestijn daar al onuitsprekelijk heerlijker dan hier een paradijs?! Kijk toch eens naar de grote aarde en zet daar de onbeduidende glanzende schijf van de zon eens tegenover! Hoeveel keer zou die wel op deze, vlakte kunnen staan die we hier nu overzien en die zeker een heel klem deel van de hele aarde is, en hoeveel maal zou die dan wel in de hele aarde kunnen passen?!'

[8] Ik zeg: 'Kijk, dat zit zo: Als Ik over aardse zaken met jullie spreek, dan begrijp je ze niet; hoe kun je Me dan begrijpen als Ik met jullie over hemelse dingen spreek?! -Kijk en probeer het te begrijpen!

[9] Daar naar het zuiden staat een ceder aan de verste rand van de bergenrij; vergelijk diens kleine schijnbare hoogte met de hoogte van een pol gras hier, die maar net een handbreedte hoog is, en je zult zien dat deze graspol, als je haar voor je gezicht houdt, schijnbaar vele malen hoger in de lucht oprijst dan die verre ceder, die in werkelijkheid verscheidene honderden malen hoger is dan deze graspol! En Iet op, dat komt door de afstand! Als je goed lopen kunt, dan bereik je die ceder binnen tien uur. Zoveel invloed hebben die tien uur op de indruk die je oog daarvan krijgt!

[10] Denk je nu eens de afstand van de zon tot deze aarde in! Gesteld dat een vogel ten tijde van Adam zo snel mogelijk naar de zon was gaan vliegen, dan was die daar nu nog niet, maar moest nog ettelijke jaren vliegen! Als je dit begrijpen kunt, dan begrijp je ook hoe het komt dat de meer dan duizend maal duizend keer grotere zon je hier op deze aarde zo klein voorkomt!'

[11] Matthéus, geheel buiten zichzelf over die afstand en grootte, zegt: '0 Heer, als dat zo is, hoe kunt U dan vanaf deze aarde zo'n wereld besturen en onderhouden?!'

[12] Ik zeg: 'Ja kijk, hoe onmogelijk het je ook toeschijnt, voor Mij is dat -maar dat moet je voorlopig onder ons houden -heel erg makkelijk uitvoerbaar! Op dit moment kun je dat nog niet begrijpen, maar er komt nog wel een tijd, dat je dat allemaal zult inzien.

[13] Om je echter te tonen dat Ik, door de macht van de Vader in Mij, ook op dit ogenblik tot aan de zon kan reiken, zal Ik je dat demonstreren! Ik zal de zon nu gedurende een paar ogenblikken bedekken, zodat niemand op de aarde haar zal zien, en dan zal het jou daardoor duidelijk worden, dat Ik ook vanaf deze aarde naar de zon kan reiken!'

[14] Matthéus zegt: 'O Heer, doe dat toch niet; want dan zullen de mensen verstijven van angst!' - Ik zeg: 'Maak je maar over andere dingen bezorgd! De mensen zullen denken, dat het een gewone zonsverduistering is, die echt wel vaker voorkomt, - en in een paar ogenblikken hebben ze de zon terug. Let nu op!' -Matthéus zegt een beetje angstig: 'Heer, moeten alle hier aanwezigen daarop niet opmerkzaam gemaakt worden?' Ik zeg: 'Laat ze maar slapen en uitrusten! Het is voldoende dat jij alleen dit meemaakt; want een schrijver moet meer weten dan degenen, die voorlopig niet bestemd zijn om te schrijven! -Let nu op, Ik zeg nu: Zon, verberg je aangezicht gedurende zeven tellen voor de hele aarde!' - Op datzelfde ogenblik wordt het stikdonker; alleen een paar eerste sterren zijn zwak zichtbaar.

[15] Matthéus beeft van angst en zegt: 'Heer, Almachtige! Wie kan er naast U bestaan, als Uw goddelijke arm in één ogenblik zo eindeloos ver reikt?!' -Nauwelijks heeft Matthéus deze paar woorden uitgesproken, of de zon schijnt alweer in haar volle glans, en Mijn Matthéus ademt weer vrijer, -kan echter van verbazing geen woord meer uitbrengen. Pas na geruime tijd krijgt hij een beetje moed en zegt: 'Nee Heer, dat begrijp ik niet! Uw macht moet oneindig zijn! Maar bespaar ons, o Heer, in de toekomst zulke verschrikkelijke bewijzen van Uw almacht; want daarbij zou al gauw iedereen wegteren en te gronde gaan!'

[16] Ik zeg: 'Maak je daar maar niet druk om! Is er dan nu al iemand die het niet overleefd heeft?! Een beetje angst doet de stoffelijke mens nooit kwaad. Wek nu echter de slapenden! Want we zullen nu dadelijk verder gaan! Maar vertel jij ook maar in de vaagste termen beslist aan niemand iets over dit gezicht en dit teken! -Daarop wekte Matthéus de slapenden, en wij begonnen aan het vervolg van de reis, die van nu aan sterk bergaf ging en daarom ook sneller dan eerst verliep, toen we berg opgingen.

 

 

85  Het nieuwe en eeuwigdurende rijk

 

(Toen Hij nu in Galilea kwam, namen de Galileeërs Hem op die alles hadden gezien wat Hij in Jeruzalem op het feest had gedaan. Want zij waren ook op het feest. Joh. 4:45)

 

[I] In het dal aangekomen bereikten wij al gauw een Galilees dorp, waar veel van die Galileeërs woonden, die in Jeruzalem op het feest waren toen Ik de tempel reinigde. Omdat dat nog niet zo lang geleden plaats vond, wisten die mensen het zich nog heel goed te herinneren.

[2] Toen deze Galileeërs Mij door hun dorp zagen wandelen, kwamen ze direkt uit alle huizen de straat op, begroetten Mij vriendelijk en kwamen lovende woorden te kort voor Mijn naar hun mening bijzonder gewaagde daad in de tempel. En hun vreugde om Mij weer te zien was des te groter, omdat ze bijna allemaal gedacht hadden dat de Farizeeën Mij heimelijk uit de wereld geholpen konden hebben! Want deze Galileeërs wisten niet veel meer van Mij, dan dat Ik de zoon van de vrome Jozef was en dat God met Mij was net zoals Hij met Jozef geweest was. De hele dag en vervolgens ook de hele nacht moest Ik met Mijn gezelschap bij hen blijven. Ze verzorgden ons zo goed mogelijk, en er waren veel vragen te beantwoorden en er werd veel raad gegeven, en men vroeg ook over de Messias; en velen zagen en herkenden Deze in Mij.

[3] Want ze zeiden: 'Wie in de tempel voor vele duizenden mensen zo'n moed ten toon spreidt, moet zich van een grote macht bewust zijn die hem van boven gegeven is! Want als een gewoon mens dat zou doen, dan zou het hem bij zo'n onderneming slecht vergaan; ook zou hij tegen de ingeroeste misstanden, die al zo lang in de tempel schering en inslag zijn, niets bereikt hebben! Maar bij U was het anders! Alsof een geweldige storm hen meesleurde, zo renden ze de tempel uit, - en sindsdien is er in de tempel geen markt meer gehouden!' En Ik zei: 'En er zal in de toekomst ook geen markt meer gehouden worden, want zijn eind is dichtbij gekomen!’

[4] Daarover verwonderden de Galileeërs zich en antwoordden: ' Als dat zo is, dan zal het er voor ons slecht uit zien! Wat komt er dan terecht van de eeuwige heerschappij van de nakomelingen van David, die door de Messias weer gevestigd zal worden, en voorspeld is door de profeten?!'

[5] Ik zeg: 'Hij zal wel voor de echte kinderen en nakomelingen van David en daarmee voor alle mensen der aarde een nieuw en eeuwigdurend rijk vestigen, maar niet op deze aarde, maar boven de aarde in de hemel! Wie de profeten op een andere manier verklaart die zal in duisternis wandelen.’

[6] Naar aanleiding van deze uitspraak gingen er verscheidene mensen weg, want ze geloofden in een aardse Messias; maar velen verzochten Mij om een nader onderricht.

[7] Ik zeg: 'Jullie willen ook tekenen zien, anders geloof je niet! Volg Mij daarom naar Kana, en vandaar in de streek er omheen; daar zul je lessen en tekenen krijgen!'

[8] In Mijn gezelschap waren er echter veel uit Kana, die Mij vanaf de bruiloft gedurende de gehele tocht om Mijn leer te verbreiden, zeer trouw begeleid hadden. En zij wilden gaan vertellen van al de lessen en tekenen, die ze van Mij hadden gehoord en gezien.

[9] Maar Ik zeg: 'Het is voor hen de tijd nog niet. Laten ze ons echter volgen naar Kana; daar zullen we er iets over vertellen en meer nog zullen ze zelf zien en ondervinden! En laten we dan nu onze reis weer voortzetten! Onderweg moet niemand echter wat zeggen, want er zijn hier Farizeese bandieten!’

[10] Toen Ik dat zei, gaven de Galileeërs Mij gelijk en vertelden, hoe overal de Farizeese spionnen loeren en de wandelaars op straat aanhouden, hen over van alles uithoren, waarbij ze ook vragen of de zekere Jezus uit Nazareth zich ergens bevindt en hen lessen geeft. En Ik zei: 'Juist daarom zullen we tot bij Kana heel stil gaan; aan ons talrijke gezelschap zullen ze wel wijselijk geen vragen stellen!'

 

 

86  Kana in Galilea. De verlokking van satan

 

(En Jezus kwam weer in Kana in Galilea waar Hij water in wijn had veranderd. Joh. 4:46)

 

[I] Na deze woorden gaat de reis verder en we bereiken zonder enige moeilijkheid het stadje Kana. Als we daar aankomen gaan we snel naar het huis waar Ik het eerste wonder in het openbaar verrichtte. Binnen een uur echter weet bijna het hele dorp dat Ik en allen die met Mij meegegaan zijn, weer gelukkig en behouden aangekomen zijn; en alles loopt uit om de aangekomenen te zien, te begroeten en te verwelkomen. En als ze Mij zien, hebben ze geen woorden genoeg om Mij te loven en te prijzen voor het feit, dat Ik te Jeruzalem de tempel op zo'n vastberaden manier gereinigd heb! Want op dat feest waren er ook velen uit Kana, en die hebben gezien wat Ik in Jeruzalem tot stand bracht, en hebben ook vernomen hoe Ik daar vele zieken genezen heb en daarvoor prezen ze Mij bijzonder.

[2] Ik vroeg hen of er hier geen zieken waren. Zij antwoordden echter, dat er merkwaardig genoeg niet één mens ziek was.

[3] Ik zei echter: dat ze naar lichaam wel gezond waren, maar niet naar ziel. 'Want wie ontucht en hoererij pleegt, die is heel ziek in zijn ziel! Want door deze zonde wordt het hart van de mens van dag tot dag steeds harder, gevoellozer en onbarmhartiger tegen de naaste en het houdt op het laatst alleen nog maar van zichzelf en het onderwerp, waarmee het geilen kan, maar niet om het onderwerp zelf, maar vanwege het geilen. Zo'n hart ontvlucht dan het woord van God dat hem af wil brengen van zijn slechte verlangen, en wordt tenslotte zelfs een vijand van degenen, die het woord van God in hun hart bewaren en daarnaar leven. Velen van jullie lijden aan deze ziekte en Ik ben daarom weer naar jullie gekomen, om je van deze kwade en dodelijke ziekte te genezen. Wie van jullie weet dat hij aan deze kwade ziekte lijdt, Iaat die zich aan Mij toevertrouwen en Ik zal hem genezen!'

[4] Bij deze aankondiging verlaat er direkt een grote groep het huis, want de schuldigen worden bang dat Ik ze openlijk verraden zal, en daarom gaan ze er vandoor. Onder hen waren ook enige echtbrekers en bloed­schenners, en veel mannen en vrouwen, die zichzelf bevlekten, en zij waren nog blij ook dat ze Mijn blik niet meer behoefden te doorstaan.

[5] Bij velen ging het er echter niet in de eerste plaats om, dat ze niet genezen wilden worden van die hartstocht, maar het ging hen veel meer om de schande! Want verder waren het eerbare, geziene mensen, en het zou erg onaangenaam voor hen zijn geweest, als hun buren op deze manier hadden gehoord, dat hun lichaam zwak was. Maar ze hadden niet in de gaten, dat ze zich door na Mijn meelevende vraag te verdwijnen, wel erg bloot gaven.

[6] Van degenen, die gebleven waren, zeiden er een aantal: 'Nee, van hem of haar zou ik dat nooit gedacht hebben!' Anderen moesten er om lachen en zeiden: 'Wat heeft U dat slim aangelegd! AI had men hen er tien jaar lang over ondervraagd, dan zouden ze er toch nooit iets over gezegd hebben; U heeft hen echter alleen maar heel liefdevol en vriendelijk aangeboden om hen hiervan te genezen, - en kijk, nu kiezen ze allen het hazenpad! Ze dachten zeker dat U, Die water in wijn kon veranderen, hen ook misschien bij name kon roepen en zeggen: ' Jij hebt daar zo en zoveel maal mee gezondigd, en jij deed het ook zo en zoveel maal!' ­ en dat zouden ze natuurlijk niet kunnen verdragen en daarom namen ze de benen! Maar ze zijn er nog niet achter gekomen, dat ze zich door weg te lopen veel meer verraden hebben! We veroordelen ze niet - want we kennen onze eigen zwakheden ook wel, en we weten wel dat men het beste alleen maar voor eigen deur veegt en schoonmaakt -, maar het blijft toch wel wat lachwekkend dat ze geloofden, door zich uit de voeten te maken, niet herkend te worden als die zondaars, die U bedoelde! Nee, die zijn nog een ietsje dommer dan een neushoorn uit Perzië!'

[7] Ik zeg: 'Laat ze maar gaan, de blinde dwazen! Ze schamen zich voor de mensen; maar voor God, die de geheimste gedachten altijd doorziet en onderzoekt, schamen ze zich niet! - Ik zeg jullie: Dat schaamtegevoel ten opzichte van de wereld stelt niets voor! Hoelang zal dat dan nog duren op deze wereld?! Weldra zullen ze dat lichaam moeten missen, waarvan het vlees hen zoveel zoete uren geschonken heeft! Dan zullen ze naakt in de andere wereld belanden, en daar zal men hen tot in alle finesses van de daken luid verkondigen wat ze op deze wereld, hoe heimelijk ook, gedaan hebben! Een echte en blijvende schande zal hen daar zeker ten deel vallen, en die zullen ze ginds niet zo gemakkelijk kwijtraken als hier!

[8] Ik zeg jullie in alle ernst: geile mensen, ontuchtigen en hoeren zullen niet in het rijk van God binnengaan, tenzij ze zich geheel en al bekeren van hun zeer slechte levenswandel! Want denk er om, alle andere zonden begaat de mens buiten het lichaam en hij kan zich er daarom makkelijker van losmaken - want wat uiterlijk plaats vindt, heeft niet zo'n verder­felijke invloed op de mens, als wat in hem gebeurt! -; de hoererij gebeurt echter in de mens, bederft de ziel en de geest en is daarom ook het gevaarlijkste van al het kwade! Vermijdt het daarom meer dan wat ook en ontvlucht het als de pest; want de prikkel van de wellust gebruikt de duivel als een listig middel om zijn doel te bereiken! Wee degene, die zich zo door de satan heeft laten grijpen! leder zal uiteindelijk de grootste moeite hebben om zich uit de klauwen van de satan los te maken! Onuitsprekelijk lijden en verdriet zal zijn deel zijn! Wees allen hier erg op bedacht; want anders zul je nog het moment en de dag beleven, waarop je het erg berouwen zult! Laten we nu echter gaan slapen!'

[9] Een aantal van hen, die met Mij waren meegegaan, gingen naar hun eigen huis; Mijn leerlingen echter en moeder Maria en Mijn broers, dat wil zeggen de vijf zonen van Jozef, bleven bij Mij.

 

 

87 De Joden verlangen terug naar hun zuurdeeg

 

[1] Toen allen zich verwijderd hadden, kwam de jonge huisheer, bij wiens bruiloft Ik het water in wijn veranderd had, naar Mij toe en zei:' Heer! Degenen, die ons uit Judéa en Jeruzalem gevolgd zijn en zich nu buiten in de grote gastenkamer met spijs en drank gesterkt hebben, zouden nog graag even met U willen spreken. Want ik geloof, dat er verscheidene het plan hebben om naar hun woonplaats te gaan en daar hun boeren­bedrijfjes te regelen. Als U het daar mee eens bent, dan kan ik hen dat wel overbrengen!'

[2] Ik zeg: 'Ik geloof dat dat niet nodig is! Wie bij Mij is en blijft, die IS zonder meer in zijn echte woonplaats, en wie zich deze enige en echte woonplaats niet verwerft, die zal voortdurend in het woeste en vreemde ronddwalen als opgeschrikt wild, dat in de woestijn voedsel en een woonplaats zoekt, maar zowel het ene als het andere niet vindt en tenslotte van honger, dorst en kou versmacht en uiteindelijk een prooi wordt van de verscheurende dieren, die in de lege woestijn wonen!

[3] Wie is er dan bij Mij iets te kort gekomen?! Is iedereen niet iedere dag door de hemel verzadigd, zowel lichamelijk als geestelijk? Heeft er Iemand honger en dorst geleden, of heeft er soms iemand ergens anders onder geleden? Is er iemand door een wereldlijk gerecht vervolgd omdat hij. met Mij meegegaan is?! Ik zeg je: Wie gaan wil, die ga; wie echter blijven wil, die blijve! Want niet Ik heb de mensen nodig, maar de mensen hebben mij nodig! Wie Mij verlaat, zal ook door Mij verlaten zijn, en die Mij met zoekt, die zal Ik ook niet zo ijverig zoeken! - Ga nu naar buiten en breng hen dat maar over!'

[4] De gastheer zegt: 'Heer, ik heb het daar wat moeilijk mee; bent U dan ook boos op de burgers van Kana, die in hun eigen huizen zijn gaan slapen!?'

[5] Ik zeg: ' Je hebt Mij niet begrepen! Kijk, deze burgers hebben Mij helemaal in hun harten opgenomen, en Mijn leer is voor hen heilig geworden; deze Joden zijn het echter met geheel en al eens met Mijn leer die Ik hen in Sichar gaf, en zij verlangen weer naar hun zuurdeeg en met z?zeer naar hun huishouden, en willen daarom nu naar huis! Beleefdheidshalve wilden ze Mij eerst nog bedanken, om door jullie niet aangezien te worden voor ruwe onbehouwen lummels. Ga daarom maar gerust naar buiten en breng hen alles onomwonden over wat Ik nu tegen je gezegd heb!'

[6] Met dit advies gaat de gastheer naar buiten naar de Judeeërs en brengt hen woordelijk over wat Ik tegen hem heb gezegd. Daar kijken ze allemaal heel raar van op, ook al omdat ze zich erg aangesproken voelen. Een paar worden er boos over; anderen trekken het zich erg aan en denken er in hun hart over na en zeggen: 'Hij heeft ons geraakt en jammer genoeg heeft Hij nog gelijk ook; hopelijk vergeeft Hij het ons, en wij willen blijven!'

[7] Degenen, die zich beledigd voelen, zeggen echter: 'Maar wij gaan! Wij zijn weliswaar werkelijk niets bij Hem te kort gekomen, maar we hebben schoon genoeg van dat nutteloze Scythenleven; en daarbij moet je bij Hem altijd erg opletten om niet met het een of andere woordje Iets fouts te zeggen! Want dan zit je direkt in de hoek waar de klappen vallen en moet je maar zien zonder al te veel kleerscheuren weer in de pas te komen; want van enige toegevendheid is bij Hem geen sprake! Wat Hij eenmaal zegt, daar trekt Hij niets van terug! Daarom willen wij ook niet langer bij Hem blijven!'

[8] De berouwvollen zeggen: 'Daar hebben jullie wel gelijk in. De priesters in Jeruzalem kun je wel goed ompraten, vooral als er dan voldoende naar hun wens geofferd wordt! Maar Hij Iaat zich niet ompraten, al gaf Je Hem de hele aarde cadeau! Daardoor is het wel wat hard en moeilijk om met Hem te leven; maar Hij is nu eenmaal vast en zeker op z'n minst een grote profeet, en Zijn woorden zijn stuk voor stuk vol waarheid, vol kracht en leven, en de natuur, die zelf niets zeggen kan, gehoorzaamt op Zijn wenken! Wat kunnen we dan anders doen dan blijven, zolang Hij ons Zelf niet wegstuurt?! Want de daden, die wij Hem hebben zien doen, heeft nog nooit een mens verricht, en wij blijven daarom in ieder geval bij Hem!'

[9] De beledigden zeggen echter: 'Dat moet je zelf dan maar weten; wij gaan! Mochten wij de heer des huizes nog iets schuldig zijn, laat hij dan maar de rekening voor ons opmaken!'

[10] Maar de gastheer zegt: 'Ik geef geen onderdak aan vreemden, maar alleen maar aan de hier thuishorende kinderen van Jacob, en die behoeven bij mij, net als overal in Kanaän, het land waar melk en honing in beken stroomt, geen kost en inwoning te betalen. ,

[11] Na dit antwoord staan ze op, gaan op weg en haasten zich daar­vandaan. Toen ze echter verscheidene uren gaans van Kana verwijderd waren en van moeheid hun voeten niet meer konden verzetten, vielen ze langs de weg neer en genoten daar met een paar honderd man hun nachtrust.

[12] Afdalend van Jeruzalem komt er echter langs diezelfde weg een sterk

Romeins legioen soldaten en stuit op die slapende mensen. Omdat de vermoeiden niet wakker te krijgen zijn, bewaakt men hen tot de ochtend van de nieuwe dag. Als ze dan in de ochtend ontwaken zijn hun handen geboeid, en omdat ze geen geldige reispapieren bij zich hebben, worden ze allen als gevangenen voor het gerecht te Jeruzalem gebracht en daar een week lang verhoord, tot ze zich als Jood gelegitimeerd hebben en na betaling van een boete zich vrijgekocht hebben en vrijgelaten worden.

[13] Een deel van die Romeinse soldaten komt echter diezelfde morgen ook naar Kana. Als ze ons huis onderzoeken en wij ons legitimeren met de reispas uit Jeruzalem, maken ze verder geen moeilijkheden en trekken verder naar Kapérnaum. Eerst besprak de overste van dit legioen, die Mij herkende, nog vele zaken met Mij en vertelde Mij tevens, dat hij nu voor langere tijd in Kapérnaum zal resideren, waar zijn familie al een paar dagen eerder heengegaan is, en waar hij ze weer zal ontmoeten. Hierbij nodigt hij Mij ook uit om naar Kapérnaum te komen en hem daar te bezoeken, hetgeen Ik beloof na een paar dagen te zullen doen.

[14] Hij vraagt Mij ook of Ik wist, wat dat voor grote karavaan kon zijn, die hij die nacht was tegengekomen, of liever gezegd die hij diep in slaap verzonken langs de weg naar Jeruzalem had gevonden.

[15] Ik vertel hem, wat voor een karavaan dat was, en hij antwoordt Mij vriendelijk glimlachend: 'Ik heb meteen al gedacht, dat ik daar tegen een stelletje Farizeese spionnen aan liep, en ik zou me zeer verbazen, als U ze niet op het eerste gezicht als zodanig had herkend!'

[16] Daarop antwoord Ik hem: 'U heeft niet helemaal ongelijk, als u dat van ze denkt. Maar toen ze Mij uit Jeruzalem en Judéa volgden, waren ze dat nog niet; maar nu kunnen en zullen enigen van hen dat tot hun eigen grote nadeel worden. Want het tempelgebroed houdt wel van het verraad, maar is banger voor de verrader dan voor de verraden vijand en laat daarom geen verrader zo maar gaan. Bijna ieder moet het vervloekte water drinken, en van de tien komt er nauwelijks één met z'n leven vanaf; degenen, die uit elkaar zijn gebarsten, worden dan gewoonlijk van boosaardig verraad beschuldigd en vervolgens in Josafat waar zich een vervloekte plaats bevindt, in vervloekte aarde begrave; En zo zal ook het lot van enigen zijn, die Mij als verrader bij het tempelgebroed zullen aangeven! Want het is Mijn tijd nog niet!'

 

 

88 Overste Cornelius en de tempelreiniging

 

[l] De overste, Cornelius genaamd, die ook een broer van keizer Augustus is, zegt: 'Nu, wel bekome het hun! Want mij ontbreken de woorden om U uit. te leggen hoe erg ik met al dit tempelgebroed in mijn maag zit! Laat Ik U vertellen, goede verheven vriend: Het slechtste van het slechtste op de hele aardbodem is wel een Joodse tempelpriester! Onze, zeg maar Egyptische priesters zijn slecht, maar zo hier en daar zijn ze toch nog een beetje menselijk; men hoort weinig over mogelijke wreedheid en hun taak is, een paar mystieke uitzonderingen daar gelaten, om de mensheid aan te sporen tot menselijkheid en strijdbaarheid.

[2] Maar deze kerels zijn doortrapte huichelaars! Uiterlijk doen ze zich streng en vroom voor, alsof ze allemaal zakkenvol levende goden met zich meedragen; innerlijk echter zijn ze nog te slecht voor de alleronderste onderwereld die wij uit onze mythen kennen. Werkelijk, als onze on­gelofelijke drie furiën, voor wier afschuwelijkheid alles van angst en schrik In steen verandert, een van deze Jeruzalemse tempelkerels te zien kregen, dan zouden zij waarschijnlijk zelf ten gevolge van te grote angst en vrees in diamant veranderen! Ik zeg U: Voor de uiteindelijke ontwarring van deze allerboosaardigst verworden tempel­ en haar priesterkluwen moet zo snel mogelijk het scherpe zwaard van de koning van Macedonië komen, anders wordt binnenkort nog de hele aarde ingekapseld in deze noodlottige kluwen! - O vriend! Ik zou U dingen over deze kerels kunnen vertellen ­waarvan de hele aarde koorts zou krijgen! Maar laat ik erover ophouden, dit is voorlopig wel genoeg; als U mij opzoekt, zullen we er nog veel met elkaar over spreken!'

[3] Ik zeg: 'O, dat hoeft niet, Ik ken het gebroed tot in de onderste wortelvezel! Ik heb daarvoor uit uw geslacht in Rome al een 'koning van Macedonië' uitgekozen, die zal de opdracht krijgen om deze verwardste aller kluwens met een gloeiend zwaard door te hakken! Ik wil echter eerst nog veel doen ter mogelijke verbetering van zo velen van hen!'

[4] De overste zegt: 'Doe het niet! Want als U net als ieder mens sterfelijk bent, dan zullen ze U, ook al bent U een echte zoon van God, weten te doden! Want geloof me, voor deze kerels is ook zelfs een God Zijn leven niet zeker! - Neem dat maar van mij aan, beste jonge vriend!'

[5] Ik zeg: 'Laten we er niet meer over praten! Wat de Vader wil, dat zal gebeuren! Eén zucht uit Mijn mond zou voldoende zijn om te maken, dat ze er niet meer waren! Maar dat is niet de wil van de Vader, en daarom laten we ze nog een tijd begaan!'

[6] De overste zegt: 'Als die kerels nog tien jaar zo doorgaan, dan zullen er in Judéa niet veel mensen in leven blijven. Het is maar goed dat er in hun hoge raad een gematigd persoon zit, anders was er niet lang nadat U zo dapper de tempel gereinigd heeft van het gespuis, een kolossale herrie ontstaan! Maar een echt rechtschapen man, Nicodémus genaamd, is het gelukt om deze kerels, waarvan er nu al bijna net zoveel zijn als er gras is op de aarde, in toom te houden. Het was bijna om je dood te lachen, hoe buitengewoon slim hij het voor elkaar kreeg hen te doen geloven, dat deze tempelreiniging met opzet door God werd toegelaten om Zijn dienaren daardoor veel geld te verschaffen, ten nadele van de verkopers, wisselaars en duivenverkopers, die behalve hun kleine plaats­huur nooit een offer in de tempelkas deden terwijl ze toch het meeste geld van heel Jeruzalem bezaten! De meesten waren het daar mee eens, en sommigen zeiden zelfs: 'Nu, laat die op het volgende feest maar weer komen met zijn toverkracht; we kunnen hem gebruiken!' Maar degenen, die zelf in de tempel als bijverdienste ook via vertrouwde agenten wisselhandel bedreven hadden, waren het natuurlijk met deze wens helemaal niet eens. Maar desalniettemin sta ik er toch voor in, dat U wegens een eventuele tempelreiniging bij een volgend feest door het gespuis geen haar gekrenkt zal worden; want U heeft hen de laatste keer aan een aanzienlijke som gelds geholpen. Wanneer U daarom bij een zelfde gelegenheid weer eens naar Jeruzalem zoudt gaan, sluip dan maar heel in het geheim naar binnen, anders zult U de tempel van zelf al gereinigd vinden; want deze kooplui, wisselaars en veehandelaren hebben naar alle richtingen spionnen uitgestuurd, die al Uw doen en laten in de gaten moeten houden, net zoals de ons bekende ontzettend slechte tempeldie­naars dat doen. Degenen, die ik onderweg gevangen liet nemen, waren voornamelijk dat slag kerels en ik geloof niet dat er ook maar twee eerlijke bij waren!

[7] Ik zeg: 'Nu, dat plezier wil Ik hen nog wel een keer bezorgen; maar daarna, daar kunt u van overtuigd zijn, zal er geen wisselaar en geen verkoper meer in de tempel zijn zaken beginnen! Bij Mijn laatste intocht in Jeruzalem zal Ik de tempel nog een keer net zo moeten reinigen als Ik haar jongstleden gereinigd heb!'

[8] Na deze belofte voor de toekomst komt een aanvoerder van de troep en meldt aan de overste, dat de troepen klaar staan voor de afmars. De overste neemt nu afscheid van Mij en herinnert Mij er nogmaals aan, hem toch beslist in Kapérnaum te bezoeken! Daarna brengt de heer des huizes een goed ontbijt en alle gasten nemen daaraan deel.

 

 

89 Twee rustdagen te Kana

 

[I] Na beëindiging van het ontbijt zeg Ik tegen alle aanwezigen: 'Wie thuis iets te regelen en te doen heeft, kan nu voor een paar dagen gaan; maar op de derde dag moet hij weer hier zijn! Want Ik blijf hier nu een paar dagen in Kana en zal Mijzelf een beetje rust gunnen. Degenen die te ver weg wonen, kunnen hier blijven, net zoals degenen die niet bij Mij weg willen! Maar Ik zal hier gedurende deze twee dagen niets Ieren of doen, maar Ik zal alleen maar uitrusten en voor jullie allen tot de Vader bidden'.

[2] Nu komen ook Maria en Mijn vijf broers naar Mij toe en vragen Mij, of zij ook een paar dagen naar Nazareth mogen gaan en daar de huishoudelijke zaken op orde brengen.

[3] Ik zeg: 'Ja, ga en doe dat; want Mijn leerlingen moeten ook hun wereldse huishouding in orde hebben! Regel echter jullie huishouding vast voor de komende paarjaar en verhuur deze aan een arm persoon, maar wel kosteloos! Want jullie als Mijn broers en leerlingen mogen in de hele toekomst van niemand huur of loon vragen, maar alleen maar dat aannemen wat men je vrijwillig zal geven!' - De broers en ook Maria beloven dat en vertrekken naar Nazareth.

[4] Van de leerlingen, die Mij van Bethabara, waar Johannes doopte, gevolgd waren, ging alleen Thomas naar huis met het voornemen daar nog meer volgelingen voor Mij te werven, wat hij dan ook deed. Maar daaronder was ook een zekere Jood, die geen oorspronkelijke Galileeër was, genaamd Iskariot, die Mij later verried. Deze was tot aan dat bepaalde moment de ijverigste van al Mijn volgelingen. Hij speelde voor betaal­meester, betaalde overal alles en gedroeg zich een beetje als kwartiermeester en leider op die plaatsen, waar Ik vervolgens heentrok. Maar hij wist in het geheim ook goede munt te slaan uit Mijn daden en leringen, en deze geldhonger veranderde hem tenslotte in dat, wat hij geworden is, namelijk een - verrader van Mij! Petrus en de andere leerlingen, die Mij ook reeds vanaf Bethabara gevolgd waren, bleven echter.

[5] Petrus zei, toen Ik hem vroeg, of hij ook niet voor een paar dagen naar huis wilde gaan: 'Heer, alleen de dood of een bevel uit Uw mond kan mij van U scheiden! Ik heb Thomas een opdracht meegegeven voor mijn zoon Markus, dat hij hierheen moet komen, want omdat hij bijna net zo goed schrijft als Matthéus, zou hij hier goed te gebruiken zijn! Dat is dan ook alles, wat ik nu in mijn huishouding te regelen heb; voor al het andere zorgt U toch al, mijn Heer en mijn God!' -Ik zeg: 'Niet zo luid, Mijn Simon Petrus; want we zijn hier niet in Sichar! Er zijn hier sommigen, die nog niet zo ver zijn als jij; die zouden zich kunnen ergeren. Daarom is het voldoende als je Mij van nu af aan 'Heer' noemt; dat andere moet je maar zolang in je hart, dat Mij welbekend is, bewaren!'

[6] Petrus heeft genoeg aan dit antwoord en vraagt Mij, of we gedurende die twee dagen in Kana helemaal niets zullen doen. Maar Ik zeg: 'Dat zeker niet; maar zo inspannend als in Sichar zal het niet worden! Wij zijn hier in aardse termen gesproken, in het eigen vaderland, en je weet hoeveel een profeet in het eigen land waard is! Daarom zullen we hier ook in onze eigen kring niet veel doen en Ieren; want waar het geloof ontbreekt, daar is voor ons weinig werk. We willen ons daarom hier, zoals gezegd, een paar dagen lang laten verwennen en ons op het toekomstige een beetje uitgebreider voorbereiden!'

[7] Na deze woorden komt Matthéus en vraagt Mij, of hij gedurende die twee dagen hier soms het een en ander zal optekenen, wat hij in Sichar gezien en gehoord heeft.

[8] Ik zeg echter: 'Als je al beslist iets wilt doen, schrijf dan de bergrede nog een paar keer over; daarvan moet dan hier in Kana bij onze gastheer een exemplaar blijven en we willen in Kapérnaum er één achterlaten; want ook daar zullen we verder niet veel te doen krijgen!'

[9] Dan komt de gastheer en vraagt Mij, wat Ik 's middags zou willen eten. En Ik zeg tegen hem: 'Vriend, waarom nu zo'n onnodige vraag?! Voor het ontbijt heb je me toch ook niets gevraagd, en dat heeft me toch echt goed gesmaakt! Dus zal het middagmaal mij ook smaken! Ik zeg je, iedere spijs, die gekruid is door het edele en liefdevolle hart van de gever, smaakt het best; beter dan de kostbaarste zaken, die op tafels van zelfzuchtige zwelgers schitteren en met hun ambergeur de zalen vullen!' Onze jonge gastheer was heel gelukkig met dit antwoord en stelde daarop met een blij hart alles in het werk om ons 's middags zo goed als maar mogelijk was te verzorgen.

[10] En zo brachten wij de twee dagen door met het houden van menige goede bespreking en veelvuldige bezoeken van de kant van de burgers uit deze kleine stad.

[11] Ook enige zieken werden door handoplegging genezen; en Ik toonde een rechtschapen dokter aldaar, die niets begreep van de geneeskracht door het opleggen van de handen, een groot aantal geneeskrachtige kruiden en andere zaken, waarmee hij vervolgens de beste kuren samenstelde en waardoor hij een beroemde naam kreeg.

[12] Op de derde dag kwamen allen, die gedurende de twee dagen naar huis waren gegaan, behalve moeder Maria en de vier oudste broers, weer terug en brachten van alle kanten nieuwe leerlingen mee. Met name Thomas had in dit opzicht een bijzonder rijke visvangst gehad en bracht ook een hoeveelheid gebraden vissen mee; want hij wist, dat Ik zulke vissen graag at.

[13] En ook de jonge Markus bracht veel groeten over voor zijn vader Sirnon en daarbij een hoeveelheid zeer goede gebraden vissen; en Iskariot bracht veel geld en heel veel leven in het gezelschap, want hij was zeer levendig en beweeglijk en regelde alles, had zeer veel met Mij op en wist veel te verhalen over de verschillendste voorvallen, die zich her en der in het grote Romeinse rijk hadden voorgedaan.

[14] Toen we nu zo bij elkaar waren, wilde Ik opbreken voor de verdere reis. Maar de gastheer verzocht Mij toch nog tot de avond te blijven, omdat het buiten zeer heet was. En Ik bleef tot aan de avond. Toen de zon echter bijna onderging, wekte Ik het gezelschap op om zich reisvaardig te houden, omdat Ik van plan was bij zonsondergang verder te gaan.

 

 

90 De genezing van de vorstenzoon

 

(En er was een vorstelijke persoon, wiens zoon te Kapérnaum ziek lag. Deze vernam, dat Jezus uit Judéa naar Galiléa kwam en ging naar Hem toe en vroeg Hem, of hij af wilde dalen en zijn zoon helpen; want deze was doodziek. Joh. 4:47)

 

[I] Toen wij op weg wilden gaan, kwam Mij hardlopend en haast buiten adem een man tegemoet, die van koninklijke afkomst was en een naaste bloedverwant van de overste, die een paar dagen te voren naar Kapérnaum ging. Deze man had van de overste gehoord, dat Ik van Judéa weer naar Galiléa terug was gekomen. Hij had een enig zoon, die opeens door een kwade koorts werd overvallen, en toen de dokter in Kapérnaum de zieke zag besefte hij ogenblikkelijk, dat deze niet meer te redden was. De vader van de jongen was ontroostbaar en wist van verdriet niet wat hij doen moest. Toen kwam Cornelius, de overste, naar hem toe en zei: 'Broer, er is nog één mogelijkheid! Van hier naar Kana is voor een goede loper nauwelijks een uur gaans. Daar bevindt zich de beroemde genezer Jezus uit Nazareth! Ik heb Hem Zelf op mijn reis hierheen daar aan­getroffen en gesproken! Hij zal daar zeker nog zijn; want Hij heeft mij beloofd, van daaruit rechttoe rechtaan naar mij in Kapérnaum te komen en mij te bezoeken! Wat Hij belooft, dat doet Hij ook zonder enige twijfel! Omdat Hij echter tot nu toe nog niet is gekomen, is Hij beslist nog in Kana! Ga daar zo snel mogelijk persoonlijk heen en vraag Hem, of Hij bij je zoon komen en hem helpen wil! En ik sta er voor in, dat Hij direkt komt en je zoon zal helpen!'

[2] Zodra de vorstelijke persoon dat van zijn broer Cornelius hoort, snelt hij in aller ijl naar Kana en komt dan ook, zoals reeds hierboven vermeld, helemaal buiten adem in Kana aan, op het moment dat Ik de eerste stap voor de verdere reis zette­ Nauwelijks bij Mij aangekomen, valt hij voor Mij neer en smeekt Mij om toch zo vlug mogelijk met hem naar Kapérnaum te gaan, omdat zijn enige zoon, die zijn alles is, al met de dood worstelt en er in Kapérnaum geen dokter is die hem helpen kan. Als Ik niet zo snel mogelijk met hem mee zou gaan, zou zijn zoon zeker sterven voordat Ik in Kapérnaum zou zijn, als zijn zoon al niet nu reeds gestorven zou zijn!

 

(En Jezus zei tot hem: 'Als u geen tekenen en wonderen ziet, gelooft u niet!'

Joh­ 4:48)

 

[3] Ik zeg: 'Kijk, Mijn vriend, het is bij jullie een lastige geschiedenis! Want als jullie vooraf al geen tekenen en wonderen zien, dan geloof je niet! Ik help in de eerste plaats alleen diegenen, die geloven ook als ze vooraf geen tekenen en wonderen hebben gezien! Want waar Ik het onvoorwaardelijke geloof tegen kom, daar genees Ik ook wis en zeker!'

 

(De vorstelijke persoon zei tegen Hem: 'Heer! Daal af, voor mijn zoon sterft!'

Joh­ 4:49)

 

[4] Nu schreeuwt de vorstelijke persoon het uit: 'O Heer, praat hier niet zo lang met mij arme; U ziet toch dat ik geloof, anders was ik niet tot U gekomen! Ik smeek U, o Heer, kom slechts onder het dak van mijn huis, en mijn zoon zal leven! Als U echter treuzelt, dan zal hij gestorven zijn nog voor U er zijn zult! Begrijp me dan toch, ik heb veel knechten in dienst, en als ik tegen de één of tegen een ander zeg: Doe dat, of doe dit, dan zal hij dat doen. Als ik niet volledig in U geloofde, o Heer, dan had ik één van mijn knechten naar U toegestuurd! Maar omdat ik onvoorwaardelijk in U geloof, daarom kwam ik zelf; want mijn hart zei mij: ' Als ik U maar vind en zie, dan wordt mijn zoon gezond!' Heer, ik geef het toe, dat ik helemaal niet waard ben dat U onder mijn dak zou komen, - maar, als U slechts één woord wilde spreken, dan zou mijn zoon gezond en levend worden!'

 

(Jezus zegt tot hem 'Ga heen, uw zoon leeft" De mens geloofde het woord, wat Jezus tegen hem sprak, en ging heen. Joh. 4.50)

 

[5] Ik zeg: 'Vriend, zo’n geloof ben Ik in heel Israël nog niet tegen gekomen! Ga getroost naar huis; het zal geschieden zoals je gelooft! Je zoon leeft!' - En de vorstelijke persoon ging huilend van vreugde en dankbaarheid naar huis; want hij geloofde rotsvast in Mijn woord. Ik bleef nu deze avond en de volgende dag echter nog in Kana, hetgeen de gastheer erg veel genoegen deed.

 

(En terwijl hij afdaalde, ontmoetten hem zijn knechten. verkondigden hem en spraken: 'Uw kind leeft" Joh. 4.51 )

 

[6] Toen de vorstelijke persoon, die in Kapérnaum in groot aanzien stond, omdat hij ten eerste net als de overste Cornelius verwant was aan het regerende huis in Rome, en ten tweede daar door Rome in een hoge functie van de staat aangesteld was, de stad naderde, kwamen zijn vele knechten hem al tegemoet en riepen hem al op een afstand toe: 'Heer, uw zoon leeft en is volkomen gezond!'

 

(Toen vroeg hij aan hen het uur, waarop het beter met hem was gegaan. En zij zeiden tegen hem: 'Gisteren omstreeks het zevende uur verliet hem de koorts.

Joh. 4:52)

 

[7] De man viel bijna flauw van blijdschap en vroeg gelijk wanneer hij beter geworden was. En de knechten antwoordden eenstemmig: 'Gisteren op het zevende uur van de dag verliet de kwade koorts hem!'

 

(Toen merkte de vader, dat het op hetzelfde uur was, toen Jezus tegen hem had gezegd: 'Uw zoon leeft!' En hij geloofde met zijn gehele huis. Joh. 4:53)

 

[8] Toen hij dat van zijn knechten hoorde, rekende hij het na en stelde vast dat het precies op het moment gebeurd moest zijn, waarop Ik tegen hem gezegd had: ' Je zoon leeft'. Rustig liep hij toen verder naar huis. En toen hij daar aankwam, kwam overste Cornelius hem al met de geheel gezonde en opgewekte zoon tegemoet en zei tegen hem: 'Nu broer, heb ik je naar de echte genezer gezonden of niet?!'

[9] De vorstelijke persoon zei echter: 'Broer, ja, door jouw raad heb je mij mijn leven tienvoudig teruggegeven! Maar deze genezer Jezus uit Nazareth is zeer duidelijk méér dan een gewone genezer die nog zo goed is in het genezen van ziekten door middel van heilzame kruiden! -Denk je dat eens in! Hij zei, zonder mijn zoon ook maar ooit gezien te hebben, alleen maar heel simpel: 'Je zoon leeft!' en de jongen werd op datzelfde moment gezond! - Luister goed, dat betekent toch wel iets heel bijzonders! Ik zeg je: Dat kan geen mens, maar is alleen maar bij God mogelijk! En van nu aan geloven ik en ook zeker mijn hele huis, dat deze Jezus zonder enige twijfel een echte God is, en dat Deze nu voor het heil van alle mensen in mensengestalte onder de mensen is en hen geneest en leert. -Als Hij hierheen komt moet Hij hier als een God geëerd worden!'

[10] Cornelius zegt: 'Zo ken ik Hem al en daar blijf ik ook bij, maar Hij wil beslist niet, dat men Hem zo zou ontvangen!'

[11] De vader van de genezen zoon zegt: 'Broer, met zo'n overduidelijk bewijs in handen - vind ik - kan men nooit te veel doen!'

[12] Cornelius zegt:' Ik ben het helemaal met je eens; maar het blijft zoals ik gezegd heb, want hij is een gezworen vijand van openbaar en uiterlijk eerbetoon. Uit Zijn vroegste jeugd weet ik me nog te herinneren, dat Hij alleen waarde hecht aan stil en innerlijk eerbetoon, dat zich uit door de liefde van het hart. Maar alle uiterlijke verering vindt Hij zelfs bijzonder irriterend, en als Hij, zoals Hij beloofd heeft, hierheen komt, dan zou je Hem met een openbare vergoddelijking alleen maar uit deze plaats verjagen! Doe alles wat je wilt dus maar in je hart; en vermijd vooral alle openbare plichtplegingen! Want ik ken Hem al sinds Zijn geboorte daar in Bethlehem, en heb sinds die tijd veel van Hem gehoord en veel ook zelf gezien!'

[13] De vorstelijke persoon zegt: 'Nu goed, gisteren heb ik overdag je raad opgevolgd en daarom wil ik ook nu in de nacht naar je raad luisteren en die opvolgen!'

[14] (Hier moet naar aanleiding van het woord 'gisteren' een kleine verklaring bijgevoegd worden om haarkloverijen te voorkomen. Het was namelijk zo, dat de dag, speciaal in Galiléa, slechts duurde tot de zonsondergang. Na de zonsondergang sprak men over de afgelopen dag al als 'gisteren'. Met zonsondergang begon de eerste nachtwake voor de komende dag; een nachtwake duurde net zo lang als drie uren bij ons, en een uur overdag was in de zomer haast zo lang als twee uren bij ons en in de winter nauwelijks één, want de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang moest altijd twaalf uren duren, of de zon nu lang of kort aan de hemel stond. Als daarom hier gezegd wordt, dat de vorstelijke persoon in één uur van Kapérnaum naar Kana ging, dan zou dat met onze tijdrekening neerkomen op bijna twee volle uren. -Deze korte ingelaste uiteenzetting is hier even noodzakelijk, omdat anders verschei­dene voorvallen in dit Evangelie nauwelijks goed te begrijpen zouden zijn, omdat de overeenkomstige tijdsaanduidingen alleen op de toenmalige en niet op de huidige tijdsrekening betrekking hebben.)

 

 

91  De Heer en tweeduizend jaar evangelie

 

(Dit was het andere teken, dat Jezus deed, toen Hij uit Judéa naar Galiléa kwam. Joh. 4:54)

 

[1] De volgende dag in Kana zei Ik tegen Johannes, die het eerste teken tijdens de bruiloft in Kana opschreef, dat hij dit tweede teken in deze zelfde plaats eveneens moest vastleggen; en Johannes deed dit ook in weinig woorden verdeeld over acht verzen, zoals het in de Schrift staat.

[2] Nu vroeg Matthéus aan Mij, of hij deze gebeurtenis ook op zou schrijven. -Maar Ik zeg tegen hem: 'Dat hoeft niet! Als we morgen naar Kapérnaum gaan en als Ik daar weer Mijn leer verkondigen en tekenen doen zal, - dan moet jij die opschrijven! Zet de genezing van de melaatse in Sichar, die Ik daar genas toen Ik van de berg afkwam, ook nog bij Mijn bergrede!'

[31 Matthéus zegt: 'Heer, volgens mij heeft U in Sichar twee melaatsen genezen; welke moet ik opschrijven'?'

[4] Ik zeg: 'Er zijn er wel meer dan twee genezen; maar die ene is voldoende, die Ik aan de voet van de berg genas en waartegen Ik zei, dat hij zich aan priester Jonaël, wiens naam je niet op behoeft te schrijven, moest tonen en de gave moest offeren, die Mozes als een bewijs voor God voorgeschreven heeft! Want wie Mi.i niet vanwege dit ene teken gelooft, die zal Mij ook niet geloven, als Ik honderd tekenen voor hem deed! Schrijf daarom van al die tekenen alleen datgene op, wat Ik je zojuist beschreef!’

[5] Matthéus zegt: 'Och ja, Heer, nu weet ik al welk teken U bedoelt! Ik heb er wel nota van genomen, maar het nog niet helemaal op schrift gezet, en dat zal ik nu direkt doen, en ik begin daarmee tevens een nieuw hoofdstuk. Want de bergrede heb ik in drie hoofdstukken verdeeld, en dit wordt nu het vierde hoofdstuk'

[6] Ik zeg: 'Voorlopig is je indeling wel goed; maar je zult, nadat Ik van deze aarde opgevaren zal zijn naar Mijn hemelse rijk, nog vier hoofdstukken er vóór moeten schrijven; daarom kun je nu al de drie bergrede hoofdstukken in plaats van met één tot en met drie, met vijf tot en met zeven nummeren, en het nieuwe wordt dan nummer acht!'

[7] Matthéus paste zijn aantekeningen meteen op deze manier aan, en nu staat de bergrede, hoewel deze het eerst door Matthéus opgeschreven werd, niet in het eerste maar pas in het vijfde, zesde en zevende hoofdstuk.

[8] Om de evangeliën van Johannes en Matthéus beter te kunnen begrijpen is het nodig het bovenstaande te weten; want beide zijn onder Mijn persoonlijke leiding geschreven, en Ik wil dat men door deze kennis in staat is om de beide uiterlijk zeer verschillend lijkende berichten als één geheel en als aanvulling op elkaar te zien, omdat het zo vaak voorkomt dat zelfs goede kenners van de Schrift de wonderen, die overeenstemming vertonen bij Matthéus en Johannes, als dezelfde beschouwen, en zich daarna af gaan vragen: 'Hoe is het toch mogelijk dat Matthéus dit zegt en Johannes dat, terwijl het onderwerp toch beslist hetzelfde lijkt te zijn?!'

[9] Dit was de aanleiding tot veel dwalingen en niet zelden tot een algehele verwerping van Mijn leer zoals deze in de evangeliën geschreven staat.

[10] Men zou hier zeker wel op kunnen merken: 'Ja, waarom, o Heer, deed U daar dan in al die eeuwen niet wat aan, en gaf U daarover geen voorlichting?' Dan zeg Ik:

[11] In iedere eeuw heb Ik op alle plaatsen waar Mijn leer ook maar enigermate geloofd werd. mannen uitgekozen en geroepen. die de toedracht en de betekenis van de evangeliën aan de mensen duidelijk maakten. Deze geroepenen hebben dat altijd gedaan en ze hebben ook historisch datgene in de geschriften aangevuld, wat ten dele door de slordigheid van de mensen en ten dele door het starre denken en niet zelden door de kwade wil van de verschillende sektarische leiders en priesters van het evangelie, respectievelijk van Mijn leer, verloren is gegaan; maar slechts heel weinigen namen dat aan.

[12] De kerken, die zich in de loop van de tijd systematisch ontwikkeld hebben, verwierpen dit vanzelfsprekend en verklaarden het tot 'ketterij' en 'duivelse influisteringen' omdat het niet paste in hun op winst en heerszucht ingestelde kraam!

[13] De geleerden en kunstenaars verklaarden daarentegen zulke verschijn­selen als 'fantasie' en 'zweverig gebazel' van een arme sukkel, die ook wat wilde betekenen zonder daarvoor de nodige eigenschappen door moeite, vlijt en grondige studie ontwikkeld te hebben!

[14] Op de plaats waar de uitgekozen en geroepen profeet leefde en waar men hem kende, was hij helemaal niet in tel en kon daarom ook weinig tot stand brengen. In het algemeen denken de mensen namelijk, dat een profeet eigenlijk helemaal niet op de aarde moet wonen en ook geen mensengestalte moet hebben, hij moet ook niets eten of drinken en geen kleding dragen, maar hij moet minstens net als Elia in een vurige wagen door de lucht gaan, en van daaruit aan ieder mens alleen datgene verkondigen, wat die bepaalde mens graag hoort en wat hem vleit! Op zo'n echte profeet zouden zich zeker alle oren en ogen richten, zeker als hij tijdens zijn wonderbare reizen naar evenredigheid goud­ en zilvermunten onder de rijken en kleingeld onder het gewone volk zou strooien, waarbij dan de groten, rijken en machtigen geprezen en de arme duivels daarentegen meermalen ferm getuchtigd zouden worden, vooral als ze het waagden te morren tegen de rijken, groten en machtigen! Zo'n profeet zou dan voor de armen natuurlijk niet zo'n erg aangename verschijning zijn, en die zouden hem niet prijzen!

[15] Maar een profeet, die een mens is als ieder ander, die eet en drinkt en misschien zelfs een huiskamer heeft, en dan bovendien zelfs een gewoon werelds handwerk uitoefent, die is toch niet in staat om te profeteren! Ze zeggen dat hij een dwaas of een huichelaar is, en in zijn woonplaats zal hij zeker het allerminst iets tot stand kunnen brengen!

[16] Ik heb op deze manier gedurende ongeveer twee duizend jaar steeds hetgeen ontbrak aangevuld; maar wie nam het aan'? Geloof me: Altijd maar heel weinigen, en die dan nog zelden met veel vuur! Men nam er wel kennis van en schreef het op; maar men heeft steeds om allerlei waardeloze redenen niets gedaan om zijn levenswandel daarnaar te richten en zichzelf geestelijk ervan te overtuigen, dat die overigens eenvoudige mens in ernst door Mij was geroepen om de mensen in de steeds donker wordende wereld weer een nieuw licht uit de hemel te brengen.

[17] De één heeft een paar nieuwe ossen gekocht en moet deze nu voor het ploegen africhten, zodat hij natuurlijk geen tijd heeft; de ander heeft een nieuwe akker te bebouwen en kan daarom niet komen! De derde heeft een vrouw getrouwd en heeft dus beslist geen tijd en gelegenheid meer! De vierde moet een groot huis bouwen en weet zich door alle zorgen geen raad: die kan al helemaal geen tijd vinden! En zo heeft tenslotte iedereen een uitvlucht, en een nieuw licht uit de hemel brandt dan weer voor niets gedurende een hele eeuw in de één of  andere verborgen hoek van de aarde. En als Ik in de volgende eeuw wéér een nieuw licht geef ter verduidelijking van de oude geschriften, dan overkomt dat hetzelfde lot!

[181 Als dit nu door al de eeuwen heen steeds dezelfde ervaring blijkt te zijn, dan vraag je je wel af, of de schuld wel bij Mij ligt dat de oude geschriften nu nog steeds diezelfde hiaten vertonen, die voor duizend jaar al door ingebeelde verstandelijke onderzoekers en tobbers zijn ontdekt, en die de aanleiding waren dat veel twijfelaars en vervolgens verwerpers van Mi.jn leer en van Mi.in volstrekte goddelijkheid, als paddestoelen uit de grond geschoten zijn.

[19} Daarom geef Ik nu een uiterst sterk licht op deze zaak, opdat er dan niemand meer zich kan verontschuldigen met te zeggen, dat Ik Mij sinds Mijn lichamelijke aanwezigheid op aarde noch om de zuiverheid en compleetheid van Mijn leer, noch om de mensen die haar aangenomen hebben, bekommerd heb!

[20]  Zodra Ik weer op de aarde zal komen, zal Ik een grondig onderzoek instellen; en niemand zal Ik aannemen, die met wat voor verontschul­digingen dan ook bij Mij aankomt! Want iedereen, die serieus zoekt, kan en moet het vinden! De zieke schapen en ezels aan de voerbak zullen een geneesmiddel krijgen, waarna ze zeker honger krijgen naar het voer uit de hemel; maar dan zullen ze als herstellenden heel lang homeopathisch gevoerd worden! En dan nu weer terug naar het Evangelie!'

 

 

92 Gods alwetendheid en Zijn leiding

 

[1] Matthéus kwam op de dag, volgende op die waarop Ik de zoon van de vorstelijke persoon uit Kapérnaum in Kana genezen had, gereed met het schrijven van zijn verzen. Toen hij het Mij liet lezen, prees Ik hem, want het was beknopt en beschreef alles heel goed. Nadat hij echter zijn schrijfmateriaal ingepakt had, kwam hij weer bij Mij terug om te vragen hoeveel schrijfmateriaal hij in Kapérnaum nodig zou hebben; want voorlopig had hij maar vier vellen niet mee ingepakt ten behoeve van het gebruik in Kapérnaum. Maar als Ik dacht dat hij misschien meer vellen nodig zou hebben, dan kon hij die hier beter uit het pak halen, dan in Kapérnaum!

[2] Ik zeg: 'Die vier zijn genoeg, maar Ik moet je nu toch op een foutje in het ordenen van je eigendommen wijzen. Het is eigenlijk niet zo belangrijk, maar omdat Ik meen dat alles nu eenmaal in een zekere orde moet gebeuren, vind Ik het niet zo slim van je dat je eerst je pak met schrijfmateriaal dicht bindt en dan aan Mij komt vragen hoeveel vellen Ik denk dat je nodig zult hebben. Als Ik nu eens gezegd had: ' Je hebt in Kapérnaum vijf vellen nodig!', dan zou je nu vanwege dat ene vel je hele pak weer los moeten maken, en dat zou je onnodig veel moeite bezorgd hebben. Maar, aangespoord door Mijn geheime beïnvloeding, heb je precies het juiste aantal buiten het pak gehouden, en je daardoor de moeite bespaard het pak weer open te moeten maken. Zoals Ik je echter al zei, het is niet zo belangrijk, maar overal vind je terug dat ordelijkheid veel nut heeft, ook al schijnt het nog zo onbelangrijk.

[3] Stel, dat iemand 's morgens, 's middags of 's avonds zich wast en daarbij eerst zijn gezicht wast en vervolgens pas zijn handen, dan zal door zijn nog vuile handen zijn gezicht niet zo snel schoon worden; wast hij echter eerst zijn handen, dan zalook z,ijn gezicht, omdat het dan met schone handen gewreven wordt, snel en gemakkelijk schoon worden.

[4] Een mens had eens een stenige akker, waar hij met veel moeite en ijver de stenen uit verwijderde; hij hield daarbij wel de volgende goede orde aan: Eerst verzamelde hij de grootste stenen uit de akker en legde deze buiten de akker in de vorm van een regelmatige, rechthoekige hoop. Daarna verzamelde hij de minder grote en legde deze op een tweede eveneens rechthoekige hoop. En zo deed hij vervolgens met de overige, natuurlijk steeds kleinere stukken steen en hij produceerde zo tien steenhopen, die per hoop even grote stenen bevatten.

[5] Daarop zeiden de mensen op de naburige akkers, die dat zagen en hun akkers niet op die manier vrij van stenen maakten, maar de stenen groot en klein op heel rommelige hopen bij elkaar gooiden: 'Kijk eens wat een dwaas, hij maakt er een spelletje van!'

[6] Niet lang daarna kwam er een bouwmeester langs de weg waaraan deze akker lag, en deze man zocht stenen voor een bouwwerk. Toen hij de tien geordende hopen zag, stapte hij daar op af en kocht ze allemaal voor veertig zilvergroschen van de door zijn buren voor dwaas verklaarde man; want de bouwmeester kon die stenen, omdat ze gesorteerd waren, meteen gebruiken. Toen de buren dat ge waar werden, kwamen ze daar ook op af en zeiden: 'Heer, waarom kwam u toch niet naar ons? Kijk toch zelf eens, we hebben net zulke stenen en U zou ze van ons veel goedkoper hebben kunnen kopen!' De bouwmeester antwoordt echter:

'Die stenen van jullie zou ik eerst moeten sorteren, en dat kost me veel arbeid, tijd en moeite; maar deze zijn al gesorteerd, en daarom betaal ik hier liever wat meer voor, dan dat ik die van jullie voor niets zou krijgen! Nu begonnen de buren weliswaar ook hun steenhopen te ordenen, maar het was te laat! Want de bouwmeester had genoeg aan de stenen, die hij van de eerste man gekocht had, en de buren hadden zich voor niets ingespannen!

[7] Wees daarom altijd en in alles zo ordelijk mogelijk! Als iemand ergens geld voor wil besteden, dan zal hij zich zeker het eerst daar oriënteren, waar de meeste orde heerst! Achteraf orde op zaken stellen is vaak erg nutteloos! Begrijp je dit voorbeeld?'

[8] Matthéus zegt: 'O Heer, hoe zou ik dat nu niet kunnen begrijpen! Dat is toch zo helder en duidelijk als de zon midden op de dag!

[9] Alleen wilde ik nog graag van U weten, hoe U kon weten dat ik juist maar vier vellen zal gebruiken in Kapérnaum! Want de goddelijke alwetendheid is me nog altijd een heel groot raadsel! Soms weet U, zonder iemand daarnaar te vragen, alles en houdt daar met Uw doen en laten rekening mee; andere keren stelt U, net als wij, vragen en doet U alsof U niet weet wat er gebeurd is of nog gebeuren zal! Hoe komt dat? Ik vraag U, Heer, geef me daarover eens een klein beetje uitleg!'

[10] 'Vriend!', antwoord Ik, 'dat zou Ik je best uit willen leggen, maar je zou het niet begrijpen; daarom zal Ik dat dan ook niet doen! Het zal echter niet zo lang duren voordat het moment komt, datje die geheimen moeiteloos in je opnemen kunt en ze dan ook goed begrijpt.

[11] Op dit ogenblik wil Ik je al wel zeggen, dat God ter wille van de vrije wil van de mensen, wel alles kán weten wat Hij wil, maar als het de mens in zijn vrijheid van handelen zou belemmeren, dan wil Hij het niet weten, en dan weet Hij het ook niet! Is dat duidelijk?!

[12] Matthéus zegt: 'Heer, in dat geval is het wel erg riskant om als mens op deze aarde te leven! leder mens met een beetje ontwikkeling kent toch de talloze vijanden, die met alle mogelijke kwade zaken de mensheid belagen en daarmee voor de ondergang van de mens zorgen?! Als U dat zonder dat te willen weten zo maar langs U heen laat gaan, dan komt er een moment dat het er met het zieleheil heel slecht voor zal staan!'

[13] Ik zeg: 'Zo erg wordt het nu ook weer niet! Want ten eerste leef je uit het geloof en de liefde; en ten tweede heeft iedere mens de vrijheid, om zich op ieder moment tot God te richten en Hem om hulp te smeken, en God zal Zijn aangezicht tot de smekende wenden en zal hem uit elke nood helpen!

[14] Behalve dat heeft iedere mens toch al een onzichtbare beschermgeest meegekregen, die de mens vanaf de geboorte tot aan het graf begeleiden moet! Zo'n beschermgeest beïnvloedt altijd het geweten van de mens, maar zal de aan hem toevertrouwde mens steeds meer aan zijn lot overlaten, als deze, geleid door zijn eigenliefde, al het geloof en al de liefde tot de naaste vrijwillig laat varen.

[15] De mens op deze aarde is dus volstrekt met zo verlaten als jij je dat voorstelt; want het hangt allemaal van zijn vrije willen en handelen af, of hij door God beschermd en begeleid wil zijn of niet! Als de mens het wil, dan zal God het ook willen; wil de mens het echter met, dan laat God hem helemaal vrij, en God bekommert zich ook verder niet om hem, behalve voor datgene, wat hem volgens de algemene natuurlijke ordening toekomt, zoals het natuurlijke leven en alles, wat als voorwaarde daarvoor nodig is. Maar verder bemoeit God Zich niet met de mens, en mag Hij Zich vanwege zijn onaantastbare vrijheid niet met hem bemoeien! Alleen als de mens God uit de vrije wil van het hart zoekt, en Hem vraagt, dan zal God dit vragen en zoeken direkt beantwoorden, tenminste als het de mens helemaal ernst is.

[16] Zoekt en vraagt de mens echter alleen maar bij wijze van proef en om zich ervan te overtuigen of er wel iets waar is van God en Zijn beloftes, dan zal God dat negeren! Want God is Zelf de zuiverste liefde en wendt Zijn aangezicht alleen maar naar diegenen, die eveneens uit de ware liefde van hun hart tot Hem komen en God ter wille van Hem Zelf zoeken, Hem als hun Schepper dankbaar willen leren kennen en de vurige wens hebben om door Hem beschermd en begeleid te worden.

[17] O, zij die zo komen, daarvan weet God elk ogenblik maar al te goed hoe het met hen is, en Hij Zelf leert en begeleidt ze op al hun wegen; maar die van Hem niets weten willen, daarvan weet God dan ook in alle ernst niets !

[18] En wanneer ze eenmaal in het hiernamaals voor God staan en luidkeels roepen: 'Heer, Heer!', dan zal God hen antwoorden: 'Ga weg van Mij, jullie vreemden; want Ik heb jullie nog nooit gekend!' En zulke zielen zullen dan veel te dulden en te strijden krijgen voordat ze Hem weer naderen kunnen omdat Hij ze nu kent. Begrijp je het nu?'

[19] ‘Ja, Heer', zegt Matthéus, 'dat begrijp ik nu allemaal erg goed, zuiver en helder. Maar vindt U niet dat ik deze heerlijke leer, die de mensen toch erg zou moeten aansporen om God zonder ophouden te zoeken en Hem te vragen ze bij de hand te nemen en op de goede wegen te leiden, niet onmiddellijk moet opschrijven?'

[20] Ik zeg: 'Neen, Mijn beste vriend en broeder; want vrijwel geen mens zou de ware en levende volheid van die leer begrijpen! Daarom behoef je die ook helemaal niet op te schrijven, behalve als je dat later nog eens -alleen voor jezelf en een paar broeders - doen wilt.

[21] Nu gaan we echter op stap, als jullie klaar zijn voor de verdere reis naar Kapérnaum! Wie mee wil, die volge ons; wie echter blijven wil, die blijve! Ik moet gaan; want er is. daar veel ellende, en ook In de kleine plaatsjes die om het meer, de Galilese zee, liggen.”

 

 

93 Naar Kapérnaum. De Heer dwingt niemand

 

[1] Nu gaan we op weg. De jonge gastheer komt nog een keer vragen of Ik toch nog niet de avond bij hem wil doorbrengen.

[2] Ik zeg echter: 'Ik kom gauw weer langs, want voordat Ik voor het volgende feest naar Jeruzalem trek, moet Ik Nazareth bezoeken, en op de heen­ en terugreis zal Ik je weer opzoeken.'         .

[3] De gastheer zegt: 'Heer, daarmee maakt U me erg gelukkig! Als U nu echter beslist niet langer hier wilt blijven, wilt U dan zo vriendelijk zijn om mij toe te staan, dat ook ik U weer m.ag vergezellen!'

[4] Ik zeg: 'Dat moet je helemaal zelf beslissen, want wat Mij betreft moet niemand ooit tot wat dan ook gedwongen worden! Wie Mij wil aannemen, die neme Mij aan, en wie Mij en Mijn leer volgen wil, die volge! Want Ik en Mijn rijk zijn vrij en willen daarom ook in alle vrijheid het loon zijn van eigen inspanning!

[5] Voor Mij geldt slechts de absoluut vrije zelfbeschikking. Alles wat meer of minder is, heeft voor Mij en Mijn Vader, Die In Mij is zoals Ik in Hem, geen waarde!   ..

[6] Want iedere dwang ergens anders vandaan dan uit het eigen hart, is vreemd en kan voor het persoonlijke eigen leven van de mens onmogelijk enige waarde hebben in Mijn eeuwige vrije orde.

[7] Wat voor waarde heeft het voor jou, als je van e~n kunstwerk van een ander beweert dat het jouw werk is? Als er dan Iemand kwam en aan je vroeg om tegen een hoge beloning nog zo'n werk te maken, dan zou je te schande staan en het je moeten laten welgevallen, da.t de opdrachtgever je ten aanschouwe van iedereen een leugenaar, bedneger en pronker met andermans veren zou noemen.                                                                                                   .

[8] Zo is ook de totale ontwikkeling van het eigen leven aan leder mens persoonlijk in handen gegeven.

[9] Wat eenmaal, bij de grote levenstest van iedere mens voor Gods aangezicht, als vreemd aan de mens wordt onderkend, dat zal waardeloos Voor hem zijn en het zal van hem worden afgenomen,  en er zal dan worden gezegd: Wie heeft, die zal het behouden en hij krijgt er nog veel meer bij; wie echter niets eigens heeft, die zal worden ontnomen wat hij heeft, omdat het niet van hemzelf, maar van een vreemde is!

[10] Ik zeg je dat het nu heus niet nodig is, dat je meegaat; maar als je het puur uit jezelf wilt doen uit liefde tot Mij, dan zul je daarvoor niet alleen niets verliezen, maar je zult het in alles tienvoudig terugkrijgen! Want wie het ook is die uit echte liefde tot Mij iets doet, die zal het hier tienvoudig worden vergolden en hierna in Mijn rijk honderdvoudig, en ook wel duizendvoudig en eindeloos!'

[11] De gastheer zegt: 'Heer, als dat zo is, dan ga ik zeker met U mee; want mijn hart zet me daartoe aan, en ik wil daarom mijn hart geheel en al volgen!'                              ,

[12] 'Goed, doe dat', zeg Ik, 'dan zul je volgens je hart leven,. en dat alleen is het echte leven. Want ieder ander leven, dat de ingeving van het hart niet volgt, is geen leven maar een dood van het eigen leven in ieder mens! Ik, Die alleen de Heer van al het leven ben, zeg je dat!'

[13] Dit maakt de gastheer heel gelukkig, hij neemt meteen zijn knapzak en wat geld en maakt zich reisvaardig.

[14] Maar Ik raad hem aan: 'Maak je vrij van alles, dan zul je veellichter wandelen; want de dieven vallen alleen maar diegenen aan, waarvan ze weten dat ze iets bij zich hebben! Heb je echter niets, dan kunnen ze ook niets wegnemen!'

[15] De gastheer overhandigt daarop zijn geld en knapzak aan zijn vrouw en volgt Mij zonder geld en knapzak.

 

 

94 Over de vloek en de gevaren van het geld

 

[I] Maar Judas Iskariot, die er vlak naast staat, zegt: 'Ik vind echter, dat het de mens nooit schaadt, als hij wat geld bij zich heeft tijdens de reis!'

[2] Maar Ik zeg: 'Wie Mij kent zoals deze gastheer, die ook in Sichar al bij Mij was, die weet, dat men er bij Mij heel goed zonder geld kan komen! Kijk eens, hoewel ik geen zakken in Mijn mantel heb en helemaal niets wat ook maar lijkt op geld, heb Ik toch voor vele honderden gezorgd, die door Judéa en Samaria met Mij meegingen! Vraag hen, hoeveel deze reis ieder gekost heeft!

[3] Ik zeg je echter nog bovendien, dat Ik binnenkort vele duizenden zal voeden, zonder meer geld bij Mij te hebben dan nu.

[4] Ik zeg je: Een echt en algeheel vertrouwen op God is meer waard dan alle schatten der aarde, waarmee je wel voor korte tijd je vlees, maar nooit je ziel kunt helpen! Als je echter je ziel te gronde gericht en verloren hebt, wat heb je dan later nog te geven voor de verlossing van je ziel?!'

[5] Judas zegt: ' Ja, ja, U hebt wel gelijk, maar voor bepaalde dingen moet een mens toch geld hebben!'

[6] Ik zeg: 'Hoeveel geld had Mozes dan, toen hij de Israëlieten uit Egypte leidde?' - Judas zegt: 'Hij had goud, zilver en veel edelstenen!'

[7] Ik zeg: 'Dat had hij weliswaar, maar dat maakte dan ook, dat hij niet in het voorzegde Beloofde land mocht komen! Begrijp je wel?!'

[8] Judas zegt: 'Ik ben de mening toegedaan, dat bij Mozes, de profeet aller profeten van Jehova, niet het goud en het zilver dat hij op Gods bevel uit Egypte moest meenemen de reden daarvoor was, maar veel eerder dat hij, in een zwak moment van zijn geloof, te weinig op de trouw van Jehova bouwde!'

[9] Ik zeg: 'En wat was de reden dat hij op een dag zwak werd? Degene, die Mozes toen zwak liet worden, omdat hij teveel dacht aan het zilver en het goud, staat hier voor je en zegt het! In de Schrift staat het weliswaar op een zinnebeeldige manier, maar wat Ik je zei, dat was de werkelijkheid!'

[10] Judas zegt: 'Goed, Ik neem van U aan dat het toen zo gebeurd is! Maar nu is door de koning van Rome en de halve aarde het geld eenmaal als wettig ruilmiddel Ingevoerd ter vergemakkelijking van het noodzakelijke onderlinge menselijke verkeer, en we zijn verplicht het te gebruiken. Daarom meen ik, dat, als het geen zonde is om geld in de tempelkas te offeren, het ook geen zonde zal zijn datzelfde geld aan de een of andere arme te geven, opdat hij zich daar een paar dagen mee verzorgt. Dus is het alleen al vanwege de armen goed, om wat geld, dat nu eenmaal toch door de staat wettig is ingevoerd, op reis mee te nemen, en dus had gastheer Koban best dat beetje geld bij zich kunnen houden!'

[11] Ik zeg:' Je hebt weliswaar een rijkelijk voorziene beurs bij je, maar je gaf ondanks dat gisteren niets aan die drie armen, die je om een aalmoes gesmeekt hebben; en daarom meen Ik, dat je zelf niet dat loffelijke gebruik van het geld maakt, dat je Mij staat aan te prijzen!

[12] Wat het geld in de tempelkas betreft, daarover wil Ik je wel heel openhartig zeggen: Dat is iets afschuwelijks, wat de verwording met zich meegebracht heeft, niet zozeer voor een paar armen van geest, die denken dat ze daardoor de hemel kunnen verdienen, maar des te meer voor hen, die het geld uit de kas halen en het 's nachts verbrassen bij de meisjes van plezier! Zolang er geen geld bestond, waren er ook geen publieke vrouwen zoals nu. Door de komst van het geld en allerlei pasmunt zijn er in Jeruzalem, zoals bijna in alle andere steden, een groot aantal meisjes van plezier gekomen, en de mannen zondigen dag en nacht met hen! En als die uit het eigen land niet meer goed genoeg zijn voor degenen met veel geld, dan laten ze uit de berglanden maagden komen, kopen ze in Griekenland, en bedrijven daarna in Judéa met hen de schandelijkste hoererij! En neem van Mij maar aan dat dat alles, en nog duizend keer erger, het gevolg is van het door jou zo hoog geprezen geld!

[13] Maar dat is nog maar het begin van de vloek, die aan het geld kleeft.

[14] Er komen echter nog tijden die slechter zullen zijn dan diegene waarin Noach de ark bouwde, en hun ellende zal te wijten zijn aan het goud en het zilver, -en slechts een vuur uit de hemel dat al de produkten van de hel zal verteren zal de mensen verlossen van de ellendigste van alle ellendes!’

[15] Judas zegt: ' Ja, ja, U bent een profeet zonder weerga en kunt dat allemaal weten; maar als men het geld goed gebruikt, dan kan er toch niets mis gaan?'

[16] Ik zeg: 'Ik zeg je: Ja, als men het goed gebruikte, dan zou het net zo goed zijn als al het andere op aarde, dat men ook goed en slecht gebruiken kan! Maar het grote verschil ligt hierin: Als je een stad ingaat, dan moet je allerlei zaken op je schouders meedragen, hetzij gereedschap­pen of etenswaren, en daarvoor krijg je iets anders terug wat je nodig hebt, of ook wel een toebereide maaltijd. Het is wel wat omslachtig en beslist niet erg gemakkelijk -maar het is ook ongeschikt om daarmee tot zondigen verleid te worden! Want als je met koopwaar en pakken komt of je trekt een kar vol gereedschappen, en je gaat daarmee naar een hoer en je wilt met haar voor een paar potten of schotels zondigen, dan zal ze je bespotten en uitlachen, en je bent gevrijwaard van de zonde. Kom je echter bij haar met goud­ en zilverstukken, dan zal ze je niet bespotten en uitlachen, maar je meenemen in haar slaapkamer en ze zal je met allerlei dingen prikkelen om te zondigen, om je daardoor des te meer goud en zilver te ontfutselen! Daarom is het geld wel gemakkelijk maar ook buitengewoon verlokkend en gemakkelijk om te zondigen!

[17] En daarom heeft de satan het in deze wereld gebracht, opdat daardoor gemakkelijker en meer gezondigd zal worden in de wereld! - Weet je nog niet, dat de gelegenheid de dief maakt?!'

[18] Judas zegt: ' Ja, ja, dat is juist! Maar als men allerlei dieven tegen zou willen houden, door de mensen niets te laten bezitten wat de dieven beviel, dan moest er bij de mensen toch ontzettend veel veranderen! Ten eerste zou iedereen even arm aan aardse goederen moeten zijn, ten tweede moest iedereen op iedereen lijken net als mannetjes­ en vrouwtjes mussen, en ten derde zou er niet één verstandiger mogen zijn dan de ander! Maar zolang dit allemaal niet het geval is, heeft al het praten, leringen geven en tekenen doen geen nut! Velen zullen zich daardoor wel bekeren, maar nog tien keer zoveel zullen ondanks de leer of de tekenen blijven zoals ze zijn, en even gemakkelijk of zelfs nog gemakkelijker kunnen ze ook wel tien keer erger worden dan ze eerst waren. Want ieder mens heeft enige eigenliefde en hij wil een redelijke verzorging hebben; daarom denkt ieder mens toch heel natuurlijk eerst aan zichzelf en dan pas aan de anderen! En dat kun je hem toch onmogelijk kwalijk nemen! Huis en grond kan niet iedereen hebben, want dan moest God bij iedere geboorte een stuk grond met een huis laten geboren worden en dat ook op laten groeien. Omdat dat echter niet zo is en de eerder geborenen zich reeds lang ieder plekje op aarde toegeëigend hebben, zodat daardoor de meeste pasge­borenen nog geen voetbreed stukje aarde kunnen bezitten, blijft hen uiteindelijk niets anders over dan zich zelf door allerlei kennis onontbeerlijk te maken voor de luie bezitters en dus op de een of andere manier in dienst te gaan bij de rijke bezitters der aarde, of zich op de diefstal toe te leggen, om niet de zware bedelstaf te hulp te moeten roepen. -Als dan de besten van degenen, die geen grond en geen huis bezitten, voor hun diensten alleen maar geld krijgen en het geld indien mogelijk bij elkaar sparen, zodat ze voor hun oude dag iets hebben, dan zie ik daar niets slechts in, en ik vind dat het geld een nieuwe schepping van grond en vastigheid is voor al degenen, die op deze armzalige aarde niet door opvoeding en geboorte ooit tot het vurig verlangde bezit zijn gekomen. En ik moet eerlijk bekennen, dat God Zelf, Die niet tegelijk voor iedere pasgeborene ook een nieuw stuk land scheppen kan of wil, de heersers het goede idee ingegeven heeft om geld te scheppen, waardoor ook kinderen van bezitslozen de nodige verzorging kunnen krijgen, die vaak beter is dan die, welke uit grond en bezit bestaat. En God kan toch niet willen, dat de kinderen van bezitslozen te gronde zullen gaan!? Want ze kunnen er toch duidelijk niets aan doen, dat ze op de wereld geboren zijn met dezelfde levensnoden als de kinderen van de bezitters!

[19] Al neem ik van U, Die misschien wel de grootste profeet bent die ooit deze aarde betrad, alles aan wat U al geleerd heeft en nog Ieren zult, dan neem ik toch niet aan wat U uitgelegd hebt over de schade, die het geld berokkent. Want net zo goed als het geld volgens Uw inzicht schadelijk kan worden, net zo goed kan ook al het andere schadelijk worden! Als ik schapen, ossen, koeien, kalveren, ezels, kippen en duiven en al de vruchten en al het brood had dat alleen in ons land al sinds David gestolen is, dan was ik de rijkste mens in heel Israël! En de hoererij is vroeger, daar waar men geen geld had, zoals bijvoorbeeld in Sodom en Gomorra en in Babylon, net eender en nog uitgebreider bedreven dan nu.

[20] Ik wil heus niet beweren dat U ongelijk hebt met datgene, wat U van het geld zegt; maar waar is op deze armzalige aarde dan iets te vinden, waarmee geen duizendvoudige slechtheden begaan zijn?! Als God die dingen echter niet zo bijzonder vervloekt vanwege hun slechte gebruik, waarom moet het geld het dan bij Hem zo ontgelden?!'

[21] Ik zeg: 'Wat iemand lief heeft, daarvoor heeft hij ook verstand genoeg om het te prijzen; jij houdt uitermate veel van het geld en kunt daarom het geld heel goed bejubelen. Ik zal je daarom ook verder niets meer zeggen, want waar men van houdt, dat wil men ook prijzen! Je zult echter binnen niet al te lange tijd de vloek van het geld nog leren kennen! ­ Nu houden we er echter over op! De weg naar Kapérnaum is vrij pittig, en we moeten toch voor zonsondergang daar zijn en er onderdak voor ons vinden!'

 

 

95  Het karakter van Judas

 

[1] Nu kwam Thomas naar Judas Iskariot toe en verweet hem, dat hij bij Mij aan durfde komen met zijn domme ideeën over geld, terwijl Mijn geest toch die van Jehova Zelf was, en Ik daden deed, die alleen maar aan God mogelijk waren!

[2] Judas zegt tegen hem: ' Jij bent nog net zo dom als je altijd al was! Want je gelooft ieder bakersprookje, of je gelooft als je dat zo uitkomt helemaal niets! Denken kun je niet en rekenen nog minder! Neem nou eens die vissen, die je op de markt bracht. Je vroeg vaak voor grote en voor kleine vissen dezelfde prijs, zodat de kopers je daarom in je gezicht uitlachten! Zoals je altijd al was, zo ben je nu nog, je denkt niet en je rekent niet, maar je leeft zo lekker dom de hele dag maar door, zoals je dat altijd al gewend bent.

[3] Ik ben nu pas een paar uur in het gezelschap van deze grote profeet, en het is mijn heilige plicht om Hem te doorgronden en zoveel mogelijk te Ieren kennen, zowel in Zijn zienswijze als in de strekking van Zijn optreden! Jij bent nu al ongeveer een half jaar in Zijn omgeving en je moet Hem daarom ook beter kennen dan ik! Moet ik me echter daarom, omdat jij Hem al kent, helemaal geen moeite geven om Hem tenminste ook zover te leren kennen als jij Hem tot nu toe hebt leren kennen?!'            ,!,

[4] Thomas zegt: 'Je wilt toch hopelijk niet vandaag al alles weten, o : dan morgen weer naar huis te gaan!? Het is maar goed, dat de Heet: eindelijk weer op weg is gegaan, anders waren jullie beslist morgen ook nog lang niet over jouw domme geld uitgepraat geraakt! De Heer heeft gelijk; dat vervloekte geld wordt je dood nog eens, omdat je het zo bijzonder aantrekkelijk vindt! De Heer heeft je toch duidelijk genoeg gezegd, welke waarde het geld heeft en op welke manier het zeer nadelig is voor het;;: geestelijke leven van de mens; maar jij vindt jezelf al heel lang wijzer li dan God en daarom ook kun je voor God de kroon op je wijsheid zetten! :; Pas maar op dat je op een keer niet stikt van louter wijsheid!

[5] Maar wat heeft mijn vishandel daarmee te maken?! Ik heb nota bene altijd als eerste mijn vis uitverkocht, terwijl jij, ondanks je goede lessen, de helft van de jouwe meestal weer naar huis moest dragen! Ik verkocht zowel de grote als de kleine tien stuks voor twee penningen en kon altijd nog wel vijfmaal zoveel verkopen, gesteld dat ik dat naar de markt gebracht had! En het lijkt me dus wel duidelijk, dat ik beter gerekend heb dan jij, die wijzer dan God denkt te zijn, maar tevens een gierigaard bent en je hele heil in het geld zoekt; voor die wijsheid geef ik geen stater!'

[6] Een beetje verbouwereerd antwoordt Judas: 'Ieder praat naar zijn, verstand!' Thomas zegt: 'Dat is waar; jij begrijpt alles, omdat je zo dom ; bent, op een domme manier en je praat ook zo! Geef liever wat aandacht aan een arme, die langs de weg ligt! Geef hem je beurs, dan zul je voor het eerst van je leven volkomen wijs handelen!'

[7] Judas zegt: 'Dat zal ik wel mooi niet doen; want nog nooit heeft iemand mij iets, in de ware betekenis van het woord, geschonken, en daarom schenk ik ook niemand iets!'

[8] Thomas zegt: 'Dat is een zeer loffelijk principe, dat zo zonder meer al vervloekt behoort te worden! Ik zeg je, met zulke principes zul je bij onze eigen Heiland en Meester beslist niet ver komen; daar sta ik voor in! Hij personifieert de grootste vrijgevigheid -en jij bent een onver­gelijkbare gierigaard! Dat past heel aardig bij elkaar!'

[9] Judas zegt: ' Als ik Hem eerst maar eens goed bewerkt heb en Hij inziet, hoe men in de wereld leven moet om een gezien mens te zijn, dan wordt Hij wel wat minder vrijgevig! Overigens is het ook beslist geen kunst, op kosten van degenen die wat hebben, vrijgevig te zijn en zijn aanhang goede maaltijden voor te zetten! Geloof me, als ik ergens zo'n dwaas vind, zoals deze jonge gastheer, dan wil ik op zijn kosten ook wel zo vrijgevig zijn als wie dan ook! -Maar juist deze Jezus, die van huis uit een straatarm mens is, moest alleen uit Eigen middelen maar eens die groep leerlingen onderhouden en voeden, dan zou je meteen wel zien, hoe vrijgevig Hij is, en of Hij niet zo snel mogelijk al die nalopers weg zal sturen!'

[10] Thomas zegt: 'Ik zeg je alleen maar, dat je helemaal door de duivel bezeten bent; want zoals jij nu gesproken hebt, kan alleen maar de duivel spreken! Het lijkt op redelijke taal, maar dat lijkt alleen maar zo, en wat je zegt is de onbeschaamdste leugen ter wereld. Ik heb er spijt van dat ik je hierheen gebracht heb, Er waren vele honderden mensen in Sichar, en allen werden gevoed uit de hemel! En het vervallen huis van Irhaël heeft hij in weinige minuten zo herbouwd, dat het nu verreweg het kostbaarste huis in deze stad is! En jij grenzeloos onbeschaamde, oerdomme dwaas wilt dan mij, die met mijn eigen natuurlijke ogen de hemel geopend heeft gezien en talloze scharen van Gods engelen naar boven en naar beneden zag gaan, in zekere zin als de wijze der wijzen er van overtuigen, dat Jezus een arme sloeber is, die zich op andermans kosten wel laat doen!? O, wat ben je toch een arme sukkel! Hij, aan Wie hemel en aarde volkomen toebehoren, omdat Hij ze gegrondvest heeft door Zijn almacht, zal zeker mijn of jouw schatten nodig hebben om op deze wereld, waarop Hij de vruchten laat groeien en rijp worden, te kunnen leven?! O, jij ontzettend blinde dwaas! Ga naar Sichar, overtuig je van alles en kom dan terug, en we zullen zien of je nog zo dom in 't wilde weg redeneert als nu!'

[11] Judas zegt met een insinuerende glimlach heel laconiek: 'Heb je dat allemaal met je eigen ogen gezien? Of heb je misschien ook nog een paar ossen­ en ezelsogen geleend, om zo veel en zulke buitengewone dingen in één keer te kunnen overzien? - Overigens verheugt het mij, dat deze wijze Nazareeër ook de mooie Irhaël heeft leren kennen, die intussen, zoals ik pas kort geleden gehoord heb, al met haar zesde man schijnt samen te wonen, omdat al de vijf anderen bij haar zo gezegd op het lijf gestorven zijn! Nou, bij zo'n mooi liefje zal dan voor jullie allemaal de hemel wel heel wijd open gestaan hebben! Jaja, Irhaël heeft al menigeen in de zevende hemel gebracht; waarom zou ze dan bij jullie een uitzondering gemaakt hebben?! Maar ik zal voor haar plezier echt niet naar Sichar wandelen; want ik houd mij aan de wet van Mozes en ik wil mij daarom niet bezig houden met zulke zondige zaken!’

 

 

96 De wil van Judas

 

[I] Deze sarcastische woorden van Judas maken dat Thomas bijna uit zijn vel springt van ergernis en woede, en hij wil hem letterlijk zo hard mogelijk te lijf gaan. Maar Ik ga nu, terwijl we bijna halverwege Kapérnaum zijn, naar Thomas toe en zeg: 'Broeder, zolang je Mij rustig en bedaard ziet, wees jij dan ook zoals je Mij ziet als je maar vaak genoeg, naar Mij kijkt! Maar, als je op een keer ziet dat Ik er op los sla, spring er dan snel op af en sla zo hard je kunt! Maar dat is nu bepaald nog lang niet nodig. De nacht blijft nacht ondanks alles wat je er aan doet, en Judas zal Judas blijven! Het is voor hem geen verplichting zoals voor de nacht, die de natuurlijke schaduw van de aarde is, maar als hij Judas blijven wil, dan moet hij dat maar blijven; wij blijven echter dat wat wij zijn! De toekomst zal leren, hoever hij het zal brengen met Judas te zijn!”

[2] Thomas zegt: 'U kunt hem het beste maar wegsturen, anders krijgen we nog heel wat herrie met hem; want hij verkoopt smerige en boosaardige praatjes!'

[3] Ik zeg: 'Ik heb hem niet gevraagd om te komen en zal hem daarom; ook niet wegsturen; als hij echter wil gaan zoals hij gekomen is, dan;j zullen we daar geen traan om laten! Maar jij moet uit zijn buurt blijven, want jullie passen niet bij elkaar. Vergeef hem echter alles, zoals Ik hem vergeef, dan zal je hart vrij blijven!'

[4] Thomas zegt: 'Wat betreft dat vergeven mijnerzijds, daarover hoeft, U zich geen zorgen te maken; want ik heb beslist nooit wrok tegen hem gekoesterd, hoewel ik hem altijd gekend heb als een mens, waarmee  niemand makkelijk op kan schieten, - zelfs de profeet Johannes niet, waarmee hij meermalen een twistgesprek had! Maar ik moet heel eerlijk toegeven, dat het me duizendmaal liever geweest was, als hij niet bij ons gezelschap hoorde!

[5] Toen ik eergisteren thuis was, heb ik natuurlijk een heleboel over Uw doen en laten verteld aan mijn kennissen, die zich daar erg over verbaasden. Dat kwam echter ook Judas ter ore; en hij was nu net de eerste die besloot om zich bij U aan te sluiten! Want de leer van Johannes voldeed hem niet, omdat die alleen maar een strenge boetedoening voorschreef en aan iedereen een onverbiddelijk godsgericht verkondigde die niet tot de echte boetedoening zou overgaan; over dit onderwerp heeft hij dan ook meermalen met Johannes geredetwist.

[6] Johannes was helemaal vervuld van de boetedoening, en Judas precies het tegenovergestelde daarvan. Hij legde Johannes zonder omwegen uit, dat een zogenaamde 'zak en as'-boetedoening het domste was wat een mens kon doen, de mens moest zich echt wel verbeteren, maar niet in zak en as!

[7] Nu is het wel zo dat Johannes niet direkt zak en as heeft aanbevolen als beslist noodzakelijk voor de boetedoening; hij heeft het als het ware vergelijkenderwijs in zijn toespraken naar voren gebracht en wilde daarmee een grondige verbetering van de mens, die een slaaf van zijn zonden was geworden, aanduiden; maar Judas, die alles beter wilde weten en begrijpen, was het er niet mee eens dat men ook door beelden en gelijkenissen kan lesgeven, want hij vond, dat men zich over zulke belangrijke zaken, waar het heil van de mensen vanaf hing, altijd in heldere, begrijpelijke taal moest uitdrukken!

[8] De profeten waren naar zijn idee pure ezels, omdat ze in beelden gesproken hadden, die men uit kon leggen zoals men dat zelf wilde; het was alleen aan hen te wijten dat de priesters, de koningen en het hele volk bedorven waren! Kortom, bij hem is ieder mens, hoog of laag, een ezel, als die niet zo denkt en doet als hij; en daarom denk ik, dat hij niet in ons gezelschap zal passen.

[9] Ik zeg: 'Mijn beste Thomas! Wat je Mij nu hebt verteld, wist Ik allang; maar toch blijf Ik erbij: Als hij wil gaan, dan gaat hij; als hij echter wil blijven, dan blijft hij! Ik weet nog veel meer van hem en weet zelfs, wat hij Mij Zelf aan zal doen; maar toch moet hij blijven, als hij wil blijven! Want zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren; maar die gedachte zal deze ziel niet veel goeds brengen! Maar nu houden we erover op! Er komt binnen niet al te lange tijd nog wel een gelegenheid, waarbij we bij hem de vinger op de zere plek zullen leggen! -We zijn nu inmiddels voor de muren van Kapérnaum gekomen, en Ik zie door de stadspoort een Romeins hoofdman ons tegemoet snellen, vergezeld van overste Cornelius en zijn koninklijke familielid, er moet weer een zieke genezen worden.

 

 

97 Kapérnaum. De zieke knecht van de hoofdman

 

Ev. Matth. hoofdstuk 8. Hier begint Matthéus bij het vijfde vers in het achtste hoofdstuk de geschiedenis beknopt op te schrijven tot Ik weer naar een feest in Jeruzalem ga. ­

 

[I] We lopen nu nog op ons gemak een paar honderd schreden en als Ik het stadsgebied betreed, komt de hoofdman direkt op Mij af, vraagt of Ik naar hem luisteren wil en zegt dan: 'Heer! Thuis heb ik een knecht, die door de jicht wordt geteisterd en daar erg onder lijdt, en niets meer kan doen'.(Matth. 8,6)

[2] Ik zeg: 'Ik zal komen en hem gezond maken'.(Matth. 8.7)

[3] De hoofdman zegt echter: 'Heer! Ik ben helemaal niet waard, dat U in mijn huis komt, maar spreek slechts één woord, dan wordt mijn knecht gezond! (Matth. 8,8) Want, ik ben ook maar een mens, die ­net als veel anderen -ondergeschikt is aan de hogere overheid; maar onder mij heb ik toch veel krijgsknechten, die doen moeten wat ik zeg. En als ik tegen één van hen zeg: doe dat, dan doet hij het, of als ik zeg dat hij moet verdwijnen, dan verdwijnt hij. En als ik tegen een andere knecht zeg: kom, dan komt hij; en als ik tegen mijn knecht zeg: doe dit of dat voor mij, dan doet hij het meteen! (Matth. 8,9)

[4] Aan U zijn echter alle geesten ondergeschikt, en U bent de totale gebieder over wat in de hemel en wat op de aarde en in de aarde is; U behoeft dus alleen maar Uw voor ons onzichtbare machten een aanwijzing te geven, en ze zullen onmiddellijk doen wat U wilt!'

[5] Deze hoofdman legde Mij zijn verzoek betreffende zijn knecht zo vol vertrouwen voor, omdat hij door de direkte genezing van de zoon van de koninklijke beambte en door de verhalen van de overste ervan overtuigd was, dat ik op wonderlijke wijze op afstand kon genezen door slechts één enkel woord te spreken. Dat was dan ook de reden, dat hij, net als de koninklijke beambte, naar Mij toe kwam toen hij hoorde dat Ik de stad naderde.

[6] Toen Ik hoorde hoeveel vertrouwen de hoofdman in Mij had, zei Ik verwonderd -weliswaar niet voor Mijzelf maar voor de leerlingen ­- niet speciaal tegen de hoofdman, maar meer tegen degenen, die bij Mij waren: 'Werkelijk, zo’n geloof ben Ik in heel Israël nog niet tegen gekomen! (Matth. 8,10) Maar ik zeg jullie daarbij: Velen zullen uit het oosten en uit het westen komen en met Abraham, Isaäk en Jacob in het hemelrijk zitten (d.w.z. delen in de heerlijkheid des Vaders) (Matth. 8,11); maar de kinderen van het Rijk zullen uitgestoten worden in de grootste duisternis, waar een ontzettend gekerm en beklagenswaardig tandengeklapper zal zijn!' (Matth. 8,12)

[7] Nog voor Ik uitgesproken was, sloegen velen zich vol verslagenheid op de borst en zeiden: 'Heer, verwerpt U de kinderen en neemt U in hun plaats de heidenen aan?'

[8] En Ik zeg: 'Het maakt niet uit of het kinderen of heidenen zijn! Wie gelooft en de liefde heeft, hetzij Jood, Griek of Romein, die zal aangenomen worden!’

[9] Daarna keer Ik Mij naar de hoofdman en zeg tegen hem: 'Ga heen; u krijgt wat u hebt geloofd!'

[10] De hoofdman bedankte Mij uit de grond van zijn hart, ging vervolgens naar huis en zag daar, dat alles in vervulling was gegaan, wat hij met een onwrikbaar geloof had gevraagd; want de knecht werd op hetzelfde moment gezond, waarop Ik tegen de hoofdman had gezegd: 'U krijgt wat u hebt geloofd!' (Matth. 8,13)

[11] Dit teken in Kapérnaum, en ook dat daarvoor aan de zoon van de koninklijke beambte, die stadhouder was in Kapérnaum, kregen in deze stad bijzonder veel belangstelling, vooral van de kant van de Romeinen en Grieken, die in de stad aanwezig waren; maar onder de Joden en de in deze stad vanuit Jeruzalem gestationeerde, en in feite blijvend aangestelde priesters en schriftgeleerden wekte het alleen maar ergernis, nijd en woede!

 

 

98 Het volk daagt de priesters uit

 

[1] Want het volk, dat de tekenen gezien had, maar te bang was voor de priesters en schriftgeleerden om er voor uit te komen dat het Mijn leer geloofde en wilde volgen, verzon een list: Het bracht een aantal zieken naar de priesters en zei: 'Luister eens, hooggeachte priesters en schrift­geleerden, die naar u zegt in alle geheimen van God ingewijd bent! De mens Jezus uit Nazareth doet wonderen die zo groot zijn dat nog niemand ze ooit eerder gedaan heeft, en zijn taal en leer is als een vuurstroom, die alles wat hij op zijn weg tegenkomt met geweldige hitte verteert en onweerstaanbaar met zich meesleurt! Zonder medicijnen geneest hij als een God iedere ziekte alleen maar door het woord, en men zegt dat hij zelfs doden levend maakt door het uitspreken van een enkel woord!

[2] Nadat we ons van de waarheid van al deze dingen overtuigd hadden, schoot ons een goede gedachte te binnen, en wij dachten aan u en zeiden tegen elkaar: 'Waarom vinden wij dat zo bijzonder?! We hebben toch ook priesters en schriftgeleerden die in alle Godsgeheimen ingewijd zijn, die zeker net als deze Jezus slechts door iets te zeggen een zieke kunnen genezen, als ze dat willen!' We waren eigenlijk al onderweg om onze zieken naar de Nazareeër te brengen; maar dachten toen aan de besnijdenis en het verbond, en dat willen wij niet loslaten zolang dat ons ook datgene kan geven, wat wij lichamelijk en geestelijk nodig hebben. Omdat deze Jezus nu echter zulke uitermate wonderbaarlijke tekenen doet, dreigt er voor ons gevaar als we niet dezelfde krachtige tekenen daar tegenover kunnen stellen!

[3] Dus hebben we een aantal zieken meegebracht en vragen u terwille van uwen ons heil, of u door uw geestelijke macht, die u volgens eigen zeggen direkt van God heeft, deze zieken, die beslist niet onze ergste zieken zijn, slechts door een woord te spreken wilt genezen!

[4] Daarna trekken we dan met deze door u wonderbaar genezen zieken de hele stad door, en zullen voor ieder huis Gods eer en uw grote roem luid verkondigen. De Nazareeër verliest daardoor zeer aan populariteit en zal, volgens de zegswijze, tenslotte onder schande, spot en smaad het hazenpad moeten kiezen!'

[5] De priesters en schriftgeleerden, zich maar al te goed bewust van hun totale onmacht, zeggen plechtig, om hun onmacht te verbergen: 'Wat een dwazen zijn jullie toch! Waarom vragen jullie dingen van ons, die alleen God mag doen? Wanneer heeft er ooit een priester of een schriftgeleerde een wonder gedaan?! Dat kan alleen maar God en de ene hogepriester in de tempel te Jeruzalem, als hij in het allerheiligste gaat! Breng je zieken dus naar Jeruzalem; daar zullen ze, als je het juiste daarvoor offert, wel genezen worden; als God het tenminste wil! Wil God het echter niet, dan zul je het moeten aanvaarden om je zieken nog net zo ziek weer mee naar huis te nemen.

[6] Wij zijn wel ingewijd in alle mogelijke geheimen van God, maar niet in de macht van God, die heilig is, en die Hij aan geen sterveling geeft!

[7] Wie echter toch zoals deze Jezus, over wie wij ook al gehoord hebben, door toverij of met de hulp van Beëlzebub daden verricht, is een monster uit de hel, de eeuwig vervloekte woonplaats van Gods vijand. En wie zich inlaat met zijn leer en zijn tekenen, die staat dan ook net eender tegenover God en Zijn dienaren, als die duivelsdienaar! Dat is de zuivere waarheid; wee jullie, als je naar Jezus gaat en zijn leer en hulp aanneemt!'

[8] Degenen, die de zieken naar de priesters en de schriftgeleerden gebracht hebben, zeggen: 'Jullie zijn allemaal leugenaars, als je dit beweert! Hoe kan hij tot de duivel behoren en een dienaar van Beëlzebub zijn, hij, die de mensen het beste geeft en de mensen, die hem volgen, slechts liefde, zachtmoedigheid en geduld leert, en die alles wat hij leert ook helemaal zelf in praktijk brengt?!

[9] Jullie zijn veel eerder des duivels, als. Je zoiets over hem zegt; hij is daarentegen van God, omdat hij de wil van God doet, die hij ook leert!

[10] Jullie hebben ons daarnet uitgescholden voor 'dwazen', omdat wij in je eigen belang datgene vroegen, wat jullie wel duizend keer beweerd hebt ook te kunnen door het goddelijke woord en het gebed; maar nu, nu het er als nooit tevoren op aankomt om je oude onveranderlijke geloof ten uitvoer te brengen, scheld je ons uit voor dwazen als we jullie aan je woord houden! – O, slechte dienaars van Beëlzebub! We zullen jullie zoveel licht geven, dat je alleen al door de afstraling daarvan allemaal sterven zult!'

 

 

99  Bethabara. De schoondochter van Petrus

 

[1] De priesters en schriftgeleerden trokken zich snel terug toen ze die dreigende taal van hun geloofsgenoten hoorden. Want er waren er ongeveer honderd naar hen toegekomen en in hun ogen vonkelde een diepe ernst; want deze mensen voelden allang aan, wie er achter de Joodse priesters en schriftgeleerden schuil ging en ze haatten hen al een hele tijd meer dan de pest!

[2] Maar omdat de priesters, Farizeeën en schriftgeleerden wel merkten, dat de Joden hen alleen maar fijntjes op de proef stelden om iets aanwijsbaars tegen hen te verkrijgen, zodat ze nog meer redenen zouden hebben om Mij te volgen (want in die tijd was het nog moeilijker om uit de Joodse kerk over te gaan naar een andere, dan dat het nu is om uit de rooms-katholieke kerk over te gaan naar een hervormde kerk), hielden ze Mij nu scherp in het oog en begonnen onder elkaar al heel in het geheim te overleggen, hoe ze Mij konden liquideren.

[3] De overste, in wiens huis Ik nu in Kapérnaum een paar dagen achtereen verbleef, verklapte Mij heimelijk wat er gebeurde, hoe kwaad de Joodse priesterstand op Mij was en dat ze zelfs Mij in 't geheim om het leven wilde brengen!

[4] Toen zei Ik: 'Hun kwaadaardige plannen met Mij zullen wel een keer lukken, maar nu is het de tijd nog niet. Opdat ze nu echter niet te veel gelegenheid zullen hebben om hun wraak uit te voeren, zal Ik voor een poosje naar een andere plaats gaan en dan later, als de woede van deze godloochenaars wat bekoeld zal zijn, weer hierheen komen.

[5] Hoewel hij Mij erg graag bij zich gehouden had, gaf de overste Mij toch gelijk, omdat ook hij zelf voor deze priesters, schriftgeleerden en Farizeeën behoorlijk bang was, want hij wist maar al te goed, hoe dit addergebroed de kunst verstond om iemand in 't geheim in Rome aan te klagen.

[6] Ik verliet toen de volgende morgen heel vroeg, met het hele gezelschap dat Mij volgde, het bijzonder gastvrije huis van de overste en begaf Mij naar het huis van Simon Petrus, dat in de buurt van Bethabara lag, waar Johannes vroeger verbleef. Toen Ik echter in het eenvoudige, maar ruime huis van Petrus kwam, lag daar zijn schoondochter, een aardig en meestal zeer werklustig en flink meisje van ongeveer twintig jaar, met hoge koorts in bed en was zeer angstig en had veel pijn. Petrus kwam naar Mij toe en vroeg Mij, om haar te helpen! (Matth. 8,14)

[7] Ik ging direkt naar haar bed, nam haar bij de hand en zei tegen haar: 'Dochtertje, sta op en maak liever het avondmaal voor ons klaar, in plaats van hier ziek in bed te liggen!'

[8] Ogenblikkelijk verliet de koorts.haar, en het meisje stond meteen op en diende ons met veel ijver en toewijding.(Matth. 8,15)

 

 

100 De wonderbare visvangst

 

[1] Daarop komt Matthéus naar Mij toe en vraagt Mij, of hij dit teken tesamen met diverse beleringen en toespraken, die Ik gedurende de paar dagen in het huis van de overste gegeven heb, ook moet opschrijven.

[2] Ik zeg: 'Het teken bij de hoofdman voor Kapérnaum met wat Ik daar gezegd heb, en dit teken in het huis van Petrus ook, maar zonder het gesprokene dat niet bij de werkelijke leer behoort! Laat de besprekingen in het huis van de overste, en het feit dat Ik twee dagen lang bij hem bleef, helemaal weg!

[3] Binnenkort komen we toch weer in het huis van deze overste als zijn liefste dochter sterven zal, Ik zal haar dan opwekken en weer aan hem teruggeven. Schrijf dan zo over hem en het teken, dat je geen namen behoeft te noemen, - anders zouden wij hem schaden in zijn wereldse betrekkingen, en dat zullen en willen we natuurlijk niet; het priesterdom houdt hem namelijk ook in het oog.

[4] Tot aan het volgende feest in Jeruzalem zal Ik echter hier aan het meer in deze streek, die Mij het beste bevalt, nog veel tekenen doen en veellessen geven; dat zul je allemaal geheel op moeten schrijven!'

[5] Matthéus maakt zich schrijfvaardig. Maar Johannes wordt nu erg treurig en zegt: 'Maar Heer, U, die ik het meeste lief heb! Zal Ik dan helemaal niets meer te schrijven krijgen?'

[6] Ik zeg: 'Mijn beste broeder, wees jij daar maar niet bedroefd over! Je zult nog heel veel te schrijven krijgen! Want jou heb Ik alleen voor de belangrijkste en diepzinnigste dingen voorbestemd!'

[7] Johannes zegt: 'Maar het teken te Kana met de zoon van de koninklijke beambte lijkt me toch niets groter en belangrijker dan dat, wat U voor Kapérnaum voor de hoofdman gedaan hebt!?'

[8] Ik zeg: 'Dan vergis je je erg, als je dat denkt! Want met de zoon van de koninklijke beambte wordt de gehele zeer slechte en verdorven wereld bedoeld, en hoe haar nu van verre hulp aangereikt wordt door Mijn leer en door Mijn geestelijke bemoeienis. Met de knecht van de hoofdman wordt voorlopig alleen maar een jichtige knecht, die Ik genezen heb, bedoeld; later wordt daar echter ook wel een gemeente of de één of andere in Mijn naam opgerichte vereniging mee bedoeld, die echter, geleid door allerlei politieke vrees, een bepaald deel van Mijn leer niet in de praktijk toepast, en die daardoor ook langzaam maar zeker in alle andere opzichten Mijn leer niet meer volgt; en dat is dan ook een jichtaanval van de ziel, die dan alleen maar door het vaste geloof in Mijn woord weer geholpen kan worden!

[9] Zie je, Mijn beste broeder Johannes, daarom is er een zeer groot verschil tussen die twee tekenen! Het eerste geeft aan hoe geestelijk ziek de hele wereld is, en Ik zegje: in nog diepere zin, ook de hele oneindigheid! Het tweede teken betekent alleen maar, dat wat Ik je daarnet verklaard heb. Nu weet je dus, wat jij en wat Matthéus vast moet leggen.

[10] Maar nu heeft het meisje, met de andere bedienden van Petrus, het middagmaal al klaar, en we gaan daarom direkt daaraan beginnen en dan willen we vanmiddag Petrus een beetje helpen een paar goede vissen te vangen. Tegen de avond zullen we nog genoeg te doen krijgen.'

[11] Toen gebruikten we een overvloedige maaltijd, die voor het hele grote gezelschap voldoende was, en gingen daarna aan het meer, dat ook 'Galilese zee' genoemd werd, en hebben daar in een paar uur een grote hoeveelheid van de lekkerste vis gevangen, en wel zo veel, dat ze nauwelijks in de viskaren geborgen kon worden.

[12] Petrus werd er bang van, zodat hij in een soort van vrome bedwelming uitriep: 'Heer, ik smeek U, laat me alleen; want ik voel nu zo sterk, dat ik een zondig mens ben! Al eens eerder was ik bang voor U, toen U, terwijl ik U nog helemaal niet kende, ergens vandaan kwam en mij en mijn helpers hier vissend aantrof! Ik zag toen al dat U van goddelijke afkomst was; nu heb ik echter nog meer angst, omdat ik nu maar al te duidelijk inzie, Wat en Wie U in het diepst van Uw Wezen bent! Toen hebben we net als nu de hele nacht gevist en zo te zeggen niets gevangen; op Uw woord echter en in Uw aanwezigheid scheurden de netten vanwege de te grote hoeveelheid gevangen vis! Ik voel, dat ik daardoor beslist erg bang voor U word, want U bent -,

[13] Ik zeg: 'Wees stil en verraad Mij niet! Want je kent die ene onder ons! Die is en blijft een verrader.'

[14] Petrus zegt nu verder niets meer en maakt toebereidselen om de vis te bergen. Omdat de avond echter valt, gaan wij naar huis, waar door de ijver van de gezond gemaakte schoondochter van Petrus een goed en rijkelijk avondmaal op ons wacht. Iedereen is nu opgewekt en blij; en Petrus zet de lofzang in en allen antwoorden eenstemmig in een wisselzang.

 

 

101 Het bijzondere wijnwonder voor Judas

 

[I] Toen Petrus ophield met zingen, sprak hij op heel feestelijke toon: 'Mijne vrienden en broeders! Wat ligt er een hemelsbreed verschil tussen ons zingen hier en dat van David eertijds, toen hij het volk deze heerlijke lofzang gaf! Toen hij zong, hief hij zijn ogen op naar de sterren! Want in die tijd woonde Jehova volgens de menselijke begrippen in het ontoegankelijke licht boven alle sterren. Wat zou David hier echter gedaan hebben, nu Diegene, tot Wie hij zijn ogen ophief boven alle sterren, ­-  'Stop! Vriend Petrus!', zeg Ik, 'zo is het al weer genoeg; denk er wel aan, wie hier allemaal bij ons zijn!'

[2] Petrus roept zichzelf dadelijk tot de orde en nodigt alle gasten uit voor het avondmaal, dat voornamelijk uit brood en goed klaargemaakte vis bestaat.

[3] Judas vraagt aan Petrus of er in de buurt geen wijn te koop is. Daarop antwoordt Petrus: 'Een paar landwegen gaans hiervandaan is een herberg; daar kun je wijn kopen. 'Judas vraagt dan weer aan Petrus, of hij niemand kan sturen om een zak vol te halen.

[4] Petrus zegt: 'Je weet toch net zo goed als ik, dat ik niemand heb om te sturen! Als je zo graag wijn wilt hebben, ga er dan zelf heen, en ding nog wat af bij de waard, dan krijg je het zo voordelig mogelijk!' Judas zegt: ' Ah, als ik zelf moet gaan, dan zie ik er liever van af!' ­

Petrus zegt: 'Doe wat je wilt, ik kan je niet helpen, want mijn vissers­knechten hebben aan zee nog volop werk; mijn vrouwen mijn kinderen en mijn schoondochter hebben het, zoals je zelf kunt zien, veel te druk, en van mijzelf zal je toch wel niet verlangen, dat ik nu bij avond een hele zak vol wijn alleen voor jou hierheen ga halen!?' -Judas zegt daarop wat geërgerd: 'Nou nou, ik meende er goed aan te doen, omdat ik zag dat je geen wijn hebt; ik zou het heus zelf wel betaald hebben, hoe duur het ook geweest was!'

[5] Petrus zegt: 'Er is er Eén onder ons, Die in Kana op de bruiloft van Simon, die ook hier bij ons is, water in wijn heeft veranderd. Deze Ene zou ook nu, als dat nodig was, hetzelfde kunnen doen. Maar omdat het nu beslist niet nodig is, kunnen we ons ook met het bijzonder goede water behelpen, dat mijn zuivere huisbron ons biedt. ,

[6] Judas zegt: 'Heel goed, heel goed, -ik ben daar ook wel tevreden mee, omdat ik zelf ook erg van goed water houd; maar juist bij zo'n gelegenheid als deze zou een wijntje toch ook niet te versmaden zijn! Als die zekere Ene, Die ik nu ook wel denk te kennen, echter toch uit water wijn kan maken, dan zou Hij dat voor jou nu toch ook wel kunnen doen!?'

[7] Ik zeg: 'Ga dan naar de bron en drink! Want aan jou zal de bron wijn geven, maar aan de rest van ons slechts water!'

[8] Toen ging Judas naar de bron en putte. En bij het drinken van het geputte water, bleek het zeer goede wijn te zijn en hij bedronk zich, zodat hij bij de bron bleef liggen en in de diepe bron gevallen zou zijn als een paar knechten van Petrus hem niet gevonden en in huis op een bed hadden neergelegd. Zo was het goed geregeld; want Ik heb op deze avond veel mensen genezen die last hadden van allerlei kwalen en besmettelijke ziektes, en bij velen boze geesten uitgedreven, - en daarbij zou Judas ons veel moeilijkheden hebben opgeleverd.

 

 

102 De genezing van alle zieken uit Kapérnaum

 

[1] Toen alle aanwezigen het avondmaal genuttigd hadden, en Judas vast in slaap op een strobed in het voorhuis lag, brachten dezelfde Joden uit Kapérnaum, die de vorige dag de priesters, schriftgeleerden en Farizeeën op de proef stelden, een aantal bezetenen en andere zieken, die last hadden van allerlei kwalen, en vroegen Mij zeer dringend, of Ik ze allemaal genezen wilde!

[2] Ik vroeg ze echter met liefdevolle ernst, of ze wel geloofden, dat de timmermanszoon uit Nazareth zo iets zou kunnen doen. Want deze mensen kenden Mij zogezegd al vanaf Mijn geboorte.

[3] Maar daarop antwoordden ze: 'Dat u een zoon van de timmerman bent, heeft er niets mee te maken! Als de timmermanszoon door God uitverkoren wordt om een profeet van het volk Israël te worden, dan is hij een profeet, ook al zou hij duizendmaal een timmermanszoon zijn; want ieder mens is dat, wat hij van God uit is, en nooit wat zijn ouders waren! En daarom geloven wij allen vast en zeker, dat u in de eerste plaats een echte door God gewijde profeet bent, en in de tweede plaats dat u ons daarom allen kunt helpen, zoals u ook de zoon van de stadhouder en de knecht van de hoofdman hebt geholpen!'

[4] En Ik antwoordde hen: 'Nu dan, omdat jullie zo in Mij geloven en zo'n mening over Mij hebt, daarom gebeure met jullie allen, watje geloofd hebt!'

[5] Op dit woord verlieten alle geesten de bezetenen, en degenen, die allerlei ziektes en kwalen hadden, werden ook op datzelfde ogenblik gezond. (Matth. 8,16)

[6] Het behoeft wel niet nader beschreven te worden, hoe verbaasd en dankbaar men daarna was!

[7] Er werden daarna ook heel toepasselijke, maar tevens bijtend scherpe opmerkingen gemaakt over het hele Joodse priesterdom, maar Ik berispte de sprekers daarover en wees hen erop, dat het niet zo slim was, om slapend addergebroed wakker te maken: 'Want zolang het zich in haar winterslaap bevindt, is het voor niemand schadelijk en gevaarlijk; wordt het echter gewekt, dan is het gevaarlijker dan op andere momenten waarop het niet slaapt!     

[8] De vol arglist en streken zittende tempelknechten sliepen ook, net als een addergebroed in de winter, maar met jullie gewaagde vraag heb je hen gewelddadig uit hun slaap gehaald. Let er daarom goed op, dat ze voor jullie nu niet gevaarlijk worden! Want deze overspelige soort geniet wellustig als ze ergens schade aan kan richten!'

[9] Allen zien nu wel de waarheid van Mijn woorden in en hebben er spijt van dat ze door hun onbezonnenheid dit kwaad aangericht hebben! Ik troost ze echter en druk hen op het hart om in Kapérnaum niets te vertellen van het hier verrichte teken, behalve dan aan enkele waarheidlievende vrienden, die dan ook weten te zwijgen! En dat beloofden ze Mij.

[10] Eén van hen was, hoewel niet tot de priesterstand behorend, toch zeer goed in de Schrift onderlegd.

[11] Hij ging nu voor de groep staan en zei heel ernstig: 'Luister, beste vrienden en broeders! Voor mij steekt er veel meer achter wat hier heeft plaatsgevonden, dan alleen maar jullie conclusie: 'Zie deze man is een echte profeet'. Ik geloof dat wat hier nu heeft plaatsgevonden, de vervulling is van wat de profeet Jesaja voorspeld heeft toen hij zei: 'Hij heeft onze zwakheden op zich genomen, en onze ziekten heeft Hij gedragen!' (Jes. 53,4) Dringt het niet tot jullie door? Begrijp je echt niet waar dat op slaat?'

[12] Het volk kijkt hem echter met grote ogen aan, want het begrijpt hem niet. Hij herhaalt zijn vraag nog een keer, en omdat het volk nog steeds datgene, wat hij uit Jesaja aangehaald heeft, niet begrijpt, zegt hij: 'Voor de blinde kun je moeilijk preken over de kleuren van de regenboog!'

[13] Ik zeg tegen hem: 'Wees kalm, het is beter dat dit volk dat voorlopig niet begrijpt! Want als dit volk dat nu zou begrijpen, dan zou het naar de priesters rennen en daar op een geweldige manier met hen gaan redetwisten, en dat zou niet goed zijn voor jullie en ook niet voor Mij, uit het oogpunt van Mijn leer gezien! Maar wanneer het juiste moment aanbreekt zullen ze het begrijpen, en zullen ze verstaan wat de profeet gezegd heeft!'

[14] De spreker neemt genoegen met dit antwoord, en het volk, waarvan Ik op deze avond de bezetenen en zieken genezen heb, gaat weer naar huis met hun geheel genezenen.

[15] Thuis in Kapérnaum baart het toch nog groot opzien onder vrienden en bekenden, en als het de volgende ochtend nog maar nauwelijks licht is, is er om het huis van Petrus al een onoverzienbare volksmenigte verzameld, die Mij wil zien, Degene, Die de vorige avond zo'n onbe­grijpelijk groot wonder gedaan heeft! Omdat er steeds meer volk om het huis komt vraagt Petrus Mij, wat daaraan gedaan kan worden.

[16] Ik zeg: 'Maak het grote schip maar klaar, dan varen we helemaal naar de andere kant van het meer, anders beleven we hier een spektakel! (Matth. 8,18) Het volk heeft weliswaar de beste bedoelingen, maar. het priesterdom zal ook achter het volk aangeslopen komen, en met hen willen wij voorlopig niets te doen hebben!'

[17] Petrus maakte meteen het grootste schip klaar, al gauw gingen wij aan boord en roeiden het met de wind mee snel het meer op.

[18] Voordat Ik echter met de leerlingen het schip betrad, kwam een schriftgeleerde uit Kapérnaum op Mij af en zei: 'Meester sta mij. toe, dat ook ik u volg op uw tocht!' (Matth. 8,19) Ik doorzag echter direkt zijn geheime reden, die echt niet zo lofwaardig was. Het was hem daarbij niet om Mijn leer en al Mijn daden te doen, maar meer om de verzorging van zijn buik en zo mogelijk, als daarmee iets te verdienen zou zijn, heimelijke spionage. Daarom schudde Ik Mijn hoofd en zei tegen hem: 'De vossen hebben holen, en de vogels onder de hemel hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets, zelfs geen steen in deze wereld als bezit, zodat Hij daarop Zijn hoofd neer kan leggen!' (Matth. 8,20)

[19] En de schriftgeleerde begreep Mij, wendde zich af en ging naar huis. Want Ik gaf hem daarmee te verstaan, dat ook hij een sluwe vos was en daarom ook een hol (betaalde baan) had, en dat vogels van zijn pluimage, onder de hemel, d.w.z. ver beneden de zuiver goddelijke waarheid en liefde, hun nesten, d.w.z. hun voedings­ en rustplaats hebben waar ze hun prooi verteren; maar dat bij de Mensenzoon niets te vinden is van al de wereldse bedriegerijen, zelfs niet een zogeheten politieke kunstgreep (steen), waarop je zo nu en dan je geestelijke 'hoofd' kunt laten uitrusten! De schriftgeleerde begreep precies wat Ik bedoelde en ging, zoals gezegd, zonder nog een woord te zeggen, vlug naar Kapérnaum terug.

 

 

 

103 Op zee. Jezus en de storm

 

[I] Eveneens nog voor wij in het schip gingen kwam één van Mijn leerlingen naar Mij toe en vroeg Mij of Ik het goed vond dat hij eerst zijn vader zou gaan begraven, die in de vorige nacht plotseling overleden was. (Matth. 8,21) Ik zei echter tegen hem: 'Blijf jij nu maar bij mij, en Iaat de doden hun doden begraven! '(Matth. 8,22) En de leerling zag meteen van zijn verzoek af en volgde Mij op het schip; want hij begreep dat het beter is om voor het leven, dan voor de dood te zorgen, -dit laatste is namelijk een zorg, die geen waarde heeft en waar de doden zich het beste mee bezig kunnen houden. Want allen, die begrafenisvertoon belangrijk vinden, zijn min of meer dood zolang zij eer aan een dode bewijzen en zelf het eerbetoon aan de dood belangrijk vinden.

[2] De mens sterft pas echt door zelfzucht, die zich uit in de hoogmoed, die vóór alles hunkert naar eer; en in dat licht bezien is dan een eervolle begrafenis van een dode, niets anders dan een laatste vorm van hoogmoed van de geestelijk reeds lang dode mens.

[3] Nadat de leerling in zijn hart de volle waarheid van wat Ik hem gezegd had, besefte, volgde hij Mij zonder meer het schip op, zoals reeds eerder gezegd, en we vertrokken snel met gunstige wind en ontliepen zo het steeds sterkere opdringen van het volk. (Matth. 8,23)

[4] Sommigen klommen wel in kleine bootjes en voeren ons een stukje na. Maar toen de wind steeds harder ging waaien, keerden ze al gauw terug en het kostte hen moeite, om vóór het uitbreken van de storm de vaste oever weer te bereiken.

[5] Wij bevonden ons reeds in volle zee, toen de eerst zo gunstige wind overging in een geweldige storm. Ik was bij het aan boord gaan echter al lichamelijk vermoeid, omdat Ik de hele nacht gewaakt had, en Ik zei daarom tegen Petrus toen we op het schip waren: 'Maak voor Mij een bed klaar, want Ik ga tijdens de tocht een beetje rusten, want je weet, dat Ik de hele nacht niet gerust heb!'

[6] Petrus bracht Mij direkt een paar matten, maakte daarvan een goed bed en gaf Mij daarbij nog een kussen onder het hoofd, waarop Ik dan ook weldra lichamelijk heel diep insliep, hoewel Ik wel wist, dat de wind gauw in een harde storm zou overgaan en dat de hooglopende golven het schip zouden bedreigen.

[7] Toen wij ongeveer een paar uur uit de kust waren, woedde de storm het hevigst, en de golven begonnen over het dek van het schip te slaan. (Matth. 8,24) Toen werden zelfs Mijn meest toegewijde leerlingen bang; want ze zagen dat door de steeds meer overslaande golven het schip water begon te scheppen, vooral bij het middelste en door de toenmalige bouwtrant tevens laagste deel van het schip. Toen derhalve de storm niet afnam maar daarentegen de golven steeds krachtiger opjoeg, gingen de leerlingen naar Mij toe, dat wil zeggen naar het hoogste deel van het schip waar Petrus voor Mij eerder een bed klaargemaakt..had en waar de golven nog niet doorgedrongen waren, begonnen aan Mij te schudden opdat Ik wakker zou worden en riepen toen vol angst: 'Heer, help ons, anders gaan we allemaal te gronde!' (Matth. 8,25)

[8] Daarop stond Ik op van het bed en zei tegen hen: 'O, jullie kleingelovigen! Hoe kun je zo bang zijn als Ik bij je ben? - Wie is er belangrijker: de storm of Degene, Die ook heer over alle stormen is?!'

[9] Maar omdat de leerlingen, net als vele anderen op het schip, bijna sprakeloos van angst waren, en zelfs Petrus alleen nog maar wat stamelen kon, zei Ik snel een bestraffend woord tegen de storm en de zee en daarop werd het ineens windstil! Het leek of de storm afgesneden was en de zee werd spiegelglad; alleen waar de roeispanen het water beroerden, zag je een geringe beweging. (Matth. 8,26) Het grote aantal mensen aan boord, dat Mij vrijwel niet kende, omdat het pas deze ochtend aangekomen was en eigenlijk alleen voor zakendoeleinden meevoer, was ontzettend verbaasd en klampte de leerlingen aan en vroeg hen: 'Wat -in de naam van Jehova -is dat voor iemand, dat wind en zee hem gehoorzamen?!' (Matth. 8,27)

[10] Ik maakte echter gebaren naar de leerlingen, dat ze Mij niet moesten verraden. Petrus zei toen: 'Vraag niet zo veel, maar help liever al dat water uit het schip te scheppen, anders zijn wij nog verloren als er soms een staartje van de storm komt, wat vaak genoeg gebeurt als hij zo ineens afbreekt zoals nu!' -Toen vroegen de vreemden niets meer, maar pakten de wateremmers en schepten vlug het water uit het schip en hadden daar volop werk aan tot we de uitgestrekte oever aan de overzijde bereikten.

 

 

104 In Gadara. De genezing van de bezetenen

 

[I] Het land, of liever gezegd de streek, waar we nu gekomen waren, Werd bewoond door een volkje - de Gergesenen, ook wel Gadarenen genoemd -en lag langs de gehele lengte van het meer recht tegenover Galiléa.

[2] Toen we daar met z'n allen aan land gestapt waren, en naar de kleine stad Gadara wilden gaan, die op een heuvel aan het meer op ongeveer zes duizend pas van onze landingsplaats verwijderd lag, liepen tegenover de stad, vanaf een kleine aan het meer gelegen berg op wiens helling de begraafplaats van de bewoners van deze omgeving en stad lag, ons twee naakte personen met gruwelijk vertrokken gezichten tegemoet. Zij werden door een heel legioen boze geesten bezeten en waren zo woest dat door hun toedoen bijna niemand deze doorgang kon passeren. (Matth: 8,28) Zij woonden in de graven van het kerkhof op de berg. Niemand kon ze vangen of met ketens gebonden houden. Want ook al werden ze zo nu en dan door een groot aantal sterke mensen overweldigd, met kettingen gebonden en in de boeien geslagen, dan werden die kettingen toch in een oogwenk verbroken en de boeien tot poeder gewreven! Dag en nacht waren ze op de berg in de graven, schreeuwden verschrikkelijk en sloegen zichzelf ontzettend met stenen.

[3] Toen deze beiden Mij echter temidden van Mijn leerlingen zagen aankomen, liepen ze regelrecht op Mij af, vielen voor Mij neer en schreeuwden: 'Wat moet U van ons, Zoon van de Allerhoogste?! Bent U gekomen om ons al vóór onze tijd te kwellen! Wij bezweren U bij God de Allerhoogste, dat U ons niet zult kwellen! (Matth. 8,29)

[4] Ik bedreigde hen echter en sprak: 'Hoe is je naam, boze geest, die deze beiden kwelt alsof ze tesamen één man waren?'

[5] De boze schreeuwde daarop: 'Mijn naam is legioen; want we zijn met zeer velen!'

[6] Ik gebood de boze daarop uit deze twee te gaan! Ogenblikkelijk verliet een grote hoeveelheid boze geesten, in de zichtbare vorm van grote zwarte vliegen, de twee, maar vroeg Mij dringend, haar niet uit deze streek te verjagen!

[7] Er bevond zich echter langs de lage bergen die het meer begrensden, in westelijke richting een grote kudde varkens, toebehorend aan de Gadarenen; want dit volkje, dat merendeels uit Grieken bestond, at het vlees van deze dieren en dreef er handel mee, grotendeels op Griekenland. (Matth. 8,30)

[8] Toen de boze geesten deze kudde zagen, vroegen ze Mij, of Ik ze toestemming wilde geven om in deze kudde te gaan. (Matth. 8,31)

[9] En toen Ik hen dat om geheime voor de wereld verborgen redenen toestond, gingen de duivels meteen in de ongeveer twee duizend varkens.

[10] Zodra de duivels echter in de varkens gegaan waren, renden deze dieren een berg op die een sterk vooruitspringende rots in zee had, en vanaf die rots, die ongeveer drie honderd ellen boven zee uitstak, stortten alle tweeduizend varkens zich als een tornado in de zee, die juist op dat punt zeer diep was. (Matth. 8,32)

[11] Toen de herders, die de varkens hoedden, zagen wat daar gebeurd was met de bezetenen, schrokken ze geweldig, vluchtten weg, renden naar de stad en vertelden iedereen en speciaal hun opdrachtgevers, wat zich aan de zee had afgespeeld. (Matth. 8,33)          

[12] De bewoners van het stadje liepen te hoop, en één van hen, die, net als veel anderen in deze stad nog een heiden was en geloofde in Jupiter en de andere goden van het heidendom, hield een toespraak en zei: 'Heb ik het vanmorgen niet gezegd: Als twee door de furiën gekwelden stil worden, maar de zee bij heldere hemel door de storm wordt opgezweept, dan komt er een godheid naar de aarde, en zal er een gericht plaats vinden; want de goden komen nooit zonder roede en zwaard van de sterren naar de aarde! En nu is het gebeurd: De furiën, die de beide zondaars plaagden, woelden eerst de zee op, omdat ze zeker wisten, dat er een godheid zou afdalen en hen zou verdrijven uit de beide zondaars. Dat ze zich toen in de vorm van zwarte horzels op onze varkens stortten en deze dieren als een storm in zee dreven, dat is me zo duidelijk als de zon op een hellichte middag! Er blijft ons nu niets anders over dan in alle deemoed en boetvaardigheid van ons gemoed met een groot aantal mensen naar de godheid, waarschijnlijk Neptunus of Mercurius, af te dalen en hem zeer nadrukkelijk te vragen, of hij deze streek weer zo snel mogelijk wil verlaten; want zolang een god zich zichtbaar in een streek op aarde ophoudt, kun je slechts een opeenstapeling van ongelukken verwachten! Want, zoals reeds gezegd, een god komt nooit zonder roede, zwaard en gericht van de sterren naar de aarde omlaag!

[13] Laat echter niemand hem ook maar met de geringste gedachte iets verwijten over de ons toegebrachte schade; want dan is het helemaal met ons gedaan! We hebben de oude goden nu al zo lang geen echt offer meer gebracht, daarin zeker het meest gehinderd door de domme Joden, die het altijd beter willen weten dan wij, dat een beledigde god nu zelf zijn offer is komen halen! Zo is het! Daarom mogen wij daarover ook geen ontevreden gedachten in ons laten opkomen! Het enige wat we kunnen doen is naar beneden gaan en hem begroeten en hem dan zeer nadrukkelijk vragen, of hij deze omgeving maar liefst meteen weer wil verlaten!'

[14] Tijdens deze toespraak luisterden er ook enige Joden mee en die zeiden nu: 'Je vindt weliswaar dat we dom zijn, maar we weten er toch meer van dan jullie. Kijk, deze veronderstelde god van jullie is waar­schijnlijk een magiër uit Perzië, of de beroemde Jezus uit Nazareth, van Wie we al grote dingen gehoord hebben. Voor de rest zijn we het geheel met jullie eens, dat we hem zeer nadrukkelijk moeten vragen om deze streek te verlaten; want zulke mensen bevorderen nooit het geluk van een land, -dat weten we uit de tijden van onze profeten. Als onze God bepaalde mensen in een land opwekt tot profeten, dan staat het ongeluk van zo'n land al vast!'

[15] Daarop verzamelde iedereen zich in deze stad en begaf zich naar buiten en bergafwaarts naar Mij toe, en er bleven alleen maar een paar zieken thuis. Toen degenen die uit de stad kwamen Mij zagen en vaststelden dat Ik er heel gewoon menselijk uitzag, kregen ze wat meer moed om dichterbij te komen, en ze kwamen daarom, hoewel nog steeds behoorlijk bang, naar Mij toe en vroegen Mij of Ik hun land direkt wilde verlaten! (Matth. 8,34)

[16] Een paar van hen keken naar de twee, die ze als voormalige bezetenen heel goed kenden. Die waren nu gekleed en spraken heel verstandig met hen en vertelden, hoe Ik hen van hun plaag bevrijd had, en hoe ze daarop door degenen, die met Mij gekomen waren, meteen gekleed waren. Maar dat alles verminderde, speciaal bij de heidenen, de angst niet en ze wensten alleen maar dat Ik hun streek verlaten en nooit meer terugkomen zou!

[17] En Ik gaf gehoor aan hun wens en zei daarop tegen Petrus:'Vriend breng het schip maar gelijk weer in orde, zodat we ons snel weer van deze streek kunnen verwijderen!'

[18] En Petrus en zijn knechten brachten het schip meteen in orde. Toen Ik Mij echter inscheepte, kwamen de twee genezenen Mij snel achterna en vroegen Mij, of zij Mij ook mochten volgen; want ze zouden in deze stad niets te doen en niets om van te leven hebben, en in hun huis zouden hun familieleden ze zeker nooit op willen nemen omdat ze te bang voor hen waren! Ik wees ze echter met vriendelijke ernst terug en zei tegen hen: 'Ga maar gerust naar je huis en je familie terug; ze zullen je met vreugde opnemen! Ga en verkondig de uwen, en ook de hele streek, wat voor groots de Heer aan jullie heeft gedaan en welke barmhartigheid Hij jullie bewees; dat is beter dan dat je Mij nu zou volgen! Want je moet nu in deze omgeving, waar men je overal goed kent, een heel goed getuigenis van Mij geven en daardoor nuttig zijn voor de mensen; en de mensen zullen jullie net als voorheen, toen je voor hen een verschrikking was, niet laten verhongeren.

[19] Toen gingen de beide genezenen als één man weg en deden zeer ijverig, wat Ik hen had aanbevolen.

[20] Binnen korte tijd hebben de twee Mij niet alleen in hun geboortestreek, maar ook in alle tien de steden die daar boven langs het meer liggen, bekend gemaakt; en ze verkondigden met veel ijver overal wat voor groots Ik aan hen had gedaan en welke grote barmhartigheid Ik hen had bewezen. En daardoor geloofden er velen in Mijn naam en kregen een groot verlangen naar Mij, zowel Joden als Grieken.

 

 

 

105  Nazareth. Ongeloof verhindert wonderen

 

[1] Nu voeren wij rechttoe rechtaan naar Nazareth, want Ik had Mij voorgenomen nu weer eens een keer Nazareth te bezoeken en thuis wat uit te rusten en dan ook voor de zeer ongedurige Nazareeërs het licht der waarheid te ontsteken!

[2] De terugvaart duurde echter wat langer dan de heenvaart, en velen kregen honger. Maar Ik gaf hen kracht en ze voelden een wonderbare verzadiging, en sommigen zeiden: 'Niet te geloven, één inademing is als brood en een tweede smaakt als wijn!' Zo bereikten wij vroeg in de volgende morgen de oever. Vanaf de oever tot aan Nazareth was het nog ongeveer twintig landwegen gaans, en wij gingen dus vlug verder en bereikten snel de stad Nazareth. Ondertussen verzorgden de knechten van Petrus zoals gewoonlijk het schip en voeren naar huis.

[3] Wij waren echter geland aan de algemene landingsplaats en daar waren al veel mensen verzameld; voor een klem deel waren dat mensen, die vanwege hun zaken de zee in alle richtingen moesten bevaren, en de meeste anderen kwamen uit de omstreken, zelfs van Jeruzalem, naar de markt van Nazareth; want er was op dit moment juist een grote markt in deze stad.

[4] Toen op de landingsplaats bekend werd, dat Ik met het schip van Petrus aangekomen was, gingen ook diegenen, die over zee hun zakenreizen wilden maken, mee terug naar de stad, en zodoende trok er een grote volksmenigte met Mij mee naar Nazareth.

[5] Maar Ik en Mijn leerlingen gingen naar Mijn huis, dat wil zeggen nu het huis van moeder Maria, die thuis was met de drie oudste zonen en de vier maagden, die vroeger in Jozefs tijd, toen Ik nog een kind was, als kind waren aangenomen en opgevoed.

[6] Maria en alle huisgenoten gingen nu aan het werk en maakten een overvloedig ontbijt voor ons allen klaar, dat wij echt nodig hadden, speciaal de leerlingen, omdat die een hele dag en een hele nacht haast niets gegeten hadden. De maaltijd was snel klaargemaakt, en we gingen zitten en aten en dronken. Na het maal spraken wij onze dank uit en stonden op en gingen de stad in, om daar wat naar het doen en laten van de mensen te kijken. We konden echter nauwelijks het huis uit vanwege al het volk, dat voor het grootste deel uit nieuwsgierigheid, voor een ander deel uit onbehoorlijk spionage oogmerk en slechts voor een zeer gering deel uit nood en hulpbehoevendheid, zich om het huis gelegerd had.

[7] Toen wij voor het huis kwamen, vroegen enige Farizeeën en schrift­geleerden uit Jeruzalem, of Ik hier geen wonderen en tekenen zou doen. Maar Ik zei hen heel ernstig en beslist: 'Neen, door uw ongeloof is dat hier niet mogelijk!' Na dit besliste neen begon men zich te verspreiden, en een paar mompelden en fluisterden elkaar in het oor: 'Hij is bang voor de heren uit Jeruzalem en durft niet.' Anderen zeiden: 'Hij heeft zijn tovermiddelen zeker niet bij zich.' Weer anderen zeiden: 'Hij doet hier niets vanwege zijn landslieden; want hij zal wel weten, dat hij bij hen niet erg hoog aangeschreven staat!' Onder zulke en gelijksoortige opmerkingen verstrooiden ze zich, en binnen enkele ogenblikken was er geen mens meer bij het huis van Maria, de moeder van Mijn lichaam, en we hadden meteen ruimte genoeg om naar de stad te wandelen.

[8] Wij bezochten daar een synagoge, waarin iedere Jood die dat wilde, voor drie schriftgeleerden, die op een verhoging zaten, mocht spreken en ook allerlei bezwaren inbrengen, die hij, of met hem een hele gemeente, gegrond achtte tegen de door Jeruzalem plaatselijk aangestelde priesters en schriftgeleerden.

[9] Toen we de synagoge ingingen, zei Simon van Kana heimelijk tegen Mij: 'Heer, wij kunnen toch ook wel wat inbrengen!? We zouden echt klachten genoeg hebben!'

[10] Ik zeg: 'Mijn vriend! Op het goede moment de waarheid spreken is juist en goed; maar op het goede moment zwijgen is nog beter! Je kunt proberen wat je maar wilt, maar je zult uit ijzer toch nooit goud maken en uit leem geen zilver! Deze soort, die hier voor het geven van raad en om te luisteren zit, ziet er inwendig heel anders uit, dan wat de buitenkant Iaat zien; uitwendig is ze een lam en inwendig een verscheurende wolf!

[11] Denk je dat zij hier zitten te luisteren om na de vernomen bezwaren van het volk de gevraagde verlichtingen aan te brengen? O, dan zou je je erg vergissen!

[12] Deze soort zit hier alleen maar met vriendelijke gezichten naar het volk te luisteren, om het uit te horen hoe het denkt over het priesterdom. Geloof Mij maar! Vandaag word je vriendelijk aangehoord, en morgen sluiten ze je in de gevangenis op en tuchtigen je een vol jaar met roeden! Want deze priesters zijn allemaal net als de raven en de kraaien, die pikken elkaar ook nooit met de scherpe punt van hun snavel de ogen uit.

[13] Daarom gaan we hier alleen maar zitten luisteren en opletten of, en in hoeverre, en op wat voor manier daar over ons gesproken wordt. We vallen hier niet op, en gesteld dat ze ons zien, dan zullen ze ons toch niet zo vlug herkennen, en zo kunnen wij hier goed luisteren en rekening houden met wat we horen.' -Simon van Kana ging hiermee akkoord en we gingen in een wat donkere hoek van de synagoge zitten en luisterden naar alles, wat daar naar voren gebracht werd.

[14] Mensen, die alleen maar voor zichzelf kwamen, en ook wel afge­vaardigden voor hele gemeentes, brachten een aantal ten hemel schreiende klachten tegen de priesters naar voren en werden heel vriendelijk aan­gehoord.

[15] Nadat het volk al haar klachten geuit had, en de drie schriftgeleerden en Farizeeën, die uit Jeruzalem gekomen waren, met de hand op het hart beloofd hadden, dat ze hun uiterste best zouden doen en de aangeklaagde priesters aan een scherp verhoor zouden onderwerpen en dat ze, als de aanklacht waar bleek te zijn, hen zouden weten te tuchtigen, stelt een schriftgeleerde met zijn vriendelijkste gezicht aan het volk de vraag, of, en wat de hier aanwezigen zoal over Mij, dat wil zeggen de beruchte opruier Jezus, weten. Want men had tot in Jeruzalem vernomen, dat hij in Galiléa nogal rond zwierf en grote tekenen deed, die nog niemand ooit voor hem gedaan had; en nu was het voor hen de vraag of dat wel waar was en wat zij en de andere mensen daar nu wel van dachten.

 

 

106 Leven, daden en leer van Jezus van Nazareth

 

[I] Nu stapt een zeer geziene man uit de omgeving van Kapérnaum naar voren en zegt: 'Zeer hooggeëerde dienaren van Jehova in de tempel te Jeruzalem! De door u in uw vraag aan ons genoemde Jezus, is zoals men dat noemt uit deze streek en stad geboortig en heeft zich steeds ordentelijk en ten allen tijde buitengewoon godvruchtig gedragen! Men zag hem zeer vaak langdurig bidden; niemand heeft hem ooit zien lachen, maar men heeft hem daarentegen wel vaak zien wenen op geheime stille plaatsen, die hij vaak bezocht.

[2] AI vanaf zijn"geboorte zijn er bij hem zeldzame dingen gebeurd, en nu, nu hij eigenlijk als een echte dokter, die zijns gelijke op aarde met heeft, een reis heeft ondernomen, is zijn manier van genezen, waarbij hij slechts één enkel woord spreekt, zodanig, dat alleen Jehova dat zou kunnen evenaren!

[3] Alle daden van Mozes af tot nu toe, verzinken daarbij in het niet! Hij maakt kreupelen, die al jarenlang helemaal kromgegroeid zijn, in een ogenblik totaal gezond; iedere koorts, hoe kwaadaardig ook, moet voor zijn woord het veld ruimen; stom-, doof­ en blindgeborenen spreken, horen en zien net zo goed als één van ons! De kwaadaardigste melaatsheid verdrijft hij in een oogwenk, de bezetenen verlost hij met één woord van legioenen duivels, en de doden roept hij, en ze staan op, eten en drinken en lopen dan weer alsof er niets gebeurd was! En zo gebiedt hij ook de elementen, en ze doen wat hij zegt, alsof ze zijn getrouwste en bereidwilligste dienaars zijn!                

[4] In het algemeen gesproken is zijn leer deze: dat men door zijn daden moet tonen, dat men God boven alles en zijn naaste als zichzelf liefheeft!

[5] Omdat hij dit alles doet en aan zijn leerlingen de zuiverste leer verkondigt, is hij voor ons een buitengewone profeet, die Jehova ons nu, zoals eens Elia, in onze grote tegenspoed als uit de hemel.gezonden heeft! Dat is alles, wat ik en nog velen met mij van deze heerlijke Jezus weten, en we kunnen God niet genoeg danken, dat Hij toch nog weer aan Zijn arme, uitermate verdrukte volk gedacht heeft.                                                                                                       .

[6] Velen denken dat Hij de beloofde grote gezalfde des Heren is! Persoonlijk ben ik daar niet voor of tegen, maar ik vraag me wel af of de Christus, Die dan nog komen moet, grotere daden zal verrichten?!

[7] De priester zegt: 'Je praat als een blinde die een oordeel geeft over kleuren! Waar staat dan geschreven dat er ooit een profeet Uit Galiléa op zal staan?! Wij zeggen, dat deze Jezus van jullie niets anders is dan een boosaardige tovenaar, die verbrand zou moeten worden! Zijn leer is een masker, waarachter hij zijn godslasterlijke oplichterijen verbergt! Niet met God maar met de opperste duivel doet hij zijn wonderen, ­en jullie blinden denken zelfs dat hij de grote Beloofde is! Waarlijk, jullie moesten daarvoor samen met hem verbrand worden!'

[8] De man gaat echter geen stap voor hem terug en zegt: 'Ja, wat jullie betreft, zouden we allang branden, als we geen Galileeërs waren en ik persoonlijk geen echte Romein, en als jullie, in plaats van de Romeinen het hier voor het zeggen hadden! Maar gelukkig heeft voor ons Galileeërs jullie glorie allang opgehouden! Wij zijn geheel Romeinse onderdanen en hebben derhalve niets met jullie te maken, behalve dat we je hooguit helemaal uit Galiléa verwijderen als je het zou wagen je ook maar aan de geringste van ons Romeinen te vergrijpen!

[9] Met betrekking tot onze grote profeet Jezus zeg ik je nu echter nog dit: Wee jullie, als je van plan mocht zijn, om in dit land je boosaardige handen aan Hem te slaan!

[10] Want voor ons is Hij een waarachtig God; Hij deed voor ons dingen, die alleen God maar kan doen!

[11] Een God, die de arme lijdende mensen goed doet, moet een echte en ware God zijn! Maar die God van jullie, die alleen met goud, zilver en allerlei andere dure offers tot bedaren te brengen is en voor lange en peperduur betaalde gebeden bijna niets doet en geeft, is net als jullie, die zich zijn dienaren noemen, door en door slecht en is het waard om net als jullie het land uitgegooid te worden!

[12] Dat durft me daar te zeggen dat Jezus een verscheurende wolf in schaapsvacht is! Wat zijn jullie dan wel?! Werkelijk, jullie zijn zelf in de overtreffende trap, wat je van Jezus, deze zeer vredelievende man, beweert!

[13] Met een vriendelijke trek op je gezicht luister je naar onze klachten, terwijl in je binnenste de onverzoenlijkste wraakzucht loert ten opzichte van degenen die klachten inbrengen, en als je dat kon, zou je ons nu al met sodomietisch vuur uit de hemel willen verdelgen! Maar vergeet het maar, jullie boosaardig addervuil en schorpioenengebroed! Hier hebben wij Romeinen het voor het zeggen en we zullen jullie de weg van hier naar Jeruzalem wel weten te wijzen, als je niet uit je zelf maakt dat je wegkomt!'

[14] Deze toespraak maakte de drie schriftgeleerden natuurlijk razend van woede; maar ze durfden nu voor het talrijke publiek niets meer te zeggen en kozen daarom door een achterpoortje het hazenpad, en wel de weg naar Kapérnaum, waar de meeste Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem zich ophielden en waar ze helemaal vrij waren om zich

bezig te houden met alles wat maar te bedenken was op het gebied van hoererij en bedriegerij.

[15] Toen de drie op deze manier de synagoge verlaten hadden, kwam er iemand anders naar voren en bracht de spreker de algemene dank over van alle aanwezige afgevaardigden en de afzonderlijke klagers, en voegde daar nog aan toe: ' Als we niet net als de Samaritanen doen, zullen die beesten ons niet met rust laten! Hun namen moeten voor ons verachtelijker worden dan die van Gog en Magog, en Jeruzalem moet voor ons alleen maar goed genoeg zijn om tegen te plassen, anders worden we nooit bevrijd van deze plaag, die erger is dan de pest!'

[16] Allen geven hem gelijk en zeggen: 'Als onze wonderdoende Jezus nu ergens te vinden zou zijn, dan zou Hij direkt hierheen moeten komen en dan zouden we Hem benoemen tot onze alleen erkende leraar en opperpriester!’

[17] De spreker zegt: 'Dat zou ik ook menen; maar daarover zouden we ons vooraf toch moeten verstaan met de Romeinse prefect in Ka­pérnaum, om te horen of hij het daar mee eens is. Want de Romeinen hebben het hier toch al niet zo gemakkelijk met ons priesterdom, want de tempel staat naar men zegt steeds in geheime briefwisseling met de vorst van Rome!'

[18] Met dit voorstel was iedereen het eens en daarop verliet de een na de ander de zaal, waarin de synagoge was.

 

 

107 Over het wereldse blijspel en de kinderen Gods

 

[1] Maar Ik zeg tegen Simon van Kana: 'Heb je nu gezien, hoe goed het is om op het juiste moment te kunnen zwijgen?! Als de anderen voor ons spreken en handelen, is het voor ons altijd goed om te zwijgen! ­Begrijp je dat?'

[2] Simon van Kana zegt: 'Ja Heer, dat begrijp ik en ik zie nu zeer duidelijk in, dat het veel beter is te zwijgen dan te spreken. Soms wordt men er weliswaar juist bij de haren bijgesleept om bij zulke gelegenheden je eigen tong eens heel goed te gaan gebruiken, maar het is nu echt wel in de praktijk bewezen dat het zwijgen op het juiste moment veel beter is dan het meest doordachte spreken. Maar het was hier trouwens niet moeilijk om te zwijgen, want we hebben aan die ene, die zich aan de priesters als Romein kenbaar maakte, een buitengewoon moedige, welbespraakte en ter zake kundige vertegenwoordiger gehad.

[3] Ik moest haast lachen toen die drie tempeliers de aftocht bliezen en daardoor hun hele aanzien in dit land zo goed als verloren hebben! Hun gezichten werden steeds langer en langer, en hun voeten begonnen, tijdens die steeds krachtiger wordende toespraak van de Romein uit Kapérnaum, behoorlijk onrustig te worden, en troffen meteen de juiste voorbereidingen om er vandoor te gaan. Toen ik die heel zonderlinge onrust in de voeten van de drie tempeliers ontdekte, zei mijn geest tegen mij: 'Nu zullen ze dadelijk onzichtbaar worden!' - en het was waar, ze werden onzichtbaar!

[4] Werkelijk Heer, het kan niet zondig zijn om in je hart een haast onweerstaanbaar prettige sensatie te beleven, iedere keer als, zoals nu, een heel dikke streep gehaald wordt door de rekening van zulke aartsslechte en totaalonverbeterlijke ellendelingen. Ik persoonlijk had wel ieder woord van de mond van die Romein af willen zoenen!'

[5] Ik zeg: 'Een eerlijk mens heeft het volste recht om zich te verheugen en een hartversterkende vrolijkheid te voelen over iedere op het juiste moment optredende tegenkracht, die het verborgen kwaad ontdekt en vernietigt; maar denk erom, alleen over het gelukkig verijdelen van het op zichzelf boze, valse en slechte, maar nooit over de mens die meestal in zijn blindheid die zonde als een knecht gediend heeft!

[6] Je hebt toch de beide Gadarenen gezien, en hoe slecht ze waren! Maar hoe goed en zachtmoedig werden ze toen Ik het legioen duivels uit hen verdreven had, en ze loofden en prezen God, dat Hij aan een mens zoveel macht gegeven had! Zou het toen juist geweest zijn, als men er alleen maar vreugde over gehad had dat de twee verdoemden, die de schrik van de hele omgeving waren, nu hun boosaardige bezigheden niet meer konden uitoefenen, en omdat ook nog de woekermiddelen van een paar varkenswoekeraars daarbij in zee verdwenen waren?! Oh, om daarover plezier te hebben zou voor een echt mens wel zeer onwaardig zijn! Maar als er echte vreugde was geweest omdat die twee vreselijk gekwelde mensen van hun plaag bevrijd waren, en dat die boosaardige kwelduivels nu tenslotte de goede zaak des hemels moesten dienen doordat ze hun eigen door de Gadarenen zorgvuldig onderhouden slechte woe­kergeest vernietigden, dan zou zo'n vreugde van hemelse aard zijn en daarom helemaal goed.

[7] Ik zeg jullie uit de levende bron van alle waarheid: Wie om een dom mens lacht, die geeft daarmee aan dat hij net zo dom is; want de een doet domme dingen omdat hij dom is, en de ander lacht omdat hij dom is; en zo heeft de ene domme plezier om de andere, waarbij uiteindelijk blijkt dat de ene het eigenlijk helemaal niet leuk vindt, als de andere ophoudt dom te zijn en verstandig wordt.

[8] Maar het is heel wat anders, als je iemand die dom handelt, broederlijk terecht wijst en dan met een vrolijk en blij hart lacht, als de domme wijs wordt! Dan hoort je vreugde en blijheid thuis in de hemelse orde en is daarom goed, juist en rechtvaardig!

[9] Wat voor plezier en blijdschap kan iemand echter, als hij wijs is, er wel er aan beleven, als een blinde, die langs de weg loopt, tegen een ziende, die dezelfde richting uitgaat, zegt: 'Vriend, ik ben de weg kwijt en ik weet niet meer of ik nu heen of terug ga; vóór mij moet mijn huis zijn. Volgens het aantal passen dat ik telde, zou ik al vlak bij het huis moeten zijn; maar als ik, omdat ik me gemakkelijk vergis als blinde, in plaats van heen, terug ben gegaan, dan moet ik nu verder van het huis af zijn, dan waar ik was toen ik naar huis wilde gaan. Wees zo goed en breng me op de goede weg naar mijn huis!'

[10] Als de ziende dan om de blinde lacht en, terwijl ze zich vlak bij het huis bevinden en nog maar tien passen van het voorhuis af staan, tegen de blinde zegt: 'O, dan ben je helemaal verkeerd gegaan! Geef mij je hand; ik zal, hoewel het tamelijk ver is, op je verzoek je toch thuis brengen!' De blinde is daar erg blij om en bedankt de ziende begeleider vast vooruit. Deze leidt, in zichzelf gniffelend, de blinde twintig keer om zijn huis heen en zegt tegen hem, terwijl hij inwendig erg veel plezier heeft: 'Nu vriend, wij zijn er; daar is je huis!' De blinde bedankt hem nog heel hartelijk; de ziende lacht inwendig, omdat de grap gelukt is!

[11] Dan vraag Ik, wie in dit geval blinder is, de blinde of zijn ziende begeleider?! Ik zeg je: de harteloze begeleider; want die is in zijn hart blind, en dat is erger dan een duizendvoudige blindheid van de ogen!

[12] Zo lachen de mensen ook om allerlei gedurfde praatjes, en vooral dan als zulke praatjes behoorlijk veel ruwe en vieze zinspelingen bevatten en daardoor menige zwakheid en zonde van hun broeders zichtbaar en hoorbaar maken voor het publiek!

[13] Ik zeg je: Wie daarom lachen kan of ook als getuige erg veel pret heeft als de een of andere grapjas een zwakke medemens dik opgelegd staat te beliegen, en hem een mat verzilverde boon voor een echte parel verkoopt, in diens hart heeft de duivel een overdaad aan boze zaden gestrooid, waaruit geen levensvruchten zullen voortkomen.

[14] Het is daarom beter je van al dit soort zaken af te wenden, en als de blinde wereld het nodig vindt om onbeschaamd te lachen, een diep medelijden met hen te hebben; want het blijspel van de wereld is altijd een treurspel voor de echte kinderen Gods, en maar al te vaak huilen de engelen Gods in de hemel als de wereldse mensen verstrikt in hun boze onzinnigheden moeten lachen.

[15] Laten we daarom ook maar ophouden over de drie tempeliers, ze hebben weliswaar heel slechte plannen, maar toch zijn het mensen. Alleen door de invloed van de satan en hun eigen onvervalste liefde voor de wereld en zichzelf zijn het mislukte kinderen geworden van dezelfde Vader, Die ook jullie Vader is. Je moet alleen het boze in hen verachten, maar zijzelf, als mensen en broeders, zijn alleen om over te huilen!

[16] Het is beter om Noach tijdens zijn dronkenschap te bedekken, dan hem te kijk te zetten en hem aan het gelach van de wereld over te leveren!

[17] Als je dit alles nu in je hart begrepen hebt, laten wij dan nu ook uit deze lege synagoge naar huis gaan; want het middagmaal zal wel klaar staan! Kom dus nu maar mee!'

 

 

108  Maria, de moeder van de Heer

 

[I] We gaan nu weg, en veel mensen, die ons tegenkomen, groeten ons weliswaar, maar er is er niet één die vraagt waar we waren en waar we naartoe gingen.

[2] Maar onderweg komen we ook Judas Iskariot tegen en die vraagt ons waar we toch geweest zijn en waar we nu naar toe gaan. Want hij was niet in de synagoge, omdat hij met zijn vis en zijn pottenbakkerswaren op de markt gestaan had en ook veel geld geïnd had, wat hem veel plezier verschafte. Toch ging hij met ons mee naar Mijn huis en liet zich daar het eten goed smaken, omdat het hem niets kostte. Maar na de maaltijd ging hij weer meteen naar zijn marktkraam en deed daar zijn geldzaken, want de markt duurde drie dagen, en allerlei kooplieden deden daar veel zaken en maakten goed geld voor hun waren.

[3] De volgende dag vroeg moeder Maria aan Mij, of Ik hier soms weer wat in het openbaar wilde doen, en hoe lang Ik Mij ditmaal hier in huis zou ophouden en of er nog meer mensen bij zouden komen, want ze wilde de etensvoorraad aanvullen, want er was bijna geen eten meer.

[4] Maar Ik antwoordde haar: 'Vrouw, maak je over Mij niet bezorgd, noch over Mijn gezelschap en over voldoende mondvoorraad! Want zie, Degene Die de hele grote aarde voedt en de zon, de maan en alle sterren met Zijn liefde verzadigt, Die weet alles van dit kleine huis en Hij weet heel precies, wat dit huis nodig heeft! Bemoeit u zich er daarom maar niet mee en maakt u zich geen zorgen; want waar u zich nu zorgen over maakt, daarvoor is van boven al gezorgd!

[5] De Vader in de hemel laat Zijn kinderen geen honger lijden, behalve, wanneer het voor hun zaligheid nodig is.

[6] U heeft het toch in Sichar heel duidelijk kunnen zien, hoe de Vader :: in de hemel gezorgd heeft voor Zijn kinderen! Denkt u, dat Hij sinds enige dagen hardvochtiger is geworden?! Ga in de voorraadkamer kijken, en u zult zien, dat u zich voor niets zorgen heeft gemaakt!'

[7] Maria haast zich naar de voorraadkamer en vindt deze volgepakt met brood, meel, vruchten, gerookte en verse vis, met melk, kaas, boter en honing! Als moeder zo'n grote voorraad in de voorraadkamer ziet, dan beangstigt dat haar; ze komt vlug naar Mij terug, valt voor Mij op de knieën en dankt Mij knielend voor zo'n rijke verzorging van haar voorraadkamer! Ik buk Mij echter snel en hef moeder op, en zeg tegen haar: 'Wat doet u voor Mij, wat alleen de Vader toekomt? Sta op; want wij kennen elkaar toch al dertig jaar, en Ik ben nog steeds Dezelfde en niet veranderd!'

[8] Maria krijgt tranen van vreugde, begroet al Mijn leerlingen en gaat dan snel weg, om een goed maal voor ons klaar te maken.

[9] De leerlingen komen naar Mij toe en zeggen: 'Kijk toch eens wat een lieve vrouw, en wat een bijzonder liefdevolle moeder! Ze is nu toch al vijf en veertig jaar oud en ziet er uit, als was ze net twintig geworden. En ze is zo buitengewoon lief en bezorgd en wat zwelt haar werkelijk heilige zuivere borst van pure moederliefde! Echt, het is een vrouw, die verheven is boven alle andere vrouwen op aarde!'

[10] Ik zeg: ' Ja,ja, Zij is de eerste en er zal er nooit meer een zijn als  Zij! Maar het zal ook gebeuren, dat men voor haar meer tempels zal  bouwen dan voor Mij, en dat men haar tienmaal meer zal eren dan Mij, en men zal geloven alleen door haar zalig te kunnen worden!

[11] Daarom wil Ik dan ook nu, dat men haar niet teveel verheft, omdat ze wel weet, dat ze de moeder van Mijn lichaam is, en ook weet, Wie achter dit lichaam, dat zij baarde, aanwezig is!

[12] Wees daarom buitengewoon goed en hoffelijk voor haar, maar pas er voor op om haar de een of andere goddelijke verering te bewijzen!

[13] Want bij alle buitengewone voortreffelijke eigenschappen is ze toch een vrouw; en van de beste vrouw tot aan de ijdelheid is en blijft het maar een heel klein stapje!

[14] En iedere ijdelheid is het zaad van de hoogmoed, waaruit al het kwaad in de wereld is gekomen, en nog komt en altijd zal komen! Daarom houdt ook tegenover moeder rekening met wat Ik jullie nu heb gezegd!'

 

 

109 Korenschoppen in de hand van God

 

[1] Petrus schudt met zijn hoofd en haalt zijn schouders op! Daarop reageert Simon van Kana met te zeggen: 'Wat vind jij dan? Als de Heer het ons zo voorspeld heeft, dan zal het ook zeker zo gebeuren, en wij weten nu dus, hoe wij dit moeten opvatten en hoe wij ons daarbij gedragen moeten. Waarom sta je dan twijfelachtig met je hoofd te schudden en je schouders op te halen?!'

[2] Petrus zegt: 'Beste broeder, mijn hoofdschudden en mijn schouder­ophalen betekenen heel wat anders dan jij denkt!'

[3] Simon zegt: 'Wat dan, beste broeder?'

[4] Petrus zegt: 'Kijk, het woord en de daad van de Heer zijn heilig; hoe gelukkig zouden alle mensen op aarde zijn, als ze deze leer al hadden en er naar leefden! Maar er zijn zoveel haken en ogen, - O, wanneer zal deze leer een heilig gemeengoed van alle mensen op aarde zijn? En als de Heer bovendien nog het één en ander zal laten gebeuren, hoe zal dan binnenkort deze leer er uitzien?! Waarlijk, het zal nog gebeuren dat deze heerlijke zielespijs op den duur nog in honden­ en varkensvoer verandert! Wel, broeder, dat is het wat mij mijn hoofd deed schudden en de schouders ophalen!'

[5] Ik zeg: 'Petrus, laat dat! Je zult doen, wat je opgedragen wordt; en over de uitwerking heb je je geen zorgen te maken! Wat komen zal en in alle diepte der wijsheid en liefde op de een of andere manier komen moet, daarvan weet alleen de Vader en ook degene, aan wie de Vader openbaren wil, hoe, wanneer en waarom alles toegelaten wordt, opdat het gebeurt!

[6] Als je in een grote werkplaats van een kunstenaar komt en je ziet vele verschillende werktuigen, weet je dan wel hoe de kunstenaar ze gebruikt om een kunstwerk te scheppen? Daar zul je ook wel je hoofd schudden en je schouders ophalen; maar daarmee kom je niet te weten, hoe de kunstenaar zijn vele verschillende werktuigen gebruikt, en hoe daardoor een bepaald kunstwerk geschapen wordt. Als de kunstenaar het je echter wil uitleggen, dan zul je het ook begrijpen, op de manier waarop de kunstenaar het je uitgelegd heeft.

[7] En hierop aansluitend zeg Ik je: God is meer dan alle kunstenaars, en de allergrootste kunst is, talloze aparte wezens uit zichzelf een zelfstandig vrij leven te laten scheppen! Daarvoor zijn dan ook oneindig veel verschillende geestelijke werktuigen nodig; en jij net als Maria en alle mensen zijn voor dit ene doel verschillende kunstwerken en werktuigen, die alleen de Vader in de hemel zeer wijs weet te gebruiken!

[8] Wees dus verder nergens bezorgd over, behalve over datgene waarvoor Je geroepen bent, en dan zul je als het juiste werktuig in de hand van de Vader de juiste dienst bewijzen!

[9] Of is de korenschop soms belangrijker dan degene, die dit werktuig gebruikt?! Is zij deugdelijk, dan wordt daarmee de tarwe, de gerst en de rogge gezuiverd; is zij echter niet goed, dan wordt zij deugdelijk gemaakt of verbrand! Als de Vader jou gevormd

heeft tot korenschop, blijf dan wat je bent, en probeer niet ook nog een aarden pot te zijn! Begrijp je dat?'

[10] Petrus zegt: 'Heer, dat begrijp ik nog niet. Ik denk dat ik het begrijp, maar als ik het tracht te doorgronden, dan begrijp ik dat geheimzinnig aandoende beeld niet. Hoe kan men kunstwerk en werktuig tegelijkertijd zijn, en op wat voor manier ben ik een korenschop?'

[11] Ik zeg: 'Is dan niet ieder werktuig op zichzelf eerst, voordat de kunstenaar het gebruikt, een kunstwerk, opdat de kunstenaar het gebruiken kan bij het scheppen van een ander kunstwerk of om een bepaald doel te bereiken?!

[12] Dat je in de hand van de Vader een korenschop bent, zei Ik, omdat jij en de andere leerlingen nu door Mij onderwezen worden, om straks de mensen tot de ware kennis van God te verheffen.

[13] De mensen der wereld zijn als tarwe, gerst en rogge. Dit levende graan groeit echter niet zonder kaf en vies stof. Opdat dit graan, dat wil dus zeggen deze wereldmensen, dan gereinigd kan worden van het kaf en het vuil, en vervolgens als volledig schoon koren in de eeuwige schuren van de Vader gebracht kan worden, daarom worden jullie nu omgevormd tot goede en levende korenschoppen, waarmee de Vader in de hemel Zijn koren zal reinigen. Begrijp je het nu?'

[14] Petrus zegt: 'Ja Heer, nu is het ons volkomen duidelijk; maar wij zouden nu ook nog graag willen weten, wie U nu eigenlijk wel bent; want U spreekt altijd over de Vader in de hemel als over een tweede persoon, terwijl wij sinds Sichar U heimelijk ook zagen als de Vader! Bent U soms ook een korenschop of een ander werktuig in de handen van de Vader?'

[15] Ik zeg: 'Ik ben ten eerste Degene, Die Ik ben; daarnaast ben Ik ook Degene, Die Ik schijnbaar niet ben! Ik zaai en oogst, zoals de Vader zaait en oogst, en wie Mij als een korenschop dient, die dient ook de Vader; want waar de Vader is, daar is ook de Zoon, en waar de Zoon is, daar is ook de Vader. De Vader is echter meer dan de Zoon, en de Zoon gaat uit van de Vader; niemand kent echter de Vader dan de Zoon alleen, en degene, aan wien de Zoon het wil openbaren. -Is dit voor jullie duidelijk?'

[16] Petrus zegt: 'Heer dat begrijpt geen engel, laat staan dan wij! Maar als U dat zou willen, dan zou U ons de Vader wel eens kunnen tonen!'

[17] Ik zeg: 'Nu zijn jullie daar nog niet rijp voor; maar binnenkort zul je wel rijp zijn, en dan zullen jullie allen ook de Vader zien.'

[ 18] Tijdens deze woorden komen Maria en haar helpsters binnen en geven aan, dat de ochtendmaaltijd gereed is. Meteen worden de tafels gedekt en het maal wordt binnengedragen.

 

 

110  De Heer en de drie Farizeeën

 

[I] We zetten ons aan de maaltijd en beginnen deze heel welgemoed en opgewekt op te eten, als Judas de deur binnenkomt en ons de mantel uitveegt omdat we geen bode naar hem gestuurd hebben, want we konden toch wel weten dat hij het druk had en niet steeds kon komen navragen, wanneer we gingen eten! Want hij veronderstelde, dat hij toch ook wel tot ons gezelschap behoorde! Thomas maakt zich erg kwaad over deze opmerking en zegt: 'Heer, nu komt er toch wel een eind aan mij.n zelfbeheersing! Hij moet toch maar weer eens met mijn vuisten kennis maken!'

[2] Ik zeg: 'Houd daarmee op! Heb je dan nooit gehoord, dat, waar twaalf engelen onder één dak wonen, de twaalfde een vermomde duivel is?! Laat hem zijn plezier; want hem verander jij niet!' Thomas gaat zitten, en Judas gaat zonder maaltijd weer weg.

[3] Terwijl we daarna het goed bereide maal verder nuttigen, komt Judas terug, spreekt ons vriendelijk toe en vraagt om eten, want hij kon in de stad nergens iets krijgen, omdat door het grote aantal gasten al het klaargemaakte eten al op was !

[4] Ik zeg: 'Geef hem dan maar wat te eten!' En broeder Jacob gaf hem brood, zout en een hele grote goed toebereide vis. En Judas at de hele, bijna zeven pond zware vis op en dronk daar veel water bij, zodat hij zich daarna niet zo erg lekker voelde, waarop hij zich begon te beklagen, en meende dat de vis te oud was geweest, want daar kreeg hij altijd maagpijn van.

[5] Thomas werd alweer boos en zei tegen Judas Iskariot: ' Jij blijft toch ook altijd dezelfde onbehouwen en ongemanierde mens, die je altijd al was; ga naar de voorraadkamer en kijk of onze vissen oud zijn! Als jij uitgehongerd als een wolf in één keer een zeven pond zware vis verzwelgt, daarbij een hele kruik vol water leegdrinkt, genoeg voor twintig mensen, en tevens nog een nu juist niet zo klein brood opeet, dan moet je wel iets drukkends in je maag voelen! Als het je echter zoveel pijn doet, dan hebben wij toch de beste dokter in ons midden; vraag Hem, dan zal Hij je wel helpen!'

[6] Judas Iskariot zegt: ' Jullie zijn allemaal kwaad op mij en zeggen, dat ik een duivel ben; hoe zullen jullie van mij, als duivel, dan geloven dat ik lijd, en hoe zul je me helpen?!'

[7] Thomas zegt: ' Je was toch samen met ons bij de Gadarenen en heb Je niet gezien, dat de Heer ook de vraag van de duivels verhoorde en hen datgene toestond, waarom ze vroegen?! Als je nu echt van mening bent dat je een duivel bent, gedraag je dan als een duivel, en dan zal er wel ergens een varkenskudde zijn waar je in kunt gaan, als de Heer dat goed vindt!'

[8] Judas Iskariot zegt: 'Ah, je meent het werkelijk goed met mij; ik zou nooit geloofd hebben, dat jij zo'n goede vriend van mij was! Goed, ik zal dan nu toch maar Jezus, de zoon van dit huis, om werkelijk hulp vragen en dan zien we wel of Hij mij, zoals jij dat denkt, zal verplichte om in een varkenskudde te gaan!' Nu wendt Judas zich tot Mij en klaagt zijn nood. Maar Ik zeg: 'Ga naar je potten, daar zal het wel beter gaan met Je maag.

[9] Judas gaat en zegt in het voorbijgaan tegen Thomas: 'Dus toch niet in een varkenskudde!' Thomas zegt: 'Maar toch niet veel beters! Want, die potten zijn voor jou net zulke woekerobjecten, als de varkens voor de Gadarenen!' Daarop geeft Judas geen antwoord en hij verdwijnt snel.

[10] Maar vlug daarna komen drie Farizeeën uit Kapérnaum het huis binnen en vragen of Ik thuis ben. Als men hen zegt dat Ik thuis ben, stappen ze direkt de eetzaal binnen en vragen daar weer naar Mij; want ze kenden Mij niet persoonlijk.

[11] Maar Ik zeg met luider stem: 'Ik ben het! Wat wilt u dat Ik voor u doe?”

[12] Ze schrokken echter zo erg van de manier, waarop Ik hen toesprak dat ze verder niets meer dorsten te vragen; want Mijn luide woord voelden ze in hun harten, alsof ze door de bliksem waren getroffen! -En Ik vroeg hen nogmaals, wat ze wilden.

[13] Dan stapt er één naar voren en zegt heel beschroomd: 'Goede Meester!'

[14] Maar Ik zeg: 'Waarom noemt u Mij goed?! Weet u dan niet, dat er buiten God niemand goed is?!' De Farizeeër zegt: 'Ik smeek u, wees toch niet zo streng tegen mij; want ik heb uw beproefde hulp nodig!” Ik zeg: 'Ga weg en houd Mij niet op; want Ik wil vanmiddag naar beneden aan het meer en daar op de visvangst gaan. Daar kunt u Mij vinden!'

[15] Met dit advies gingen de drie weg. Diegene echter, die met Mij sprak was één van de hoofden van de school en de synagoge te Kapérnaum en heette Jaïrus.

 

 

111 De genezing van de Griekse vrouw

 

[I] Toen Petrus hoorde dat Ik de zee op wilde, vroeg hij Mij, of hij vast vooruit zou gaan om het grote schip klaar te maken. Maar Ik zei tegen hem: 'Maak je daarover maar geen zorgen! Als we er komen, staat alles al voor ons klaar!'

[2] En Maria vroeg ook nog, of ze voor de middag of voor de avond iets klaar moest maken. En Ik zei tegen haar: 'Niet voor vanmiddag en niet voor vanavond, want we zullen pas laat in de nacht terugkomen!'

[3] Daarna zeg Ik tegen de leerlingen, dat ze, als ze zin hebben om mee te gaan, nu vertrekken moeten. En iedereen staat vlug op en gaat met Mij naar het meer, dat, zoals bekend, niet ver van Nazareth begon.

[4] Bij onze komst aan het meer, was daar een menigte verzameld; Ook lagen er verscheidene schepen, en dat van Petrus ontbrak niet. We gingen meteen aan boord van het schip van Petrus en staken van wal.

[5] Omdat het volk zag, dat Ik zee koos, klom het in een aantal boten en roeide Mij na.

[6] Op zo'n boot bevond zich een Farizeeër, het hoofd van een school, die in de buurt van Kapérnaum in een mooi landhuis woonde en die op deze dag met nog twee anderen in Nazareth bij Mij in huis was. Toen hij Mijn schip had bereikt, viel hij meteen op zijn knieën en smeekte Mij: 'Heer! Mijn dochter ligt op sterven! Kom toch alstublieft en leg haar uw handen op, zodat ze weer gezond wordt!' Wij waren nog niet zo erg ver van de oever, en Ik beduidde Petrus het roer om te gooien.

[7] Bij onze terugkomst aan de wal was daar zo'n menigte mensen, dat we nauwelijks verder konden komen, en het kostte ons wel drie uur om het huis van Jaïrus te bereiken, terwijl de doorsnee wandelaar dat anders toch zonder moeite in een uur kon lopen.

[8] Terwijl we begeleid door Jaïrus, in het sterke gedrang meer voort­ schoven dan liepen, schoof er zich in de drukte ook een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed en zo goed als al haar geld aan dokters had uitgegeven om maar gezond te worden, van achteren naar Mij toe en raakte Mijn kleed aan in het geloof, dat ze daardoor gezond zou worden; want de vrouw had veel over Mij gehoord.

[9] Omdat ze een Griekse was en geen Jodin, durfde zij niet openlijk naar Mij toe te komen, want de Joden en de Grieken leefden op gespannen voet vanwege de handel en er was ook in Rome een strijd tussen hen gaande over de voorkeur waarmee de beide volken behandeld wilden worden.

[10] De Grieken stonden als gecultiveerd heldenvolk in veel hoger aanzien bij de Romeinen en ze genoten ook veel grotere voordelen uit Rome dan de Joden, die in Rome zeer slecht aangeschreven stonden. In zekere zin fungeerden de Grieken ook als geheime politie onder de Joden en daarom hadden de Joden nog meer hekel aan ze.

[11] Daarbij kwam dan nog de vrees, die vooral de Griekse vrouwen Voor de Joden hadden, omdat de slimme Joden onder de Grieken overal lieten rondvertellen, dat de in alle toverkunsten ingewijde Joden de Griekse vrouwen enkel door hen goed doordringend aan te kijken, onvruchtbaar konden maken. En dat was dan ook hier de reden, waarom deze vrouw zich van achteren naar Mij had toe gedrongen.

[12] Maar toen ze Mij had aangeraakt, merkte ze, dat ze helemaal beter werd. Haar bloedvloeiing werd direkt gestopt en ten opzichte van haar kwaal maakte zich een grote rust van haar meester, en ze voelde in haar hele wezen dat ze weer in orde was.

[13] Maar Ik keek direkt om en vroeg aan de leerlingen, die het dichtst bij Mij stonden: 'Wie heeft Mij aangeraakt?'

[14] De leerlingen werden bijna kwaad over deze vraag en zeiden: 'U Ziet toch, hoe het volk dringt, en dan vraagt U toch nog, wie U aangeraakt heeft?!'

[15] Ik zei tegen de leerlingen: 'Daar gaat het niet om! Degene, die Mij hier aanraakte, geloofde en raakte Mij met opzet aan; want Ik heb duidelijk gemerkt, dat er kracht van Mij is uitgegaan.'

[16] Toen schrok de vrouw, die Ik bij het stellen van de vraag doordringend aankeek, omdat Ik wel wist, dat juist deze vrouw Mijn kleed had aangeraakt en waarom zij dat deed! Ze viel voor Mij neer, bekende Mij alles openhartig en smeekte Mij om vergiffenis; en haar vrees was zo groot, dat ze over haar hele lijf sidderde en beefde, wat wel begrijpelijk is, als je de hiervoor vermelde reden in overweging neemt.

[17] Ik keek haar mild aan en zei tegen haar: 'Sta op, Mijn dochter je geloof heeft je geholpen! Ga nu in vrede naar huis, en wees gezond en bevrijd van je kwelling!'

[18] En de vrouw stond blij en vrolijk op en ging naar haar huis, dat een halve dagreis verderop lag; want ze was de dochter van een pachter achter Zebulon en was ongehuwd. Toen ze dertien jaar oud was, beging ze een misstap met een zinnelijke man, die haar daarvoor twee ponden goud gaf; om deze reden moest ze echter hierna twaalf jaar lijden en de volle twee ponden goud opmaken, die in die tijd meer waard waren dan 100.000 gulden nu. Ze was dus door dat geschenk rijk geworden, maar moest toch eerst al haar rijkdom weer teruggeven, voor ze gezond kon worden.

 

 

112 Het dochtertje van Jaïrus

 

[I] Terwijl Ik met de leerlingen nog over deze vrouw sprak, kwamen enige leden van het personeel van de overste bijna buiten adem op ons toegelopen en brachten de overste het treurige bericht, dat zijn dochter inmiddels was gestorven!

[2] De overste werd zeer bedroefd en zei tegen Mij: 'Beste Meester, doet U verder maar geen moeite meer, want het is nu toch jammerlijk genoeg te laat om mijn liefste dochter, die alles voor mij betekende, te helpen!'

[3] Bij deze woorden begon hij luid te huilen; want hij hield erg veel van zijn twaalfjarige dochter, een welgebouwd en welgevormd meisje met de gestalte van een twintigjarige en het enige kind van de overste.

[4] Omdat Ik dat eerst van zijn personeel en daarna van hemzelf hoorde en Ik van ganser harte medelijden met de diep bedroefde overste had, zei Ik tegen hem: 'Vriend, wees niet bang, maar geloof! Je dochter is niet gestorven, maar slechts ingeslapen - en Ik zal haar wekken!'

[5] Na deze geruststelling van Mij haalde de overste verlicht adem.

[6] Ongeveer duizend passen van het huis van de overste zei Ik zowel tegen het volk als tegen de leerlingen die nog een minder sterk geloof hadden, dat ze hier moesten wachten, en dat alleen Petrus, Jacobus en zijn broer en Johannes mee mochten gaan; want op hun geloof kon je al huizen bouwen.

[7] Vervolgens ging Ik met het hoofd van de school het huis binnen, waar een groot tumult heerste en naar Joods gebruik gehuild en geweend werd en klaagliederen werden gezongen.

[8] Toen Ik de kamer binnenkwam waar de gestorvene op een versierd bed lag, zei Ik tegen de vele herriemakers: 'Waarom maken jullie zoveel herrie en huil je zo ontzettend?! Het dochtertje is toch niet gestorven, het slaapt alleen maar!'

[9] Nu lachten ze Mij uit en zeiden: ' Ja, zo zien slapende mensen er uit! Denkt u soms dat het slapen is, als er al twee en een half uur geen adem en geen polsslag meer is en het hele lichaam koud en kleurloos is geworden en het oog is gebroken!? Ja,ja, dat is ook wel een slaap; maar uit die slaap ontwaakt geen mens meer, behalve op de jongste dag!'

[10] Ik zei tegen de overste: 'Breng ze allemaal naar buiten, want hun ongeloof kan Ik hier niet gebruiken!' De overste deed dat; maar de herrieschoppers gehoorzaamden hem niet, en hij vroeg Mij om hem te helpen. Toen dreef Ik hen allen met geweld naar buiten, en ze renden weg en liepen alle kanten uit.

[11] Ik ging daarna met de overste, de bedroefde moeder en de vier jongeren de kamer weer in waar het gestorven dochtertje lag, stapte meteen op het bed af, greep haar bij de linkerhand en zei tegen haar: 'Talitha kumi!' -hetgeen betekent: 'Meisje! Ik zeg je: Sta op!'

[12] En onmiddellijk stond het meisje op, sprong vrolijk en opgewekt van het versierde bed en liep op haar oude bezige manier door de kamer en streelde haar moegeschreide moeder en haar vader! Maar tevens merkte het opgewekte meisje dat haar maag zo leeg aanvoelde en dat zij dus honger had en wat wilde eten!

[13] De zeer blijde ouders richtten zich tot Mij en vroegen Mij onder tranen van vreugde en dankbaarheid, of en wat ze hun dochter nu te eten moesten geven. Ik zei: 'Geef haar Mijnentwege iets te eten wat ze lust en wat snel te krijgen is!'

[14] En op een schotel lagen vijgen en dadels en het dochtertje vroeg of ze die vruchten mocht eten. En Ik zei: 'Eet maar wat Je lekker vindt; want je bent nu helemaal gezond en je zult voortaan niet meer ziek worden!'

[15] Toen sprong het meisje vlug op de schotel af en maakte deze bijna geheel leeg. De ouders waren echter bezorgd, dat het haar kwaad zou doen.

[16] Ik stelde ze gerust en zei tegen hen: 'Maakt u geen zorgen; als Ik zeg, dat het haar niet meer kan schaden, dan zal het haar ook met meer schaden!' En de ouders waren toen overtuigd.

[17] Nadat het meisje genoeg gegeten had en haar lofzang had uitge­sproken, ging ze naar haar ouders en vroeg hen zachtjes, wie Ik dan toch wel was. Want toen Ze op het bed sliep, zag ze de geopende hemelen en een groot aantal lichtende engelen. 'En midden tussen de engelen stond een heel vriendelijke man, die naar mij keek, toen op me toekwam, mij bij de hand greep en zei: 'Talitha kumi!' en ik was meteen wakker na zijn oproep! En kijk nu eens, die man daar ziet er net zo uit als degene, die ik eerder in de droom temidden van zo veel engelen gezien heb! Ach, dat moet een heel lieve man zijn!'

[ 18] De overste begreep de vraag van zijn dochter maar al te goed; maar omdat Ik hem een teken gaf, zei hij alleen maar tegen haar, dat ze een mooie en echte droom had gehad, die hij binnenkort helemaal zou uitleggen. En dit antwoord was voor het dochtertje voldoende.

[19] Ik zei toen tegen de overste, dat hij nu met dochter, moeder en met Mij naar buiten moest gaan, opdat de buiten wachtenden beschaamd zouden worden vanwege hun ongeloof! En we gingen naar buiten. En toen de ongelovigen de dochter zagen, die met een gezonde blos op haar wangen opgewekt naar hen toekwam, en hen vroeg waarom ze er zo verbijsterd en geschrokken bijstonden, raakten ze nog meer van hun stuk en zeiden: 'Dit wonder is nog groter dan alle andere wonderen! Want het meisje was echt dood en nu leeft het!' En ze wilden dat meteen in de hele omgeving bekend maken.

[20] Maar Ik waarschuwde hen allen dringend om dat niet te doen en gebood hen om deze zaak terwille van hun lichamelijk en geestelijk heil niet verder te vertellen! En ze zwegen en gingen weg.

 

 

 

113 Het wezen van het Johannes­ en het Matthéus­evangelie

 

[I] Schrijver Matthéus, die Mij op een afstandje volgde om te zien wat er gebeurde en het daarna op te schrijven, kwam nu ook bij Mij staan en vroeg Mij of hij deze gebeurtenis op moest schrijven.

[2] Maar Ik zei: 'Doe dat niet, opdat men later de gebeurtenissen niet verwisselt! Want overmorgen gaan we weer naar het meer en daar zal \ precies zo'n gebeurtenis plaats vinden, en die moet je dan wél helemaal opschrijven! Vanaf morgen kun je trouwens beginnen met al het bui­tengewone op te schrijven, wat er maar gebeurt!'

[3] Matthéus weet nu wat hij doen moet; maar Johannes vraagt, omdat hij het gebeurde zo buitengewoon vond, of hij dan toch niet, al was het maar met enkele woorden, hier ook aantekening van mocht maken.

[4] En Ik zeg tegen hem: 'Dat kun je wel doen, maar niet di rekt bij datgene, wat je tot nog toe al opgeschreven hebt, maar pas verderop; want binnen een half jaar krijgen we nog een keer zo'n geschiedenis, en dan kun je deze, of die opschrijven!

[5] Het is helemaal niet zo belangrijk dat een teken dat veel lijkt op een vroeger teken opgeschreven wordt, omdat dat bij de latere belijders van Mijn leer gemakkelijk verwisselingen in de hand werkt, en uit zulke verwisselingen vervolgens allerlei tobberijen en twijfels kunnen ontstaan, die dan de hoofdzaak, namelijk Mijn leer, veel meer schaden dan baten.

[6] Zolang Ik en jullie en degenen, die ieder voor zich getuigen kunnen van de volle waarheid van de vele tekenen, nog op deze aarde leven, zolang worden alle twijfels gemakkelijk voorkomen; maar in latere tijden, als, terwille van de vrijheid van de menselijke wil, alleen het geschrevene over Mij getuigen zal, dan moet het geschrevene zuiver en goed geordend zijn, anders schaadt het meer dan het baat.'

[7] Johannes zegt: 'Beste Meester! Wat u nu zei, is zeker waar; maar zou het juist daarom met te prefereren zijn als Ik alles wat U doet en leert net eender op zou schrijven als broeder Matthéus?

[8] Want als dan later de mensen onze geschriften met elkaar vergelijken en bij mij niet zullen vinden, wat wel in dat van Matthéus staat, zullen ze dan niet beginnen te tobben en aan de echtheid van het hele evangelie gaan twijfelen en zeggen: 'Waarom vinden we van de ene Jezus niet in allebei de evangeliën dezelfde leer en dezelfde daden? Waarom schreef Matthéus dit en Johannes dat, het lijkt niet op elkaar en toch moeten beiden steeds bij Hem zijn geweest?!' Ik denk, dat als ik heel wat anders opschrijf dan Matthéus, dit oordeel van degenen, die na ons komen, onder de genoemde omstandigheden niet uit kan blijven!'

[9] Ik zeg: ' Je hebt helemaal gelijk, beste broer; maar weet je, de reden waarom Ik dat zo Iaat doen, kun je nu nog niet begrijpen, maar later zal je dat wel duidelijk worden!

[10] Wat Matthéus schrijft, heeft alleen maar voor deze aarde een bijzondere waarde, maar wat jij schrijft, dat heeft waarde voor de hele eeuwige oneindigheid! Want in alles wat jij schrijft, verbergt zich het puur goddelijke besturen van eeuwigheid tot eeuwigheid door alle reeds bestaande scheppingen en ook door die, welke in toekomstige eeuwigheden in de plaats zullen komen van de nu bestaande! En ook al zou Je in vele duizenden boeken opschrijven, wat Ik jou en jullie allen daarover nog zal onthullen, dan zou de wereld die boeken met geen mogelijkheid kunnen begrijpen, en zulke boeken zouden daarom voor de wereld geen nut hebben. (zie Joh. 21:25)

[11] Maar wie leeft volgens de traditionele leer en gelooft in de Zoon, die wordt toch al in de geest wedergeboren en de geest zal hem in alle diepten der eeuwige waarheid leiden.

[12] Nu weet je de reden waarom Ik jou niet alles laat opschrijven; vraag het Mij daarom voortaan niet meer! Want het mag de wereld nooit te duidelijk gezegd worden, opdat ze niet onder een nog zwaarder gericht terecht komt dan ze nu al onder het oude noodzakelijke gericht is.

[13] Ik wil Mijn leer echter zo geven, dat niemand slechts door het evangelie te lezen of door er naar te luisteren de kern van de levende waarheld bereiken kan, maar deze alleen kan bereiken door Mijn leer toe te passen, en door de toepassing zal Mijn licht in iedere mens steeds helderder gaan schijnen!' (zie Joh. 7:17)

 

 

114 Een les voor Judas

 

[1] Na deze uitleg kwam Jaïrus nogmaals naar Mij toe en zei: 'Beste Meester! U heeft me nu door mij mijn dochter terug te geven, meer gegeven dan wanneer ikzelf van u een honderdvoudig leven gekregen zou hebben! Hoe kan ik u daarvoor danken, hoe kan ik u daarvoor belonen? Wat kan ik nu voor u doen?'

[2] Ik zeg: 'Erger je dan voortaan nooit aan Mij, als je het een of ander over Mij hoort! Tot nu toe was je tegen Mij; wees dan van nu af aan vóór Mij! Want de hele wereld kan je niet geven en voor je doen, wat Ik je gegeven en voor je gedaan heb! Eens zul je echter wel inzien, hoe en waarom Ik dat voor je heb kunnen doen. Denk aan Mij in je hart!'

[3] Jaïrus stonden de tranen van vreugde in de ogen, en zijn vrouwen dochter snikten toen Ik weer met Mijn leerlingen terug naar Nazareth ging. Ze begeleidden Mij tot aan de plaats waar de andere leerlingen en een grote mensenmassa op Mij wachtten.

[4] Toen we daar aankwamen waren er veel nieuwsgierige vragers, die zich erg druk maakten om te weten te komen hoe het met de gestorven dochter van de overste van de school afgelopen was.

[5] Maar Petrus nam het woord en zei: 'Jullie blinden! Kijk hier eens heen, dit meisje is het dat dood was en nu leeft! Is dat voor jullie nog niet voldoende?!' Toen richtten velen zich tot de overste en vroegen hem, of dat waar was.

[6] En de overste zei toen met een tamelijk luide stem: 'Ja, jullie blinde en ongelovige dwazen! Een uur geleden nog huilde ik om het verlies van mijn liefste, enige dochter en nu zien jullie me ongelofelijk blij, omdat ik mijn dochter terug heb! Is dit duidelijk zichtbare bewijs nog niet genoeg voor jullie?'

[7] Na deze woorden toonde iedereen zich uitermate verbaasd. En toen Ik weer verder ging met de leerlingen, kwam die hele massa volk, zo'n drieduizend mensen, Mij na en begeleidde Mij naar Nazareth.

[8] Hoewel het al tamelijk laat in de nacht was toen wij thuis kwamen, waren Maria en de broers en zusters nog op. Er wachtte ons een goed toebereid avondmaal, wat velen van ons goed van pas kwam; want omdat wij sinds die ochtend niets gegeten hadden, was het wel begrijpelijk dat ze een behoorlijke honger hadden.

[9] Judas was ook thuis en sliep op een strobed. Toen hij echter door ons praten, onze vragen en antwoorden gewekt werd, stond hij meteen op en vroeg alleen maar, hoe de visvangst afgelopen was.

[10] Petrus zei toen tegen hem: 'Ga naar buiten en kijk!' En Judas ging naar buiten en zag slechts die grote hoeveelheid mensen, die rondom Mijn huis bivakkeerden. Al vlug komt hij weer naar binnen en vraagt aan Petrus, waar de vissen dan wel mochten zijn; want hij was om het hele huis gelopen en had geen vis gezien.

[11] Nu zegt Petrus: 'Heb je dan nooit gehoord, dat de blinden niets zien, de doven niets horen en de dommen niets begrijpen kunnen behalve dat wat hun maag nodig heeft?! Kijk, blinde woekeraar, al die duizenden mensen om het huis, zijn de heerlijke goede vissen die ik bedoel!'

[12] Judas zegt: ' Ja, als je dat bedoelt! In een bepaald opzicht is dat zeker ook geen slechte vangst, maar in ons gewone leven heb ik liever een honderd pond zware meerval dan al die mensen daar buiten! Want voor zo'n vis krijg ik overal veel geld, maar voor die daar buiten geeft niemand me een stater. ,

[13] Petrus zegt: ' Je zult het met je geldzucht nog wel eens zo ver brengen, dat je helemaal in handen van de duivel valt! Ben je soms méér dan een gewoon mens, zoals wij?! Wij leven allemaal zonder winst te willen maken en jij leeft samen met ons en eet uit onze schotels, en dat kost je niets, behalve de moeite van het opeten. Als het leven je dus hier geen cent kost, waarvoor heb je dan dat geld nodig?!'

[14] Judas zegt: 'En mijn vrouwen kinderen dan? Wie onderhoudt die dan voor mij als ik niets zou verdienen?! Denk je dat ze van de lucht kunnen leven?!'

[15] Petrus zegt: 'Kijk, ik kan veel verdragen; maar een brutale leugen kan ik niet verdragen! In Jeruzalem, waar menje verder niet kent, behalve dan dat je een Galileeër bent, kun je je er wel op laten voorstaan, dat je een bezorgde huisvader bent; maar dat kun je bij mij beslist niet! Want ik en allen, die je buren waren en nog zijn, kennen jou en je huiselijke omstandigheden maar al te goed, zodat we geen woord van je verhaaltjes geloven. Je vrouwen je kinderen lijden nog steeds gebrek en moeten met zwaar werk nog steeds hun karige dagelijkse brood verdienen. Van de vissen die je gevangen hebt, hebben ze nog maar weinig genoten; de kleding hebben ze van mij, en hoelang is het geleden sinds je op de markten rondtrekt, dat wij uit medelijden het totaal vervallen huis van jouw familie bijna geheel hebben laten vernieuwen?! Hoeveel heb jij daar aan bijge­dragen?! En dat noem je -zorgen voor je vrouwen kinderen?! Maak dat je weg komt en schaam je tien jaar lang, omdat je het waagt, om tegenover ons op zo'n manier zo vermetel te liegen, terwijl we je maar al te goed kennen!'

[16] Daar is Judas helemaal verbouwereerd van en hij heeft geen weer­woord; want Petrus had hem nu wezenlijk geraakt. Hij ging naar buiten en dacht er eens diep over na, kwam na enige tijd weer terug en vroeg ons allen om vergeving! Ook beloofde hij, dat hij zich van nu. af aan helemaal zou veranderen en hij wilde nu heel serieus een leerling van Mij zijn; alleen hoopte hij dat we hem niet ruw af zouden wijzen! Daarop zegt Nathánaël, die zelden of nooit iets zei: 'In jou woont de geest van Kaïn, begrijp je wel? En deze geest verbetert zich op deze aarde niet; want de wereld is de geest van Kaïn, en daarvan kun je geen verbetering verwachten!'

[17] Judas zegt: ' Ja,ja,ja, jij ook altijd met je oude geest van Kaïn! Waar is Kaïn, en waar zijn wij?! Het geslacht van Kaïn ging ten onder; alleen Noach bleef, en in zijn nakomelingen zit geen druppel van Kaïns bloed, maar het zuivere bloed van de kinderen Gods stroomt in onze aderen. En als het bloed zuiver is, dan is ook de geest zuiver; want de geest van de mens komt altijd uit zijn bloed voort en daarom is de geest ook altijd net zo rein als het bloed!'

[18] Nathánaël zegt: 'Dat is weer die oude onzin van je, dat heb Ik al zo vaak gehoord, daar geef ik geen cent voor! Ga maar naar de Sadduceeën; die hebben wel belangstelling voor die onzin! Bij ons is echter het bloed! een luie materie, en de geest is en blijft voor eeuwig geest! Wat heb je  aan het bloed van een kind van God als daarin, zoals bij jou, een onreine, geest woont?! Versta je dat?'           

[19] Judas zegt: ' Ja,ja, je kunt misschien ook wel gelijk hebben, en ik zal er alles aan doen, om tot de kern van jullie leer door te dringen;  maar als jullie leer op de basis van humaniteit is gebouwd, en je daarom iedereen zachtmoedig en met geduld benadert, dan meen ik toch, dat jullie mij niet maar steeds met allerlei stekelige opmerkingen behoeven af te wijzen! Want wat is een leer zonder leerlingen? Een geluid zonder betekenis, waar niemand op let! Iedere leer heeft daarom net zo goed leerlingen nodig, als dat de leerlingen een goede leer nodig hebben; en daarmee wil ik maar zeggen, dat iedere leerling voor een leer net zo belangrijk is als de reinste en beste leer op zichzelf! En op die manier ben ik van mening dat het voor jullie helemaal geen kwaad zou kunnen, als je met mij als jullie medeleerling een beetje meer geduld zoudt hebben!

[20] Ik hoop dat jullie, omdat je al zo wijs bent, zult inzien dat ik nu nog in mijn oude beginselen vastgeroest zit; maar dat ik juist daarom jullie leer wil leren kennen, om daardoor mijn oude leer, waarin ik nu echt niet meer zoveel geloof, kwijt te raken. Als ik nu, als niet ingewijde, soms een beetje protesteer tegen deze nieuwe leer van jullie, dan zul je daar toch niet over vallen, is het wel?!

[21] Je kunt rustig aannemen, dat zodra ik net als jullie in de nieuwe leer van je meester ingewijd ben, en haar beginselen ook onweerlegbaar goed en waar vind, dat ik dan voor deze nieuwe leer van jullie ook zeker tienmaal harder zal vechten dan jullie allen bij elkaar; want ik ben moedig en trotseer iedereen, omdat ik voor niemand bang ben. Gesteld dat ik ergens bang voor was, dan was ik toch allang bij jullie weggebleven nu je tesamen met je meester me al meerdere malen zo duidelijk hebt laten merken, dat ik bij jullie niet welkom ben! Maar angst ken ik niet, en dus kom ik terug. Het is weliswaar duidelijk te merken dat jullie je eraan ergert; maar dat doet me niets, en ik blijf net als jullie toch een leerling van deze nieuwe leer. Wat kunnen jullie daartegen doen?!'

[22] 'Veel en niets', zegt Nathánaël,'net zoals je zelf maar wilt! Dat je geen angst kent, is nu juist niet zo'n grote deugd. Want ook de satan moet geen angst kennen, anders zou hij God de Heer niet eeuw in eeuw uit ongehoorzaam blijven! Dat kun je trouwens hier op aarde ook al bij de dieren zien, waarvan er sommigen duidelijk meer moed hebben dan anderen. Kijk maar eens naar een leeuw, een tijger, een panter, een wolf, een hyena of een beer en vergelijk die eens met een lam, een geit, een ree, een haas en nog meer van die bange dieren! Zeg eens, bij welke van deze twee diergroepen zou je jezelf rekenen?'

[23] Judas zegt: 'Het spreekt toch vanzelf, dat ik me net als ieder ander tot de zachtaardige dieren zou rekenen en niet tot de verscheurende wilde beesten gerekend wil worden, want de moed van de leeuw veroorzaakt de dood van ieder ander!'

[24] Nathánaël zegt: 'En jij vond de moed. toch zo lofwaardig en je meende toch juist daardoor een bekwamer leerling te worden?! Maar ik zeg je dat moed eigenlijk een grote zonde is; want het is de vrucht van de hoogmoed, die alles veracht wat in de mens niet het eigen ik is. Daarom zal onze leer de alles verachtende moed van een mens nooit als een deugd aanprijzen, want dat is nu net precies het tegendeel van wat onze leer van de mens verwacht!

[25] Wie voert er oorlog? Wat denk je: alleen maar zogenaamde helden, die de dood niet vrezen! Stel dat de aarde vol helden was, dan zouden we een eeuwige oorlog op de wijde aardse vlakten zien; want iedere held wil niet slechts een assistent van een held, maar een unieke held zijn en zal daarom niet rusten, tot hij alle andere helden overwonnen of uit de wereld geholpen heeft.

[26] Maar gesteld eens dat de aarde vol zachte en heel vredelievende mensen was, dan was het hier een paradijs!

[27] Een bang iemand zal door een held niet achtervolgd worden, want de held voelt zich door hem niet belaagd. Maar ziet een held een andere held, dan zullen ze elkaar direkt uitdagen en niet rusten voor één van de twee het onderspit delft! En daaraan zie je nu ten voeten uit wat de zegen van de moedigen is !

[28] Als je dus onze medeleerling wilt zijn, zet dan die overbodige moed van je maar aan de kant, en wees in plaats daarvan liever vol liefde, geduld en zachtmoedigheid, dan ben je een echte leerling van de Heer!'

[29] Judas zegt: 'Nu ja, je kunt wel gelijk hebben; ik moet er nog eens over nadenken en dan zal ik morgen wel zeggen wat ik doen zal, of ik bij jullie blijf, of dat ik wegga!'

[30] Terwijl hij dat zegt gaat Judas naar buiten, verzamelt een paar bekenden uit de grote volksmenigte en praat met hen bijna de hele nacht over datgene, wat hij van Nathánaël gehoord heeft; maar allen geven Nathánaël gelijk en zeggen: 'Nathánaël is een echte wijze', en ze waren er van overtuigd dat Nathánaël oprecht was! -Wij in huis gingen echter slapen.

 

 

115 Nazareth.Het volk wil Jezus als koning

 

[I] De volgende morgen heerst er al gauw een hele drukte om het huis; want reeds bij het aanbreken van de dag komen er van alle kanten veel mensen toegestroomd, en er wordt al druk brood en melk verkocht. Alles bij elkaar veroorzaakt dat veel lawaai voor het huis, zodat men zich in huis wel wat ongerust maakt.

[2] Maar Ik zeg: 'Laten we nu eerst het morgenmaal gebruiken, dan gaan We daarna meteen naar een huis van een bekende van Mij een paar honderd meter achter Kapérnaum, zodat het hier in Nazareth wat rustiger wordt!”

[3] Terwijl Ik dat tegen de leerlingen zeg, komt Judas ook binnen en zegt: “Broeders, van nu af aan blijf ik bij jullie! Mijn zaken zijn gedaan; want terwille van jullie heb ik ze al vandaag in plaats van morgen afgewikkeld. - Maar nu nog heel kort over iets anders: Het volk, dat met een paar duizend man hier om het huis is verzameld, wil niets meer en niets minder dan de goede Meester Jezus tot koning uitroepen! En het lijkt me toe dat dit, bij de aanwezigheid van zo veel Romeinse soldaten, wel heel sterk is af te raden! Want bij zo'n gelegenheid kun je nooit weten wat de overigens zeer menselijke Romeinen zullen doen - en dat geldt in gelijke mate voor de hogepriesters, Farizeeën en schriftgeleerden van ons volk!'

[4] Ik zeg: 'Nu, breng het morgenmaal dan maar vlug! Het is vandaag ook nog sabbat en daarom zouden er best nog meer mensen hierheen kunnen komen; we zullen dan ook maar zo vlug mogelijk weg gaan!'

[5] Aan beide zijden van het huis lag een goed omheinde tuin, waarin men alleen door een kleine achterdeur van het huis kon komen. Die deur gebruikten we dus en ontkwamen op deze manier aan de nieuwsgierige ogen van de duizenden, waarvan meer dan driekwart slechts door sensatiezucht werd gedreven, en zich alleen maar eens wilde vergapen aan wonderbare gebeurtenissen.

[6] Toen we echter met ongeveer honderd mensen ongezien waren ontkomen aan de menigte, die voor het huis nog steeds wachtte tot Ik met de leerlingen naar buiten zou komen en daar mogelijk weer een wonder zou doen of een toespraak zou houden, waarbij ze Mij dan, volgens het plan van velen onder hen, tot Koning der Joden uit zouden roepen, kwam er een dienstmaagd uit Mijn huis naar de menigte toe en vroeg aan een man, die ze erg aantrekkelijk vond, wat al die mensen nu eigenlijk hier zochten. En de man zei: 'Wij zijn hier, om Jezus, de machtigste der machtigen en de wijste der wijzen, tot Koning uit te roepen! Want wij

waren er bij, toen zee en wind Hem gehoorzaamden en de verschrikkelijkste menselijke en geestelijke duivels voor Hem moesten vluchten! Hij is stellig de beloofde gezalfde van God, die zou komen om het volk van God te verlossen van het harde juk van de tirannie van Rome! Daarom is het nu de tijd, om Hem uit te roepen tot de door alle Joden erkende en aanbeden Koning van Gods volk! Wel, daarom zijn wij hier! -Wat doet Hij eigenlijk zolang in huis, dat Hij niet even naar ons hier buiten komt?!'

[7] De dienstmaagd zegt: 'Dan wachten jullie hier voor niets; want Hij is al vroeg naar de omgeving van Kapérnaum gegaan, waarschijnlijk naar een zieke; en al zijn leerlingen zijn bij Hem. Zoals je nu begrijpen zult, wacht je dus voor niets op Hem.’

[8] Daarop vraagt de man haar of ze ook weet naar welk huis Hij ging. De dienstmaagd zegt dat ze dat jammer genoeg niet weet, net zo min als iemand anders in het hele huis; want Ik had niemand verteld naar welk huis Ik ging.

[9] Na dit antwoord ging de man het huis in om zich te overtuigen van wat de dienstmaagd gezegd had, en omdat hij in het huis niemand vond behalve de paar mensen die Maria hielpen bij het schoonmaken van het kook­ en tafelgerei, ging hij weer naar buiten en vertelde daar aan iedereen, dat Ik, zonder nadere aanduiding, naar een huis in Kapérnaum gegaan was om een zieke te genezen.

[10] Zodra de menigte deze mededeling hoort, breekt iedereen op en roept: 'Op naar Kapérnaum! Daar zullen we wel verder navraag naar Hem doen, en het huis vinden waarheen Hij is gegaan!'

[11] Allen, behalve een klein aantal Nazareeërs, gaan nu op weg naar Kapérnaum, en Mijn huis is verlost van het grote volkskampement.

[12] Maar niet lang daarna is het de beurt aan de mensen van Kapérnaum om grote ogen op te zetten, wanneer ze de volksmenigte de stad in zien komen. De Romeinse overste stuurt er meteen een aantal krijgsknechten op af en laat hen vragen, wat die menigte in Kapérnaum komt doen, want het was sabbat en op deze dag, waarvoor de overste de zorg had dat die geheiligd werd, was er echt geen markt of een ander evenement.

[13] De ondervraagden zeggen echter: 'Wij zoeken Jezus van Nazareth, want wij hebben gehoord dat Hij hier is.'

[14] De overste laat hen dan zeggen, dat Jezus Zich niet in Kapérnaum, maar in de buurt van Bethabara bevindt, waar Hij al een paar uur geleden heen was gegaan.

[15] Op dat bericht gaat de menigte snel naar Bethabara. Maar langs de weg tussen de beide plaatsen aan de Galilese zee ontdekken de leiders van de menigte een andere grote groep mensen bij een huis; ze gaan erheen en vragen wat er aan de hand is. En men zegt hen, dat Ik in het huis ben.

[16] Die mededeling maakt dat het huis meteen aan alle kanten omringd wordt, en de mensen overleggen onder elkaar, en men maakt aanstalten om Mij tot Koning uit te roepen. Maar dan bewijst de overste Mij een goede dienst en zendt uit Kapérnaum een heel legioen soldaten, dat de grote menigte alleen maar behoeft te bewaken. En men laat daarom het planvaren.

[17] Door al die drukte aangelokt komen er echter ook een aantal Farizeeën en schriftgeleerden, deels uit Jeruzalem maar op dit ogenblik in Kapérnaum verblijf houdend, en deels ook uit Nazareth en uit de omgeving, tesamen met de priesters en schriftgeleerden uit Kapérnaum, speciaal voor Mij naar dit huis. Ze hebben van Jaïrus gehoord hoe Ik zijn dochtertje, waarvan boven alle twijfel verheven vast stond dat ze dood was, weer levend gemaakt heb. Het volk maakt ruimte voor hen, zodat ze bij Mij in het huis kunnen komen.

[18] En als ze Mij in het huis aantreffen, vuren ze direkt een groot aantal vragen op Mij af. Ik verwijs hen echter allemaal naar Mijn leerlingen en zeg: 'Dit zijn Mijn getuigen; zij weten overal van, stel uw vragen maar aan hen!'

[19] En de Farizeeën en schriftgeleerden bestormden nu de leerlingen, en de leerlingen gaven hen zeer goed passende antwoorden.

 

 

116 Bethabara. Genezing van de jichtlijder

 

[1] Tijdens de gesprekken van de Farizeeën en schriftgeleerden met leerlingen, brengen een man of acht een aan jicht lijdende man op een bed, om hem door Mij te laten helpen! Het huis was echter dermate omringd door mensen, dat het voor die acht mannen niet mogelijk was om de zieke in het huis bij Mij te brengen. Ze waren echter bang dat Ik al gauw zou vertrekken en, omdat het huis aan de zee lag, aan de zeezijde door een kleine uitgangsdeur naar zee zou gaan en ergens heen  zou varen. Een van hen ging naar de eigenaar van het huis die hij kende, en zei: 'Vriend, mijn broers en ik hebben met z'n achten de broer van onze moeder, die door aanhoudende jichtaanvallen al acht volle jaren het bed niet meer heeft kunnen verlaten, met bed en al hierheen gebracht om hem op deze manier persoonlijk bij de beroemde wonderheiland te brengen, die zich in jouw huis bevindt en hem zeker kan genezen. Het is echter door die enorme volksoploop totaalonmogelijk hem in het huis voor Jezus te brengen. Vriend, kun jij ons alsjeblieft raad geven, wat  we nu doen moeten!'

[2] De eigenaar zegt: 'Dat zal werkelijk wat lastig gaan; want de kamer waarin Jezus Zich bevindt, is stampvol mensen! Er zijn daar meer dan honderd leerlingen, met daarbij een grote groep Farizeeën, priesters en schriftgeleerden uit alle plaatsen en omstreken, en die overleggen daar. Maar ik zal vanwege onze oude en goede vriendschap, bij deze buiten­gewone gelegenheid toch wat voor jullie doen!

[3] Luister, mijn huis is net als de meeste vissershuizen gedekt met riet! We zetten buiten twee ladders tegen het dak, en schuiven vlug zoveel riet opzij, dat je de zieke met bed en al door het gemaakte gat kunt schuiven! Als hij dan op de zolder is beland, bind je sterke touwen aan de vier hoeken van het bed; er ligt genoeg touw op zolder. Ik doe vervolgens het valluik open in het midden van de zolder, en we laten de zieke aan de touwen met bed en al naar beneden in de kamer zakken, en dan kan hij zelf aan Jezus vragen, of Hij hem gezond wil maken. Degenen, die  onder de opening in de kamer staan, zullen wel ruimte maken, als ze tenminste het ziekbed niet op hun hoofden willen laten rusten!'

[4] Dat is een kolfje naar de hand van die ene van de acht, en het werk wordt direkt uitgevoerd, terwijl het publiek geamuseerd en verwonderd toekijkt; en de hele onderneming verloopt gesmeerd en zonder één enkele storing. Maar een echt domme, ultramontane tempelpriester en letter­knecht van de woorden der wet, maakte de gewetensvolle opmerking tegen degenen die het dak openlegden, of ze er wel erg in hadden dat het nu midden op de sabbat was!

[5] Eén van de acht zei: 'Ei, waarover praat jij hier, oude tempelos?! Houd je tandeloze bek dicht en kruip naar Jeruzalem in Salomo’s ossen –­ ezel -,­ kalver­ - en schaapsstal en blèr daar tesamen met deze gebruikelijke vulling van het godshuis je liederen van Jeremia! Wij hebben jullie tegenwoordige, beestachtige godsdienst al lang afgezworen en weten, dat God meer welgevallen heeft aan goede werken, dan aan het gebrul van jullie ossen en ezels!'

[6] De krachtige taal van die éne van de acht tegen de man van de tempel, bracht de strenge sabbathouder des te sneller en zekerder tot zwijgen, toen dit luide weerwoord een daverende bijval kreeg van de hele grote volksmenigte. Want de meeste Galileeërs gaven al lang niets meer om wat men daar in de tempel uitspookte.

[7] De nog jonge man had dan ook in. weinig woorden de volle waarheid op een ietwat overdreven grappige manier Uit de doeken gedaan en daarom kreeg hij zoveel bijval. Want men bracht bij grote feesten een massa rundvee, ezels en schapen in de tempel, alleen maar omdat deze dieren het hardste kunnen blèren en blaten, en men gaf ze dan eerst ook nog een paar dagen lang geen voer, opdat ze dan tijdens het offeren in de tempel zo'n ontzettend lawaai zouden maken, dat de mensen daardoor zouden sidderen en beven.

[8] Werkelijk, de eredienst in de tempel was, speciaal op de grote feestdagen, zo iets afgrijselijk doms en smerigs, dat men iets dergelijks ergens anders op de hele aarde niet vond, ook bij de ongeciviliseerdste volken niet; en zodoende had de jonge man een heel waar weerwoord aan de man uit de tempel gegeven, en dat antwoord was ook erg naar Mijn zin, omdat het Mij heel goed bekend was dat het gebeurde en hoe het gebeurde.

[9] Spoedig na dit voorval wordt het valluik van de kamer - of liever gezegd de zolder - geopend. Een gewichtig doende Farizeeër roept vragend naar boven: 'Wat is er aan de hand daar boven, wat gebeurt daar?!'

[10] Dan zegt de bijdehante spreker van daarnet: 'Heb maar even geduld, u zult het zo dadelijk zien! Kijk, het is vandaag sabbat; op deze dag komt meestal, zoals u het in de synagogen en scholen leert, het heil van boven! Dit keer is het heil van de mensen reeds beneden, en daarom komt er nu iemand, die nog geen heil heeft, van boven naar u daar beneden om daar zijn heil te zoeken. Er gebeurt hier dus niets dat strijdig is met de sabbat; want het is toch wel hetzelfde of op de sabbat het heil van boven naar beneden komt, of dat iemand het heil beneden zoekt, omdat het al vóór hem uit de hemel naar beneden kwam bij de blinde mensen, die het niet kunnen zien ook al stoten ze hun neuzen ertegen!'

[11] Deze toespraak veroorzaakt weer grote bijval bij de leerlingen, maar daarentegen ergernis bij de Farizeeën, priesters en schriftgeleerden; maar de leerlingen roepen luid: 'Vooruit, naar beneden met de ongelukkige van boven die hier beneden het heil zoekt!' En meteen wordt de zieke naar beneden gelaten.

[12] Toen deze op het bed voor Mij lag, smeekte hij Mij onder tranen of Ik hem wilde helpen! Ik zei tegen de zieke, omdat Ik zag, dat hij en degenen die hem op deze manier bij Mij gebracht hadden, een echt en waar geloof hadden: 'Wees getroost, Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven!' Dat zei Ik echter alleen maar daarom eerst, om de Mij reeds welgezinde schriftgeleerden op de proef te stellen; want ze waren Mijn vrienden geworden door de opwekking van de dochter van Jaïrus, die hun overste was.

[13] Toen Ik echter tegen de zieke zei: 'Je zonden zijn je vergeven (Matth.9:2), stak bij enige wantrouwende schriftgeleerden meteen  ergernis de kop op, en ze zeiden in hun harten: 'Wat is dat nu, wat horen wij? Is hij wel een echte heiland? Hij lastert God!.’ (Matth. 9:3) Want ze hielden Mij alleen maar voor een bijzonder soort dokter; want dat er in Mij een goddelijke kracht zou wonen. vonden ze een godslastering. Want de kracht van God bevond zich alleen maar in de priesters. Levieten,  Farizeeën en schriftgeleerden, en dan nog alleen maar in de tempel in Jeruzalem!"

[14] Omdat Ik natuurlijk hun geheimste gedachten kende, richtte Ik  meteen het woord tot hen en zei: 'Waarom denkt u zulke slechte dingen  in uw hart?! (Matth.9:4) Wat is nu makkelijker te zeggen. 'Je zonden zijn je vergeven! (wat u toch altijd zegt, en nog wel speciaal tegen die mensen. die met kostbare offers bij u komen, terwijl in feite daardoor niemand geholpen wordt) of 'Sta op en wandel!, waarna dat meteen gebeurt!' (Matth. 9:5)       

[15] Een schriftgeleerde antwoordt daarop: 'Het lijkt me toe dat u deze mens, behalve dan met het vergeven der zonde, ook verder niet zult kunnen helpen! Want als de jicht je eenmaal zo heeft toegetakeld, dan helpt alleen de dood nog maar!'

[16] Ik zeg: 'Denkt u er zo over?! U matigt zich aan dat u alleen de zonden vergevende kracht zoudt bezitten, en u zegt daarbij dat hij alleen maar door de dood te genezen is. Ik zeg u echter: Opdat u zien en weten kunt dat de Zoon des mensen op aarde óók de macht heeft om de zonden te vergeven, zeg Ik nu in uw bijzijn tegen deze zieke: 'Sta op, neem je bed en ga volledig gezond en getroost naar huis! (Matth. 9:6)

[17] Na deze woorden strekte de zieke. opeens geheel gezond. zijn voorheen allerellendigst verdraaide en ten dele reeds verdroogde ledematen uit en in datzelfde ogenblik kwam ook al het vlees weer terug. Hij bedankte Mij snikkend van overgrote vreugde. stond van zijn bed op en was meteen weer zo sterk en krachtig. dat hij dadelijk de touwen van het bed losmaakte. vervolgens het bed onder zijn linker arm nam, zich met het tamelijk zware en omvangrijke bed met gemak door het grote gedrang een weg baande en het zelf tot Kapérnaum naar huis droeg! (Matth.9:7)

[18] De hele menigte die hier aanwezig was en deze daad gezien had. begon luid God te loven en te prijzen dat Hij aan een mens deze macht gegeven had. die alleen God Zelf maar kon hebben en waardoor Hem alle dingen mogelijk zijn!

(Matth. 9:8)

[19] Deze daad sterkte de aanwezige Farizeeën en schriftgeleerden zodanig, dat ze hun slechte gedachten lieten varen en zeiden: 'Dat is werkelijk; alles overtreffend! Hoe u dat doet. dat kan werkelijk alleen God maar, weten en anders niemand op de hele aarde!.

 

 

117 Toespraak van de jonge Romein

 

[1] En de jonge man. die even tevoren zo goed had gesproken. zei .door het zolderluik: 'Zou de hogepriester In Jeruzalem dat soms ook met duizend ossen, tienduizend ezels en honderdduizend schapen tot stand kunnen brengen?

[2] Deze komische vraag was aanleiding tot veel gelach. zelfs bij de Farizeeën. Maar toch reageerde er een van de schriftgeleerden; hij zei tegen de jolige spreker boven In het zolderluik: Mijn beste, waag met te veel! Want de armen van de hogepriester omspannen de gehele aarde. en wie daaronder terecht komt, wordt vermorzeld! De hogepriester hóeft helemaal geen doden op te wekken en jichtlijders gezond te maken; want dat heeft alleen maar met het vlees te maken en niet met de geest van de mensen, en dat is een zaak voor doktoren en niet voor priesters. Begrijp je dat?

[3] De spreker zei: 'Vriend, als ze zoiets konden doen, dan was het óók een zaak voor priesters; maar omdat ze juist dat voor alle schatten der aarde niet tot stand kunnen brengen. zijn ze wel verplicht dat met een trots gezicht toe te geven en te zeggen: 'Het ligt niet op de weg van de priesters, die alleen maar voor de geest van de..mens moeten zorgen!

Ik vind het echter toch ook een geweldig geestelijke verzorging als een dokter aan een dood meisje de geest en de ziel teruggeeft. .Vooral als zij volkomen dood is en voor onze ogen aan een kwade koorts is gestorven - dus aan iets kwaads waaraan nog nooit iemand half gestorven is! ­

[4] Toen God Adam uit leem schiep, was deze schepping slechts iets stoffelijks, en buiten God Zelf was daarbij niets geestelijks.                                                                .

[5] Toen God daarna in de dode vorm een levende ziel en daarin een denkende geest inademde, was dat geen stoffelijk, maar een zuiver geestelijk werk van God in en aan de vorm van de eerste mens van de aarde. En toen deze wonderdokter Jezus uit Nazareth, hier waar wij allemaal bij waren, datzelfde deed bij het dochtertje van de overste, was dat n.aar ik aan mag nemen toch ook wel een zuiver geestelijk werk en een geestelijke verzorging?!”

[6] De schriftgeleerde zegt: 'Dat is een onderwerp waar jij geen verstand van hebt. houd dus maar liever je mond!.”

[7] De jonge man zegt: 'Als ik nog Jood zou zijn, dan zou Ik mijn mond wel houden, maar sinds ik niet meer een Jood, maar een Griek ben, en aanhanger van de heerlijke leer van Socrates, zie ik niet in waarom ik voor de Jodenpriesters mijn mond zou houden; ik ken hun hedendaagse. ontzettend domme leer jammer genoeg maar al te goed. .

[8] De schriftgeleerde zegt: 'En wat vind jij als heiden dan zo dom aan de oude. goddelijke leer van de Joden? Zijn Mozes en de profeten voor jou soms allemaal te weinig verheven en vind je hun leer dom?!'

[9] De jonge man zegt: 'Nee. Mozes en al de profeten, die van jullie hetzelfde zeiden wat ik nu van jullie zeg, zijn voor mij zeer verheven en goddelijk wijs! Maar jullie voorschriften, waarvan Mozes net als iedere andere profeet nooit ook maar zelfs gedroomd heeft, die vind ik buitengewoon dom!’

[10] Hoe dienen jullie God?! Mest, vuil en viezigheid verbranden jullie op het aan God gewijde altaar, en de vette ossen, kalveren en rammen eet je zelf op, en je offert ze aan jullie buiken die nooit gevuld raken. Het zuiver goddelijke van je leer heb je verworpen, en wie van jullie het nu. waagt om het zuivere te Ieren, die behandel je zoals je tot nog  toe al je profeten behandeld hebt!

[11] Hoe lang is het geleden dat jullie Zacharias in de tempel vermoord hebben?

[12] Zijn zoon Johannes predikte te Bethabara de waarheid en riep jullie gewetenloze misdadigers in het heiligdom van God op tot boetedoening  en tot terugkeer naar Mozes en diens zuivere leer; en wat deed je met hem?! Waar kwam hij terecht?! Hij verdween; -zover ik weet is hij 's nachts door boosaardige beulsknechten opgepakt!

[13] En nu is hier in Nazareth, Jezus als profeet door God geroepen en doet dingen die alleen aan de almachtige goden mogelijk zijn, en jullie beloeren hem met argusogen! Wee hem, als hij het zou wagen om net als ik, zich ook maar één woord te laten ontvallen tegen jullie en die door jullie zelf en niet door Mozes gemaakte smerige leer! Jullie zouden hem meteen van de ergste misdaad, namelijk godslastering, beschuldigen en hem uit dankbaarheid dat hij jullie doden opwekte en jullie kreupelen recht maakte, stenigen of zelfs aan het kruis binden!

[14] Want jullie bezigheid bestaat uit heersen, en tegelijkertijd zo plezierig mogelijk leven en je buik vet mesten! Wie je daarin beperken wil en je terug wil brengen tot Mozes, die is je vijand, en je hebt middelen genoeg om hem uit de weg te ruimen!

[15] Ik veracht jullie allemaal als een bedorven stinkend kreng, omdat jullie wezenlijk de grootste vijanden van God en al Zijn mensen zijn en steeds zullen blijven! Ik ben een heiden -en zelfs ik herken hier in de man Jezus de zuivere kracht van God, en wel in zo'n hoge mate als de hele aarde tot nu toe nog nooit beleefd heeft!

[16] Niet zijn lichaam doet zulke nooit gehoorde daden, maar zijn almachtige, zuiver goddelijke geest, die hem volledig vervult!

[17] Kijk, dat besef ik, die door jullie een blinde heiden genoemd wordt! Wat denken jullie dan van Jezus, die slechts door één woord, zonder welke medicijn dan ook, jullie doden opwekt en onze kreupelen Iaat huppelen als jonge herten?!

[18] Ik vraag jullie, zo blind als je bent: Wie moet degene dan wel zijn, die slechts één simpel woord behoeft te zeggen, en storm en wind gaan liggen, de doden staan op en de lammen beginnen te springen als herten?!'

[19] Door deze rake en moedige toespraak waren de Farizeeën en schriftgeleerden allemaal zo kwaad geworden, dat ze de jonge man van woede en razernij verscheurd zouden hebben, als ze hem op een gemak­kelijke manier te pakken hadden kunnen krijgen. Maar dat was in het bijzijn van het vele volk niet mogelijk en ook niet aan te raden; want iedereen juichte voor deze Jonge man, die de moed had om nu eindelijk eens de hoogdravende Farizeeën en schriftgeleerden goed grof in hun gezicht de volle waarheid te zeggen!

 

 

118 Onthullingen over de tempel

 

[I] Een van de Farizeeën wendde zich echter tot Mij en zei: 'Hoe kunt u als echte Jood zwijgen wanneer zo'n ellendige heiden, voor wie u goed bent geweest, de brutaliteit heeft om hier de heilige leer van onze vaderen zo schandelijk te bespotten?!'

[2] Ik zeg: 'Hij bespotte noch Mozes noch de profeten, maar alleen u en uw nieuwe voorschriften, en Mij liet hij ongemoeid; waarom moet Ik hem dan een terechtwijzing geven?! Hij had het over u en heeft derhalve alleen maar u wat misdaan; daarom is het nu dus slechts uw zaak om met hem in het reine te komen! Als hij niets tegen Mij heeft, wat zal Ik dan tegen hem hebben?! Vereffen zelf die zaak maar met hem! Tussen Mij en hem is tot nu toe alles volkomen in orde.'

[3] De Farizeeën en schriftgeleerden zeggen: 'Ja, ja, u heeft hij heus niet beschimpt, maar ons wel. Wij zien u nu toch als onze vriend en omdat wij maar al te goed weten hoeveel kracht uw woord en wil bezit, had u als vriend van ons, al was het maar vanwege het volk, wel een paar woorden kunnen zeggen zodat hij zijn mond zou hebben gehouden! Maar u liet hem praten en ons voor schut staan tegenover het volk; en dat was helemaal niet aardig van u! We zullen u er weliswaar niet om haten, maar we kunnen er u ook niet dankbaar voor zijn!'

[4] Ik zeg: 'Wees wat u wilt, en Ik zal ook zijn wat Mij goed dunkt! Overigens is het heel vreemd van u, dat u Mij nu uw vriendschap ontzegt, terwijl u Mij in de aard van de zaak nog nooit vriendschap bewezen hebt! Maar Ik ontzeg u Mijn vriendschap niet, hoewel Ik daar eigenlijk het volste recht toe zou hebben, gezien de weinig lofwaardige gedachten die u daarnet over Mij in uw hart koesterde!

[5] Wat verlies Ik dan aan uw vriendschap? Ik zeg u: Helemaal mets! Maar als u Mijn vriendschap moet missen, wie zal dan in Mijn plaats uw dode kinderen weer levend maken?!

[6] Als u echter nadenkt over de toespraak van de jonge man, dan moet u als u een beetje verstand hebt, bij uzelf toch eerlijk erkennen dat de man in de volle zin van het woord de waarheid heeft gesproken. U kent de schrift en u kent Mozes en de profeten! Vraagt u zich nu wel eens af, of er in de tempel nog maar een spoor van Mozes en al de andere profeten te vinden is!?

[7] Ik was dit jaar toch Zelf in Jeruzalem en heb tot Mijn grote ergernis gezien, hoe het bedehuis van God veranderd is in een volkomen moor­denaarshol!

[8] De voorhoven staan vol met verkoopbaar slachtvee en ook andere onreine dieren, zodat de mensen niet zonder het grootste levensgevaar in de eigenlijke tempel kunnen komen. In de voortempel wordt aan de  ene kant geslacht alsof het een slachthuis is, en het vlees wordt er verkocht; de andere kant staan de tafels van de makelaars en wisselaars en daar is het zo'n lawaai en geschreeuw dat vrijwel niemand zichzelf kan verstaan.

[9] Komt men in de eigenlijke hoofdtempel, dan kan men zich niet verroeren vanwege de duivenverkopers en de andere schreeuwers die allerlei  vogels te koop aanbieden! En in het allerheiligste, waarin volgens het voorschrift van God éénmaal per jaar slechts de overste van de priesters mocht komen, wordt nu tegen betaling, wat men ook nog een offer noemt, zelfs iedere heiden rondgeleid; natuurlijk wel in het geheim onder het zegel der zwijgzaamheid tegenover de Joden! Maar in Rome kent men het allerheiligste even goed als de hogepriester in Jeruzalem! En zo onthult men voor geld alle geheimen van de tempel aan de vreemden; als echter een arme Jood het zou wagen achter de voorhang te komen, dan wordt hij meteen als een godslasteraar en tempelschenner achter de tempelmuur op de vervloekte plaats gestenigd. En er gaat geen week voorbij, waarin er niet minstens één gestenigd wordt en een aantal anderen het vervloekte water moet drinken!

[10] Wat is dat voor een mentaliteit, dat men vreemdelingen inwijdt, maar eigen mensen doodt?!

[11] Erken voor u zelf, of Mozes en al de profeten dit geboden hebben. en of Salomo in zijn grote wijsheid, toen hij de tempel voltooid had het grote bedehuis voor dat doel inwijdde waarvoor het nu gebruikt wordt! Kortom, het bedehuis van God is een verschrikkelijk moordenaarshol geworden, en de geest van Jehova is niet meer als een vuurzuil aanwezig boven de oude ark des verbonds!'

[12] Nu worden de Farizeeën en schriftgeleerden argwanend en zeggen tegen Mij: “U was toch steeds in Nazareth, hoe weet u dit dan allemaal? Wie heeft die dingen over de tempel aan u verraden?'

[13] Ik zeg: 'O, wat stelt u toch een onnozele vragen! Als Ik uw geheimste gedachten ken, dan weet Ik toch ook wat er in de tempel aan de hand is en wat er gebeurt! Maar Ik ben heus de enige niet die dat weet, iedereen is daarvan op de hoogte!

[14] U bent zelf de eigenlijke verraders, en uw grote geldhonger heeft u daartoe verleid! U wijdde voor geld de vreemden in in de tempelgeheimen, en die hebben dat daarna luidkeels in de straten aan de Joden bekend gemaakt; en u vraagt Mij, wie de tempel aan Mij verraden zou hebben!

[15] Maar Ik neem aan dat u net zo goed als Ik en vele duizenden anderen weet, hoe de zaken in de tempel er nu voor staan, en ook dat u weet. wat Mozes en de profeten allen geleerd hebben. Zij waren het waarachtigst vervuld met de zuivere en ware geest van God, - en alleen deze geest sprak door hun mond! Hoe is het dan gesteld met uw geloof in God. nu u zo goedkoop Gods woord verwerpt en met brutale en hoogmoedige verwaandheid uw eigen slechte voorschriften aan het arme volk verkondigt als ingevingen van Gods geest?! Daarbij spoort u hen met alle ver­schrikkingen van de dood aan om uw voorschriften te volgen en te aanbidden!'

 

 

119  Het voorbeeld van de reis naar Rome

 

[1] Een schriftgeleerde zegt: 'Vriend, u waagt wel veel als u zaken aan ons verklapt, op het verraden waarvan de tempel de doodstraf heeft gezet! Het is echter uw geluk dat u onze overste zo'n grote gunst bewezen hebt, anders zou het niet zo goed met u aflopen; want wij zijn met een dure eed aan de tempel gebonden!'

[2] Ik zeg: 'Die u breken kunt, wanneer u maar wilt, want u heeft die eed niet aan God gezworen, maar aan de tempel die door mensenhanden is gemaakt en waarin God niet meer woont!

[3] Waar God echter niet woont, daar woont de oude vorst van de leugen en van al het kwade, en een eed aan deze vorst en huidige heer van de tempel kunt u onbevreesd breken!

[4] Als u uw waardeloze eed aan de tempel zoudt breken, dan zou God de Heer een welgevallen aan u hebben, en Hij zou u geven wat Hij reeds van het begin der wereld aan Mij heeft gegeven, en wat maakt dat u nu ongelovig kijkt en niet begrijpt hoe Ik dingen doe, die volgens uw eigen bewering alleen God maar kan doen! Als u echter voor de tempel banger bent dan voor God, die u niet kent, dan blijft u gebonden aan de tempel en bent u voor God een gruwel!

[5] Mocht Mijn eenvoudig woordgebruik echter een struikelblok voor u zijn, waardoor u Mij niet gelooft, geloof Mij dan vanwege de werken die Ik ten behoeve van u in uw bijzijn doe, en waarvan u zelf zegt, dat ze alleen maar aan God mogelijk zijn!'

[6] De schriftgeleerde zegt: 'Hoe is het nu mogelijk dat u God beter zoudt kennen dan wij, u heeft de schrift toch niet bestudeerd?!'

[7] Ik zeg: “U kent wel de dode letters; maar daarin is God niet, en daarom kunt u God ook niet uit de schrift kennen! De schrift toont u alleen de weg naar God, en dat alleen maar als u die weg gaat zonder daar van af te wijken.

[8] Wat heeft u eraan als u de weg naar Rome kent, maar er nooit gebruik van maakt om naar Rome te gaan en daar de grote stad van de koning te zien?! Welke kenner van de weg naar Rome kan zeggen, dat hij Rome kent omdat hij de weg daarheen kent, terwijl hij nog nooit één stap op die weg heeft gezet?! En wat voor nut heeft u dan van de kennis van de schrift, de weg naar God, als u nog nooit één stap daarop hebt gezet!

[9] Ik ken net als u de hele schrift, maar Ik heb altijd naar de daarin gegeven wetten van God gehandeld; daarom ken Ik God volkomen en kan Ik u dan ook uit de oorspronkelijke bron meedelen, dat er nog nooit  iemand van u en van uw soort God heeft gekend en op uw slechte wegen ook nooit zult leren kennen, want u bent allemaal godloochenaars!

[10] Zelf wilt u God niet kennen; degenen echter, die nog op de goede  weg zouden willen gaan, verspert u de weg met dood en verderf! Daarom zult u eens in het andere leven ook des te meer verdoemenis ondervinden!"Want allen, die u vervolgd hebt en nu nog steeds blijft vervolgen, zullen uw eeuwige rechters zijn!'

[11] Nadat Ik dat aan de, Farizeeën en schriftgeleerde verkondigd heb, klinkt uit het volk een machtig bijvalsgeroep, en men wil de Farizeeën en schriftgeleerden molesteren. Dat verhinder Ik echter en Ik ga met de leerlingen en al de Farizeeën en schriftgeleerden door het kleine zeepoortje  naar buiten aan de zee. En omdat hier al verscheidene schepen klaar liggen, scheept men zich meteen in, en we varen met een matige, goede wind snel van de oever weg, opdat de grote volksmenigte ons niet bereiken kan.

 

 

120  Aan de zee. Matthéus de tollenaar

 

[1] Toen we een punt bereikt hadden waar het volk ons niet meer kon r zien, liet Ik weer naar de kust varen; want het was al bijna middag en  we hadden in het schip niets te eten. We kwamen ongeveer twee uur  gaans van het vorige huis weer aan land, en moesten toen nog een behoorlijk stuk terug lopen naar een klein dorp, waar we middagpauze wilden houden.

[2] Maar voor het dorp bevond zich een regionaal tolhuis. En wie zagen we daar bij de slagboom aan de toltafel zitten: de jonge man (hij was pas vijf en dertig, wat bij de Joden nog jong was), die in het vorige: huis als één van de acht broers, die de jichtlijder hadden weggebracht, zo'n wijze toespraak hield.

[3] Toen de Farizeeën en schriftgeleerden hem zagen, zeiden ze: 'Dat  is niet zo best! Hij is zowaar een Romeins tollenaar! Die zal nu wel een schrikbarende tol van ons eisen! Wat moeten we nu doen?'

[ 4] Ik zeg: 'Maak je maar geen zorgen, want dat is niet nodig! Ik regel dat wel.’

[5] Met deze woorden loop Ik op de tollenaar af en zeg tegen hem: 'Matthéus (zo heette hij), laat iemand anders aan deze tafel gaan zitten. en volg jij Mij!' En meteen stond hij op, gaf de tafel aan een ander en volgde Mij zonder enig commentaar. (Matth. 9:9) En toen de voor de slagboom staande leerlingen en Farizeeën en schriftgeleerden vroegen. wat ze betalen moesten, -

[6] Zei Matthéus: 'Ditmaal heeft de Heer voor jullie allen de tol voldaan, want Hij heeft mijn oom gezond gemaakt. Hoe zou ik nu van Hem. de goddelijke meester, tol kunnen verlangen?!'

[7] De slagboom ging omhoog, en ze gingen allemaal kosteloos erdoor.

[8] In het dorp gekomen bracht Matthéus ons naar zijn huis, waarin alle tollenaren die bij deze belangrijke tol werkten en een aantal opzieners en andere 'zondaars' -volgens het oordeel van de Joden, Farizeeën en schriftgeleerden - aan het middagmaal zaten. Het huis van Matthéus was groot en het was tevens een herberg, waarin de Joden moesten betalen om iets te eten en te drinken te krijgen, terwijl de tollenaars, opzieners en 'zondaren' niet behoefden te betalen, omdat ze in dienst waren van het huis, dat de tol van de Romeinen in pacht had.

[9] Ik werd meteen door alle tollenaars aan tafel uitgenodigd, en buiten kregen Mijn leerlingen en ook de Farizeeën en schriftgeleerden voldoende brood en wijn, waarover de leerlingen best te spreken waren.(Matth. 9:10) De Farizeeën en schriftgeleerden echter niet, want ze waren beledigd omdat zij niet, net als Ik, aan tafel genodigd waren.

[10] Terwijl Ik dus al met een groep tollenaren en zondaren aan tafel zat, arriveerden er nog een aantal tollenaren en zondaren, die uit andere plaatsen afkomstig waren; want het huis van Matthéus stond in de verre omtrek bekend als zeer welgesteld en gastvrij, en vooral op de sabbat hield men daar grote bijeenkomsten. Ze groetten Mij allen erg vriendelijk en zeiden, dat dit huis geen grotere eer te beurt kon vallen dan dat Ik daar te gast was. En ze vergrootten de tafel en kwamen allen aan Mijn tafel zitten.

[11] De Farizeeën en schriftgeleerden verdrongen zich intussen voor de grote poort van het huis, om te kunnen zien wat Ik deed en sprak. Toen ze zagen, dat Ik zeer vriendelijk met de tollenaren en zondaren omging, ergerden ze zich inwendig behoorlijk en vroegen aan Mijn leerlingen, die buiten bij hen waren: 'Waarom eet jullie meester eigenlijk met tollenaren en duidelijke zondaren? Hoort hij daar in 't geheim soms bij?' (Matth. 9: 11)

[12] Omdat Ik die vraag verstond, richtte Ik Mij vanaf de tafel tot hen daar buiten en zei kort en blijmoedig :'De sterken en gezonden hebben de dokter niet nodig, maar alleen de zieken! (Matth. 9:12) Ga echter heen en leer, wat dit betekent:

[13] 'Ik verheug Mij over de barmhartigheid en niet over het offer!'

[14] Want Ik ben gekomen om de zondaren tot boetedoening op te wekken -en niet voor de vromen, die de boetedoening niet nodig hebben!' (Matth. 9:13)

[15] De Farizeeën en schriftgeleerden legden deze woorden ten gunste van zichzelf uit en zeiden verder niets meer; want ze voelden zich daardoor gestreeld.

[16] Ik hield daarna het gezelschap bezig met allerlei gelijkenissen, waarin het menselijke leven in zijn zwakheid, en de uit deze zwakheden maar al te vaak voortkomende verworpenheid, op een heel duidelijk begrijpbare manier voorgesteld werd. Zo gaf Ik hen ook kernpunten voor het juiste opvoeden van kinderen en liet hen zien, hoe een slechte opvoeding op den duur alle mogelijke kwalen, zowel geestelijk als lichamelijk, ten gevolge moet hebben.

[17] Ook legde Ik het gezelschap uit, waarom God de mens schiep, en hoe de mens als een vrij wezen uit zichzelf in volle vrijheid datgene tot stand moet brengen, waarvoor God hem heeft geschapen, om daardoor een volmaakt onvergankelijk geestelijk wezen te worden.

 

 

121 Gesprek over Jozef, Maria en Jezus

 

[1] Hoewel niet ieder deze lessen begreep, is het is wel te begrijpen dat ze toch heel positief en dankbaar aanvaard werden. Zelfs de Farizeeën en schriftgeleerden verbaasden zich zeer over Mijn wijsheid, en vroegen zich af waar Ik die vandaan haalde. Want ze kenden Mij, Jozef en Maria en alle kinderen van Jozef, en daarom zeiden ze dan ook tegen de leerlingen: 'Het is werkelijk niet te begrijpen! Zijn vader stond bij zijn vakgenoten bekend als een bekwaam ambachtsman, een buitengewoon trouw, redelijk en eerlijk mens, daarbij ook een strenge Jood die heel gewetensvol rekening hield met Mozes en de profeten voor zover hij met deze bekend was. De een of andere bijzondere wijsheid was bij hem nooit waargenomen; en zijn andere vier eigen zonen, die herhaalde malen bij ons werkten, zijn van ieder spoort je wijsheid net zo ver verwijderd als zon, maan en sterren van de aarde.

[2] Goede moeder Maria, een nog steeds zeer lief, vlijtig en deugdzaam vrouwtje, waarvan beslist geen mens iets verkeerds kan vertellen, is weliswaar als jong meisje, als we tenminste goed ingelicht zijn, in de tempel opgevoed; maar deze opvoeding kennen wij en we weten maar al te goed hoeveel wijsheid daar speciaal voor meisjes bij te pas komt. En daarom kan hij van zijn moeder ook maar erg weinig wijsheid meegekregen hebben! En in de een of andere school was hij, zover wij weten, ook niet!'

[3] 'In tegendeel', zei een schriftgeleerde, een goede bekende van Jozef,  Jozef heeft mij meer dan eens zijn nood geklaagd over zijn zoon Jezus, en daarbij gezegd: 'Ik weet niet wat ik met deze jongen aan moet! Zijn geboorte moet zeer uitzonderlijk geweest zijn. Uit de verschijnselen, die daarmee schijnbaar zeer nauw verband hielden, had men kunnen opmaken dat het goddelijke wezen Zelf Zich door dit kind op aarde moest manifesteren. Ook verscheidene, beslist buitengewone verschijnselen als­mede zijn vaak heel wijze gezegdes uit zijn vroegste kindsheid spraken daar maar al te duidelijk voor. Dit alles heeft mij met de grootste verwachtingen vervuld en dat des te meer, omdat ik in rechte lijn van David afstam. Maar juist nu het tijd wordt dat de jongen wat moet gaan leren, is er met hem niets te beginnen. Als ik hem naar een onderwijzer laat gaan, dan kan deze niets van hem gedaan krijgen; de jongen weet en begrijpt alles beter, en als de onderwijzer hem streng wil aanpakken, dan is het helemaal uit!

[4] Wat hij nog uit zijn vroegste jeugd heeft overgehouden, is een onbegrijpelijke, onbuigzame wilskracht waarmee hij, als hij dat nodig vindt, onmiskenbare wonderen doet; en die eigenschap maakt nu juist dat er met hem wat het leren betreft, niets aan te vangen is. Overigens is hij vroom, gewillig, gehoorzaam en zeer beschaafd, hoffelijk,.. zacht en bescheiden, net als zijn moeder; alleen met het leren moet je bij hem niet aankomen!'

[5] Wel, daarover heeft de oude Jozef bij mij niet eenmaal, maar meermalen geklaagd, en daarom is het wel heel zeker, dat hij behalve het timmermanshandwerk niets anders, ook geen lezen en nog minder schrijven, heeft geleerd. De vraag, hoe hij dan aan die wijsheid gekomen is, is dus heel begrijpelijk'.

[6] Johannes, de evangelist, zegt: 'Vrienden, ik weet precies hoe het zit, en ben er geheel mee op de hoogte, maar het ogenblik is nog lang niet gekomen om jullie dat te vertellen. Er komt beslist een moment, waarop u het van Hem Zelf zult horen! Tot zo lang moeten Zijn daden en Zijn wijsheid voldoende voor u zijn'. De Farizeeën en schriftgeleerden drongen er wel bij Johannes op aan, dat hij hen toch. tenminste een paar aanwijzingen zou geven, maar Johannes liet zich niet overhalen. Toen gingen er verscheidene tolbeambten en de opzieners naar hun werk, omdat ze klaar waren met het middagmaal en er kwam ruimte aan de grote tafel.

 

 

122 De twijfel van Johannes de doper

 

[1] En de jonge huisheer Matthéus, de tollenaar ( die niet verward moet worden met de Matthéus die slechts schrijver was, -daarom staat In de Schrift het bijvoegsel 'tollenaar', als het over hem gaat), riep Mijn leerlingen, de Farizeeën en de schriftgeleerden binnen, en ze kwamen en zetten zich aan tafel en aten en dronken dat het een lieve lust was. Alleen Judas was dit keer erg matig, want hij was bang voor een hoge rekening, en van betalen was hij, zoals maar al te bekend, geen grote vriend.

[21 Tijdens dit prettige samenzijn, waarbij de Farizeeën en schriftgeleerden ook met de tollenaars en zogenaamde zondaars steeds beter overweg konden kwam een keukenmeisje naar­ de huisheer toe en zei: 'Wat moeten we doen? De vissers zijn nu pas gekomen, ze hebben vis gebracht en willen iets te eten en te drinken hebben, maar omdat we vandaag toevallig zoveel vreemde gasten hebben, die zo goed als onze hele voorraad opgegeten hebben, weten we in de keuken niet wat we moeten doen.

Matthéus, de tollenaar, vraagt: 'Hoeveel zijn het er?' Het meisje antwoordt: 'Het zijn er wel twintig,' Dan zegt Matthéus, de tollenaar: 'Laat ze maar binnenkomen, hier is nog genoeg voorraad!'

[3] Het meisje gaat terug en zegt dat tegen de vissers. Deze komen de gelagkamer binnen en gaan meteen aan een kleine tafel zitten die net vrijgekomen is.

[4] Als de vissers echter Petrus en een aantal van hun vroegere collega’s herkennen begroeten ze elkaar, waarbij de vissers meteen een beetje mokkend, omdat het er op hun tafel wat magerder uit ziet dan op de onze, tegen Petrus zeggen: 'Voor ons is het voldoende, want we zijn nog echte getrouwe leerlingen van Johannes en het is ons geboden te vasten. jullie kunnen echter, als nieuwe leerlingen van Jezus, naar hartelust eten zoals we zien; want van vasten schijnt bij jullie geen sprake meer te zijn!' (Matth. 9:14)

[5] Petrus zegt: ' Johannes vastte voor datgene wat wij hebben, en wij vastten met hem volgens zijn leer en strenge prediking. Johannes kondigde Degene aan, bij Wie wij zijn, en hij getuigde van Hem. Toen Deze echter kwam en zich zelfs door Johannes liet dopen, vertrouwde Johannes niet geheel en al op zijn gevoel, en dat deden jullie ook niet. Want terwijl Johannes onder invloed van de Geest over Jezus getuigde en, toen Deze naar hem toe kwam, tegen ons zei: 'Zie, Die daar komt, Die is het van Wie ik tegen jullie gezegd heb, dat Hij na mij zal komen, Die ik niet waardig ben de riemen van Zijn schoenen los te maken!', had hij toch nog zijn verborgen twijfels, net zoals jullie, en hij twijfelt tot op dit uur nog. Daarom vast hij nog steeds, en jullie vasten ook; bij ons gelovigen wordt echter niet meer gevast! Dat jullie nog vasten is jullie eigen schuld! En zo hoort het ook, want zoals de blinde zijn ogen niet kan laten genieten van het licht en haar kleuren, zo zal ook degene, die in zijn hart blind is, zijn hart en zijn maag niet kunnen verzadigen. Begrijp je dat?

[6] Als Johannes geloofd had, dan zou hij het Lam zijn gevolgd, Dat volgens het getuigenis van zijn geest de zonden der wereld wegneemt. Maar omdat zijn ziel zelf twijfelde aan Degene, Wiens Geest in haar en door haar getuigde, daarom bleef hij in de woestijn achter, tot Herodes hem gevangen nam, zoals wij hoorden.

[7] Waarom volgde hij Hem dan niet, terwijl hij toch tegen ons, door de geest gedreven, zei: 'Naar Hem moet je luisteren!?' Waarom wilde hij Hem dan niet horen?! Waarom volgde hij Hem niet dadelijk, terwijl hij daarvoor toch zijn hele leven zo hard voor zichzelf was terwille van Deze, Die gekomen is?! Het is ons niet bekend dat Deze, Die wij volgden, hem ooit verboden heeft Hem te volgen. Geef me daarom eens één deugdelijke reden, waarom Johannes Jezus niet meteen gevolgd is!'

[8] Nu kijken de leerlingen van Johannes raar op en weten niet, wat ze Petrus zullen antwoorden. Alleen merkte één van hen op, dat het bericht niet juist was, dat Johannes door Herodes gevangen genomen zou zijn; Herodes zou hem slechts in zijn residentie hebben ontboden, om daar alles van hem te weten te komen over de komende gezalfde van jehova. Herodes had te veel achting voor Johannes, dan dat hij hem op zou sluiten.

[9] Een beetje gekscherend zei Petrus daarop: ' Als dat nu nog niet gebeurd is, dan zal het toch zeker niet lang meer duren! Want Herodes is een sluwe vos, en hij is net zo weinig te vertrouwen als een slang.'

 

 

123 Het getuigenis van Johannes de doper

 

[1] Na het gesprek gaan de leerlingen van Johannes weer verder met eten, en wij doen hetzelfde. Alleen een paar Farizeeën vastten streng, en wilden tot aan het ondergaan van de zon niets eten; want zij konden hier bij de Grieken geen ongezuurd brood krijgen en daarom vastten zij, terwijl de meerderheid van de Farizeeën en schriftgeleerden het zich heel goed liet smaken.

[2] Een poosje later, toen de wijn de leerlingen van Johannes wat spraakzamer en moediger gemaakt had, ging er één van hen staan en wilde van Mij weten, waarom zij als leerlingen van Johannes zo veel en streng moesten vasten, en waarom Ik en Mijn leerlingen dat niet deden, en hij vroeg Mij: 'Heer en Meester! Waarom vasten wij en ook de Farizeeën nu zo veel, terwijl Uw leerlingen niet vasten?'

[3] En Ik zei tegen hem: 'Vriend, je was bij Johannes toen men hem het bericht van Mij overbracht dat Ik de mensen doopte, en dat velen Mij volgden! Zeg hier nu eens hardop: wat gaf Johannes voor antwoord?' De leerling van Johannes zegt: 'Toen sprak en antwoordde Johannes: 'Een mens kan niets nemen, tenzij het hem door de hemel gegeven wordt. jullie zijn mijn getuigen, dat ik gezegd heb dat ik de Christus niet ben, maar alleen vóór Hem uitgezonden. Wie de bruid heeft, die is de bruidegom; de vriend van de bruidegom hoort hem staande aan en verheugt zich over de stem van bruidegom! Die vreugde is nu de mijne! Hij moet groter worden, ik moet echter kleiner worden! Die van boven neerdaalt, is boven allen; wie van deze aarde is, is slechts van deze aarde en spreekt alleen maar over deze aarde. Alleen Hij, die van de hemel komt, is boven allen!'

[4] En Johannes hield daar even op en resumeerde wat hij allemaal had gezien, en hoe hij van Hem getuigd had, maar betreurde tenslotte diep zuchtend dat zijn getuigenis, dat zo waarheidsgetrouw was, door niemand aanvaard werd! Wie het echter toch zou aanvaarden, die raadde hij aan om vanwege de gevaren van de wereld de grote waarachtigheid van God verzegeld in zich te bewaren.

[5] Ook al weet hij dat Degene, Die ongetwijfeld alleen door God gestuurd is, slechts het zuivere woord van God spreekt, dan nog waagt hij het niet dat tegenover de wereld toe te geven, omdat hij de slechte wereld, die de vijandin van God is, méér dan God vreest vanwege zijn ellendige lichaam, dat bij de wereld hoort en van de wereld houdt! Wat heeft het echter voor nut, als je vervuld bent van God, maar het wereldse niet los kunt laten?! God geeft Zijn geest aan niemand op een wereldse manier, en daarom zijn diegenen verworpen, die Gods geest wel herkend hebben, maar aan het wereldse vastzitten en het eeuwige leven niet in zich hebben!

[6] 'Maar', gaat Johannes verder,'wie in de Zoon gelooft, is vervuld met het eeuwige leven; want de Zoon is het leven van de Vader! Wie echter niet in de Zoon gelooft, wordt niet vervuld van het eeuwige leven, en de oude toorn van God is zijn deel!'

[7] Kijk, dat heeft Johannes toen gezegd; maar tot op dit uur was er niemand van ons in staat om de betekenis van zijn woorden helemaal te begrijpen! We begrepen wel zoveel, dat hij U bedoeld heeft; maar hoe hadden wij de samenhang van dat alles ten volle kunnen overzien en begrijpen?!'

[8] Ik zeg: ' Als je dat nu van Johannes over Mij gehoord hebt, dan kun je toch weten dat Ik de bruidegom ben, die Johannes bedoeld heeft! Maar als Ik die bedoelde bruidegom ben, dan zijn al die mensen om Mij heen toch Mijn bruiloftsgasten?!'

[9] De leerling van Johannes zegt: 'Maar waar is dan de mooie hemelse bruid? Zonder bruid kunt U toch geen bruidegom zijn?'

[10] Ik zeg: 'Deze bruiloftsgasten van Mij zijn als geheel ook Mijn bruid. Want zij die Mijn woord horen, het in hun hart bewaren en daarnaar leven, zijn werkelijk Mijn bruid, zoals ze ook Mijn bruiloftsgasten zijn! En je kunt toch niet verwachten dat bruiloftsgasten bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is! Maar als de tijd daar is dat de bruidegom bij hen weggehaald wordt, dan zullen ze óók vasten! ' (Matth. 9: 15)

[11] Over dit antwoord zijn de leerlingen van Johannes erg verwonderd en ook een beetje boos; want ze dachten, omdat Ik dit tegen hen zei met een lichte glimlach op Mijn gezicht, dat Ik hatelijk deed. En die ene leerling van Johannes zei dan ook een beetje venijnig: 'Merkwaardig! Gods geest sprak door Johannes, en wij moeten aannemen dat deze geest zich door U in nog sterkere mate manifesteert, omdat Johannes over U getuigde! Maar het is vreemd, dat deze goddelijke geest door Mozes, alle profeten en tenslotte door Johannes steeds op dezelfde manier de ellendige aardse mensen opriep tot een heel boetvaardig leven, waaraan men zich streng moest houden. Terwijl U in Uw daden het algehele tegendeel daarvan schijnt te zijn en te leren! Volgens Mozes was iemand al zonder meer onrein, zodra hij het huis van een zondaar betrad, en moest zich dan reinigen; ook als iemand op de sabbat met een maagd omging of op een andere dag met een vrouw, die menstrueerde, moest hij zich laten reinigen, en zo waren er nog veel strengere voorschriften! U en Uw leerlingen schijnen echter in het geheel geen rekening te houden met de sabbat en ook niet met het rein houden van de persoon! Hoe kan die leer van U dan net zo goddelijk zijn als de leer van de profeten?!'

 

 

124 Gelijkenis van de nieuwe kleren en de nieuwe wijn

 

[I] Ik zeg: 'Mijn leer is als een nieuw gewaad; die van jullie is echter het oude, vol scheuren en beschadigingen, waardoor het je mogelijk was om, zowel nu als op de sabbat, ondanks Mozes en Johannes, zonder enig gewetensbezwaar vis te gaan vangen! Mijn leer is op zichzelf geheel nieuw, en je kunt er niet een stuk afhalen en daar je oude gescheurde gewaad mee oplappen. En gesteld dat je dat toch probeerde, dan zou je daardoor alleen nog maar grotere scheuren veroorzaken dan er al in zitten, want het nieuwe stuk scheurt van het oude, versletene af en maakt de schade groter. (Matth. 9:16)

[2] Ook kun je Mijn leer vergelijken met een nieuwe jonge wijn, die men niet in oude zakken doet, omdat deze scheuren zullen, waardoor de jonge wijn vermorst wordt; maar men doet de jonge wijn in nieuwe, stevige zakken, en op die manier blijven beiden behouden, de wijn en de zak. Begrijp je dat?' (Matth. 9:17)

[3] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Het klinkt wel goed, maar het is allemaal niet zo gemakkelijk te begrijpen wat U daarmee wilt zeggen; kunt U zich misschien daarom wat begrijpelijker uitdrukken!?'

[4] Ik zeg: 'Of Ik Mij nog begrijpelijker zou kunnen of willen uitdrukken?! Ja ja, Ik zou het wel kunnen, als Ik het wilde! Maar Ik wil hier niet begrijpelijker zijn en daarom zeg Ik daarover alleen nog maar dit, dat jullie oude gescheurde kleren en oude verweerde zakken zijn, die voor Mijn leer niet meer deugen! Mijn leer zou je je zoete aardse leven afnemen, dat toch jullie hoogste goed is, en voor de verbetering waarvan je alles doet. Waarvoor je zelfs op de sabbat zwaar werk verricht bij het vissen, alleen maar om in je aardse leven een beter en zorgelozer bestaan te hebben en zo mogelijk ook nog wat luxe erbij! De armen zie je echter niet, de zieken niet en de gebrekkigen ook niet, net zo min als de hongerigen en de dorstigen!

[5] Het is nu eenmaal zo, dat degene, die met een volle buik rondloopt, niet in het minst merkt, hoe de arme pijn heeft van de honger en hoe zijn maag brandt! Ook merken jullie, die goed gekleed zijn, geen koude als de winter komt; want je hebt heel veel middelen om de winter aangenamer voor je te maken dan de hete zomer. En als er een half naakte bevend van de kou bij je komt, en zijn nood klaagt en je vraagt om warme kleren, dan ergert je dat, en je geeft hem een nijdig antwoord en zegt: 'Ga weg, jij lui mens! Als je in de zomer gewerkt had, dan zou je in de winter geen nood lijden! Bovendien is het heus zo koud niet, een bedelaar moet niet zo week en kleinzerig zijn!'

[6] Maar de bedelaar zegt: 'Heer, ik heb de hele zomer en herfst gewerkt, maar het loon voor mijn zware werk was niet het duizendste deel van datgene, wat mijn meester uit mijn werk verkreeg; daarom kan mijn werkgever 's winters wel warm gekleed rondlopen, maar wij, zijn slecht betaalde arbeiders, die het geringe loon 's zomers al ruimschoots moesten opeten, lijden nu in de winter, -niet omdat we 's zomers niet gewerkt hebben, maar alleen omdat we te weinig loon kregen. De winst van de heren is de oorzaak van onze nood!'

[7] Kijk, dat is de taal van de bedelaars, buiten beschouwing gelaten dat het mogelijk is dat er zo hier en daar onder de vele bedelaars een paar zondaars zijn die hun armoede verdiend hebben!'

[8] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Aha, dat is overdreven! Want zo is het niet! Een trouwe en rechtschapen arbeider heeft nog nooit reden gehad om zich over zijn werkgever te beklagen! Wie werken wil, krijgt winter en zomer werk, verdienste en eten en kleding! Dat men de luilakken de deur wijst, dat vinden wij zoals het hoort'

[9] Ik zeg: ' Jullie wel, daar ben Ik heus wel van overtuigd! Maar Ik niet, dat zeg Ik jullie! En waarom niet, dat zul je direkt horen! - Vertel Mij eens: Wie heeft de zee en de vele goede vis daarin geschapen?'                                                                                                                      !

[10] De leerlingen van Johannes antwoorden: 'Nou, dat is toch geen vraag! Wie anders dan God alleen had dat gekund?!' - Ik zeg: 'Nu goed, vertel dan eens, of jullie van God een schriftelijk bewijs gekregen hebben, waarin staat dat alleen jullie het recht hebben die goede en dure vis uit de zee te vangen, voor veel geld te verkopen, dan de hele winst in je zakken te steken en nauwelijks een duizendste deel aan je ijverige knechten te  geven, die toch vaak met gevaar voor eigen leven alleen het zware werk hebben gedaan!'

[11] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Dat is alweer een belachelijk domme vraag! Waar op aarde is er Iemand te vinden, die een door God, gegeven eigendomsbewijs kan laten zien?! God heeft in zijn plaats het staatshoofd aangewezen, en deze schrijft in Gods plaats de eigendoms­bewijzen uit; en wie door de staat als bezitter is aangemerkt, die is dat ook wettelijk voor God. Bovendien moet iedere rechthebbende voor zijn duur gekochte recht ook nog ieder jaar allerlei tienden en andere belastingen aan de staat betalen en is daarom dubbel gerechtigd, de nodige winst te maken met zijn bezit!'

[12] Ik zeg: ' Ja, ja, zo is het inderdaad op aarde, maar dat heeft God niet ingesteld, maar de zelf­ en heerszuchtige mensen hebben dat gedaan! " Die hebben zulke wetten en zo'n regeling getroffen. Maar bij het begin der wereld was het niet zo, toen was heel lang de hele aarde het bezit van iedereen!

[13] Toen echter uit die mensen de kinderen van Kaïn een deel van de aarde in vast en erfelijk bezit hebben genomen en daarvoor wetten en een zelf­ en heerszuchtige orde hebben gemaakt, toen duurde het dan ook geen duizend jaar meer!

[14] God hield de komende zondvloed niet tegen, waardoor allen ver­dronken, op een paar na, die behouden werden. En zo zal het weer gaan!

[15] God is weliswaar zeer lankmoedig en heeft veel geduld, maar Hij zal jullie gedoe weldra moe worden; en let dan eens op wie na jullie de bezitter van de aarde wordt!

[16] Dat jullie echter zo redeneren, is wel een heel duidelijk bewijs, dat je geloof en je rechtsleer een oud gescheurd kledingstuk is, dat geen nieuwe lap verdragen kan, en het is ook net als een oude zak, waarin men geen jonge wijn meer kan doen! Want jullie zijn allen zonder uitzondering slechte en zelfzuchtige mensen! Begrijp je Mij nu?!' ­

 

 

125  Het vertrouwen van Matthéus de tollenaar

 

[I] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Doen wij er dan verkeerd aan, als wij leven volgens de leer van Johannes? Johannes was beslist een streng prediker, maar dat was zijn leer niet!

[2] Kijk nu eens naar de ons bekende orde van de Essenen, die is ook streng, en hun eerste gebod is eerlijkheid; maar wat hebben ze aan al hun eerlijkheid en al hun andere strenge regels?! Bij wie tellen ze mee?! Noch de Grieken, noch de Joden houden rekening met hen, alleen bij de Romeinen schijnen ze een paar aanhangers te hebben. Gesteld nu dat het een hele goede en zuivere leer is die zij volgen, dan is die toch alleen maar voor die paar mensen, die zich daarvoor uit de wereld teruggetrokken hebben, heel goed, maar voor de totale mensheid toch geheel onbruikbaar!

[3] Wat voor nut hebben alle mooie en ferme woorden voor de zaak van de algemene broedergeest?!

[4] Neem nou dit huis eens; het is een gastvrij huis en het heeft, in het licht van de goede zaak der broedergeest bezien, zijn weerga nog niet gevonden; maar kunt U nu van de gastheer redelijkerwijs verwachten, dat hij steeds klaar moet staan om alle mensen, die toch zonder meer onze broeders zijn, op te nemen en te verzorgen?! Ook al zou hij dat nog zo graag willen en ook al zou hij zich daartoe nog zo gedrongen voelen, dan zullen de middelen, zoals ruimte, voedsel en noem maar op, hem daartoe toch ontbreken.

[5] Stel dat een paar arme mensen niet meer bezitten dan een eigen gebouwd hutje en voor de winter een spaarzame voedselvoorraad, waarmee ze zelf slechts ternauwernood in leven zullen kunnen blijven totdat de aarde weer vrucht zal gaan geven. En er komen tien mensen naar hen toe, dus naar die twee die zelf nauwelijks ruimte genoeg hebben in hun hut, en deze tien vragen om binnen gelaten te worden, en om onderdak en voedsel. Zeg dan eens, kan welke leer dan ook deze twee opdragen, of zelfs maar adviseren of aanpraten, dat het goed en zegenrijk is om tegemoet te komen aan de wens van de tien aan de deur staande mensen, en zichzelf daardoor geheel en al te gronde te richten?!'

[6] Ik zeg: 'Iedere vogel zingt en tsjilpt zoals hij gebekt is, en zo zeggen jullie alleen maar datgene, wat je wereldse verstand je ingeeft, en je kunt niets anders zeggen, omdat je niets anders begrijpt! En dat is dan ook alles, wat Ik jullie daarop kan antwoorden. Want ook al zou Ik Jullie iets hogers en waarachtigs uit de hemel meedelen, dan zou je Mij toch niet begrijpen; want je harde hart begrijpt dat niet!

[7] Jullie dwazen! Wie laat dan de vruchten groeien en rijp worden op de aarde! Wie onderhoudt ze en geeft ze steeds hun kracht?! Geloof je dan dat God degene, die zichzelf wegcijfert en opoffert voor zijn behoeftige broeders, niets kan of wil vergelden? Of denk je dat God onrechtvaardig is en het onmogelijke van de mensen verlangt?!

[8] Ik vind, dat het voor iedereen heel goed mogelijk is, om een echte wil te hebben en de vurige wens te koesteren om een arme broeder te helpen!

[9] Als iedereen die instelling had, dan zou er op aarde geen enkel armelijk hutje meer zijn waar maar twee mensen konden wonen.

[10] Dit huis van Mijn vriend Matthéus heeft vandaag veel mensen gevoed en gaf zijn hele voorraad uit een waar, goed hart, en als je dat niet gelooft, ga dan maar kijken in de voorraadkamer en op de korenzolder en je zult er niets meer vinden! Hier staat trouwens de heer des huizes; vraag maar aan hem of Ik geen gelijk heb!'

[11] Matthéus bevestigt mijn uitspraak geheel en al en zegt: 'Heer, het is vandaag jammer genoeg weer zo ver, en ik weet niet, wat ik morgen de gasten zal voorzetten. Maar zo was het al vaker, en ik vertrouwde op God, -en heus, er kwam altijd weer voldoende, zodat ik de gasten alles kon geven wat ze nodig hadden!'

[12] 'Kijk', zeg Ik daarop, 'zo denkt en handelt een goed mens op deze wereld en hij beklaagt zich niet dat God hem ooit in de steek gelaten zou hebben! En zo is het ook altijd geweest en zal het eeuwig zijn!

[13] Wie op God vertrouwt, wordt ook door God vertrouwd en Hij verlaat hem niet en stelt hem nooit teleur! Maar degenen, die net als jullie, wél geloven dat God een God is, maar Hem niét volledig vertrouwen, omdat hun eigen hart zegt dat ze niet waard zijn door God geholpen te worden, die helpt God ook niet; want ze hebben geen vertrouwen in God, maar alleen in hun eigen kracht en middelen, die ze voor bepaald heilig en onkwetsbaar houden en ze zeggen: 'Mens, als je wilt dat je geholpen wordt, help jezelf dan; want ieder mens is zichzelf het naast en zorgt eerst voor zichzelf!' En voordat hij klaar is met het zorgen voor zichzelf, gaat de hulpbehoevende te gronde!

[14] Maar Ik zeg: Als je eerst voor jezelf zorgt, ben je door God verlaten en zonder Zijn zegen en zonder Zijn hulp, die je anders ongetwijfeld zou krijgen! Want God heeft de mensen niet uit zelfzucht, maar uit zuivere liefde geschapen, en daarom moeten de mensen de liefde, die hen geschapen heeft, in alles volledig evenaren!

[15] Als je echter zonder liefde en vertrouwen op God leeft en handelt, dan verander je het hemelse in je vrijwillig in het helse, je wendt je van God af en wordt dienaren van de hel, die je dan tenslotte ook het verdiende loon niet zal onthouden, namelijk de dood in de toorn van God!

[16] Jullie zeiden ook, dat de Essenen, die volgens de school van Pythagoras leven, vanwege hun zuivere filantropie door niemand erg serieus genomen worden, behalve door een klein aantal Romeinen.                                                                                                              .

[17] Ook Ik acht ze niet, omdat ze de onsterfelijkheid van de ziel ontkennen; maar toch is de slechtste onder hen beter dan de beste van jullie!

[18] Ik zeg je nu onomwonden: Onder allen, die sinds het begin van de wereld uit vrouwen zijn geboren, was er niemand beter dan Johannes; maar wie van nu af aan de minste zal zijn van Mijn leerlingen in het echte Rijk van God, die zal vele malen groter zijn dan Johannes, die jullie je meester noemen, maar die je nog nooit begrepen hebt!. Want hij wees je de weg naar Mij en hij effende de weg voor en tot Mij, maar de wereld in jullie heeft je harten verblind; daarom kun je Mij ook met herkennen, hoewel je hier bij Mij staat!

[19] Ga dan en zorg voor jullie wereld, voor je vrouwen en kinderen, opdat ze niet naakt behoeven te zijn en geen honger en dorst ooit hun buik belaagt; maar het zal binnenkort toch zichtbaar worden hoeveel goeds je hen daarmee hebt gegeven! Ik zeg jullie dit: God zal niet voor hen zorgen! En dit kan Ik jullie met het volste recht en in volle waarheid zeggen:

[20] Wie ooit in het bezit is van kapitaal, eigendom en een bedrijf waarmee hij veel winst kan maken, maar die die winst voor zichzelf en zijn kinderen houdt, en afwerend neerkijkt op de arme broeders, en de arme kinderen vermijdt die door gebrek aan alle aardse bezittingen, honger, dorst en koude lijden, en ze wegjaagt als ze naar hem toekomen en hem om een aalmoes vragen, die is een vijand van God! En wie tegen een broeder zegt: 'Kom over een paar dagen of weken maar terug dan zal ik het een en ander voor je doen!', maar die, als dan de hoopvolle en op hem rekenende broeder komt en hem vraagt om zijn belofte gestand te doen, zich verontschuldigt met te zeggen dat hij ook nu niets kan doen, hoewel hij er heimelijk wel toe in staat is, waarlijk, waarlijk Ik zeg je: dat is een vijand van God! Want hoe wil hij God liefhebben Die voor hem onzichtbaar is, terwijl hij toch zijn broeder niet liefheeft die hij ziet en wiens nood hij kent!?

[21] Waarlijk, waarlijk, Ik zeg je: Wie zijn broeder in de nood verlaat, verlaat ook meteen - God en hemel! En God zal hem verlaten, eer hij er op verdacht is!

[22] Wie zijn broeder echter niet verlaat, ook dan niet als God hem beproeven zou, die zal dan echter ook eer hij er op verdacht is gezegend worden, en dat nog wel veel rijkelijker in tijd en eeuwigheid, dan nu de voorraadkamer en de korenzolder van onze gastheer gezegend zijn!'

[23] 'Dat geloven we graag', zeggen de leerlingen van Johannes, 'want die zijn helemaal leeg!'

 

 

126 Gods onveranderlijkheid en Zijn zegen

 

[1] Dan komt het keukenmeisje geheel buiten adem binnen en zegt tegen Matthéus: 'Heer, heer, kom eens kijken! Daarnet kwam een groot aantal jonge mannen en bracht allerlei voedsel in zo'n hoeveelheid, dat we het in een jaar nauwelijks op kunnen! En alles ziet er zo vers en goed uit! Ook de korenzolders zijn van boven tot onder gevuld, en de zakken in de kelder zijn helemaal vol met de beste wijn! Heer, heer, wie bezorgt dat nu allemaal op de Joodse sabbat?'

[2] Matthéus en allen in de kamer weten niet hoe ze het hebben na deze mededeling, en de leerlingen van Johannes, waarvan er een paar zich van te voren al overtuigd hadden dat de voorraadkamers leeg waren, vroegen meteen aan Matthéus, of hij die levensmiddelen soms ergens besteld had.

[3] Matthéus zegt: 'Ik niet; want dan zou ik dat toch zeker wel geweten hebben; en mijn vrouw ook niet, want zij liet mij al eerder door dit meisje zeggen dat onze kleine voorraad zo goed als helemaal op was. Want behalve een tuin en een paar gepachte akkers heb ik geen grond voor het kweken van grote hoeveelheden vruchten en daar zou ik ook te weinig tijd voor hebben, omdat ik ten eerste met de tol veel werk heb en tevens ten tweede hier in dit logement voor de verzorging van mijn gasten klaar moet staan. Daarom voorzie ik mijn logement gewoonlijk. van week tot week van voedsel en dat Iaat ik meestal tegen betaling uit Kapérnaum komen, jullie zorgden meestal voor de vis; wijn en graan koop ik van wat tot nog toe mijn geloofsgenoten waren, de Grieken. Dat is heel in} het kort de manier, waarop ik mijn huis van het nodige voorzag; maar van deze bestelling weet niemand hier in huis iets af!

[4] De enige mogelijkheid is nog, dat een onbekende goede vriend dit voor mij gedaan zou hebben, maar anders is en blijft het een absoluut  wonder! Waar en wie deze vriend dan zou zijn, weet ik natuurlijk net  zo min als jullie. Ik zal echter nu al mijn mensen binnenroepen en ze in jullie bijzijn vragen, of ze soms iemand van de dragers herkenden!'

[5] De vrouwen de dienstmaagden en de knechten worden nu geroepen, maar op de gestelde vragen antwoorden ze allen eenstemmig, dat ze niemand ook maar in de verste verte herkend hebben: 'De mannen zagen er uit als licht gebouwde jongemannen; want er was bij niemand ook maar een spoor van een baard te bekennen, wel hadden ze allemaal mooi golvend lang haar, en hun kleding leek meer Romeins dan Joods. Het waren er veel, zowel in de voorraadkamers als op de korenzolder en in de kelder. Ze legden het gebrachte snel neer en zeiden: 'Dit is een gave voor de tollenaar Matthéus, die vandaag door de grote Meester is geroepen!' Toen gingen ze weer snel weg, en we zagen niet, waar ze uit het huis zijn heengegaan.'

[6] Een Farizeeër zegt dan: 'Het klinkt allemaal ongewoon vreemd en moet toch waar zijn!? Daar willen we wel eens het fijne van weten!'

[7] Tegen Matthéus gaat dezelfde Farizeeër dan verder en zegt: 'Waard, Iaat ons eens een proefje van de wijnen brengen, dan zullen wij je zeggen, waar ze vandaan komen; want aan de smaak en de kleur kunnen wij zien waar het gerijpt is!'’

[8] Men gaat direkt de kelder in en vult al het drinkgerei. En wanneer de Farizeeën en schriftgeleerden de wijnen proeven, zeggen ze vol ver­bazing: 'Nee, zo'n wijn hebben we nog nooit geproefd! Hij is onbe­schrijfelijk mooi en liefelijk! We hebben echt wel alle wijnen die ook maar ergens op de ons bekende wereld groeien, gedronken, en die waren ook wel eens heel goed en fijn van smaak, maar hiermee vergeleken was dat nauwelijks lauw water te noemen! Dit is en blijft dus een raadsel!

[9] Maar nu je toch zo'n grote voorraad van deze onovertrefbare heerlijke wijn hebt, zou je ons dan niet voor geld en goede woorden een paar zakken mee kunnen geven? Het zou echt de moeite waard zijn om er wat van naar de hogepriester in Jeruzalem te sturen!'

[10] Maar Matthéus zegt: 'Voor niets heb ik het gekregen en ik geef het ook voor niets weer weg; maar er gaat geen druppel naar de hogepriester in Jeruzalem! Hij zou al toevallig als gast hierheen moeten komen, om net als ieder ander bediend te worden; maar dan wel net als ieder ander gewoon mens, nooit als Joodse hogepriester, want die is voor mij een verwoestend ondier en een geestelijke moordenaar van zijn eigen geloofs­genoten!'

[11] Daarop zegt een schriftgeleerde: 'Vriend, je beoordeelt de hogepriester te Jeruzalem nu toch wel helemaal verkeerd en je houdt geen rekening met zijn wezen en zijn functie!'

[12] 'Houd er over op', zegt Matthéus, 'daarvan wordt ik ogenblikkelijk witgloeiend van echte en terechte kwaadheid! Jullie zijn zijn ogen en daarom zie je datgene het slechtst, wat zich het dichtst bij je bevindt, namelijk je eigen neus, voorhoofd en je hele gezicht; wij, die tegenover jullie staan, zien dat allemaal maar al te goed en precies! Maar nu niets meer daarover, anders wind ik me op en ik zou jullie, als mijn nu gerespecteerde gasten, niet willen beledigen!'

[13] Een meer gemoedelijke Farizeeër zegt: 'Nou, nou, laten we deze zaak maar laten rusten en praten we liever eens met meester Jezus, die zou ons wel eens van dit voorval de beste verklaring kunnen geven, want hij staat in alle wetenschap en wijsheid hoog boven ons!' Hij wendt zich tot Mij en vraagt: 'Wat denkt u van deze geschiedenis? Want u schijnt daarvan toch wel iets geweten te hebben, omdat uw eerdere gesprek met de leerlingen van Johannes daarop schijnt te wijzen. Want haast op hetzelfde moment, dat u tegen de leerlingen van Johannes zei, dat God voor diegenen zorgt, die Hem waarachtig liefhebben en zonder twijfel op Hem vertrouwen, en de lelijkheid en de verwerpelijkheid van de zelfzucht zo goed over de hekel haalde, gebeurde het, en daarom geloof ik eigenlijk dat u daarover van buitenaf in kennis bent gesteld of dat u ongezien zelf de veroorzaker bent!'

[14] 'Goed!', zeg Ik,'als u dat van Mij denkt, denk dan ook eens aan wat Ik tegen de leerlingen van Johannes heb gezegd en erken dan in uw hart, dat Ik de volle waarheid heb gesproken!

[15] Wie van u op dezelfde manier uit de grond van zijn hart te werk gaat, die zal van God ook altijd datgene ondervinden, wat nu onze vriend en broeder Matthéus heeft ondervonden!

[16] Want geloof Mij: God blijft in Zijn hart steeds Dezelfde! Zoals Hij was, toen er aan het firmament nog lang geen zon, geen maan en geen sterren lichtten, zo is Hij nu nog en zo zal Hij altijd blijven!

[17] Wie Hem op de goede weg zoekt, die zal Hem ook vinden en is in alle eeuwigheden der eeuwigheden gezegend!'

[18] Deze woorden treffen allen diep in het hart, en de leerlingen van Johannes beginnen in zichzelf te overleggen en zeggen: 'Hij moet dan toch een veel grotere profeet zijn, dan onze Johannes was! Want we waren tien volle jaren in zijn gezelschap, maar zo iets hebben we bij hem niet meegemaakt! -De Farizeeër heeft gelijk als hij zegt dat deze Nazareeër er meer vanaf weet! - Je zou echter bijna beweren, dat dat alles van en door hem op een ons onbekende wijze is geschied, en het geheel is een duidelijk zichtbaar bewijs voor de nu aan het licht gekomen blindheid van ons en onze grote meester Johannes!'

 

 

127 De dood van de dochter van overste Cornelius

 

[1] Nu wil echter ook Judas, wat verhit door de wijn, zijn stem verheffen en zijn buren, de leerlingen van Johannes, iets vertellen. Maar Thomas, zijn nog heel kalme tegenpartij, is hem voor en zegt: 'Vriend, als de meesters spreken, dan moeten de leerlingen zwijgen en slechts toehoren, maar vooral niets zeggen! Want hier zou ieder woord uit onze mond een grote en grove domheid zijn! Als je je echter niet kunt inhouden, ga dan naar buiten in het open veld en schreeuw zo hard je kunt en wilt, en als daardoor je mond moe is geworden, kom dan terug!'

[2] Judas zegt: 'Wat moet je toch van mij? Ik heb je toch geen kwaad gedaan! Mag ik dan nooit eens wat zeggen?'

[3] Thomas zegt: ' Jouw wijsheid kennen we nu al van jaren her en we zitten er echt niet op te wachten om, naast de wijsheid van onze grote Meester, die van jou hier voor de duizendste maal te moeten horen, en zo wijs als jij zijn wij allemaal van huis uit! Je kunt echt geen betere en uitgebreidere leer geven dan die welke we hier al hebben, en hopelijk zie je daarom wel in, dat het hier helemaal niet nodig is dat jij ook spreekt! Wij, leerlingen, moeten slechts dan spreken als ons wat gevraagd wordt; we mogen zelf ook vragen, maar dan moeten we er wel op letten dat onze vraag voortkomt uit een echte en zuivere noodzaak! Als we echter puur uit nieuwsgierigheid vragen stellen, om onze praatgrage tong z'n gang te laten gaan, dan zijn we een geseling waard; want een waanzinnige dwaas moet altijd met gesels bestraft worden!'

[4] Judas zegt: ' Al goed, al goed! Ik ben al stil; want ik weet wel dat ik in jouw bijzijn niets zeggen kan en mag. Want jij bent de wijsheid van Elia zelf! Het is alleen maar jammer, dat je niet vóór Salomo hebt geleefd! In jouw school zou Salomo het nog veel verder in de wijsheid gebracht hebben! Maar nu opgehouden, ik ben al stil!'

[5] Thomas had graag nog wat tegen Judas terug gezegd, maar Ik gaf hem een teken om op te houden, en Thomas zweeg.

[6] Eén van de leerlingen van Johannes kon het echter nog steeds niet verkroppen, dat Ik hem en zijn metgezellen vergeleek met een gescheurd kleed dat men niet kan herstellen met een nieuwe lap, en met oude, verweerde zakken die niet geschikt zijn om jonge wijn in te doen. Hij richtte zich daarom tot Mij en vroeg op een beetje onbehouwen manier: 'Ik zie nu ook wel, dat u een profeet zou kunnen zijn; maar zoals ik zie smaakt de wijn uit de oude zakken u beter dan de jonge wijn uit de nieuwe zakken, en zo gezien is uw gewaad ook niet bepaald nieuw te noemen; mocht u binnenkort soms wat lappen nodig hebben, dan kan ik u daar wel aan helpen, want ik heb nog lompen genoeg. Als ik u dus van dienst kan zijn, dan hoeft u het maar te zeggen!'

[7] Zijn metgezellen wilden hem voor deze onbehouwen vraag direkt naar buiten gooien. Maar Ik nam het voor hem op en legde hem de vergelijking nog wat begrijpelijker uit, waarop hij kalmeerde.

 [8] Tegen de anderen zei Ik echter: 'Als je een blinde ziet, die over een greppel struikelt en valt en door zijn val het langs de greppel staande hoge gras platdrukt en een beetje beschadigt, is het dan wijs van je, als je de blinde ter verantwoording zou roepen en zou straffen?! Kijk, deze broeder van jullie ziet net als jullie wel met zijn lichamelijke ogen, maar zijn geestelijke ogen zien nog erg slecht, en als je dat beseft, is het toch wel veel te hard om hem te straffen omdat hij even struikelde!'

[9] Deze woorden maakten dat allen een luid 'hoera' en 'gezegend is hij' riepen en zeiden: 'Dat is goed gesproken, en wie zijn eigen goede en wijze woorden toepast, is waard een mens der mensen genoemd en ook als zodanig gekroond te worden! Dat u gezegend moge zijn en lang moge leven, u mens der mensen!'

[10] Nauwelijks zijn deze woorden verklonken, waarbij Ik nog wat door praat over de oude kleren en over de jonge wijn en over de zakken, als in aller ijl een overste uit Kapérnaum ( de Romeinse overste Cornelius) binnenkomt, gewoonweg op Mij afstormt, voor Mij neervalt en bijna buiten adem uitbrengt: 'Heer! Vriend! Goddelijke meester en heiland! Mijn liefste dochter, die mijn naam draagt, mijn heerlijke, goede en mooie dochter is gestorven!' (Toen huilde de overste en kon een tijdlang niet spreken van verdriet. Na een poosje, waarin hij wat op verhaal kwam, sprak hij pas verder:)

[11] Heer, U aan Wie niets onmogelijk is, kom met mij mee naar mijn huis en leg Uw wonderhand op haar, dan wordt ze zeker weer levend, net als het dochtertje van de schooloverste Jaïrus, dat ook helemaal dood was en levend geworden is! Ik smeek U mijn verhevenste vriend: Kom en bewijs mij deze genade!' (Matth. 9:18)

[12] Ik zeg: 'Wees gerust, Ik kom en zal doen waarom je Mij hebt gevraagd! Hoewel je dochter geheel dood en ook al koud is, zal Ik haar toch opwekken, opdat ze dan de heerlijkheid van God aan de arme mensen zal verkondigen! Laten we dus gaan!' (Matth. 9:19)

[13] Mijn leerlingen vroegen nu, of ze hier op Mij moesten wachten of mee moesten gaan. Maar Ik zei: ' Jullie allen, Mijn leerlingen, en ook Matthéus, die tollenaar was, volg Mij! Ik heb voor je aardse huis gezorgd en dat zal Ik blijven doen; maar daarvoor moet jij, net als de anderen hier, Mijn leerling zijn!'

[14] Matthéus werpt meteen zijn waardskleding aan de kant, trekt zijn nette mantel aan en volgt Mij, zonder eerst die aanwijzingen te geven, die een heer des huizes gewoonlijk aan de zijnen geeft voor de tijd dat hij afwezig is.

[15] Let wel: leder, die Mij wil volgen, dient zo te handelen! Hij moet het aardse zaken­ en beroepsleven geheel loslaten en niet meer bezig zijn met zijn aardse levensomstandigheden, omdat hij anders niet deugt voor en in Mijn koninkrijk! Want wie de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is niet geschikt voor het Rijk van God!

 

 

128 Kapérnaum.Opwekking van Cornelia

 

[I] En dan nu weer verder met de geschiedenis van het evangelie!

[2] Nadat wij al tamelijk Iaat in de middag uit het huis van Matthéus weggegaan waren, kwam er zo ongeveer halfweg naar Kapérnaum een vrouw snel achter ons aan, die, net als al eerder een Griekse vrouw, ongeveer twaalf jaar aan bloedingen leed, en die door niemand geholpen kon worden. Deze vrouw, die het verhaal van de vorige Griekse gehoord had, raakte slechts de zoom van Mijn opperkleed aan (Matth. 9:20) en werd op slag gezond. Want haar innerlijke gevoel dwong haar om tegen zichzelf te zeggen: ' Als ik slechts de zoom van Zijn gewaad zal aanraken, dan zal ik genezen!' (Matth. 9:21) En zo gebeurde dan ook ogenblikkelijk wat ze geloofd had. En ook zij merkte dadelijk, dat door het gelovige aanraken van Mijn gewaad de bron van haar twaalfjarig lijden verdroogd was.

[3] Ik draaide Mij om en zei tegen de vrouw: 'Wees getroost, Mijn dochter, je geloof heeft je geholpen! Ga heen in vrede!' En de vrouw ging onder veel dank­ en vreugdetranen naar huis terug en bleef voortaan gezond. (Matth. 9:22)

[4] Deze vrouw was een Jodin en geen Griekse; maar ze woonde niet ver van een Griekse nederzetting, kwam vaak bij de Grieken en hoorde veel van hen en zo hoorde ze ook van de genezing van de vorige Griekse, waarover Markus en de schilder en dichter Lucas later schreven. Omdat deze twee voorvallen zo veel op elkaar lijken, worden ze zelfs door de geleerdste godgeleerden als één voorval gezien, hetgeen beslist bezijden de waarheid en koren op de molens van de twijfelaars is.

[5] Meteen daarop vroeg Matthéus de schrijver, Mij, of hij dit voorval zou opschrijven en welke andere gebeurtenissen van die dag nog meer.

[6] En Ik zei tegen hem: ' Je moet alles wat vandaag gebeurde opschrijven, behalve de bevoorrading van het huis van je naamgenoot en het vele wat daar gesproken is. We gaan vandaag nog weer naar huis terug en morgen hebben we genoeg tijd om precies af te spreken, wat er over vandaag opgeschreven zal worden'.

[7] Matthéus de schrijver, had daar vrede mee en wij bereikten nu ook vlug daarna het huis van de overste en gingen daar meteen naar de zaal, waar de overleden dochter op een bed lag dat op Romeinse manier versierd was.

[8] Er waren binnen echter een aantal muzikanten en andere lawaaimakers; want het was daar gebruik om veellawaai voor de overledenen te maken opdat deze weer zouden ontwaken, of, als dat niet meer gebeurde, de afgezanten van de hellevorst Pluto te verschrikken, zoals het gewone, blinde, voor het grootste deel heidense volk, dat hier de grootste herrie maakte, dacht.

[9] Toen Ik met de leerlingen in de grote kamer kwam en hun onzinnige spektakel zag en hoorde (Matth. 9:23), beval Ik, dat ze vóór alles op moesten houden met hun kabaal, en vervolgens uit de kamer en helemaal uit het huis moesten gaan, omdat de dochter niet gestorven was, maar slechts sliep.

[10] Toen begonnen de gehuurde lawaaimakers (natuurlijk voor geld, want zonder geld werd er voor niemand lawaai gemaakt!) Mij uit te lachen, en één van hen zei vertrouwelijk tegen Mij: 'Het zal u hier niet zo gemakkelijk lukken als bij Jaïrus! Bekijk haar maar eens wat beter en dan zult u als dokter wel dadelijk moeten toegeven, dat zij, volgens de leer van de beroemde oude Griekse arts Hippocrates, uiterlijk volkomen dood is, en wilt u dan beweren dat ze zou slapen!?'

[11] De overste zag wel dat de kabaalmakers niet weg wilden gaan; toen gebood hij het hen onder het uiten van zware bedreigingen, en gaf de wachthebbende soldaten opdracht het volk naar buiten te drijven. Daardoor werd de kamer al gauw vrij gemaakt van al de herrieschoppers.

[12] En toen de kamer en ook het hele huis bevrijd was van alle lastige gasten, ging Ik pas met Mijn leerlingen en de verwanten van de overste de kamer in, liep direkt naar het doodsbed, pakte zonder iets te zeggen de dochter alleen maar bij de hand, en ze stond ogenblikkelijk net zo fit en gezond op, alsof ze nooit iets had gemankeerd. (Matth. 9:25)

[13] Toen de dochter zag, dat ze op het haar welbekende bed, waarop alleen de doden gelegd werden, gelegen had, vroeg ze direkt naar de reden daarvoor.

[14] De overste ging naar haar toe en zei, vol opperste vreugde: 'Mijn zeer geliefde Cornelia! Je bent ziek geworden en je bent aan die kwaad­aardige ziekte ook dood gegaan, je was dood en je zou reddeloos dood gebleven zijn, als deze waarlijk almachtige Heiland aller heilanden je niet met Zijn goddelijke kracht had opgewekt, net als Hij een paar dagen geleden ook het je wel bekende dochtertje van de schooloverste Jaïrus heeft opgewekt. Verheug je daarom weer over het schone leven en wees voortaan deze vriend der vrienden buitengewoon dankbaar, die de enige is, die je het verloren hoogste goed, het onbetaalbare leven, heeft teruggegeven!'

 

 

129  Belevenissen in het hiernamaals

 

[I] De dochter zegt: 'Ja, ja, nu herinner ik me weer heel precies, dat ik erg ziek was; tijdens het ziek zijn kwam er een heel prettige slaap over mijn oogleden, ik sliep in en had een wonderheerlijke droom. Naar welke kant ik ook keek, overal was licht en niets anders dan licht, en in het licht vormde zich een wonderheerlijke wereld. Onbeschrijfelijk prachtige tuinen zag ik, omstraald door het helderste licht, en het ene schitterende na de andere dook op. Maar geen levend wezen scheen deze heerlijkheden te bewonen, en toen ik zo vol verbazing deze grote pracht bekeek en er maar steeds geen levend wezen te zien was, begon ik banger en banger te worden door al dit onbeschrijfelijk prachtige. Ik begon te huilen en te roepen; maar van geen enkele kant kreeg ik ook maar door; de geringste echo het een of andere schijnbare antwoord. Toen werd ik! steeds treuriger tussen de steeds groter wordende heerlijkheden.

[2] Toen ik zo treurig te moede neerzonk en hard om jou, mijn vader, begon te roepen, zie, toen kwam opeens deze vriend uit de tuinen, pakte mijn hand en zei: 'Sta op mijn dochter!' Toen verdwenen in één keer al de heerlijkheden, die mij treurig hadden gemaakt, en ik ontwaakte terwijl deze vriend me nog bij de hand hield. Ik kon me niet direkt al datgene herinneren, wat ik had gezien; maar toen mijn volle herinnering mij als het ware uit de hemel werd teruggegeven, herinnerde ik me al het geziene en in de droom beleefde weer net zoals ik het je nu heb verteld.

[3] Het komt me nu buitengewoon vreemd voor dat ik dus, zoals uit dit bed blijkt, in alle ernst voor deze wereld dood was en toch in de droom heb doorgeleefd. En nog vreemder is het, dat die heerlijke vriend die in de droom naar mij toe kwam, hier nu net zo is, als ik hem in de droom heb gezien.

[4] Maar nu vraag ik je, mijn lieve vader, of dit leven van mij dat hij mij nieuw heeft gegeven, niet aan hem toebehoort. Mijn hart is diep bewogen, en het lijkt me toe dat ik behalve aan hem geen andere man ooit mijn liefde zou kunnen geven. Mag ik hem boven alles liefhebben, -meer dan jou, mijn vader, en meer dan alles ter wereld?'

[5] Cornelius wordt verlegen bij deze vraag en weet niet, wat hij daarop zal zeggen. - Maar Ik zeg tegen hem: 'Laat de dochter datgene wat ze nu voelt, want dat alleen zal haar het leven in al zijn volheid teruggeven!'

[6] Dan zegt Cornelius: ' Als dat zo is, dan mag je van mij boven alles van deze vriend houden, want degene die jou, terwijl je dood was, door zijn kracht en macht het leven kon geven, zal je nooit kwaad kunnen doen; want als je weer zou sterven, dan zou hij je zeker het leven weer teruggeven! Dus mag je Hem gerust boven alles liefhebben, zoals ik Hem ook uit de grond van mijn hart lief heb!'

[7] Ik zeg: 'Wie Mij liefheeft, heeft ook Degene lief Die in Mij is, en Deze is het eeuwige leven. AI stierf hij dan ook duizendmaal in de liefde voor Mij, dan zal hij toch in eeuwigheid leven.' Bij de omstanders waren er velen, die bij het horen van deze woorden bij zichzelf dachten: 'Wat betekent dat? Kan een mens dat wel zeggen? Maar kan een mens wel doen wat hij doet?!'

[8] Een Romein, die op dat tijdstip te gast was bij Cornelius, neemt nu het woord en zegt: 'Vrienden, een wijze heeft eens gezegd, dat ieder groot man door de goden vervuld is met hun adem. Als er echter ooit een man het sterkst door de goden beademd zou zijn, dan is het beslist deze Jezus, die naar aardse maatstaven van heel geringe komaf schijnt te zijn; maar de goden houden niet van de praal van de aarde, als ze de aarde betreden verbergen ze zich steeds achter het zo mogelijk nederigste uiterlijk en laten alleen door hun daden aan de sterfelijke weten, wie en wat ze zijn. En dat zal ook bij deze overigens zeer eenvoudige man het geval zijn. Jullie kunnen wat mij betreft menen en denken wat je wilt; maar ik zeg dat Hij een God van de eerste rang is! Want een dode is door geen sterfelijke meer op te wekken!

[9] Maar als echter de een of andere zoon van Esculaap door allerlei balsems en oliën en zalven een schijndode weer opwekt, dan is een op die manier opgewekte toch niet zo monter en gezond als Cornelia hier, die me nu nog levendiger voorkomt dan ooit. Dat is mijn mening en ik ben er bij mijzelf volkomen van overtuigd, dat het zo is; jullie moeten maar denken wat je wilt!'

[10] Ik zeg: 'Wie gelijk heeft, gelooft ook, dat het waar is. Bewijzen jullie Mij echter de vriendendienst, dat jullie allen die dit gehoord en gezien hebben, voorlopig daarover zwijgen en niemand iets daarover zeggen; want jullie weten hoe slecht de wereld is!' - Zij beloofden Mij dat ze dit alles strikt voor zich zouden houden.

[11] Ze zwegen wel de paar dagen dat Ik met Mijn leerlingen in het huis van de overste verbleef. Toen Ik daar echter wegging, werd dit voorval snel bekend in heel Galiléa. (Matth. 9:26) Dat had Ik wel kunnen verhinderen, als Ik de vrijheid van wil van de mensen beperkt zou hebben, wat zeer weinig moeite voor Mij geweest zou zijn; maar omdat Ik de vrije wil van de mens eerbiedigen moet, zonder welke de mens een dier zou zijn, moest Ik zonder meer toelaten dat Mijn ordening verbroken werd, wat de zaak geen goed deed.

 

 

130 Nazareth.De twee blinde bedelaars

 

[I] In Kapérnaum leefden twee bedelaars, die vanaf hun geboorte ste­keblind waren en zodoende nog nooit het daglicht en het nachtelijke sterrenlicht gezien hadden. Ook deze beiden hoorden over Mij en wat Ik gedaan had. Toen Ik van Kapérnaum terug naar Nazareth ging, en de overste met zijn vrouwen al zijn kinderen en veel van Zijn vrienden Mij begeleidden, kwamen wij heel rustig wandelend langs een plaats. waar een aantal wegen elkaar kruisten. Op deze plaats zaten de beide blinden gewoonlijk te bedelen. Toen die twee van de voorbijgangers hoorden, dat er een grote groep mensen aankwam en dat daar zelfs de hoogste machthebbers van Galiléa bij waren, en dat temidden van die machthebbers zich de heiland Jezus uit Nazareth bevond, van wie net als van zijn vader gezegd werd dat hij in rechte lijn afstamde van David, gingen ze vlug staan en volgden Mij daarna zo goed hun dat mogelijk was, waarbij ze hard riepen: ' Jezus, ach, zoon van David, ontferm U over ons! (Matth. 9:27) Die titel gaven ze me maar, omdat ze dachten dat Ik daar wat om gaf, en daardoor gevleid, eerder iets voor hen zou doen.            .

[2] Om hen duidelijk te maken dat Ik helemaal niets om wereldse titels en lege vleierijen geef, liet Ik ze tot Nazareth achter Mij aan lopen.

[3] Toen Ik na een paar uur thuis aangekomen was, wat die twee al vlug merkten, smeekten ze de dicht bijzijnde zienden of ze hen bij Mij wilden brengen. En Mijn leerlingen brachten hen toen dadelijk bij Mij in huis.

[4] Bij Mij gekomen, dat wil zeggen in Mijn omgeving, kwamen ze tot vlak bij Mij en wilden Mij gaan smeken om hen ziende te maken. Ik was hen echter voor en zei, omdat Ik wel wist wat ze wilden: 'Geloven jullie wel dat Ik dat voor jullie kan doen?' Toen zeiden ze: ' Ja Heer!' (Matth. 9:28) Daarop raakte Ik hun ogen aan en zei: 'Zo geschiede jullie naar je geloof!' (Matth. 9:29)

[5] En hun ogen werden geopend (Matth. 9:30), zodat ze alle dingen net zo goed zagen als ieder mens die volledig gezonde ogen heeft. Toen ze nu de weldaad van het licht der ogen ondervonden en met grote verbazing de schepping begonnen te bekijken, dachten ze echter ook bij zichzelf, dat ze Mij de hoogste en nooit eindigende dank schuldig waren, en daarom wilden ze Mij alles geven wat ze door hun bedelarij verkregen hadden. Want van nu af aan zouden ze nooit meer bedelen, maar met de kracht van hun gezonde handen in hun onderhoud voorzien.

[6] Ik zei echter tegen hen: 'Het is een goede zaak dat je nu je broeders wilt dienen en je handen uit de mouwen wilt steken om in je onderhoud te voorzien, want wie kan zien en kan werken, moet niet stil zitten en ten laste komen van zijn broeders, maar die moet hen dienen en overal bij helpen opdat de liefde toe zal nemen onder de mensen.

[7] Met jullie voornemen ben Ik het dus helemaal eens; maar dat jullie je spaarcenten uit echte dankbaarheid aan Mij wilt geven, is weliswaar heel prijzenswaardig en aardig van jullie, maar noch Ik, noch Mijn leerlingen hebben het nodig en daarom kun je het beter zelf houden.

[8] Ik verlang echter voor het feit dat Ik jullie ogen voor het licht geopend heb, dat je ten eerste Gods geboden zult houden, God lief zult hebben boven alles en je naaste als je zelf en dat je je naasten in alles waarmee je ze kunt helpen, graag en volijverig zult helpen. In de tweede plaats gebied Ik jullie ter wille van Mij Zelf, dat je hierover met niemand spreekt, maar ervoor zorgt dat niemand het verder te weten komt!'

[9] Zij zeiden: 'Heer, dat zal wel moeilijk gaan; want iedereen in de hele streek weet maar al te goed dat we blind waren. Als er nu iemand aan ons vraagt hoe wij, blinden, ziende werden, wat moeten we dan ant­woorden?' Ik zeg: 'Geef dan een antwoord, waaruit blijkt dat erover gezwegen moet worden!' Ze beloofden dat in acht te nemen; maar ze hielden hun belofte niet, integendeel, ze gingen meteen daarna alle dichtbij gelegen plaatsjes af en deden overal hun verhaal over Mij. (Matth. 9:31)

 

 

131    De genezing van de bezeten doofstomme man

 

[1] Toen deze twee nog maar net het huis hadden verlaten, brachten anderen, die juist waren aangekomen, een mens die stom en tevens bezeten was. (Matth. 9:32) Er waren echter ook verscheidene Farizeeën en schriftgeleerden, die wij twee dagen eerder in het huis van Matthéus achtergelaten hadden, nagekomen om te zien wat Ik thuis zou doen en waarheen Ik verder zou gaan. Zij kwamen voor het huis de twee blinden tegen, die hen meteen vertelden, dat er nu een stomme en tevens bezeten man genezen zou worden; maar over zichzelf zeiden ze niets, want in hun hart waren ze nog te bang om daarover iets te vertellen.

[2] De Farizeeën maakten snel voort toen ze dit bericht hoorden, opdat ze niet te laat zouden komen. Toen ze in de kamer kwamen, herkenden ze de bezetene die stom was, en ze zeiden: '0, die kennen we al heel lang! Geen macht kan hem helpen! Als zijn duivel wild wordt dan ontwortelt hij bomen, en geen muur en geen ketting is hem te sterk. In het vuur verbrandt hij niet, en de vissen zijn te beklagen als hij het water in gaat. Zijn beste eigenschap is nog, dat hij stom en doof is; want als hij kon horen en praten, dan zou geen wezen op aarde veilig voor hem zijn. O, het is een verschrikkelijk mens! Alles slaat voor hem op de vlucht; zelfs de verscheurendste dieren vluchten voor hem. Wil hij die gaan genezen? Die kan alleen maar door de opperste duivel genezen worden! ,

[3] Ik zeg: 'Ondanks dat zal Ik hem genezen, opdat u nu eindelijk eens begrijpen zult dat alle wezens moeten gehoorzamen aan de macht van God!'

[4] Toen strekte Ik een hand uit over de bezetene en zei: 'Ga uit deze mens, jij onreine, boze geest!' Daarop schreeuwde de geest: 'Waar moet ik dan heen?' Ik zeg:' Daar, waar de zee het diepst is, daar wacht een monster op je!' De boze geest schreeuwde nog één keer en verliet toen de mens.

[5] De mens kreeg meteen een heel vriendelijke gelaatsuitdrukking, begon heel dankbaar te praten, en gaf met de vriendelijkste woorden iedereen een gepast antwoord, en allen overtuigden zich ervan dat zijn doof­ en stomheid geheel en al verdwenen waren.

[6] De leerlingen en al het volk dat daar was, waren buitengewoon verbaasd en zeiden: 'Dit overtreft werkelijk alles! Zoiets is in Israël nog nooit gehoord!

(Matth. 9:33) Het is al eens gebeurd dat wind en storm verdreven werden, hoewel op bescheiden schaal; schijndoden zijn ook al eens levend gemaakt, rotsen werden gedwongen om water te geven, en toen Mozes daarom vroeg kwam er manna uit de hemel, maar het was allemaal zeker niet zo perfect.

[7] Toen Salomo de tempel bouwde en er gedurende een maand geen dagloner mee wilde werken aan de bouw, smeekte hij God om arbeiders, en er kwamen direkt een groot aantal jonge mannen en boden de koning aan om voor hem te werken, en Salomo accepteerde dat en werkte gedurende een maand met hen, zoals de overlevering zegt.

[8] Kortom, sinds Abraham tot op heden zijn er al veel wonderlijke dingen gebeurd; maar, zo waar er een God is die over hemel en aarde regeert ­dit wonder slaat alles!'

[9] De Farizeeën ergerden zich ontzettend over al die verbazing, en ze konden hun woede niet meer beheersen en zeiden daarom tegen het volk: 'Hoe kunnen jullie toch zulke blinde dwazen zijn! Hebben we jullie niet direkt toen we deze kamer binnenkwamen luid en duidelijk gezegd, wie alleen in staat zou zijn om die bezetene te genezen? We hebben jullie gezegd, dat alleen de opperste duivel dat zou kunnen! Hij genas weliswaar de bezetene, maar hoe?! Hij heeft met behulp van de opperste duivel deze duivel uit die mens verjaagd!' (Matth. 9:34)

[10] Toen de kwade Farizeeën dit over Mij zeiden in het bijzijn van het volk waar nu ook de Romeinse overste Cornelius bij was, barstte de bom! Buiten zichzelf van woede over die opmerking donderde de overste zijn oordeel over de Farizeeën en schriftgeleerden: 'Jullie komen vandaag nog aan het kruis! Ik zal jullie het verschil tussen God en duivel wel duidelijk maken!'

[11] Na het horen van dit donderend oordeel, begonnen de Farizeeën werkelijk ontzettend te jammeren en bevreesd te worden. Het volk juichte echter en riep: ' Ah! Hebt u eindelijk de juiste man gevonden, die uw oude duivel verjagen zal? Het is precies wat u nodig hebt! Want u bent zelf net als de opperste der duivels; u vecht nog, net als hij eens deed, om het lichaam van Mozes, d.w.z. om de dode materie van zijn leer, en u vervolgt alles wat ook maar iets van de geest in zich heeft, met vervloekingen, vuur en zwaard! Daaruit blijkt wel dat u het bent, die steeds de hulp van de duivel gebruikt en met die oude bedrieger samen­werkt! Daarom is het oordeel van de overste over u duivelsknechten geheel terecht, en we hebben echt geen medelijden met u!'

[12] Nu komt Matthéus de tollenaar naar de Farizeeën en zegt: 'Ongeveer vier dagen geleden heeft Meester Jezus de oude broer van mijn moeder genezen van de jicht; heel grote waarheden zijn er toen tegen u gezegd! Het was haast kinderlijk eenvoudig te begrijpen en de Meester Zelf sprak zo waarachtig en wijs tegen u, dat u daarna zeer verwonderd was en verplicht was Hem te vragen hoe Hij die wijsheid verkregen had. Maar ondanks Zijn bijzonder geestrijke en leerzame antwoorden en ondanks Zijn ongelofelijke daden, bleven uw ogen blind!

[13] Als dan zulke daden en lessen uw ogen niet kunnen openen, en u daarbij in uw slechte harten alleen maar steeds kwaadaardiger en wraaklustiger wordt, vertel me dan eens, wat er bij u nog aan ontbreekt tot u volleerde duivels bent? Ja, ik zeg nog eens wat ik al een keer gezegd heb, dat u erger bent dan alle duivels bij elkaar, en daarom is het voor God en alle betere mensen juist en rechtvaardig, als men u uitroeit als verscheurende beesten!

[14] Ik ben echt wel iemand die diep meeleeft en ik ben bijzonder goedmoedig en mijn fijngevoeligheid maakt dat ik geen vlieg kan doodslaan ; en geen worm kan plattrappen; maar u zou ik zelf zonder angst de kop af kunnen slaan. Ik geef de overste dan ook groot gelijk, dat hij u tot de galg (heeft dezelfde betekenis als kruis) heeft veroordeeld.'

[15] In hun grote angst zagen de Farizeeën nu wel in, dat niemand medelijden met hen had en een goed woordje voor hen wilde doen bij de overste, die over geheel Galiléa het Romeinse, meestal onverbiddelijke, scherprecht uitoefende. Ze vielen daarom, bij elkaar zo'n dertig man, voor de overste op de knieën, zwoeren dat ze het echt zo kwaad niet hadden gemeend met hun eerdere opmerkingen tegen Jezus, en dat ze daarmee alleen maar op een wat indringender manier duidelijk hadden willen maken, dat de onmiskenbare kracht van God in Jezus, de Meester van alle Meesters, ook de opperste van de duivels aan zich dienstbaar kan maken en moet maken; want het zou toch erg droevig voor de mensen zijn, als God geen macht over de duivel zou hebben. Daar in Jezus zonder de geringste twijfel de allerhoogste macht en kracht van God aanwezig was, moest deze zowel over alle duivels als over alle engelen macht hebben en hen zonder uitzondering tot absolute gehoorzaamheid kunnen dwingen! 'Wij wilden daarom met het gezegde, dat hij die duivels met behulp van hun aanvoerder uitdreef, alleen maar zeggen, dat zijn kracht van God sterker is dan alles, wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is. Als u nu begrijpt, hoge gebieder van Rome, dat wij alleen maar dit en beslist niets anders hebben bedoeld met wat we zeiden, en dat we daarvoor ter dood zijn veroordeeld, hoe is het dan mogelijk, dat u ons zo hebt kunnen veroordelen? Wij vragen u daarom in de naam van de goddelijke Meester Jezus, of u zeer genadig uw uitgesproken oordeel weer in wilt trekken!'

[16] Toen zei de overste: 'Als Jezus, de Meester, een goed woordje voor jullie doet, wil ik mijn woorden wel terugnemen; als Hij echter zwijgt, dan sterven jullie beslist vandaag nog! Want van wat jullie zeggen geloof ik geen steek, omdat je in je hart heel andere dingen denkt dan je met je mond uitspreekt!'

[17] Na deze woorden van de overste vielen ze allemaal voor Mij op hun knieën en riepen: 'O Jezus, goede Meester, wij vragen u, red en verlos ons! Als u ons helemaal niet meer vertrouwt willen wij u gijzelaars geven, zodat we u in het vervolg geen hindernissen meer in de weg kunnen leggen! Want we zijn nu allemaal wel meer dan overtuigd, dat u een zuivere afgezant van God bent voor ons, Zijn helaas in vele opzichten slecht geworden kinderen! O Jezus, verhoor ons verzoek!'

[18] Ik zeg: 'Ga dan in vrede naar huis! Denk er echter om, dat u niet iets slechters onderneemt; want dan zou Ik nooit tegen u zeggen: 'Ga in vrede naar huis!'

[19] Dat beloofden ze Mij, en de overste zei: 'Omdat Hij jullie vrede gaf, geef ik het jullie ook en neem voor dit moment mijn oordeel terug; maar wee jullie, als ik ook maar het minste van jullie merk!'

[20] De Farizeeën putten zich uit in dankbetuigingen tegenover Mij en de overste, gingen toen zo snel mogelijk naar huis en zwegen zorgvuldig; want ze waren allemaal erg bang voor Cornelius. Maar in hun harten broedden ze des te meer op plannen om Mij te vernietigen en zich op de overste te wreken, maar ze moesten, omdat er zich geen gelegenheid Voordeed, net doen alsof er geen vuiltje aan de lucht was; want anders waren ze hun leven niet zeker. Dat was voor Mijn bezigheden echter wel prettig; want nu kon Ik geruime tijd, bijna tot in de late herfst, in de steden en marktplaatsen van heel Galiléa het evangelie van het Rijk van God ongestoord verkondigen en daarnaast allerlei besmettelijke ziekten en aandoeningen van het volk genezen. (Matth. 9:35)

 

 

132 De hebzucht en hardheid van pachtkoning Herodes

 

[1] Vooral in de marktplaatsjes en dorpjes heerste veel ellende, en dat was de mensen, die daar onder allerlei lasten gebukt gingen, goed aan te zien. Fysiek en psychisch waren ze verstrooid en kwijnden ze weg als schapen tussen de wolven zonder ook maar één herder. (Matth. 9:36) Omdat die ontreddering van de arme mensen bijzonder veel medelijden in Mij opwekte, zei Ik net als aan de bron in Sichar: 'De oogst is groot; maar er zijn maar weinig arbeiders! (Matth. 9:37) Vraag daarom aan  de Heer dat Hij arbeiders zendt om te gaan oogsten! Want deze armen zijn rijp voor het Rijk van God, en de akker waarop ze staan is groot.  Ze smachten en snakken naar licht, waarheid en verlossing! Maar arbeiders, arbeiders! Waar vind je ze?!' (Matth. 9:38)

[2] De leerlingen zeiden: 'Heer, als U ons bekwaam genoeg vindt, zouden wij dan niet allemaal afzonderlijk op weg kunnen gaan en ieder een stad of een markt kunnen bezoeken?' Daarop zeg Ik: 'Wij zijn nu op weg naar één van de armste dorpjes. Zodra wij het dorp bereikt hebben, zal Ik de vaardigsten en de krachtigsten van jullie uitzenden naar de vele buurtschappen en plaatsjes, en jullie zullen dan al datgene doen, wat  Ik doe en voor jullie gedaan heb. Maar nu gaan we vlug naar het dorpje!'

[3] Binnen een half uur hadden we het dorpje bereikt en daar troffen we een werkelijk onvoorstelbare ellende aan. Ouders en kinderen liepen er letterlijk naakt rond en bedekten bij gebrek aan wat beters met bladeren hun schaamte. Toen de dorpelingen ons aan zagen komen, rende alles, groot en klein en jong en oud, ons tegemoet en smeekte ons om een aalmoes; want het ontbrak hen aan alles. Kinderen huilden en hielden hun handen op hun buikjes; want ze hadden erge honger omdat ze al twee volle dagen geen eten hadden gehad, en de ouders waren vertwijfeld, ten dele door hun eigen knagende honger en nog meer vanwege hun om brood en melk vragende kinderen.

[4] Petrus, die diep bewogen was door deze aanblik, vroeg aan een rechtschapen uitziende oude man: 'Vriend, wie heeft jullie zo in de ellende gestort? Hoe zijn jullie in zo'n toestand terecht gekomen? Was er een vijand bij jullie en heeft die alles weg geroofd en, zoals ik zie, zelfs jullie huizen op de schandaligste manier verwoest? Want ik zie alleen maar muren, waarop geen daken en zolders zijn, en jullie voorraadschuren, die mij wel bekend zijn, liggen in puin. Hoe, hoe is dat toch gebeurd?'

[5] Toen zei de ondervraagde man met tranen in zijn stem: 'O beste en goede mensen! Dat heeft de grenzeloze hardheid en hebzucht van de pachtkoning Herodes gedaan! Zijn vader was de linker­ en hij is de rechterarm van satan. Wij konden de verlangde belasting niet betalen die hij tien dagen geleden van ons eiste; zijn gerechtsdienaars gaven ons zes dagen uitstel. Wat zijn echter zes dagen? In die tijd aten de gerechts­dienaars bijna geheel het beste deel van onze voorraad op en op de zevende dag namen ze, omdat we de verlangde onbetaalbare belasting onmogelijk betalen en vereffenen konden, alles wat we hadden, en het scheelde maar weinig of ze hadden dit naakte ellendige leven ook nog van ons afgenomen! O vrienden, het is hard, onvoorstelbaar hard! Als God ons niet helpt, dan verhongeren wij vandaag nog tesamen met onze kinderen! Help ons toch zoveel als in jullie vermogen ligt! Als die slechte knechten van Herodes ons nu maar niet tot op ons naakte lichaam uitgekleed hadden, dan konden we tenminste nog gaan bedelen; maar waar kunnen we in déze toestand nu heen gaan? Voor onze kinderen is het in alle richtingen te ver om te gaan; en wij zijn, zoals jullie zien, poedelnaakt! O God, o God, waarom moesten nu juist wij zo ontzettend in de ellende gestort worden? Aan welke van al onze zonden hebben wij deze straf te wijten, o Jehova?'

[6] Nu ga Ik naar de oude man en zeg: 'Vriend! Dit heb je niet te wijten aan jullie zonden, die zijn voor God de geringste van geheel Israël, maar dit heeft de liefde van God voor jullie gedaan!

[7] Jullie waren weliswaar de reinste mensen van Israël; maar er kleefden toch nog verscheidene wereldse lusten aan jullie ziel. God, die jullie liefheeft, zag dat en wilde je in één keer van al het wereldse bevrijden, opdat je nu geheel en al in staat zult zijn de genade van jullie Vader in de hemel te aanvaarden. Dat is nu gebeurd, en je bent nu voor altijd veilig voor Herodes. Want degenen, die hij helemaal uit Iaat roven, Iaat hij geen belasting meer betalen; want de onderdanen die tot de bedelstaf gebracht zijn worden geschrapt in het belastingboek.

[8] Zo zie je, dat je nu in één klap vrij bent van al het wereldse! Dat is de grootste weldaad van God voor jullie, en je kunt je nu helemaal bezig gaan houden met de zorg voor je ziel.

[9] Maar Ik zeg je: Bouw in de toekomst geen duur uitziende huizen, maar ga in armelijke hutjes wonen, en dan zal er niemand van jullie belasting eisen behalve de koning van Rome, die daar alleen het recht toe heeft; en hij vraagt slechts twee tot drie honderdsten. Als je dan wat hebt, dan kun je het geven, en heb je niets, dan ben je vrij. Maar later zullen we nog meer daarover zeggen.

[10] Ga nu echter in je huizen zonder dak; daar zul je eten en kleding vinden! Voed en kleed je en kom dan terug, en Ik zal dan nadere bijzonderheden met jullie afspreken!'

 

 

133  Een voedsel­ en kledingwonder

 

[1] Zodra de armen dat horen, gaan ze dankbaar en gelovig hun halfvernielde huizen in en zijn stom van verbazing, wanneer ze op de tafels goed en voldoende eten zien staan en daarbij ook allerlei kleding, voor oud en jong, groot en klein, en voor de beide geslachten. Iedereen vraagt aan iedereen, hoe dat gebeurde. Niemand weet het antwoord.

[2] Maar als ze ook hun voorraadkamers goed gevuld vinden, zeggen de vrouwen en kinderen tegen de mannen: 'Dat heeft God gedaan! Hij; die in de woestijn veertig jaren lang manna liet regenen en op deze wijze Zijn kinderen goed te eten gaf temidden van stenen en zand waarop geen , gras groeide, die zou ons toch zeker niet hebben laten verhongeren terwijl wij altijd tot Hem gebeden hebben!? O, dat is zeker: God verlaat degenen, die tot hem bidden, nooit!

[3] David, de grote koning, bad tot God in zijn ellende, en God hielp hem uit zijn grote nood, en het is nog nooit gebeurd dat God degenen die hulp aan Hem vroegen, niet verhoord heeft; het zou dus een onvoorstelbaar wonder geweest zijn als God ons niet in deze grote nood had verhoord. Want God is altijd volliefde voor diegenen die tot Hem roepen: ' Abba, lieve Vader!' Daarom willen we van nu af aan Hem boven alles, alles, alles liefhebben! Hij alleen is onze redder! onze heilige Vader heeft ons dit alles door Zijn heilige engelen uit de hemel laten brengen!'

[4] Dan zegt de oude man, die ook tot deze familie behoorde en bij wie altijd het hele dorp zich verzamelde om naar zijn wijze woorden te luisteren, want hij kende de Schrift zeer goed: 'Mijn kinderen, vrienden en broeders! Er staat toch in de Schrift: 'Uit de mond van kinderen en onmondigen verzamel Ik Mijn lofuitingen!' En zie, dat gebeurt hier in ons bijzijn! Onze lieve Vader heeft in Zijn grote barmhartigheid aan ons gedacht en heeft dit voor ons gedaan! Hem zij daarom al onze liefde en alle lof uit de monden van onze zuigelingen! Want de lof uit ónze monden is niet zuiver genoeg om welgevallig te zijn aan de Allerheiligste; daarom heeft Hij Zelf al de mond van onze zuigelingen geheiligd. Maar nu gaan we naar buiten naar de jonge man, die zei dat we naar binnen moesten gaan, en beslist wel wist, wat God voor ons heeft gedaan! Hij moet een groot profeet zijn, -misschien zelfs Elia, die nog eenmaal vóór de verwachte en al sinds lang beloofde Messias zal komen!'

[5] Een klein kind, dat nog maar net kon praten, vroeg: 'Vader! Als nu deze man zelf eens de Beloofde was?'

[6] De oude zegt: 'O kind, hoe kom je aan die woorden? Je spreekt nu niet als een kind, maar als een wijze in de tempel in Jeruzalem!'

[7] Daarop zegt de kleuter: 'Dat weet ik niet, lieve vader; maar ik weet wel dat ik eerst veel moeite had met het spreken en nu helemaal niet meer. Maar waarom vindt u dat vreemd? Gods wonderen zijn hier toch overal om ons heen!'

[8] ”Ja, ja, je hebt gelijk', zegt de oude, terwijl hij het kind tegen zich aandrukt, 'het zijn hier allemaal wonderen, en je hebt je beslist niet vergist toen je de jonge man zelfs voor de Messias aanzag. Want wat ons betreft is Hij dat zeker! Maar nu gaan we naar Hem toe en dan zullen we ook Hem in de naam van Jehova de Hem toekomende dank brengen! Want Hij is zonder twijfel door God naar ons toegezonden. Laten we nu dus vlug naar Hem naar buiten gaan!'

[9] Ze haasten zich nu allen naar buiten naar Mij toe, en de kleuters zijn de eersten die aan Mijn voeten neervallen en deze met hun onschuldige zuivere tranen van dankbaarheid en vreugde nat maken!

[10] Ik hef nu Mijn hoofd omhoog naar het firmament en zeg luid: 'Jullie hemelen! Kijk naar beneden en leer van deze kinderen hoe jullie God en Vader geprezen wil worden! O schepping, hoe eindeloos groot en oud ben je, en hoe ontelbaar veel wijze burgers bezit je, en toch kon je de weg naar het hart van je schepper, van je Vader, niet vinden zoals deze kleine kinderen! Daarom zeg Ik jullie: 'Wie niet tot Mij komt zoals deze kleinen, die zal de Vader niet vinden!'

[11] Toen ging Ik zitten en zegende en liefkoosde de kinderen. En de kleuter zei tegen de oude, die, omdat hij helemaal niet begreep wat er aan de hand was, uitriep: 'Wat betekent dat? Waarom? Hoe moeten wij dat verstaan?' - 'Vader, méér dan Elia is hier, méér dan jouw Messias! Hier is de Vader Zelf, de goede Vader, die ons brood, melk en kleding heeft gebracht!'

[12] De oude begint te huilen; maar het kleintje legt zijn hoofdje tegen Mijn borst, begint deze te kussen en te strelen en zegt na een poosje: “ Ja, ja, ik hoor het; hier in deze borst klopt het echte goede Vaderhart! Kon ik dat ook maar kussen!' Maar de oude zegt: 'Kindje toch, wees niet zo ondeugend!'

[13] Ik zeg: ' Jullie zullen allen zo ondeugend moeten worden, anders zullen jullie nooit zo dicht bij het Vaderhart komen als deze lieve kleuter!'

 

 

134 Roeping van de twaalf apostelen

 

[1] Matthéus en Johannes komen naar Mij toe en zeggen: 'Heer, dit wonder moet toch wel opgeschreven worden, want dit is te buitengewoon en te goddelijk!'

[2] Ik zeg: 'Heb Ik in Sichar niet hetzelfde gedaan en heb Ik een paar dagen geleden Mijn huis net als het huis van Mijn leerling Matthéus niet ook zo verzorgd? Dat wilden jullie ook allemaal opschrijven en dat liet Ik niet doen, omdat Ik daar een heel grondige reden voor heb. Waarom moet dan deze identieke daad opeens wel opgeschreven worden? Praat er maar niet meer over! Ik alleen weet het best wat nodig is voor de wereld en daarom zal Ik je wel zeggen, wat en wanneer jullie over een nieuwe gebeurtenis moeten schrijven! En broeder Johannes, jij bent nog lang niet aan de beurt.

[3] Maar nu beste leerlingen, zal Ik van jullie een aantal aanwijzen dat Ik ten dele nu reeds naar de steden van Israël zal sturen om de mensen de boodschap over het Rijk van God te brengen. (Matth. 10:1) Simon Petrus, jij bent de eerste; Andréas, broer van Simon, jij bent de tweede; Jacobus, zoon van Zebedéus, bent de derde en Johannes, z'n broeder, (Matth. 10:2) de vierde; Philippus, jij bent de vijfde; Bartholoméus, de zesde; Thomas, de zevende en Matthéus de tollenaar, de achtste; Jacobus zoon van Alféus, is de negende en Lebbéus, ook wel Thaddéus genoemd (Matth. 10:3), jij bent de tiende; Simon van Kana, jij bent de elfde, en Judas Iskariot, is de twaalfde.(Matth. 10:4)

[4] Ik geef jullie twaalven de macht om bij de mensen de onreine geesten uit te drijven en alle besmettelijke­ en andere ziektes te genezen. Overal moeten jullie het Rijk van God verkondigen; maar over de bijzondere, daden moeten jullie zwijgen!'                                  

[5] Na deze verkiezing, vroegen de twaalf gekozen leerlingen Mij, waar  ze dan nu dadelijk naar toe moesten, hoe ze moesten handelen en waarover ze in hoofdzaak moesten spreken.

[6] Daarop gaf Ik het hierna volgende uitgebreide antwoord, dat de twaalf uitgekozenen niet zo erg beviel; en zij voerden die opdracht pas na Mijn  hemelvaart ten volle uit.

[7] De opdracht was echter ook zo geformuleerd, dat ze voornamelijk betrekking had op de tijd na Mijn hemelvaart toen de twaalf of liever allen, die in die tijd Mijn leer verkondigden, pas datgene ondervonden, wat Ik nu aan de twaalf bekendmaakte.

[8] Voordat Ik echter vertelover de uitgebreide opdracht aan de twaalf,  moet Ik voor een juister begrip van het geheel vermelden, dat de evangeliën, ook die van Matthéus en Johannes, zoals ze in deze tijd in de verschillende talen te lezen zijn, slechts uittreksels zijn van het oorspronkelijk evangelie. en daarom ook in de verste verte niet alles bevatten wat Matthéus en Johannes hebben opgeschreven. Toch is er hier en daar door degene die het geschrevene later verzameld en overgeschreven heeft, iets toegevoegd wat duidelijk pas later bijgevoegd kon worden. Een voorbeeld hiervan is hier in het tiende hoofdstuk van Matthéus bij vers vier te vinden, waar bij de twaalfde apostel, Judas Iskariot, staat: 'die Hem later verried'. Matthéus, die zijn evangelie in Mijn bijzijn schreef, wist daar op het moment van de apostelkeuze nog niets van en kon daarom zo'n bijzin ook niet toevoegen; dat heeft in later tijden een overschrijver gedaan.

[9] Daarom staat zowel in de Hebreeuwse als in de Griekse bijbels vooraan altijd de aantekening: 'evangelie naar Matthéus', 'naar Johannes', enz.

[10] Niemand moet zich er daarom aan stoten, als hij bij het lezen van Matthéus en Johannes hier en daar soortgelijke passages tegenkomt, die de oorspronkelijke evangelist op het moment dat hij het evangelie schreef. niet op had kunnen schrijven omdat het daarin beschreven feit pas veel later plaats vond. Hier wordt alles echter streng chronologisch vastgelegd. en opdat er in de loop van de tijd door wetenschappelijke piekeraars geen verkeerde conclusies getrokken zullen worden, heb Ik deze bijzon­derheid hier op de daarvoor geschikte plaats vermeld.

[11] Net als al eerder zullen in het verdere verloop nog hier en daar verklarende stukken tussengevoegd worden. wat des te noodzakelijker is omdat door het overschrijven menig belangrijk punt niet geheel juist is overgeschreven en menige zaak die de kopiist niet authentiek toe leek. ook wel helemaal werd weggelaten. Want er is toentertijd veel opgeschreven, deels door ooggetuigen, deels van horen zeggen, en voor de eerlijke kopiist was het daardoor een heel moeilijke taak om in alle gevallen volledig waarheidsgetrouw te blijven.

[12] De beide evangeliën naar Matthéus en Johannes zijn op enkele kleinigheden na het zuiverste.

[13] Een kritisch mens zou hier kunnen vragen: 'Waar is dan het echte origineel gebleven? Bevindt het zich nog niet ergens op aarde. en was het bij het toenmalige aantal mensen dat de heilige geest ontvangen had. voor God dan onmogelijk om het oorspronkelijke evangelie woordelijk te reproduceren?'

[14] Het antwoord hierop is: De originelen zijn wijselijk vernietigd om te voorkomen dat in de kortst mogelijke tijd zulke relikwieën afgodisch vereerd zouden worden. Zelfs met valse en verzonnen relikwieën gebeurt dat nu nog, hoewel Mijn echte en zuivere leer dat streng verbiedt en daarbij ernstig waarschuwt voor het zuurdeeg van de Farizeeën. Stel u voor dat er een echte historisch bewezen relikwie zou zijn! Ik zeg u. dat daar nog veel meer afgoderij mee gepleegd zou worden dan met het zogenaamde heilige graf te Jeruzalem, waaraan behalve de plaatselijke toestand zelfs geen origineel zandkorreltje meer kleeft. Dit is de voor de hand liggende reden, waarom de originelen vernietigd zijn.

[15] Wat echter de tweede vraag betreft. daarop moet gezegd worden. dat de geest van de originelen ook in de afschriften geheel bewaard is gebleven; letters zeggen zonder meer niets. maar het gaat om één en dezelfde geest. Of is het soms niet meer dezelfde geest van God. als Hij zich hier op aarde op eindeloos verschillende vormen manifesteert en dat op een zon nog eindeloos gevarieerder doet? Zie, het is en blijft toch steeds één en dezelfde heilige Geest!

[16] Zo is dat ook het geval bij de afschriften van Mijn woorden. Hoe verschillend ze er ook van buiten uitzien, ze zijn van binnen toch met één en dezelfde geest vervuld, en meer is niet nodig!

[17] Ten overvloede kunt u nog de religies van vreemde volken nemen, zoals van de Turken, de Parsen, Hindoes, Chinezen en Japanners! Hoe zeer zij ook afwijken van Het geloof dat Ik alleen aan de kinderen uit de hemel der hemelen gaf, toch is ook in hen, hoewel veel dieper verborgen, dezelfde geest van God als een sturende kracht aanwezig!

[18] Ieder, die ook maar enige kennis bezit van de aard van de dingen, zal zonder moeite begrijpen dat zich in de vaak zeer dikke en verweerde schors, die jammer genoeg door velen al voor de boom zelf aangezien Wordt, allerlei vervuilingen en vele soorten wormen en insecten bevinden, die leven van het slechte voedsel dat de schors hen geeft. Omdat de schors uit de levende boom, maar nooit de levende boom uit de schors groeit, heeft de schors ook iets levends van de boom in zich, en daarom is het te begrijpen, hoe in en uit haar zoveel wormen en allerlei insecten toch een uiterlijk en vergankelijk levensvoedsel vinden.

[19] Oorlogen, vervolgingen, verwoestingen vinden slechts plaats op de schrale en levensarme bast, terwijl het hout van de levende boom fris en gezond blijft. Daarom moet levend hout zich ook niet bekommeren om wat er in de eigenlijk alleen maar dode bast gebeurt; want de bast zal blijven liggen als het hout verzameld wordt.

[20] Deze ingelaste verklaring was nodig om het volgende gemakkelijker en grondiger te kunnen begrijpen. En omdat voorlopig geen twijfel daarover kan bestaan, kunnen we nu weer welgemoed terugkeren naar de hoofdzaak.

 

 

135 Opdracht aan de apostelen

 

[I] Toen Ik de twaalf leerlingen uitkoos tot Mijn boodschappers en voorlopers, en hen door het opleggen van Mijn handen veelsoortige macht gaf en ook beknopt opdracht gaf hoe ze moesten handelen, vroegen alle twaalf zeer nadrukkelijk om een complete instructie over wat ze zouden moeten doen, waarover en hoe ze zouden moeten spreken en leren, hoe hun gedrag moest zijn, en wat hen zoal te wachten zou staan. Want hun vrees voor de vele Farizeeën en schriftgeleerden was niet gering.

[2] Matthéus, de tollenaar, was de enige die een beetje meer moed had, en hij gaf als commentaar bij alle bedenkingen die de twaalf naar voren brachten: ' Ach wat, ik ben een Griek; mij kunnen ze niet zo makkelijk iets maken! Daarbij ben ik niet op mijn mondje gevallen en ik heb twee sterke armen aan mijn lijf en kan bovendien duidelijk aantonen dat ik Romeins burger ben waarnaar geen brutale Jood een vinger durft uit te steken. Zo zal ik in ieder geval in het openbaar wel van ze afkomen. Maar voor geheime en verraderlijke vervolgingen zal de almachtige geest van onze Heer en Meester mij beschermen, en dus heb ik zelfs tegen de sluwste vijanden een groot aantal uitmuntende wapens, en ik ben daarom voor de hele hel niet bang! Jullie zijn voor het grootste deel Galileeërs, ofwel vijanden van de tempel, en meer Grieks dan Joods, en de Romeinen zijn jullie vrienden; wat hebben jullie onder die om­standigheden dan te vrezen? We moeten trouwens moedig zijn als het gaat om de verwezenlijking van zaken die zo eindeloos groot en heilig zijn! Ook al valt de aarde tot één grote puinhoop in elkaar, dan moet de juiste man toch met doodsverachting op de resten staande blijven en niet beven als een rietstengel! -Maar ik zou ook graag een complete en volledige instructie voor dit grote en heilige werk willen krijgen; want we moeten goed weten wat we zullen moeten doen en zeggen!'

[3] Na deze energieke toespraak van Matthéus d.t., kregen allen meer moed en begon hun rug behoorlijk te jeuken, alsof ze al liever weg zouden vliegen, dan te voet op weg te gaan.

[4] Toen ging Ik in hun midden staan en zei tot hen: 'Luister dan heel goed; Ik zal jullie nu zonder voorbehoud alles vertellen wat je moet weten.

 [5] Bij de eerste zendingstocht zullen jullie weliswaar niet alles meemaken wat Ik je nu ga zeggen; maar nadat Ik in levende lijve van deze aarde naar Mijn hemelen opgevaren zal zijn om eeuwige woningen voor jullie klaar te maken in het huis van de Vader, zullen jullie alles meemaken wat Ik je nu als één geheel voor nu en voor de hele toekomst zal openbaren. Let daarom goed op en begrijp, wat voor nu en wat voor later bedoeld is!

[6] Wat Ik echter tegen jullie zeggen zal, geldt ook in meer of mindere mate voor degenen, die in Mijn naam volledig in jullie voetstappen treden. Schrijver Matthéus moet net als op de Garizim alles woordelijk opschrijven wat Ik thans zal spreken; want dit moet voor de wereld bewaard blijven, omdat het een krachtig getuigenis tegen haar zal zijn!'

[7] Matthéus de schrijver zet zich klaar om te schrijven en Ik zeg tegen de twaalf:

[8] 'Begeef je in de eerste plaats niet op de wegen van de heidenen! Dat betekent:

[9] Ga niet met geweld te werk en vermijd de volken, die als te woest bekend staan; want aan honden en varkens moet je het evangelie van het Rijk van God niet verkondigen. Want een varken blijft een varken, en de hond keert altijd gulzig naar zijn braaksel terug. Dat bedoel Ik als Ik jullie aanraad om je niet op de heidense wegen te begeven.

[10] Ga ook niet naar de steden van de Samaritanen! Waarom? Daar heb Ik reeds in jullie bijzijn een apostel naast jullie aangesteld, en ten eerste hebben ze jullie niet nodig en ten tweede zouden de Joden nog meer moeite hebben om jullie te accepteren als ze hoorden dat jullie met hun ergste vijanden samen gaan.

(Matth. 10:5) Maar ga wel overal moedig naar de verdoolde schapen van het huis Israël! (Matth. 10:6)

[11] Als je naar hen toegaat, leg het hun dan uit en toon hun op een begrijpelijke manier hoe dicht het hemelrijk nu bij hen gekomen is! (Matth. 10:7) En als ze naar je zullen luisteren en je prediking zullen aanvaarden, maak dan hun zieken gezond, reinig de melaatsen, wek hun doden op - afhankelijk van wat de Geest je zal ingeven -lichamelijk, maar altijd en vóór alles geestelijk!

[12] Drijf de duivels uit en zorg dat ze niet terug kunnen komen! Maar bij dit alles geldt wel steeds, dat je je daarvoor door niemand iets Iaat betalen! Want jullie hebben het voor niets van Mij gekregen, en net eender moeten jullie het ook weer in Mijn naam geven!' (Matth. 10:8) - Dit laatste zei Ik toen voornamelijk ten behoeve van Judas Iskariot, omdat hij meteen heimelijk bij zichzelf begon uit te rekenen, hoeveel hij zich Voor een bepaalde eenmaal bewezen dienst zou laten betalen. Alleen al voor de opwekking van een dode, voor wie de een of andere zeer rijke erg veel over zou hebben, wilde hij duizend pond vragen! Maar omdat Ik die rekenarij in het hart van de verrader maar al te gauw bemerkte, maakte Ik direkt bovenstaande toevoeging, waarop de desbetreffende wel een wat zuur gezicht trok, wat de tegenover hem staande Thomas niet ontging, die niet kon nalaten er tussendoor te zeggen: 'Nou, nou, je zet een gezicht als iemand, die woekerwinsten had te vorderen, waar het gerecht nu een armdikke streep door haalt!'

[13] Judas zegt: 'Het gaat je niets aan wat voor gezicht ik trek! Uiteindelijk zal ik jou ook nog verantwoording af moeten leggen voor mijn gezicht?! Ik ben toch net als jij geroepen en nu uitgekozen; wat sta je me dan steeds te corrigeren?'

[14] Thomas zegt: 'Ik corrigeer je niet; maar bij bepaalde gelegenheden mag ik je toch wel een vraag stellen? Waarom trok je dan daarnet niet zo'n zuur gezicht, toen de Heer ons allerlei wonderbare macht toebedeelde en toonde hoe we deze kunnen en moeten uitoefenen? Toen de Heer echter zei, dat we dat voor niets moeten doen, kreeg je gezicht meteen die azijnzure uitdrukking; ja, waarom dan? Heb je soms kramp gekregen, waardoor je wangen en je voorhoofd zulke zure rimpels kregen? Geef eens eerlijk antwoord, als je dat durft!'

[15] Judas zegt tegen Mij: 'Heer, zeg eens dat hij op moet houden, ­anders ben ik steeds aan zijn opmerkingen overgeleverd, die op den duur werkelijk beledigend voor me zijn!'

[16] Ik zeg: Vriend! Als iemand vals beschuldigd wordt, dan lacht hij in zijn hart daarom; want daar weet hij, dat hij onschuldig is. Maar als iemand, ook al is het schijnbaar toevallig, een ander van iets beschuldigt waaraan hij werkelijk schuldig is, -zeg dan eens, zal ook die mens in zijn hart lachen? O nee! Ik zeg je: Deze mens wordt in zijn hart boos op degene, die hem als bij toeval beschuldigde, en wordt nooit zijn vriend! Wind je daarom niet op, anders beken je op die manier zelf nog je schuld!'

[17] Op deze woorden trekt Judas meteen een zo vriendelijk mogelijk gezicht, om maar niet te verraden dat hij ergens aan schuldig is! Maar Thomas zegt bij zichzelf: 'O vos, ik ken je; mij ontsnap je niet!' .

[18] Simon van Kana vroeg nu: 'Heer, wat moeten we echter doen, als iemand ons voor een genezing goud, zilver of muntstukken wil geven? Moeten we dat ook niet aannemen? Er zijn toch veel armen, die we dan met dat geld goed zouden kunnen helpen!' Ongevraagd valt Judas hem bij en zegt: ' Ja, ja, dat vind ik ook! Als iemand voor gegeven hulp, goud, zilver of ook muntstukken als het ware zou worden opgedrongen, dan kon hij dat voor het door Simon van Kana genoemde doel toch wel aannemen!?'

[19] Ik zeg: 'Beslist niet, broeders!' Ik zeg je: Jullie zullen noch goud, noch zilver, noch muntstukken in jullie gordels hebben; want een goede arbeider verdient zonder dat alles zijn voedsel! (Matth. 10:9) Wie echter niet werken wil als hij het wel kan, die moet ook geen eten krijgen! Want er staat geschreven: 'In het zweet uws aanschijns zult u uw brood verdienen!' Maar dat een werkschuwe mens met behulp van een aalmoes van goud, zilver en muntstukken voor zijn eten moet zorgen, dat staat nergens geschreven! De zwakken, ouden en gebrekkigen moeten volgens de wet door de hele gemeente onderhouden en goed verzorgd worden.

[20] Maar zonder dat zal er toch al veel te gauw een tijd komen, waarin het goud, het zilver en het geld de mensen zal regeren en zal bepalen hoeveel men voor de wereld waard is. Dat zal echter een kwade tijd zijn; het licht van het geloof zal uitdoven, en de naastenliefde zal net zo hard en koud worden als het geld!

[21] Daarom moeten jullie bij het weggaan geen reiszak meenemen, ook geen twee mantels en geen reisstok! Want zoals Ik al zei, een goede arbeider Ïs zonder dat alles ook zijn voedsel waard!' (Matth. 10:10)

 

 

136 De tegenwerpingen van Judas

 

[I] Maar nu vroeg Judas: 'Heer, dat zal allemaal wel in orde zijn, en we zullen bij de boeren zeker zonder geld wel verzorgd worden; maar we zullen toch ook wel naar de steden en markten moeten gaan, waar de gastvrijheid van vroeger allang verdwenen is! Hoe kunnen we daar zonder geld in leven blijven of iets doen?'

[2] Ik zeg: ' Als je een stad of een markt bezoekt, vraag dan of er iemand is die jullie hulp verdient en datgene nodig heeft wat je kunt geven! Als je zo iemand hebt gevonden, blijf dan bij hem tot je daarvandaan weer ergens anders heentrekt! (Matth. 10:11 )

[3] Het spreekt echter wel vanzelf, dat je het huis waar je intrekt, eerst begroet (Matth. 10: 12);  want de echte liefde gedraagt zich altijd welge­manierd in een vreemd huis. Als een huis, d.w.z. diens bewoners, jullie waard is, dan zal jullie vrede over hen komen; is het huis jullie echter niet waard, dan zal je vrede weer tot je terugkeren. (Matth. 10: 13)

[4] En als de bewoner van een huis je niet zal aannemen of niet wil luisteren naar wat je zegt, ga dan direct uit zo'n huis, en zo nodig ook uit zo'n stad en schud zelfs het aan je voeten klevende stof af, als een belangrijk getuigenis over haar dat eens gebruikt zal worden! (Matth. 10: 14) Want het is de waarheid als Ik je zeg, dat het bij het jongste gericht voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zal zijn in de andere wereld, dan voor zo'n stad! (Matth. 10:15)

[5] Zie! Ik zend jullie als schapen onder de verscheurende wolven; wees dus overal sluw als de slangen, maar tevens zonder valsheid zoals de duiven, die een symbool van de zachtmoedigheid zijn!' (Matth. 10:16)

[6] Daarop zegt Judas: 'Heer! Als de zaken er zo voor staan, zullen we over het algemeen niet veel bereiken! Wat hebben we aan het toekomstige jongste gericht in de geestenwereld, waaraan haast geen mens meer gelooft? Als wij met de goddelijke totale macht die we nu van U hebben gekregen, niet een zeer scherp en noodzakelijk jongste gericht over de verscheurende wolfmensen kunnen of mogen uitspreken, dan kunnen we maar beter thuis blijven! Want als we tegenover zulke wolven, waarvan vooral de steden uitpuilen, ook maar iets te luid over U zullen getuigen, dan zal men ons grijpen, boeien en naar het raadhuis slepen en daar hard over ons rechtspreken; en men zal ons dan, als de vonnissen niet te hard zijn, toch minstens voor de Joden in de scholen geselen en ons tot slot als vogelvrijen de stad uitjagen. Echt, voor zo'n geschenk bedank ik vooraf al! Wat heb je aan alle wijsheid, waarheid en de grootste eerlijkheid, als daartegenover het meest willekeurige geweld in haar blinde ijver woedt?

[7] Als er een zuivere waarheid en een echte gerechtigheid is, waarvoor de tegenwoordige mensheid niet het minste begrip heeft, dan moet bij ons ook het Romeinse principe gelden: 'Al gaat de hele wereld te gronde, het recht zal toegepast worden!' De ware deugd moet altijd beloond worden; de leugen, de afgunst, de gierigheid, de valsheid en alle onge­rechtigheid moet steeds onverbiddelijk gestraft worden! Als we iets willen bereiken met de thans bijna geheel verworpen slechte mensheid, dan moeten wij optreden zoals de engelen in Sodom em Gomorra. Wie naar ons luistert en ons in Uw naam aanneemt, die zal Uw genade ten deel vallen; wie echter niet naar ons luistert en ons niet aannemen wil, die wordt bezocht door een plaag! Wie ons echter wil vervolgen en voor een wereldlijk gerecht wil brengen, moet een verterend vuur uit de hemel over zich heen krijgen, en dat moet datgene met hem doen wat het eens met de Sodomieten gedaan heeft !

[8] Heer, als U ons toestaat om zo te werken, dan zullen we ook heel zeker deze huidige zending met goed gevolg uitvoeren; als we echter niet zo mogen handelen met de uitermate bedorven en ontaarde mensheid, dan is al onze moeite en al ons werk voor niets. Uiteindelijk worden we gestenigd, en u Zelf zult, als daar een mogelijkheid voor is, gedood worden, en onze immens vele tegenstanders zullen in een overwinnaarsroes lachend over onze lijken verder gaan. En dat zal dan ook alles zijn, wat wij met al die misplaatste goedheid, toegevendheid en zachtmoedigheid zullen bereiken. Kort en goed, om iets bij de satan te bereiken moet men hem volkomen meester zijn, of hem als knecht dienen, anders wordt het niets!'

 

 

137 Troost voor de apostelen

 

[1] Ik zeg: 'Omdat je een mens van deze aarde bent, daarom spreek je ook als een mens van deze aarde. Hij echter, die van boven is gekomen, spreekt anders, omdat Hij alleen inziet en het beste weet, wat de mens te allen tijde nodig heeft opdat diens geest vrij zal worden van de almacht en van de toorn van God, en voor eeuwig de ware zelfstandigheid zal bereiken.

[2] Want het aardse leven geeft de geest geen leven en ook geen vrijheid, maar de dood; de aardse dood is echter de overgang van de geest naar het eeuwige leven en de daarbij behorende ware eeuwige vrijheid.

[3] Als Ik op menselijke manier spreken wil, dan zeg Ik je dat dat alles en nog veel meer al met de mensheid gedaan is, en zeg nu zelf eens, waar zijn volgens jou de gouden vruchten daarvan!

[4] Hoeveel beter zijn de mensen op deze aarde geworden na wat er gebeurde ten tijde van Noach, dan er voor? Wat gebeurde niet lang daarna  met Sodom en Gomorra?,

 [5] En zie, behalve de Moren en Sinieten in het uiterste oosten, zijn alle heidenen en ook veel als dieren verwilderde Scythen die de noordelijke landen van de aarde bewonen, nakomelingen van Lot; hoe vind je dat ze zijn geworden, ondanks de les, die hun vader Lot kreeg?

[6] Ga naar Egypte en onderzoek hoeveel beter de volken geworden zijn door de zeven plagen! Wat heeft Mozes niet allemaal gedaan; wat deden niet al de profeten?!

[7] Veertig jaar liet Jehova de te slecht geworden Joden ellendig smachten in de Babylonische gevangenschap, ze werden behandeld als de slechtste lastdieren en gevoerd met het voer van de varkens en de honden; de bekoorlijke dochters van de Joden zijn onder geseling en allerlei mar­telingen door de overmoedige Babyloniërs dag en nacht verkracht tot de dood volgde, net als de knapen en jongelingen, die eerst gecastreerd werden! Ga en vraag alle hoge en trotse Joden hoeveel beter ze door die les zijn geworden!

[8] Noem me één periode, één jaar, één maand, één week, één dag, waarop de Heer de te slechte mensheid niet persoonlijk of in het algemeen gestraft heeft! In het hele Jodenland is geen huis te vinden dat daarvan vrij gebleven is; zeg zelf eens hoeveel beter de mensen nu zijn'?! ­

[91 Daarom kom je met je raad aan Mij veel te laat; want dat heeft allemaal al plaats gevonden en heeft voor de geestelijke weg ook datgene te weeg gebracht, wat het moest teweeg brengen; maar voor de uiterlijke aardse levensomstandigheden van de mensen kan en mag uiteraard geen merkbaar effect optreden, omdat deze nooit een reden waren om van boven iets te laten gebeuren.

[101 Als Ik nu echter weer met donder en bliksem het evangelie van het Rijk van God op aarde aan de mensen zou willen verkondigen, zou Ik jullie daarbij niet nodig hebben; want dan zijn er in de hemel nog een overgroot aantal machtige engelen, die veel meer verstand hebben van zo'n verbreiding van het Godsrijk op aarde dan jullie.

[111 Maar nu is de tijd gekomen, die aan Elia getoond werd toen hij verborgen lag in de grot op de berg. Niet in de storm, ook niet in het vuur, maar in het fluisteren van de wind kwam Jehova voorbij! En deze tijd van het zachte fluisteren van Jehova voor de grot van deze wereld is nu aangebroken! Daarom willen en mogen we ook nu noch met stormgeweld, noch met vuur er op uittrekken, maar volgens de eeuwige ordening van God slechts met alle liefde, zachtmoedigheid en geduld!

Maar je moet de voorzichtigheid niet uit het oog verliezen! Want Ik zie wel dat jullie nu als lammeren onder de verscheurende wolven komen; maar als je voorzichtig bent, dan zul je toch veel tot stand brengen!

[12] Pas daarom op voor die bepaalde mensen en laat hen links liggen; want die zijn het, die jullie overleveren en voor hun raden zullen brengen en ook zullen geselen in hun scholen, -en dat des te eerder, als je dom en niet voorzichtig genoeg bent! (Matth. 10:17) Als een lam zich op de zolder van het huis bevindt waar de wolf niet komen kan, dan zal de wolf het ondanks al zijn bloeddorst niet kunnen deren. Als het lam echter eigenwijs is en van de veilige zolder afgaat om de vijand van dichterbij te bekijken, dan is het zijn eigen schuld als het (Matth. 10:18) door de wolf verscheurd en opgegeten wordt.

[13] Later, als Ik weer naar de hemelen ben opgevaren om eeuwige;: woningen voor jullie gereed te maken in het huis van de Vader, zal men jullie ter wille van Mijn naam wel voor vorsten en koningen sleuren tot een getuigenis over hen en over de heidenen (Matth. 10:18), opdat daardoor ook vervuld wordt, wat Jesaja, Mijn profeet, voor alle tijden en voor Mijn nu op te richten Rijk op aarde over de domme koningen voorspeld heeft, toen hij zei (Jesaja 32:6-20):

[14] 'Een dwaas spreekt over dwaasheid, en zijn hart gaat met het ongeluk om, omdat hij huichelarij veroorzaakt en predikt om van de Heer af te dwalen, opdat de hongerige zielen nog meer worden uitgehongerd en de dorstigen mets te drinken krijgen. Het regeren van de gierige geeft alleen maar nadeel; want hij vindt genoeg valse streken om met onoprechte woorden de ongelukkigen te verderven als hij op moet komen voor het recht van de arme. Maar echte vorsten zullen ook vorstelijke gedachten hebben en het recht daarover behouden.

[15] Verhef u echter, trotse vrouwen, en luister naar mijn stem! Gij dochters die zo zeker van jezelf bent, spits je oren voor wat ik zeg! In een jaar en een dag zullen jullie, die zo zeker van jezelf bent, sidderen; want als er geen wijnoogst is, dan wordt er ook geen wijn gelezen. Schrik op, jullie trotse vrouwen! Want het is de hoogste tijd, om de lendenen te ontbloten en aan te gorden!

[16] Men zal treuren over de akkers, ja, over de liefelijke akkers, en over de vruchtbare wijnstokken; want op de akker van mijn volk zullen dorens en doornhagen groeien en ook over alle bordelen van de vrolijke stad. De paleizen zullen verlaten zijn en de menigte in de stad eenzaam, zodat de torens en vestingen eeuwige holen worden tot vreugde van het wild, tot weide voor de kudde. En dat zo lang, tot de geest uit de hoogte over ons uitgegoten wordt.

[17] Dan zal de woestijn een akker worden en de akker zal men als een deel van het woud zien. En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid woont op de akker. En de vrucht van de gerechtigheid zal de vrede zijn, en het nut van de gerechtigheid zal eeuwige stilte en zekerheid zijn,

[ 18] Daar zal mijn volk in huizen des vredes wonen, dus in veilige woningen en in trotse rust, Maar langs het bos zal toch de hagel vallen, en de stad op aarde zal klein zijn.

[19] Nu ga het jullie dan goed als je vlijtig zaait aan de wateren; laat rustig de voeten van ezels en ossen daarover gaan!'

[20] Als jullie dus door de slechte dwazen van deze wereld naar de door Jesaja beschreven narrenkoningen gebracht en daaraan overgeleverd worden, maak je dan geen zorgen over wat je zeggen moet en hoe je je verantwoorden moet; want in dat uur zal jullie gegeven worden, wat je zeggen en hoe je je verantwoorden moet! (Matth. 10:19) Want jullie zijn het niet die daar spreken; maar Mijn geest, des Vaders geest is het, die door jullie spreekt! (Matth.10:20)

[21] Dat heeft echter alleen betrekking op de hiervoor aangeduide tweede uitzending, die jullie na Mijn hemelvaart moeten uitvoeren; nu zullen jullie het niet al te zwaar hebben.

[22] Want wat de profeet aan het eind zegt, dat zeg Ik jullie nu ook: Het ga jullie goed die gaan zaaien aan de oevers van de wateren. want op deze grond mogen jullie je ezels en ossen, dat betekent jullie vlijt om het goede en juiste te doen waarvoor Ik jullie geroepen en uitgekozen heb, best laten lopen! Je zult daar geen narrenkoning tegenkomen en ook geen trotse en hoogmoedige vrouwen, maar wel lichamelijk en nog meer geestelijk armen, zieken, bezetenen, lammen, doven en blinden­; ga daarheen en predik hen het evangelie van het Godsrijk, en genees ieder die gelooft en verzwijg hem Mijn naam niet!'

 

 

138 De vraag van Simon van Kana

 

[1] Simon van Kana zegt: 'Heer, ik heb nog één vraag voor U, die mij uiterst belangrijk voorkomt, Misschien wilt U die, ter lering en voor de rust van ons gemoed, nog beantwoorden voor we er op uit trekken­ Ik vraag U om mij aan te horen!'

[2] Ik zeg: 'Ik lees jouw vraag in je hart precies er dan je hem zult kunnen formuleren; maar laat je dat niet verhinderen om je vraag ter wille van de broeders hardop uit te spreken! Want de vraag is werkelijk bijzonder belangrijk en een echte onbedorven Jood waardig. Zeg dus maar zonder omwegen, wat je op je hart hebt!'

[3] Simon van Kana zegt: 'Nu dan, als het ook Uw wil is dat ik spreek, luister dan allen goed naar mij! Dit is de vraag:

[4] Wij zullen nu gaan naar wie ons nodig hebben, Wij zullen prediken wat U ons op de berg hebt geleerd. Uw bergrede is zuiver goddelijk en dus oprecht en hemels. Maar deze leer gaat voor het grootste deellijnrecht in tegen de oude mozaïsche wetten.

[5] Ik ken bijna alle plaatsjes langs de langgerekte Galilese zee, en haar inwoners ken ik dikwijls evengoed. Er zijn er veel onder hen, die Mozes en alle profeten allang vervangen hebben door Pythagoras; die zijn nu juist niet zo gevaarlijk voor Uw nieuwe leer. Maar er zijn ook families, die zo gezegd voor Mozes en eigenlijk nog meer voor de tempel, leven en sterven, - en meestal geldt dat meer voor de ouders dan voor de kinderen, hoewel het ook wel voorkomt dat het net omgekeerd is. Als nu kinderen van zulke aan de tempel verknochte Joden Uw op zo vele punten anti-tempelse leer aannemen, terwijl hun ouders dat zeer waar­schijnlijk niet doen, - wat zal daar dan uit voortkomen?

[6] De ouders zullen de kinderen betichten van ongehoorzaamheid aan Mozes en zullen ze vervloeken, - iets wat bij zulke fanatieke aan de tempel verknochte Joden beslist niet zeldzaam is!

[7] Dit zal zich ongetwijfeld voor onze ogen afspelen en wat zullen we dan moeten doen? Want het is zeker dat zulke ouders ons zullen vervolgen en grenzeloos zullen vervloeken.

[8] In het omgekeerde geval zou het eenvoudiger kunnen zijn, omdat de kinderen alleen al door de staatkundige wetten nooit de baas over hun ouders kunnen spelen. Zo zullen we nu dus behalve de zegen ook dikwijls tweedracht, twist, toorn, haat en wraakzucht zaaien en door duizenden gehaat, vervolgd en algeheel vervloekt worden! Wie zal deze schade weer herstellen en wie zal de duizendvoudige vloek van onze hoofden wegnemen?'

[9] Ik zeg: 'Dat gaat jullie niets aan! Kijk, uit de hemel komt niet alleen de milde voorjaarszon, die de hele natuur opnieuw tot leven wekt met haar stralen, maar ook storm, hagel, bliksem en donder .

[10] Welhaast iedereen prijst de zonnestraal; maar de hagel, de storm, de bliksem en de donder wil niemand loven, en de winter komt voor iedereen altijd te vroeg, -en toch is de winter voor iedereen heilzamer dan het voorjaar, en storm, hagel, bliksem en donder zijn net zo nodig als de milde straal van het avondrood!

[11] Ik zeg jullie: Het zal gebeuren, en het moet gebeuren, dat ter wille van Mijn naam de ene broeder de andere zal overleveren aan de dood, en dat zal ook de vader met zijn zoon doen, en de kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen de dood indrijven! (Matth. 10:21) Maar jullie moeten door iedereen van de eigenlijke wereld, zoals die thans is, gehaat worden ter wille van Mijn naam!

[12] Wie van jullie zich daaraan niet ergert, maar volharden zal tot het einde, die zal zalig worden (Matth.10:22); want de satan trekt zijn klauwen niet zo maar van zijn buit af! Hebben jullie Mij begrepen?'

[13] Judas zegt: 'Het wordt steeds mooier! Als iedereen ons moet gaan haten vanwege deze opdracht, dan beveel ik zo'n onderneming wel in Gods handen aan! Veel geluk en een krijgshaftige stemming! Zij, die ons haten, zullen zich zeker net zo over ons ontfermen en ons bewaren als de hete zomer zich over de sneeuw ontfermt en deze bewaart! Heer, als U dat volle ernst is, dan zeg ik U als heel eenvoudig, maar enigszins ervaren mens: Blijf samen met ons liever thuis; want dit zaad zal niet opkomen en geen vrucht dragen! -Luister! Als we het in een stad met onze prediking en onze daden zover gebracht zullen hebben, dat we daar door iedereen dodelijk gehaat worden, wat staat ons dan te doen? Moeten we ons dan ook nog heel gewoon laten doden? En als dat ook moet, -wie zal Uw leer dan verder verbreiden? - Ha, bedenk eens, wat U vraagt! Om 's hemelswil, ziet U dan niet in, dat U Zich daardoor helemaal onmogelijk maakt en Uw Eigen grootste vijand en vervolger bent? Waar, waar in de hele wereld vind je iemand, die mij meer dan de dood haat en toch luistert naar mijn prediking die zijn huis vervult met alle mogelijke tweedracht, haat, toorn en dodelijke wraak? Zeg, -wat moet er in zo'n geval gedaan worden?'

[14] Ik zeg: 'Jij praat altijd, zoals jij het begrijpt; wij praten echter, zoals wij het begrijpen. Jij begrijpt het allemaal op een grove wereldse manier, terwijl hier op een hemelse geestelijke manier gesproken wordt.

[15] Als je met z'n tweeën bent en beiden zo'n grote angst voor de mensen hebt, ontvlucht dan een stad waar men jullie zal vervolgen en ga naar een andere! Want voorwaar Ik zeg jullie: Je zult lang niet in alle steden van Israël gepredikt hebben, voordat Ik als de Zoon des mensen weer bij jullie zal komen (Matth. 10:23) als Degene, die voor ieder het gericht, een verwoestend vuur in zijn hart, ontsteken zal, en de kwade worm in de borst van de boosdoener zal wekken; en het vuur zal niet doven en de worm zal niet sterven; jullie zullen daardoor echter gerechtvaardigd worden. Want wee degenen, die jullie hebben vervolgd en de hand aan jullie geslagen hebben!'

[16] Judas zegt weer: 'Ja, als we al doodgeslagen zijn, dan zult U wel komen! Als U ons nu toch al de macht over de boze geesten hebt gegeven en de kracht om alle ziekten te genezen, waarom geeft U ons dan ook niet daarbij de macht over de slechte mensen, waarvan er niet zelden één slechter is dan alle boze geesten, die zich ooit als parasiet in de lichamen van de mensen genesteld hebben? Geef ons de macht om vuur uit de aarde op te roepen onder de voeten van hen, die ons vervolgen, en wij bekeren in korte tijd de hele wereld voor U!'

[17] Ik zeg: 'Wil je dan meer zijn dan je Meester en Heer? Ik zeg jullie allen: De leerling is niet meer dan zijn meester en de knecht niet meer dan zijn heer.

(Matth. 10:24) Het is voor de leerling genoeg als hij is zoals zijn meester, en dat geldt ook voor de knecht, als hij is zoals zijn heer.

[18] Als jullie Meester en Heer Zich echter niet bedient van buitengewone machtsmiddelen om de mensen Zijn leer op te leggen, waarom zullen Zijn leerlingen en knechten dat dan willen? Maar als de wereldse mensen Mij, de Heer en eeuwige Huisvader, al 'Beëlzebub' genoemd hebben, hoeveel te meer zullen ze jullie, Mijn huisgenoten, zo noemen! (Matth. 10:25)

[19] Daarom moeten jullie ook niet bang zijn voor hen, want je kent ze. Denken jullie dan, dat Ik niet weet wat men jullie aan zal doen? Ik zeg jullie: Er is niets zo verborgen, dat het niet aan Mij geopenbaard zou worden, en er is ook niets zo geheim, dat Ik het niet zou weten. (Matth. 10:26)

[20] Omdat Mij dus niets verborgen kan blijven wat men van jullie eist of wat men jullie aandoet, kunnen jullie ook altijd Mijn hulp verwachten! Zoals de leeuwin haar jongen niet verlaat en in tijden van gevaar haar leven inzet voor ieder jong dat men haar ontnemen wil; zo kun je van Mij toch wel verwachten dat Ik jullie in tijden van gevaar ook met Mijn leven zal weten te beschermen!?

[21] Heb dus geen angst voor de wereldse mens! Wat Ik jullie 's nachts leerde, zeg hen dat overdag; en wat Ik één van jullie heimelijk in het oor van zijn hart zei, verkondig dat nu van de daken (Matth. 10:27) en vrees degenen niet, die als een verscheurend dier het lichaam van een mens kunnen doden, maar die de ziel, die het enige is wat leeft en leven heeft niet kunnen doden en die niet in staat zijn om haar ook maar op enige wijze kwaad te doen!

[22] Maar als je dan toch ergens bang voor bent, vrees Hem dan veel meer Die Heer over jullie zielen is, en Die deze kan veroordelen tot de hel als Hij dat wil! (Matth. 10:28) En je kent Hem ook al, want Hij is het die dit tegen jullie zegt!

[23] Kijk eens daar naar dat schuurtje waar het dak nog op zit! Zie eens wat een plezier de mussen daarop hebben; zo vliegen ze er op en zo laten ze zich domweg van het dak vallen! Op de markt koop je er twee voor een penning; hoe weinig zijn ze waard! En toch valt er ook maar niet één van het dak afzonder dat de Vader in de hemel dat toestaat! (Matth. 10:29)

[24] Maar Ik zeg je: Jullie haren zijn geteld (Matth. 10:30), en je verliest er niet één zonder het weten en de wil van de Vader! Als de Vader nu zó zorgt voor dingen, die jullie totaal de moeite niet waard vinden, zal Hij dan niet voor jullie zorgen, terwijl je nog wel Zijn woord en Zijn genade verkondigt?

[25] Jullie vrees is daarom ongegrond, en je moet nooit vrezen; want je bent toch beter dan heel veel mussen. (Matth.10:31)

[26] Ga daarom zonder verdere vrees er op uit en belijd Mij voor de mensen! Waarlijk, wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor de Vader in de hemel! (Matth. 10:32) Maar degenen onder jullie die Mij uit onnodige angst zullen verloochenen bij de mensen, die zal Ik ook eens voor de Vader in de hemel verloochenen.' (Matth. 10:33)

[27] Judas neemt weer het woord en zegt: 'Dat is allemaal heel wijs en mooi gezegd, en het is in die vorm ook beslist waar; maar wat helpt dat allemaal? De leer is buitengewoon heerlijk, zuiver en waar - dat staat als een paal boven water -, en ook Uw daden zijn in ieder geval voor ons zoals we hier samen zijn, een meer dan voldoende bewijs van Wie Degene is, Die deze doet. Maar bij de gegeven gedragsregels zal de leer en zullen haar daden bezwaarlijk ooit algemeen op­ en aangenomen worden. Omdat ze eigenlijk zonder meer onvrede brengt in ieder huis dat haar aanneemt, zal ze zeer streng door de staat vervolgd, of geheel verboden worden, en dan zijn wij nergens meer. Wat dan? Als wij dan als aardse verkondigers van Uw leer en daden zeker maar al te gauw onder stenen of onder het zwaard, in het vuur, of misschien wel aan het kruis of in de leeuwenkuil opgehouden hebben te bestaan, wie zal dan wel onze plaats innemen en ons werk doen?'

 

 

139 Een belofte aan de getrouwen

 

[1] Ik zeg: 'Ik heb je al gezegd, dat jij altijd praat volgens je wereldse verstand. De wereld vrede geven betekent, dat je haar nog meer dood geeft dan ze nu al in overvloed heeft.

[2] Wordt een blinde weer ziende als je hem de ogen uitrukt, of zal een lamme ooit weer kunnen lopen als je zijn slechte been afhakt, of zal de stomme ooit kunnen gaan spreken als je hem de tong uit Iaat snijden, of kan de pest door nog meer pest genezen, en een brandend huis met nog meer vuur gedoofd worden?

[3] Kijk, thans gaat het met de mensen net eender! Geestelijk zijn ze dood en buiten het dierlijke natuurlijke leven hebben ze geen leven in zich. Hun zielen zijn puur vleselijk, en hun geest is zo goed als dood en lijkt op de geesten die in het gesteente rusten en door hun gerichte traagheid de overigens losse materie samengebonden houden, zodat daaruit stenen in allerlei soorten en vormen ontstaan; zachtere en hardere, vele doorzichtig en vele ondoorzichtig, en met verschillende kleuren die afhangen van de aard van de zich daarin bevindende geest.

[ 4] Als je de geesten in de stenen los wilt maken uit hun materie, zal je dat dan met lauw water gelukken? Zeker niet! Ik zeg je: De steen zal onder zo'n zachte en vreedzame behandeling net zo hard blijven als hij was en is. Er is een machtig vuur voor nodig om de geesten in de steen in een groot gevecht te verwikkelen; dan verbreken ze pas zelf de boeien van hun materie en worden vrij. En kijk, zo moet het hier ook gaan!

[5] Wat de geesten in de steen vrijmaakt, zoals het vuur, de strijd, zware druk en zware harde slagen, dat wekt ook de geesten in de mensenharten die veranderd zijn in harde stenen, en maakt ze vrij, vooral de harten van de groten en rijken, die harten van diamant hebben welke door geen aards vuur zacht gemaakt kunnen worden.

[6] Onthoudt dus wat Ik jullie zeg: Laat die belachelijke domme waan varen, dat Ik gekomen zou zijn om door jullie, Mijn leerlingen en Mijn knechten, de wereldse mensen de aardse vrede te zenden; Ik zend het zwaard! (Matth.10:34)

[7] Begrijp het dus goed! Ik ben gekomen, om de nog niet zo harde zoon in beweging te brengen tegen de vaak erg harde onbuigzaamheid van zijn vader, en de niet zo veeleisende dochter tegen haar heerszuchtige moeder, en de zachtere schoondochter tegen haar gierige en afgunstige schoonmoeder! (Matth. 10:35) Ja de eigen huisgenoten behoren de ergste vijanden van de mens zijn! (Matth. 10:36)

[8] Waarlijk, waarlijk Ik zeg jullie: Wie zijn vader en moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard; en wie zoons en dochters heeft en ze meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard! (Matth. 10:37) Wie zijn last, ook al drukt ze hem zo zwaar als het doodskruis van de Romeinen, niet gewillig op zijn schouders neemt en Mij volgt, is Mij al helemaal niet waard, en hij zal geen deel hebben aan het Rijk van God. (Matth. 10:38)

[9] Waarlijk, Ik zeg jullie: Ieder, die het leven van deze wereld zoekt, en het ook zonder moeite vindt, zal het eeuwige leven verliezen, en Ik zal hem niet op de jongste dag, terstond na het afleggen van het lichaam, opwekken, maar hem voor de eeuwige dood in de hel werpen.

[10] Wie echter het wereldse leven niet alleen niet zoekt, maar het ook uit ware, zuivere liefde voor Mij, afwijst en niet de moeite waard vindt, die zal het eeuwige leven vinden (Matth. 10:39); want meteen na de dood van zijn lichaam zal Ik hem opwekken, hetgeen de jongste dag van het nieuwe leven in de geestenwereld is, en Ik zal hem binnenvoeren in Mijn eeuwige Rijk en zijn hoofd versieren met de kroon van de eeuwige onvergankelijke wijsheid en liefde, en Hij zal dan met Mij en al de engelen van de eeuwige eindeloze hemel eeuwig over de hele zinnen­ en gees­tenwereld heersen!'

 

 

140 Het goddelijk geheim in de mens

 

[1] Simon van Kana vraagt: 'Heer kunt U ons dan niet vertellen waar de hemel waarin de engelen wonen nu toch wel is, en hoe groot hij is; en hoe groot de zinnenwereld waarover U sprak, dan wel mag zijn?'

[2] Ik zeg: 'Vriend, je bent blind als je dat niet ziet en begrijpt. Ik zei toch al, dat de hemeloneindig groot is, wat vraag je dan nog naar zijn grootte? Het hemelrijk is geestelijk overaloneindig, dus net zo uitgestrekt als dit eindeloze wereldruim, waarvan je met je oog slechts een onnoembaar klein deeltje overziet.

[3] Deze aarde, de grote zon, de maan en al de sterren -ontzettend grote werelden, sommigen vele duizendmaal duizend millioen maal groter dan deze aarde -zijn, vergeleken met de eindeloos grote schepping van de zinnenwereld, allen bij elkaar verreweg niet zo groot en uitgebreid als wat het kleinste dauwdruppeltje is vergeleken bij de totale grote wereldzee, die toch zo groot is, dat een goede schipper het gehele oppervlak niet zou kunnen bevaren al werd hij dubbel zo oud als Methusalem. Maar de huidige zinnenwereld, zover die nu geschapen is, heeft toch een grens waarachter zich nog een eindeloze, eeuwige ruimte bevindt, die met haar naar alle kanten onbegrijpelijk eindeloze afmetingen zich verhoudt tot de eerder genoemde schepping van de gehele zinnenwereld als de eeu­wigheid tegenover één moment van de tijd.

[4] De geestenwereld is zelf net zo oneindig als de eeuwig nergens eindigende ruimte!

[5] Hoewel de ruimte dus in der eeuwigheid nergens eindigt en daarom in de ware zin des woords naar alle kanten oneindig is, is er toch in de eindeloze diepten en verten van de ruimte geen puntje, waar de geest van de wijsheid en macht van God niet net zo aanwezig is als hier nu bij jullie op deze plaats. De echte kinderen Gods, die door de ware liefde tot God, de eeuwige heilige Vader, en ook door de zuivere liefde tot de naaste gekend worden, zullen in het hiernamaals in het grote Vaderhuls de macht en kracht krijgen om in de eeuwig nooit te vullen ruimte steeds meer nieuwe scheppingen te creëren.

[6] Maar je ontwikkeling is nog niet, zo, ver dat je kunt begrijpen, wat Ik nu verteld heb. Alleen dit zeg Ik jullie nog: Geen sterfelijk oog kan zien, geen oor horen, en geen aards verstand kan ooit begrijpen wat degenen, die het waard worden om kinderen Gods te heten, in het hiernamaals in het hemelrijk wacht!

[7] Want voor de ogen van de echte kinderen Gods zullen de aarden, zonnen en manen als schitterend stof zweven.

[8] Wees daarom niet alleen hoorders, maar veel meer daders van Mijn woord!

[9] Pas door de daad zul je kunnen onderscheiden of de woorden, die Ik tot jullie gesproken heb en nog spreek, uit de mond van een mens of uit de mond van God tot jullie gekomen zijn! (Joh. 7:17)

[10] Maar net zoals jullie zelf vóór alles echte algehele toepassers van Mijn woord moeten zijn, als je tenminste in je hart krachtig ervaren wilt wie Hij is, Die je deze leer en het gebod der liefde heeft gegeven, zo moet je ook allen aan wie je Mijn woord zult verkondigen, aanzetten tot het toepassen; want zolang het woord alleen maar in de hersens blijft hangen heeft het niet meer waarde dan het lege gebalk van een ezel, dat zoveel anderen ook al produceren,

[11] Alleen als het woord in het hart dringt wordt het levend, gaat al gauw de wil beheersen die het zwaartepunt van de liefde is, en drijft van daaruit de gehele mens aan tot de daad.

[12] Door dit doen verandert de oude mens in een nieuwe mens, en Mijn woord wordt dan werkelijk nieuw vlees en bloed.

[13] En pas deze nieuwe mens in jullie zal je duidelijk vertellen, dat Mijn woorden werkelijk Gods woorden zijn, die nu en in alle tijden der tijden dezelfde macht, kracht en uitwerking hebben als eeuwigheden terug; want alles wat je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort, is oorspronkelijk slechts het Woord van God,

[14] Hij,Die voor eeuwigheden de werelden,zonnen en manen Zelf schiep en ze in hun uitgestrekte banen plaatste, Die zet nu jullie in nieuwe banen van het eeuwige leven!

[ 15] Ik zeg jullie echter bovendien, dat wie jullie opneemt, ook Mij opneemt; wie Mij echter opneemt, die neemt ook Hem op, Die Mij tot jullie gezonden heeft (Matth. 10:40), -en dat moet je goed begrijpen!'

 

 

141 Eerste uitzending van de apostelen

 

[1] 'Ik zeg jullie nog meer: Je weet, dat er nu net als in alle tijden profeten zijn, en die zullen er ook altijd bij alle volken der aarde tot aan het einde der wereld zijn, wat voor geloof ze ook mogen hebben. Want alleen door de profeten wordt, ook al zijn alle banden tussen hemel en aarde verbroken, nog standvastig een geheime verbinding onderhouden, die geen duistere macht kan doorbreken.

[2] Bij de echte profeten vond, vindt en zal men altijd valse profeten vinden; maar dat heeft op het al of niet echt zijn van een door de hemel geroepen profeet helemaal geen, of slechts een zeer geringe invloed, omdat de echte profeet maar al te gauw de leugenaar voor de wereld ontmaskeren zal, en deze de straf van de hemel nooit zal ontlopen.

[3] Maar als een echte profeet in een huis komt en als zodanig aangenomen wordt, zal degene die hem als een echte profeet opneemt, of ook als hij een door de profeet gezondene in naam van de profeet opneemt, hem aanhoort en in zijn hart rekening houdt met diens woorden, in het hiernamaals in het Rijk van God het loon van een profeet krijgen. En wie een rechtvaardige in de naam van een rechtvaardige opneemt, -dat wil zeggen, als zo iemand als rechtvaardig bekend staat en die naam hem toekomt, of ook als hij niet als zodanig bekend staat, maar door degene die hem opneemt als zodanig erkend wordt en hem zo opneemt, zonder van de rechtvaardige een bewijs te vragen -, die zal eenmaal in het hemelrijk het loon van een rechtvaardige ontvangen. (Matth. 10:41)

[4] En Ik voeg daar ook nog aan toe: Kijk eens naar deze kleinen, die hier liefdevol om Mij heen zijn! Wie in de naam van een leerling aan de allerminste van deze kleinen slechts een beker water geeft, waarlijk Ik zeg jullie, zo'n zeer geringe daad zal niet onbeloond blijven. (Matth. 10:42)

[5] Nu hebben jullie alles wat je nodig hebt voor datgene waarvoor Ik je heb uitgekozen. Ga nu naar alle steden die Ik jullie heb aangewezen, en maak hun die daar wonen het Rijk van God bekend, en doe datgene wat Ik je nu heb aanbevolen: jullie loon zal niet gering zijn.

[6] Als jullie in het niet zo grote aantal steden van Israël de opdracht hebt uitgevoerd, kom dan weer naar Mij terug, opdat Ik jullie dan in de diepere geheimen van het Rijk van God kan inwijden; want het zal jullie worden gegeven om zulke geheimen van het Rijk van God te begrijpen.'

[7] Petrus vraagt: 'Heer, moeten wij twaalven tesamen of alleen, ieder voor zich, naar de verschillende steden gaan en ook naar de markten en dorpen?'

[8] Ik antwoord: 'Dat hangt van jullie af; maar het is beter, als je minstens met z'n tweeën of met drie tesamen gaat, zodat de een voor de ander kan getuigen; Mijn geest kan sterker door jullie werken als twee of drie van jullie ergens in Mijn naam samen zijn en zo leren en werkzaam zijn.

[9] Maar dat jullie nu juist met z'n allen bij elkaar moet blijven, dat is in de eerste plaats helemaal niet nodig, en in de tweede plaats zou je des te moeilijker in een willekeurig huis onderdak vinden vanwege de ruimte en de verzorging. Maak daarom een verdeling in groepjes van twee of van drie! Kies echter vooraf de steden, markten en dorpen uit en spreek onder elkaar af, wie waar naar toe gaat!

[10] Daardoor kun je in verscheidene steden tegelijk werken en zul je veel tijd winnen en des te eerder weer naar Mij terug kunnen komen. Als je ijverig bent, zijn jullie in zeven weken gemakkelijk klaar, eerder kan ook. Maar ga nu; want ieder uur is waardevol!'

[11] Judas Iskariot zegt: 'Heer, de zon gaat al gauw onder, de dag duurt geen half uur meer en het is hiervandaan naar alle plaatsen ver; als je goed doorloopt, bereik je zelfs het dichtstbijzijnde dorp pas na twee uur. Zouden we niet net zo goed morgen heel vroeg op weg kunnen gaan?

[12] Ik zeg: 'Neen, Mijn vriend, iedere minuut vertraging is gevaarlijk! Jullie bereiken vandaag net na zonsondergang een marktplaats, die achter de berg naar het oosten ligt, daar zal men jullie hulp nodig hebben en je zult daar een goed onderdak vinden; maar blijf daar niet langer dan drie dagen, en doe dat ook niet lichtvaardig ergens anders! Tot daar moet je bij elkaar blijven; in die marktplaats moet je je in groepjes splitsen!'

[13] Na deze woorden gingen de twaalven snel op weg, en de bewoners van dit verwoeste, maar door Mijn genade wonderbaar herbouwde dorpje, gaven hen een paar mensen mee die goed de weg kenden, en die hen langs de kortste weg naar het marktplaatsje brachten.

 

 

142 De eerste daad van de uitgezonden apostelen

 

[1] Toen de twaalven na een paar uurtjes in het bovengenoemde markt­plaatsje aankwamen, vonden ze de bewoners huilend en schreiend en enigen hartverscheurend klagend, in groepjes voor de poorten van het plaatsje; want Herodiaanse belastingafpersers gingen daar te keer. Ze plunderden de huizen en namen van de ouders die niet konden betalen, de liefste, beste en mooiste kinderen af, bonden deze als kalveren met touwen bij elkaar en wierpen hen op hun met ossen bespannen belastingwagens. Toen de leerlingen die gruwelen constateerden, richtten ze zich in hun harten tot Mij.

[2] En toen ze in hun hart duidelijk de woorden vernamen: 'Wat jullie willen, dat zal ook dadelijk gebeuren!', - zeiden ze tegen de treurige bewoners: 'Vrede zij met u! Het Rijk van God, waarvan wij in de naam des Heren de verkondigers zijn, kome tot u! Ga met ons mee uw plaats in, en we zullen voor u afrekenen met de onrechtvaardige en harteloze belastingafpersers!”

[3] De inwoners zeggen: 'O, die luisteren niet naar u! Want die onrecht­vaardige belastingafpersers zijn geen mensen, maar wilde verscheurende dieren, die u boosaardig zullen aanvallen.'

[4] Petrus zegt: 'Beste broeders, aanvaardt wat wij u brengen; het andere zal de Heer door ons doen! Verwacht geen goud en zilver van ons; maar wat wij hebben, dat zult u ook van ons krijgen. Nu gaan we echter snel opdat de kinderen niet te lang lijden!'

[5] Wanneer de leerlingen met de bewoners in het plaatsje komen, zien ze verscheidene wagens vol met allerlei bezittingen, een paar wagens met kinderen en nog andere met schapen en kalveren beladen, en de belastingafpersers geven al het teken om weg te rijden en letten niet op het schreien en jammeren van de gebonden kinderen.

[6] Petrus stapt naar de leider van de belastingafpersers en zegt op heel ernstige toon: 'Ongelukkige! Met welk recht begaat u zulke afgrijselijke daden? Weet u dan niet, dat boven u een almachtige God leeft, Die u tesamen met uw medeplichtigen in een oogwenk kan vernietigen? Houd met uw gruwelen op, geef alles terug, anders zult u op deze plaats de volle gestrengheid van Gods toorn over u zien komen!' De leider van de belastingafpersers zegt tegen Petrus: 'Wie ben je, dat je het waagt om op zo'n toon met mij te spreken? Weet je soms niet, welke macht ik van Herodes heb gekregen, die deze gepacht heeft van de keizer in Rome? Weet je soms ook niet, dat ik ieder, die mij in de weg komt, ogenblikkelijk zonder enige voorafgaande rechtspraak kan laten doden? Ga nu opzij! Nog één woord, en je voelt de scherpte van het zwaard!'

[7] Petrus zegt: 'Nu dan, omdat u – hoewel ook een zoon van Jacob - geen mens meer bent, maar een wild, verscheurend dier, daarom zal het gericht van God u en uw handlangers treffen! Want ik, die u dit verkondig, ben een afgezant van God, en die met mij zijn, zijn het ook! Wat u met mij wilde doen, omdat ik u in de naam van God van gruweldaden afhield, had u met God willen doen; daarom zal u dan ook het gericht van God treffen! Amen!'

[8] Toen Petrus dat met veel vuur uitsprak, sprong er vuur op uit de aarde, greep de leider en verteerde hem in een oogwenk. Toen zijn handlangers dat zagen, schrokken ze zo ontzettend, dat ze voor Petrus neervielen en beloofden alles te doen, wat hij ook maar zou bevelen, als hij hen maar niet zo verschrikkelijk zou straffen!

[9] Petrus zegt: 'Laat dan iedereen vrij en geef alles terug en ga dan in vrede! Maar zie er van af Herodes ooit weer zo'n dienst te bewijzen; want bij de eerstvolgende stap in die richting, gebeurt met jullie, wat nu in je bijzijn met jullie leider is gebeurd!'

[10] Na deze woorden binden de belastingafpersers meteen de kinderen los en laten ze vrij, en doen dat ook met het vee, zoals schapen en kalveren, en ook met alles wat ze in dit plaatsje afgeperst hebben, waarvoor zij en ook Herodes geen recht hadden. Want dit plaatsje had zich bij de Romeinen al een jaar eerder vrijgekocht van Herodes, zoals meer plaatsen dat gedaan hadden vanwege de onbegrensde onderdrukking van Herodes. Maar Herodes ondernam heimelijke strooptochten, liet de afkoopoor­konde ongeldig verklaren en gaf aan zijn belastingafpersers volmacht met een nieuwe oorkonde, waarmee hij zich bij de keizer kon verantwoorden.

[11] Petrus legde nu aan de belastingafpersers uit, welk onrecht ze hun broeders aandeden, en zij begonnen Herodes te vervloeken en zichzelf te verwensen dat ze zo dom waren zo'n tiran te helpen.

[12] Maar Petrus begon over het Rijk van God te leren, en zie, alle belastingafpersers bekeerden zich en volgden nu Petrus, ongeveer honderd in getal, en dat was een goede vangst; want deze belastingafpersers werden toen zelfbuitengewoon actief en droegen veel bij tot een snellere verbreiding van Mijn leer .

[13] De bewoners van dit plaatsje hielden de leerlingen drie dagen bij zich en lieten zich zelfs in Mijn naam dopen. Want de leerlingen doopten in Mijn naam ook ieder, die de doop verlangde, met water .

[14] Daartoe hadden ze van Mij weliswaar nog geen opdracht ontvangen; maar ze wisten dat dit niet tegen Mijn wil was.

[15] De inwoners deden er alles aan om de leerlingen zo goed mogelijk te verzorgen, en brachten tenslotte geld, omdat zij hun zieken genezen hadden. De apostelen namen echter geen geld aan, en ook niets anders, waarover de vroegere belastinginners zich zeer verwonderden en zeiden: 'Uw ongeëvenaarde onzelfzuchtigheid bewijst nog meer dan uw wonder­daden, dat u echte gezanten van God zijt; want mensen van deze wereld denken alleen maar aan hun eigen belang'.

[16] Judas was weliswaar uit het veld geslagen toen hij het vele geld zag dat men hem wilde geven; maar Thomas bleef steeds bij hem, en daarom durfde de geldgierige leerling het dit keer niet aan te nemen, wat hem heimelijk echt speet.

[17] Na drie dagen verdeelden de leerlingen zich van hieruit in groepjes van twee, en met ieder tweetal gingen ook tien tot vijftien van de bekeerde belastinginners mee en bewezen de leerlingen goede diensten; want ze waren erg moedig en hadden geen mensenvrees.

[18] De twaalven deden nu, wat Ik hen geboden had, en deden overal goede zaken.

[19] Wat deed Ik echter, nadat Ik de twaalf leerlingen met de gegeven opdrachten had uitgezonden?

 

 

143 Het antwoord van de Heer aan Johannes de doper

 

[I] Toen de leerlingen, zoals nu duidelijk genoeg verteld is, de plaats verlieten waar Ik hen de opdrachten gaf, bleef Ik daar nog tot zons­ondergang, zegende dit arme volkje en de kindertjes, en trok toen ook verder met nog een groot aantal leerlingen die Mij omringden, naar de steden langs de zee van Galiléa. Een aantal van de leerlingen die bij Mij gebleven waren, hoorde daar thuis en was daar geboren. Ik leerde en predikte daar Zelf wat Ik de twaalven had opgedragen om te leren en te prediken, en Ik genas overal de zieken. (Matth. 11: 1 )

[2] In deze tijd was echter Johannes, die aan de Jordaan gedoopt had, al door Herodes in de gevangenis geworpen; oorzaak daarvan waren de priesters in Jeruzalem, die daarvoor bij Herodes al hun invloed uitgeoefend hadden. want ze konden Johannes niet vergeven dat hij hen 'slangen­broeds' en 'addergebroed' genoemd had. Maar zelf dorsten ze de prediker in de woestijn niet te belagen, omdat ze wel wisten dat het volk hem voor een groot profeet hield; daarom verschuilden ze zich natuurlijk door middel van geld en politieke druk achter Herodes, en Herodes nam hem gevangen onder het voorwendsel, dat hij een gek was die het volk opruide en hun hoofden met allerlei staatsgevaarlijke ideeën vol stopte en de mensen helemaal gek maakte.

[3] Maar eigenlijk kon het Herodes weinig schelen wat Johannes leerde, bij hem telde alleen dat hij daarmee een goede buit binnenhaalde. Herodes hield Johannes daarom niet zo heel streng opgesloten en tegen een redelijk bedrag kon iedereen hem in de gevangenis bezoeken. Leerlingen van Johannes, die dat konden bewijzen, betaalden voor een hele week slechts een stater, terwijl anderen voor een dagbezoek een zilverling moesten betalen.

[4] Herodes had er ook helemaal geen bezwaar tegen dat Johannes in een grote zaal, ter grootte van een hedendaagse grote gevangenis, net zo veel predikte en lawaai maakte als hij maar kon en wilde, want dat bracht Herodes zoveel te meer geld in het laatje.

[5] Vaak bezocht hij zelf Johannes en moedigde hem aan om nu juist in de gevangenis, waar hij veilig was voor de priesters en de Farizeeën, nog meer van zich te laten horen dan voorheen in de woestijn bij Bethabara, en hij noemde zich vriend en beschermer van Johannes.

[6] Johannes wist in de geest wel met wie hij te doen had; maar hij benutte deze gelegenheid toch en predikte in zijn gevangenis verder, en zijn leerlingen mochten vrij bij hem komen, natuurlijk wel tegen de kleine storting van een stater per week. Tempelpriesters moesten een pond betalen als ze naar Johannes wilden, en op hun vraag aan Herodes, waarom hij Johannes in de gevangenis verder liet prediken, antwoordde Herodes, die sluwe vos: 'Dat is een geheim politiek spelletje van mij, daardoor leer ik alle aanhangers van deze staatsgevaarlijke mens kennen!' Dit antwoord was aanleiding voor de priesters om Herodes bijzonder te prijzen en ze schonken hem veel goud, zilver en edelstenen; want ze dachten bij zichzelf: 'Dit is de juiste man; die moeten we zoveel mogelijk steunen; hij is voorbestemd om al dat profetengespuis uit de weg te ruimen.'

[7] Maar Herodes, een geboren Griek, vond alleen geld belangrijk en al het andere kon hem niet in het minst schelen. Behalve geld hadden ook nog hele mooie concubines voor hem enige waarde. Om die te plezieren kon hij zelfs onmenselijk worden als ze dat wensten; verder kreeg niemand zonder geld iets van hem gedaan, - maar voor geld deed hij dan ook alles.

[8] Aan de hand van deze nauwkeurige beschrijving van Herodes is het voor iedereen wel duidelijk, hoe Johannes in zijn gevangenis zijn leerlingen bij zich kon hebben, en hoe hij daardoor, zowel door zijn leerlingen alsook door andere mensen die hem vaak bezochten, op de hoogte kon blijven van Mijn doen en laten in Galiléa.

[9] Omdat Johannes dus in de gevangenis hoorde hoe Ik leerde en werkte, zond hij al spoedig twee van zijn betrouwbaarste leerlingen naar Mij toe (Matth. 11:2) en liet hen vragen: 'Bent U het, Die voorzegd is, of moeten wij nog op een ander wachten?' (Matth. 11:3)

[10] Hier zal men vragen: 'Hoe is het mogelijk dat Johannes, die als eerste het grootste en schitterendste getuigenis over Mij gaf, zoiets kon vragen?' Voor degenen, die iets verder kunnen denken dan alleen maar aan het materiële, is de reden hiervoor eenvoudig en zelfs logisch.

[11] Nadat Johannes Mij had Ieren kennen, meende hij, en was daar ook helemaal van overtuigd, dat Ik stellig de beloofde Messias was en dat het gehele Joodse volk alleen al door Mijn komst zo goed als volledig was verlost, en dat alle macht van de groten der wereld voor eeuwig had opgehouden. Toen hij echter in de gevangenis kwam en er van dag tot dag meer van overtuigd raakte, dat met Mijn komst de macht van de groten der wereld niet was opgehouden maar zich integendeel had vergroot, begon ook Johannes zo zachtjes aan bij zichzelf aan Mijn echtheid te twijfelen.

[12] Want hij dacht bij zichzelf: 'Als deze Jezus uit Nazareth werkelijk de Beloofde is, de Zoon van de levende God, hoe kan hij mij dan in de steek laten en mij niet bevrijden uit de gevangenis, en hoe kon hij het toelaten dat ik in de gevangenis kwam?'

[13] Daarentegen hoorde hij van degenen die hem bezochten, welke nooit gehoorde daden Ik deed, en daarom zond hij dan twee van zijn betrouw­baarste leerlingen naar Mij toe, die Mij de bovengenoemde vraag moesten stellen.

[14] Omdat Ik de reden wel wist waarom Johannes dat aan Mij liet vragen, antwoordde Ik de leerlingen heel kort en zei tegen hen: 'Ga heen en vertel aan Johannes, wat je ziet en hoort (Matth. 11:4): De blinden zien, de lammen lopen, de melaatsen worden rein, de doven horen, de doden staan op, en de armen wordt het evangelie gepredikt. (Matth.11:5) Maar zalig is en wordt degene, die zich niet aan Mij ergert!' (Matth.11:6) Toen wisten de leerlingen niet, wat ze daarop moesten zeggen.

 

 

144 Het getuigenis van de Heer over Johannes de doper

 

[I] Pas na een poosje vroeg de oudere van hen aan Mij, waarom Johannes nu in de gevangenis moest wegkwijnen, terwijl hij toch nooit tegenover God en alle mensen gezondigd had.

[2] Ik zeg: 'Als hij het wilde, kon ook hij vrij zijn! De maan doet 's nachts wel goede dienst; maar als hij ook met de zon wedijveren wil, als zou zijn licht overdag naast de zon net zo belangrijk zijn als dat van de zon, dan maakt de maan een grote vergissing. Want als de zon er eenmaal is, dan kan de aarde het schijnsel van de maan heel goed missen. Begrijp je dat?

[3] Indien Johannes Mij duidelijk herkende toen Ik aan de Jordaan naar hem toe kwam, wie verbood hem dan om Mij te volgen? Hij bleef in zijn woestijn en gedroeg zich daar als een strenge boeteling - en had toch nooit gezondigd. Waarom deed hij dat dan? - Hij heeft zichzelf aan Herodes uitgeleverd; nu moet hij maar zien hoe hij met die vos klaar komt!

[4] Zeg hem echter ook, dat Ik niet ben gekomen om de aardse macht van de groten af te nemen, maar om hen op hun heersersstoelen te bevestigen. Maar wie met Mij twisten wil, die zal een harde strijd moeten doorstaan!'

[5] Nadat de beide leerlingen die woorden van Mij gekregen en gehoord hadden, antwoordden ze niets meer, maar namen afscheid, gingen meteen terug naar Johannes in Jeruzalem en brachten hem alles ook direkt over.

[6] Johannes sloeg zich vol berouw op de borst en zei: ' Ja, ja, Hij is het, Hij heeft gelijk; Hij moet groter worden en ik moet minder worden en deze wereld achter mij laten.

[7] In het dorpje Seba, een vissersdorp aan de Galilese zee, zetten de vele bewoners en ook diegenen die Mij uit andere dorpjes daarheen gevolgd waren, grote ogen op over Johannes de doper en zeiden: 'Hoe is het mogelijk dat hij een zonde beging? Want dat hij U, o Heer, nadat hij U toch herkend had, niet gevolgd is, dat was dan toch een hoofdzonde waarvoor hij nu moet boeten!? Heer plegen wij onrecht, als wij zo oordelen?'

[8] Ik antwoord hen echter: 'Als de volle maan 's nachts schijnt, dan gaat iedereen naar buiten, bewondert haar licht en verheugt zich daarover; maar als de zon komt, terwijl de maan heel bleek en mat nog aan de hemel staat, dan wenden allen zich af van de maan, vergasten hun ogen aan het machtige zonlicht en prijzen het bij iedere flonkerende dauw­druppel; want onder de zon glanst één druppel water meer dan tien manen 's nachts.

[9] Is het dan een zonde van de maan dat zij overdag door de zon in de schaduw wordt gezet, en dat zelfs één dauwdruppel voor het oog van de toeschouwer meer licht afstraalt dan de hele maan?

[10] Ik zeg jullie allen: Wie oren heeft, die hore! Ook de Mensenzoon is een zon, en Johannes is Zijn maan. De maan geeft wellicht in jullie geestelijke nacht en getuigde vooraf over het licht dat nu bij jullie is gekomen, en dat je nog steeds niet herkent in jullie duisternis; als de glans van deze maan nu echter mat wordt, omdat de zon van de dag bij jullie schijnt, hoe kan je hem dan van zonde verdenken?

[11] Waarlijk, Ik zeg je, zo lang er al mensen op deze aarde bestaan, vanaf Adam tot nu toe, heeft nog nooit een zuiverder ziel in een lichaam gewoond en het tot leven gebracht!

[12] Nu vraag Ik echter, omdat jullie allen in de woestijn bij het dopen en prediken van Johannes geweest zijn, - jullie hebben allemaal zijn prediking gehoord, en de meesten hebben zich ook laten dopen -: Waarvoor zijn jullie dan de woestijn in gegaan?

[13] Wilden jullie soms een riet zien dat de wind heen en weer bewoog?

(Matth. 11:7) Of zijn jullie naar buiten gegaan om een mens te zien die in zachte kleding gehuld was? Kijk, degenen, die zachte kleren dragen, wonen in de paleizen, maar niet in de harde woestijn bij Bethabara! (Matth. II :8) Of zijn jullie daarheen gegaan om een profeet te zien?

[14] Ja, Ik zeg je: Johannes is méér dan een profeet! (Matth. 11:9) Want van hem staat geschreven: 'Zie, Ik zend Mijn engel voor U uit, die Uw weg voor U zal bereiden!' (Matth. 11:10) Bemerken jullie nu, wie hij is?

[15] Voorwaar, Ik zeg nog duidelijker dan Ik het jullie al gezegd heb: Onder allen die vanaf den beginne uit vrouwen zijn geboren, was er niet één die groter was dan deze Johannes de doper; maar Ik zeg Je ook, dat van nu af aan de kleinste in het Rijk van God groter zal zijn dan hij. (Matth. 11:11)

[16] Maar denk daar wel aan: Sinds de dagen van Johannes de doper tot nu en voortaan heeft het hemelrijk onder geweld te lijden, en die het geweld aandoen, die trekken het tot zich! (Matth. 11:12)

[17] Alle profeten en ook de wet van Mozes hebben voorspellingen gedaan tot aan Johannes. (Matth. 11:13) Hij was de laatste profeet vóór Mij.

[18] Als jullie het wilt aanvaarden dan is nu juist deze Johannes dezelfde als Elia,, die in de toekomst, dat wil zeggen vóór de Messias, nog éénmaal moest komen! (Matth. 11:14) Hij is dan ook gekomen en heeft voor Mij geprofeteerd en heeft Mijn weg voorbereid, zoals jullie het zelf ondervonden hebben. Zeg nu eens, of je nu weet, wie Johannes is!'

 

 

145  De geest en de ziel van Johannes de doper

 

[I] De mensen zeggen: 'Heer! Als dat zo is, dan is het toch niet rechtvaardig dat U hem nu in de kerker laat! Te oordelen naar Uw daden, die buiten God zeker geen mens tot stand kan brengen, zou het voor U toch niet moeilijk zijn om de doper, omdat hij voor U gewerkt heeft, te bevrijden! Heer, dat zou U toch wel moeten doen en U zou hem nu niet in de steek moeten laten!'

[2] Ik zeg: 'Wie zelf komt, kan meer bereiken dan wie een bode of een brief stuurt. De geest van Johannes is groot en groter dan alle geesten, die ooit op deze aarde een lichaam gehad hebben; maar zijn lichaam behoort aan deze aarde, en uit diens zwakheden heeft zich ook een zwakke zielontwikkeld, en zo is het goed!

[3] Want een geest, die zo sterk is, is wel in staat om een zwakke ziel krachtig op te voeden; maar het vlees en de ziel van Johannes zijn zwak. Daarom stuurde hij in zijn plaats steeds boden, en boden en brieven bereiken nooit datgene, wat de eigen persoon, waarin ziel en geest wonen, bereiken kan.

[4] Ik mag en Ik kan met Mijn wil niemand Mijn kracht en macht schenken, tenzij iemand komt en ze zelf neemt; want Ik zal niemand ooit verhinderen zich naar eigen keus van het leven te beroven of het oordeel over zich af te roepen, en zo kan men ook Mijn macht en kracht nemen als men die voor een goed doel nodig heeft.

[5] Maar wie niet zelf komt, die zal niets krijgen -behalve de genade des lichts, opdat hij daardoor hier of in het hiernamaals de weg naar Mij vindt en onderweg inziet, dat Ik Zelf de weg naar het leven en het Leven Zelf ben.

[ 6] Johannes deed wat niemand deed, om volledig meester van zijn lichaam te worden. Hij zag het heil vóór zich en kon het toch niet grijpen. Waarom ging dat niet? Moest het misschien zo zijn?

[7] Vóór jullie staat degene, die het 'Moet' uitspreekt, als dat nodig is! Maar Hij zegt jullie ook, dat Hij wat Johannes betreft hier geen 'Moet' uitgesproken heeft.

[8] Zijn roeping, om terwille van de mensen voor Mij de weg te banen, was een zeker 'Moeten', waarachter echter ook nog eeuwige vrijheid verborgen ligt, die jullie in dit lichaam niet kunnen begrijpen; maar dat hij Mij had mogen volgen toen hij Mij zag en herkende, dat was geen 'behoort' en nog minder een 'moeten'. Zijn geest heeft toen geluisterd naar de ingeving van de ziel, begon daarom ook te twijfelen en heeft al voor de tweede maal boden naar Mij gestuurd. Wie vraagt, weet nog niet waar hij aan toe is; want iedere vraag gaat uit van pure onwetendheid, of twijfel aan de waarheid van wat men denkt te weten. Als Johannes helemaal wist waar hij aan toe was, zond hij geen boden naar Mij.

[9] Wel heeft er vóór hem nooit een mens een zo streng leven geleid als hij -want, als hij een begeerte in zijn lichaam voelde, at en dronk hij dagenlang niets en was op die manier de grootste boeteling der aarde, zonder ooit gezondigd te hebben -; maar toch zeg Ik jullie allen: Als een zondaar zich bekeert en vol liefde in zijn hart tot Mij komt, staat hij hoger dan Johannes!

[10] Want wie tot Mij zegt: 'Heer ik ben een zondaar en ik ben niet waard, dat U in mijn huis komt!', is Mij liever dan negen en negentig rechtvaardigen, die geen boetedoening nodig hebben en in hun hart God ervoor prijzen, dat ze geen zondaars zijn en daarom beter zijn dan iemand die haast niet zondigt. Ik zeg jullie: Hun loon zal eens in Mijn rijk niet zeer groot zijn!'

 

 

146 Kis. Bekering van Kisjonah de tollenaar

 

[1] Toen Ik deze toespraak beëindigd had, kwam er uit de volksmenigte een tollenaar naar voren wiens hart al lang van liefde voor Mij gloeide, hoewel het zich van menige zonde bewust was. Deze man viel voor Mij neer, raakte met zijn gezicht de grond en sprak:

[2] 'O Heer! Hier in het stof ligt iemand voor U, die wel een groot zondaar is, maar U toch boven alles durft lief te hebben. Kijk, Heer, het is al ruim tijd voor het middagmaal; als ik waard ben dat U onder mijn dak zou komen, dan wil ik U en al Uw leerlingen aan tafel uitnodigen! Ik en mijn huis zijn te onrein en zondig voor U; maar in mijn keuken zijn reine spijzen en dranken klaargemaakt. 0, bewijs mij arme zondaar de genade, dat ik de spijzen door reine handen voor U hierheen mag laten brengen!'

[3] Ik zeg: 'Kisjonah! Sta op, Ik zal met je in je huis gaan en bij jou het middagmaal gebruiken! Je huis zal een groot heil te beurt vallen ­niet vanwege je zonden, maar om je ware liefde en deemoed; daarom zijn ook al je zonden je zo vergeven, alsof je nooit gezondigd had!'

[4] Daarop kwam de tollenaar Kisjonah overeind, en Ik ging met hem en veelleerlingen in zijn huis. Wel meer dan honderd personen werden daar rijkelijk verzorgd, en de beste wijn ontbrak niet.

[5] Behalve Mijn leerlingen was er echter ook nog een grote volksmenigte uit alle plaatsjes van Galiléa en Judéa verzameld, die Mij tot aan het huis van Kisjonah begeleidde; en Kisjonah liet hen, omdat ze bij Mij waren en er in huis geen plaats voor was, buiten brood en wijn geven.

[6] Bij zo'n gelegenheid ontbraken natuurlijk nooit de Farizeeën, die Mij vanuit Kapérnaum overal heen volgden. omdat deze Mij weer opgewekt en vrolijk zagen eten en drinken, en zagen hoe Ik ook aan tafel de berouwvolle tollenaars - die, volgens de Joden, verstokte zondaars zijn - in alle vriendschap de handen reikte en hen zelfs Mijn beste vrienden noemde, had Ik het weer gedaan bij de Farizeeën en andere aartsjoden.

[7] Het ergerde hen vooral, dat Ik na de maaltijd arm in arm met de tollenaars in een mooie, grote, aan het meer liggende tuin ging wandelen, en ook tegen de vijf aardige dochters van Kisjonah heel hartelijk en vriendelijk was, omdat ze een echte en diepe liefde voor Mij opgevat hadden. Ik noemde ze zelfs ook heel liefdevol en vriendelijk 'Mijn lieve bruiden', wat de Farizeeën helemaal ontzettend zondig vonden!

[8] Toen Ik ook nog tegen de avond de uitnodiging aannam, om 's nachts daar te blijven, en Ik Kisjonah tenslotte vrijwillig beloofde, dat Ik minstens gedurende drie dagen en misschien nog langer bij hem zou blijven, toen was de boot helemaal aan bij de Farizeeën en aartsjoden. 'Zo -', zeiden zij, 'met zulk gespuis, met zulke aartszondaars en tollenaars geeft hij zich af, eet en drinkt met hen op de vriendschap, bedrinkt zich letterlijk en wandelt dan als een voornaam heer met de zondige dochters van de aartszondaar, doet aardig tegen ze, en gebruikt tenslotte heel zoete en tedere woorden om zulke aartshoeren het evangelie van God te prediken, in plaats dat hij ons gebiedt om deze monsters op te pakken en te verbranden! Dat zou een mooie Messias voor ons geweest zijn! Nu die vijf wulpse hoeren hem ingepalmd hebben, wil hij daar nog God weet hoe lang blijven.

[9] Laten we maar weg gaan! Wat moeten we verder nog bij hem? We weten nu echt wel, wat we aan hem hebben. We zijn nu toch al vrij lang bij hem en heeft één van ons hem al eens zien bidden? Wie heeft hem ooit zien vasten? Hij houdt geen rekening met de sabbat, de grootste aartsketters en heidenen, Grieken en Romeinen, tollenaars, aartszondaars en wulpse, meegaande hoeren zijn zijn vrienden en vreugde, en daarbij nog goed eten en veel bekers uitgelezen wijn!

[10] Kortom, hij is niets anders dan: ten eerste een geraffineerd magiër uit de school van Pythagoras, die z'n werk goed verstaat! Daarbij is hij een welbespraakt persoon, wat iedere magiër wel moet zijn om zijn kunst beter aan de man te kunnen brengen. Weliswaar neemt hij daarvoor geen geld aan; maar is dat nu wel zo prijzenswaardig? 0, dat doen alle magiërs het eerste jaar, om zo des te eerder beroemd te worden; maar als ze dat eenmaal zijn, dan hebben koningen vaak geen schatten genoeg om zulke kunstenaars tevreden te stellen!

[11] Waarvoor zou hij trouwens geld nodig hebben? Eten en drinken krijgt hij voor niets, zoveel hij maar wil, - en meer heeft hij niet nodig! In de tweede plaats is hij ook nog een gulzigaard en drinkebroer en iemand die met zondaren omgaat, en wenst zich geen ander leventje. Enten derde heeft hij God en Zijn wetten niet nodig; want hij vindt dat hij zelf een  God is of minstens Zijn zoon, die onze God van Abraham, Isaäk en Jacob bij de ons maar al te bekende Maria van Nazareth verwekt moet hebben. Wie van ons is er zo dom dat hij zo'n pasgebakken, echt heidense tovenaarsklucht niet direkt door zou hebben?!

[12] In één woord, wij weten nu genoeg, en het is hoog tijd dat we bij hem weggaan; anders behekst hij ons nog en zijn we reddeloos aan de duivel overgeleverd! - Kijk nu toch eens, hoe hij de vijf dochters van die gehate tollenaar vleit, en hoe ze hem letterlijk aanbidden! Ik zet duizend pond tegen een stater, dat deze profeet en heiland, als hij nu naar Jeruzalem komt, maar al te gauw met de koningin van alle hoeren, de wereldberoemde Maria van Magdalon, zeer intiem kennis zal maken en met haar een hele hartelijke vriendschap onderhouden zal, - en misschien ook nog wel met Maria en Martha van Bethanië, waarvan men zegt dat die na Maria van Magdalon de meeste bezoekers krijgen!'

[13] Maar nu zegt een ander, die iets betere ogen heeft, tegen de eerste spreker, die Farizeeër is: 'Je hebt weliswaar niet helemaal ongelijk; maar als je nog eens terugdenkt aan die bijna eendere scène in het huis van tollenaar Matthéus, toen we daar ook zo'n oordeel hadden, maar ondanks dat door zijn wijze woorden enorm op ons nummer zijn gezet en allemaal met onze mond vol tanden stonden! Wat moeten we doen, als hij hier ook weer tegen ons begint uit te varen?! Zou jij dan wel alle verantwoording voor ons op je willen nemen?'

[14] De eerste zegt: 'Ik weet wel waar je het over hebt; want ik was er toen ook bij. Hij zal ontzettend veel uitvluchten bedenken; daarvoor is hij dan ook redenaar en belangrijk tovenaar. Maar we moeten ons verstand gebruiken; en ons verstand waarschuwt ons nu en zegt: 'Ga, voordat je je helemaal aan de duivel overlevert!' En zo'n raadgeving van het verstand zullen we hopelijk toch wel opvolgen!? Of willen we ons echt aan de duivel overleveren? In Godsnaam, nee! Dat zij eeuwig verre van ons allen; want Abraham is onze vader, en diens Vader is God, en daarom laten we ons niet net als de heidenen door deze magiër beetnemen!'

[15] Dan zegt de tweede weer: 'Maar zijn leer is zuiver en volledig aangepast aan de natuur van de mensen, en het ziet er toch helemaal niet duivels uit! Ik ben het niet helemaal met je eens, want Mozes leerde ons wel beschouwd hetzelfde als deze Nazareeër.

[16] God liefhebben boven alles en de naaste als je zelf, kwaad niet met kwaad vergelden, zelfs de vijanden goed doen en hen zegenen die ons vervloeken, daarbij deemoedig en vol zachtmoedigheid zijn, -dat ziet er toch helemaal niet duivels uit!'

[17] De eerste zegt: 'Zeker niet voor jou, want jij behoort al bij de duivel! Weet je dan niet, dat de duivel juist dan het gevaarlijkste is, als hij zich Iaat zien in het lichtende gewaad van een engel?!'

[18] De tweede zegt: ' Als je zulke oudewijvenpraat als richtsnoer voor je leven neemt, dan is er met jou ook geen zinnig woord meer te spreken! Waar vind je dan de os of de ezel, die ooit een satan in het gewaad van een engel van God heeft gezien of gesproken? Waarlijk, nu doe je samen met al je andere femelaars, deze man onrecht aan!

[19] Wij weten niets kwaads van hem, maar wel veel goeds en ongehoord wonderbaarlijks. Waarom moeten wij hem dan meteen veroordelen als we zien, dat hij de zondaars net eender tegemoet treedt als de recht­vaardigen, en veel geduld en consideratie met hen heeft?'

 

 

147 De gelijkenis van de fluitende kinderen

 

[1] Na dit antwoord verlaten de Farizeeën en aartsjoden de meer gematigde groep van de tweede spreker en gaan, terwijl het al tamelijk Iaat in de avond is, op weg naar Kapérnaum. Ze gaan over land, want de zee was rumoerig, en zij vertrouwden de zeelui niet, hoewel die hen verzekerden dat er veilig gevaren kon worden.

[2] Maar de hele karavaan, ongeveer honderdvijftig man sterk en on­bekend met de juiste weg, kwam niet zo erg ver, namelijk niet verder dan een plaats waar een onbeklimbare hoge rots in zee uitstak en daar een erg sterke branding veroorzaakte. Direct boven de rots verhief zich een hoog en steil gebergte, waarover vanaf deze plaats aan de kust geen weg voerde, en zo bleef de karavaan niets anders over dan de tamelijk lange terugweg van enige uren te aanvaarden. Ze kwam in het stikdonker , terwijl het geweldig stormde en regende, bliksemde en donderde, pas tegen middernacht bij de hofstede van tollenaar Kisjonah terug en zocht daar beschutting en onderdak; want de hele karavaan was tot op de huid doorweekt en op het punt om in elkaar te zakken. De tollenaar en zijn mensen namen de vermoeiden vriendelijk op en gaven hen een droge rustplaats, wat de drijfnatte mensen erg van pas kwam.

[3] De volgende dag, al tamelijk Iaat, kwamen de verregende en nog wat vermoeide Farizeeën weer uit hun rustkwartier te voorschijn en droogden hun kleren in de zonneschijn.

[4] Maar het was sabbat, en Kisjonah en zijn mensen deden hun werk net als op een andere dag; en toen het middag werd, werden er tafels gedekt en daar werd allerlei goed klaargemaakt voedsel op gezet.

[5] Kisjonah nodigde ook de doornatte en vermoeide groep uit voor het middagmaal; maar zij namen de uitnodiging niet alleen niet aan, maar begonnen te morren en scherpe verwensingen te uiten tegen zulke sab­batschenders en sabbatbrekers; want een echte Jood mag voor zonson­dergang niets doen en ook niets eten, -het was slechts toegestaan om driemaal te drinken.

[6] Omdat de uitgenodigden de vriendschap van de tollenaar zo beloonden, wendde deze zich tot Mij en vroeg: 'Heer! Wat moet er met die dwazen gebeuren? Ik wil hen goed doen, en daarvoor vervloeken ze mij! Kunt U mij ook zeggen, of God acht slaat op de vloek van zulke dwazen, tot nadeel van de door hen vervloekte!' ,

[7] Ik antwoord: 'O ja, maar niet tot nadeel van de door hen vervloekte, maar tot nadeel van de vervloeker in eigen persoon. Wie oren heeft om te horen, die hore! (Matth. 11: 15) Want Ik zal jullie vertellen, wat er echt met hen aan de hand is: Denken jullie, dat ze sabbat houden omdat Mozes dat voorgeschreven heeft? Of denken jullie, dat ze daarom vasten?

[8] Ik zeg jullie: In hun harten geven ze geen drie stater voor Mozes en alle profeten, maar ze doen het voor de mensen die hen de tienden en veel geld geven, opdat die hen zullen zien als waardige volgelingen van Aäron!

[9] Met wie zal Ik dit slechte geslacht vergelijken? Ken je de gelijkenis niet van de kinderen, die op de markt zitten en hun kameraadjes toeroepen (Matth. 11:16): 'We hebben voor jullie gefloten en je wilde niet dansen, en we hebben voor jullie geklaagd, en je wilde niet huilen!' (Matth. 11: 17) Maar Ik bedoel met die kinderen niet de Farizeeën en Joden die daar staan, maar degenen die hier staan; want die hier staan hebben getracht deze dwazen en volmaakte godloochenaars gisteren hier te houden, en de dwazen hebben met hen en Mij gespot; en de schippers wilden ze, omdat de wind goed was, over zee naar Kapérnaum brengen, en deze dwazen vertrouwden de schippers niet; ze gingen te voet, en een kwade storm dreef ze weer hierheen. Nu hebben jullie ze voor het middagmaal uitgenodigd, en ze vervloeken je!

[10] Beste kinderen, jullie, die hier bij Mij op de echte markt van het leven zit, Ik zeg je: Fluit niet meer voor deze dwazen; want hun geest is verlamd en kan daardoor niet meer dansen. En houdt ook maar op met klagen; want hun gemoed is een uitgedroogde steen!

[11] Johannes, waarover gisteren zo veel gesproken werd, en over wien Ik een waar getuigenis gaf, kwam en leefde zo streng dat hij behalve sprinkhanen en wilde honing, die hij met zeer veel moeite uit de holen der aarde haalde, bijna niets at en dronk; en dezen en anderen van dat gespuis zeiden hem in zijn gezicht, dat hij door de duivel bezeten was (Matth. 11: 18), die hem 's nachts eten bracht en in leven hield!

[12] Johannes heeft toch, zoals niemand voor hem, gefloten en meer dan genoeg geklaagd en zie, - dezen en velen van hun soort wilden niet dansen en ook niet huilen!

[13] Met Mij is nu de lang verwachte Mensenzoon gekomen. Hij eet en drinkt. Wat zeggen ze nu? Jullie hebben gisteren zelf gehoord, hoe ze over Mij oordeelden en riepen: 'Zie! Wat een vreter en wijnzuiper is deze mens, en ook nog een vriend van de tollenaars en zondaars!'

[14] Maar Ik zeg jullie: De juistheid van die wijsheid moet door hun kinderen worden aangetoond! (Matth. 11: 19) Dat wil zeggen dat zij de juistheid van hun aan ons verkondigde wijsheid aantonen door hun eigen kinderen dwazen te noemen; maar dat ook de juistheid van Mijn wijsheid wordt aangetoond, omdat hun kinderen Mijn wijsheid aannemen en erkennen. Zo is dan de juistheid van beide soorten wijsheid, de verkeerde en de goede, voldoende aangetoond.'         .

[15] Toen stonden de Farizeeën en aartsjoden op en zeiden tegen Mij: 'Pas op, - je bent nog steeds een Jood! Wij vertegenwoordigen de wet en hebben het recht je als een aartsketter te vernietigen; want je wilt Mozes vernietigen en de profeten ondergraven. Pas op, als je zulke wensen niet wilt laten varen! Wij hebben van de keizer de belangrijke toezegging, dat we ons in noodgevallen mogen bedienen van de Romeinse rechtspraak, en iedere stadhouder moet doen wat wij zeggen!'

 

 

148 De vervloeking van Chorazin, Bethsaïda en Kapérnaum

 

[1] Na die dreigende woorden kwamen Mijn leerlingen bij Mij staan en zeiden: 'Heer! Hoe kunt U dat aanhoren? U heeft toch genoeg macht om zulk gespuis te vernietigen? Verschillende malen werden de Samaritanen verdreven omdat ze zich tegen U wilden verzetten, en toch heeft U in Sichar niet eens zoveel gedaan als in Kapérnaum!'

[2] Ik zeg: 'Daarvoor heb Ik zeker meer dan genoeg macht. Maar het is voor de Heer van het leven niet nodig om hier recht te spreken; want na dit leven komt nog een leven, dat nooit eindigt, of het nu goed is of slecht, -het duurt even lang. En voor die eeuwige tijd geef Ik nu reeds een rechtvaardig oordeel: Ik vervloek al de steden, waarin Ik zoveel goeds gedaan heb en waarvan Ik nu een loon ontvang zoals jullie dat zojuist hoorden!

[3] En zij hebben zich niet verbeterd (Matth. II:20) ondanks al Mijn prediking, en al Mijn daden lieten hun harten onberoerd. daarom wee, Chorazin, wee Bethsaïda! Als in Tyrus en Sidon zulke daden gebeurd waren zoals bij jullie, dan zouden ze tijdig in zak en as boete gedaan hebben! (Matth. 11:21)

[4] Maar Ik zeg jullie: Op de jongste dag van het gericht in de andere wereld zal het Tyrus en Sidon draaglijker vergaan dan dezen! (Matth. 11 :22)

[5] En jij trots Kapérnaum, dat verheven werd tot in de hemel, zult neergestoten worden in de hel! Want als in Sodom zulke wonderen waren gebeurd als bij jou gebeurd zijn, dan stond die stad er op de huidige dag nog! (Matth.11 :23)

[6] Maar nogmaals zeg Ik jullie: Eenmaal in de andere wereld op de jongste dag van het gericht, zal het land der Sodomieten het draaglijker hebben dan jij

(Matth. 11:24), jij trotse en mateloos ondankbare stad! Heb Ik daarom duizenden van je zieken genezen en je doden opgewekt, dat je Mij nu vervloekt?! Duizendmaal wee voor jou op de dag van het gericht in het hiernamaals! Daar zul je ondervinden, Wie Degene was Die je vervloekt hebt!'

[7] Na Mijn strafrede kregen velen een visioen en zagen, hoe het op de jongste dag zal vergaan met zulke steden; die door Mij vervloekt zijn, en zij zagen Mijn gestalte in de wolken en uit Mijn mond kwam een vloek en deze trof de vervloekte steden! –­

[8] Toen dit visioen weer verdween bij de merendeels onmondige, dat wil zeggen eenvoudige, Mij liefhebbende mannen en vrouwen die Mij omringden, vielen ze voor Mij neer en loofden en prezen Mij.

[9] Maar Ik hief Mijn handen over hen, zegende hen en zei: 'Ook Ik, mens zijnde, prijs U, Vader en Heer des hemels en der aarde, dat U dat voor deze wijzen en verstandigen van de wereld hebt verborgen en het hebt geopenbaard aan de onmondigen! (Matth.11;25) Ja, heilige Vader, zo is het aangenaam voor U en Mij! (Matth. 11:26) Want wat U doet, dat doe Ik ook; want wij zijn eeuwig Een! Ik was nooit een ander dan U, heilige Vader, en wat van U is, is ook van Mij!'

[10] Door deze laatste woorden worden allen bevangen door een grote vrees. Want onder de Mij steeds volgende leerlingen waren er nu al veel, die niet meer twijfelden aan Mijn goddelijkheid; en juist deze werden het meest door vrees bevangen.

 

 

149 De opwekking tot het eeuwige leven

 

[I] Nathanaël gaf aan de achtergeblevenen als het ware leiding omdat hij voor zichzelf, zonder dat Ik hem dat persoonlijk opgedragen had, uitgebreider dan alle anderen een evangelie vastlegde in de Griekse taal, die hij goed meester was. Hij kwam tot in het diepst van zijn wezen geschokt naar Mij toe en zei: 'Heer! Almachtige! Ik zag dat visioen ook en daarin de verschrikkelijkste dingen, zodat ik van angst niet meer schrijven kon! Ik vraag U in alle volheid van mijn liefde voor U, eeuwig Heilige, om mij te zeggen of dat te eniger tijd in het hiernamaals in alle werkelijkheid zo gebeuren zal zoals ik en velen het nu hebben gezien.'

[2] Ik zeg; 'Vrees niet, want je hebt niets te vrezen! Wie zo leeft en doet als jij, die zal reeds hier of in het hiernamaals tot het eeuwige leven gewekt worden; en ieders jongste dag is dan, wanneer hij door Mij gewekt wordt tot het eeuwige leven, hier of in het hiernamaals.

[3] leder moet er echter naar streven om reeds hier gewekt te worden; want wie reeds hier in het vlees gewekt wordt, die zal de vleselijke dood niet voelen of beleven, en zijn ziel zal niet beangst worden.

[4] Maar wee deze en alle latere vijanden van Mijn orde! Waarlijk, die zullen duizendvoudig voelen Wie het was Die zij weerstreefden en met Zijn echte volgelingen met alle vloeken belaadden!

[5] Ik kan dit zeggen en doen; want Ik zeg je; Alle dingen zijn door de Vader in Mijn hand gegeven! Maar niemand kent Mij, de Zoon, behalve de Vader; en zo ook kent niemand de Vader dan alleen maar de Zoon, en na Hem degene aan wien de Zoon het wil openbaren. ' (Matth. 11;27)

[6] Nathanaël zegt; 'Dus kennen ook wij, Uw getrouwste leerlingen, U nog lang niet, hoewel U ons al zo veel heeft geopenbaard en heeft laten zien Wie U bent?!'

[7] Ik zeg: ' Jullie kennen Mij weliswaar voor zover Ik Mij aan jullie geopenbaard en getoond heb. Maar jullie missen nog veel. Pas wanneer jullie de Vader zult herkennen, zul je ook Mij helemaal kennen, en dat zal gebeuren wanneer Ik van deze aarde weer naar Mijn hemelen zal zijn opgevaren. Vanaf dat moment zal de Vader jullie naar Mij optrekken, zoals Ik jullie nu naar de Vader trek. En wie niet door de Vader getrokken wordt, die zal niet tot Mij, de Zoon, komen. Waarlijk Ik zeg je; In die tijd zal iedereen van God Zelf moeten leren Wie de Zoon is. En wie niet door God zal zijn geleerd, die zal niet tot de Zoon komen en zal niet het eeuwige leven in Hem hebben.

[8] Maar de Zoon is niet strenger dan de Vader; want wat de liefde van de Vader doet, dat doet ook de liefde van de Zoon, en evenals de liefde van de Vader de Zoon is, zo is ook liefde van de Zoon de Vader.

[9] De Zoon zegt echter tot jullie zoals tot alle mensen: Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, Ik zal jullie verkwikken! (Matth. 11:28)

[10] Neem Mijn juk op, leer van Mij het te dragen en doe zoals Ik ­ want Ik ben zachtmoedig en deemoedig van hart - dan zullen jullie rust hebben en alle angst zal je verlaten! (Matth. 11:29)

[11] Mijn juk is zacht en de last, die Ik je te dragen geef, is licht; want Ik weet waartoe je in staat bent' (Matth. 11 :30)

 

 

150 De bestraffing van de Farizeeën

 

[I] Deze woorden kalmeerden de leerlingen, en de Farizeeën en al de aartsjoden begonnen te vragen wat ze dan wel gezien hadden, en hoe dat zo zichtbaar angstaanjagend kon zijn.

[2] De ondervraagden gaven echter allemaal dezelfde beschrijving van wat ze gezien hadden. Daar keken de Farizeeën raar van op en ze begonnen onder elkaar vragen te stellen en zeiden; 'Hoe kan dat, hoe is het mogelijk dat ze allemaal op hetzelfde ogenblik hetzelfde visioen hebben gehad? Hoe kan een magiër alleen bij een paar mensen een visioen te weeg brengen en de anderen er buiten laten? Waarom zagen alleen zijn volgelingen iets, en waarom zagen wij niets? Nu zijn wij, getrouwe volgers van Mozes, door hem, die toch ook Jood wil zijn, verdoemd -en hoe! , zoals blijkt uit de beschrijving van het visioen. Maar van zijn kant bezien zou het toch veel raadzamer geweest zijn als hij ons het visioen had laten zien, zodat we daarna uit angst zijn leerlingen zouden zijn geworden. Maar hij is slim en laat ons zo'n spektakel niet zien; want hij is bang dat wij het direct zouden herkennen en het dan bij de juiste naam zouden noemen, en daardoor misschien vele van zijn aanhangers de ogen zouden openen zodat deze dan zouden zien wie hun beroemde meester was! We moeten tegen deze steeds gevaarlijker wordende mens strengere maat­regelen treffen, anders groeit hij ons heel snel boven het hoofd, en dan komen de Romeinen en bezorgen ons allen een onprettige dood!'

[3] Ik zeg met verheffing van stem tegen hen; 'Daar zijn jullie allang rijp voor, en één woord van Mij aan de overste zou al voldoende zijn om jullie van de een op de andere dag met duizenden aan de schandpalen te zien hangen! Denken jullie, dat Ik niets afweet van jullie heel geheime Intriges tegen keizer Tiberius? O volstrekt niet! Ik weet de dag, het uur en het afgesproken teken voor heel Judéa, voor Galiléa en voor Jeruzalem binnen haar, muren! Maar Ik wil je wel vertellen, dat dat verwonderlijk slecht voor Jullie zal aflopen, en de landvoogd Pontius Pilatus, die met harde hand regeert, zal jullie dan voor de muren van de stad Jeruzalem het loon voor je moeite geven, en Herodes zal het niet makkelijk hebben om weer in de gunst van de landvoogd te komen!

[4] Als jullie dus in je overgrote blindheid en kwaadaardigheid tot steeds hardere maatregelen tegen Mij en Mijn leerlingen overgaat, dan weet Ik wel wat Ik voordien nog tegen jullie zal ondernemen!

[5] Johannes noemde jullie 'slangengebroed' en 'opgefokte adders'! Ik heb jullie nog nooit zo genoemd; maar nu noem ik jullie ook zo en geef je te verstaan, dat je hier moet verdwijnen, anders Iaat Ik beren uit de wouden komen en laat met jullie dat gebeuren, wat ten tijde van Eliza gebeurde met de ondeugende knapen die deze profeet bespotten! Want voor jullie is nu wel ieder glimpje medelijden uit Mijn hart verdwenen.

[6] Als jullie Mij hoe dan ook belasterd zouden hebben dan zou Ik het jullie vergeven. Maar jullie zijn hoogmoedig geworden en hebt je bewapend tegen Mijn geest, die liefde heet en eeuwig Mijn Vader is en deze zonde zal je niet vergeven worden, niet hier en nog minder in het hiernamaals! Verdwijn dus, zodat Ik die paar dagen hier bij Mijn vriend Kisjonah zonder verdere storing kan doorbrengen!'

[7] Een Farizeeër zegt: 'We mogen je niet uit het oog verliezen, want we zijn daarvoor door onze overste over je aangesteld!'

[8] Ik zeg: ' Ja, jullie houden toezicht op Mij, zoals wolven op een schaapskudde. Als je echter bij je voornemen blijft, laat Ik direct beren uit de bergen komen en zal hen aanstellen als jullie opzichters en tuchtmeesters!'

[9] Op dit moment klinkt er vanaf het nabijgelegen gebergte een luid gebrul van veel beren. Bij het horen daarvan zoeken de Farizeeën en aartsjoden snel hun toevlucht aan zee, klimmen daar haastig in vissersboten en duwen ze van de oever. Maar een harde wind drijft ze weer naar de oever, waar zich hier en daar een paar beren vertonen. Wel twee uur vechten ze tegen de wind, die hen iedere keer hardnekkig weer tegen de oever duwt zo dikwijls ze bij het wegvallen van de wind een paar vadem daar vandaan zijn gekomen. Na twee uur vertwijfeld vechten met de wind en de zee komt er tenslotte een groter schip; dat neemt de bijna vertwijfelde en haast van vermoeidheid omvallende mensen op en vaart

met hen weg onder een zware storm, waardoor het schip bijna ieder ogenblik dreigt te vergaan. Zo worden ze een hele dag en een hele nacht gepijnigd en ze bereiken pas tegen de middag van de volgende dag de oever in de buurt van Kapérnaum.

[10] Daar worden ze door de leiders van de Farizeeën heel naarstig ondervraagd over wat ze allemaal gezien, gehoord en beleefd hebben. Maar zij houden hun mond en durven niet te praten; want ze hadden veelontzag voor Mij gekregen en waagden voorlopig niets tegen Mij te ondernemen.

 

 

151  De berg beeft

 

[I] Maar de leiders in Kapérnaum benoemden anderen en zonden die achter Mij aan. En ook die moesten hard vechten tegen de storm; want het waren de zogenaamde hondsdagen en de herfst was dichtbij, en in die periode stormt het veel in Galiléa en nog meer op de zee van dit land. En pas op de vijfde dag kwamen ze in de plaats waar Ik Mij nog ophield, en ze verlangden een gesprek met Mij. Ik liet ze echter niet binnenkomen, want Ik wist wel wat ze wilden, maar Ik liet hen weten dat Ik hier nog langer zou blijven en van hier uit de nabijgelegen plaatsjes zou bezoeken, - en dat ze zich kalm moesten houden, want anders zou het hen heel slecht bekomen!

[2] Het was net na sabbat, wat nu zondag is, en tevens een bijzonder heldere en mooie dag, en Kisjonah kwam naar Mij toe en stelde Mij en alle aanwezigen voor om de dichtstbijzijnde hoge berg te beklimmen.

[3] Dit was een berg die nog geen naam had. Want de aardrijkskunde stond toen nog in de kinderschoenen, en daarom hadden de meeste bergen, dalen, vlakten, meren, beken en kleinere rivieren geen algemeen geldende eigen namen, maar alleen die, welke de in de omgeving wonende mensen hen gaven. Het lastigste ging het met de namen van de bergen.

[ 4] Bergen, die niet zoals de Tabor, de Libanon, de Ararat en de Sinaï op zichzelf stonden, maar die tot een grote en uitgestrekte bergketen behoorden, hadden gewoonlijk geen eigen naam, behalve een aantal dat een plaatselijke en van de tijd afhankelijke naam had. Dat was niet zelden de naam van de een of andere rijke bergbezitter, die daar zijn kudden liet weiden; als er een andere bezitter kwam, dan kreeg de berg ook een andere naam. Dat was ook het geval bij deze berg, die naar de tollenaar genoemd was en eigenlijk al bij Griekenland hoorde.

[5] Daarom was dit plaatsje, omdat het op de grens tussen Galiléa en Griekenland lag, een belangrijke tolplaats, want van daaruit liep een tamelijk begaanbaar bergpad uit Galiléa over het gebergte naar Grie­kenland waarover vele duizenden kooplieden trokken en op kamelen, bergpaardjes en ezels hun veelsoortige waren vervoerden.

[6] Toen de pas gearriveerde Farizeeën hoorden dat wij de hoge berg beklimmen wilden, vroegen ze aan Kisjonah of ze mee mochten met het gezelschap. Kisjonah zei: 'Als u geen kwaad in de zin hebt, dan biedt de berg, die van hier tot Griekenland ongeveer twintig uur gaans lang en ongeveer vijf uur gaans breed geheel mijn bezit is, voldoende ruimte om ook u op te nemen. Maar ik kan u beslist niet gebruiken als u kwaadwillige spionnen bent van het priesterdom in Kapérnaum en Jeruzalem, want ik ben een Griek en nu een zeer toegewijd aanhanger van de heilige en volgens mijn mening alleen echte leer van deze goddelijke meester van alle meesters, en dan zou ik mij met ieder mij ten dienste staand middel tegen uw gezelschap verweren! Raadpleeg uw hart! Is het zuiver, dan hebt u vrij toegang; is het onzuiver, dan kunt u beter meteen weer daarheen gaan, waar u vandaan bent gekomen!'

[7] De Farizeeën zeggen: 'Wij zijn zuiver en hebben geen arglist in onze harten. Wij volgen Mozes en wij zijn Joden, zoals ook Jezus een Jood is en de wet van Mozes nooit te niet kan doen. Men hoort echter van alle kanten veel vertellen over zijn daden en lessen, en wij moeten daarom beslist weten of zijn daden en lessen Mozes wet niet opheffen. Als ze Mozes en de profeten bevestigen, dan nemen wij ze ook aan; doen ze het tegendeel, dan is het wel duidelijk dat we daartegen moeten zijn!'

[8] De tollenaar zegt: 'Zoals u nu spreekt, spraken uw voorvaderen ook tegen de profeten en ze hebben hen later als godloochenaars gestenigd, en ik ken er maar weinig die niet gestenigd werden. En toch haalt u bij iedere gelegenheid de profeten aan en roemt hen! Maar uw voorvaderen waren precies dat, wat u bent, en u bent geen haar beter dan uw voorvaderen die de profeten stenigden. Daarom twijfel ik ook aan uw bedoelingen ten opzichte van deze heilige profeet der profeten,

[9] U noemt uzelf wel volgelingen van Mozes; maar met uw doen en laten staat u verder van Mozes af dan dat deze aarde van de hemel verwijderd is! Onderzoek uzelf dus, of u waardig bent om met ons mijn berg te beklimmen!'

[10] Ik zeg tegen Kisjonah: 'Laat ze maar meekomen! Als het teveel voor hen wordt zullen ze wel teruggaan; want geen van hen heeft ooit een berg beklommen! Misschien reinigt de zuivere lucht van deze hoge berg hun harten een beetje.'

[11] Kisjonah vond dat goed, en met van alles bij ons gingen we op weg naar boven.

[12] De vijf dochters ontbraken niet en liepen als kuikens om Mij heen, ondervroegen Mij over zeer verschillende dingen van de oorspronkelijke schepping en over het ontstaan van zulke bergen, en Ik legde hun alles zodanig uit dat ze het begrijpen konden, Ook de vele leerlingen en veel mensen die ons begeleidden, luisterden als ze maar even konden mee naar Mijn uitleggingen en dat deed hun bijzonder veel genoegen.

[13] Maar Nathánaël, die het meest doordrongen was van Mijn godde­lijkheid, sprak zo nu en dan met de berg en zei: '0 berg! Voel je, Wie er nu Zijn voeten op je zet?' En iedere keer als Nathánaël zo'n diepzinnige vraag stelde aan de berg, trilde de berg zodanig dat allen het voelden.

[14] De Farizeeën werden daarom erg bang en begonnen het volk te overreden om zich niet verder naar boven te wagen. Het zou best eens een van oudsher heilige berg kunnen zijn, die geen onwaardige betreden , mocht of de berg zou gaan beven en uitbarsten en vanwege die ene onwaardige allen vernietigen!  .

[15] Het volk zei echter: 'Gaan jullie dan maar alleen terug; want bij ons heeft de berg nog nooit gebeefd, hoewel we hem al vaak beklommen hebben!'

[16] Toen begonnen de Farizeeën op het volk te mopperen. En de berg beefde weer tijdens het mopperen van de Farizeeën, en die keerden daarop snel om en liepen wat ze lopen konden, de berg af terug naar de vlakte, en op deze manier waren wij in één keer verlost van onze hinderlijke begeleiders.

[ 17] Wij zetten toen onze reis heel rustig voort en bereikten zo tegen de avond de wijd uitgestrekte bergboerderijen van Kisjonah, waar we ook de nacht doorbrachten. Vanwege de vermoeidheid van de vrouwen begonnen we pas op de tweede dag met de beklimming van de hoogste top van deze berg, van waaruit men een buitengewoon mooi en ver uitzicht had over heel Judéa, Samaria, Galiléa en een groot deel van Griekenland.

 

 

152 De geestenwereld

 

[I] Op deze top verbleven wij een dag en een nacht en genoten van veel heerlijke en wonderbare dingen.

[2] Voor Mij waren hier natuurlijk geen wonderbare dingen, omdat de oorsprong van alle talloze verschijnselen en gebeurtenissen in Mij Zelf ligt en liggen moet; maar allen die bij Mij waren, beleefden heerlijke en wonderbare dingen in overvloed.

[3] Ten eerste was daar het verrukkelijke wijde uitzicht, dat gedurende de dag alle ogen voortdurend bezig hield. Ten tweede liet Ik na zons­ondergang toe dat het geestelijk oog van de mensen geopend werd, zodat ze in de grote geestenwereld konden zien.

[4] Hoe groot was bij allen de verbazing, dat zij boven de aarde een grote wereld zagen vol met wezens die daar leefden en werkten, en daarbij onafzienbaar uitgestrekte streken en gebieden die er ten dele buitengewoon heerlijk, ten dele ook naar het noorden toe zeer woest en treurig uitzagen.

[5] In stilte gebood Ik echter alle geesten om over Mij te zwijgen.

[6] Veel leerlingen spraken met de geesten over het leven .na de dood van het lichaam, en de geesten waren voor hen een overtuigend bewijs van een verder en volkomener leven na de lichamelijke dood, en zij kregen een inzicht in de aard daarvan.

[7] Kisjonah zei ook: 'Nu zijn al mijn wensen vervuld. Bij alles wat ik heb, en bij deze berg die mijn aards bezit is, ik zou de helft van al mijn bezittingen geven als ik nu een paar van de belangrijkste Sadduceeën en Essenen, die niet geloven in een leven na de dood van het lichaam, hier kon hebben! Wat zouden deze wijzen hier hun neus aan de gees­tenwereld stoten! Zelf was ik eens al helemaal door hun leer gegrepen, maar ik liet deze geleidelijk aan weer los, omdat een toch wel behoorlijk griezelige verschijning van mijn vader mij gelukkig uit de droom hielp.

[8] Het is wel buitengewoon! Men kan nu als gelijken met deze wezens omgaan en praten. Waar ik me wel een beetje over verwonder, is, dat er hier onder de zeer vele geesten, waarvan ik er enige als persoon heel goed herken, geen aartsvader, geen profeet en net zo min een koning te zien is!'

[9] Ik zeg: 'Beste vriend en broeder, ook zij leven in de geestenwereld; maar opdat al die millioenen en millioenen geesten hun niet de een of andere goddelijke verering zullen geven, worden ze op een speciale plaats, die voorportaal der hel heet, afgezonderd gehouden van alle andere geesten, en daar verblijven ze in de algehele verwachting dat Ik hen nu in deze tijd vrij zal maken en ze dan binnen zal voeren in de hemelen van het oorspronkelijke verblijf van Mijn engelen, -hetgeen dan ook weldra zal gebeuren.

[10] Tevens vormen deze geesten van de aartsvaders, profeten en echte koningen een afscherming tussen de werkelijke hel en deze geestenwereld, zodat de hel haar niet verduisteren, verpesten en verleiden kan.

[11] De satan mag weliswaar de natuurlijke wereld ingaan om zich daar van tijd tot tijd uit te leven; maar deze geestenwereld is voor eeuwig voor alle duivels onbereikbaar. Want waar het eigenlijke leven begint, daar kan de dood nooit komen. 'Satan', 'duivel' en 'hel' behoren tot het gericht en dus tot de eigenlijke dood en hebben daarom niets te doen in het rijk des levens. Begrijp je dat wel?'

[12] Kisjonah zegt: 'Heer, zo ver als dat mogelijk is en Uw genade het toelaat, begrijp ik het nu; maar achter dit alles zal zeker nog enorm veel schuilgaan dat ik waarschijnlijk dan pas helemaal bevatten en begrijpen, zal, als ik eenmaal zelf een bewoner van deze altijd meer trieste dan, vriendelijke wereld zal zijn.In het oosten en zuiden ziet deze geestenwereld er echt wel heel mooi en vriendelijk uit; maar in het westen en noorden ziet het er nog veel droeviger en treuriger uit dan op de uitgestrekte vlakte waar eens het grote Babel gestaan heeft. Zo'n aanblik bederft dan ook de lieflijkheid van het oosten en zuiden.'

[13] Ik zeg: 'Je hebt gelijk; het is zoals je gevoel je dat ingeeft. Maar de geesten, die je nu met vele honderdduizenden voor je ziet, zien het verre westen en noorden niet zoals jij het nu ziet; want een geest ziet steeds alleen maar dat, wat met zijn innerlijk overeenstemt.

[14] Omdat noch het westen en nog minder het noorden overeenstemt met hun innerlijk, zien ze het westen niet en het noorden nog minder .

Alleen als ze helemaal gelijk worden aan Mijn engelen, dan zullen ze ook alles zo kunnen zien, zoals jij dat nu ziet.'

[15] Kisjonah zegt: 'Heer, het is weliswaar wat vaag, en ik begrijp het nog niet, maar ik denk dat dat voorlopig ook helemaal niet nodig is. Maar omdat U, o Heer, hier nu zo vrijgevig bent met zulke wonderbaarlijke onthullingen, wat zou U er dan van denken om ons naast deze talloze vele geesten ook een paar engelen te laten zien?! Ik heb al veel over de aartsengelen, over de Cherubijnen en Serafijnen, horen vertellen, veel daarover in de Schriften gelezen en ik heb mij daarvan heel verschillende voorstellingen gemaakt die waarschijnlijk zeer onjuist en dus fout waren. U, o Heer, zou mij daarvan wel een juiste voorstelling kunnen geven, als dat Uw heilige wil was!' - Ook de vijf dochters, die de gehele tijd om Mij heen waren, vroegen Mij dat.

[16] Ik zei: 'Ik wil het doen; echter niet vóór het aardse middernachtelijke uur, maar daarná. Onderhoudt je nu met de geesten, maar verraadt niet aan hen dat Ik hier ben; want daar hebben ze vóór de tijd niets aan; want iedere geest moet zijn rijpheid in volle en ongedwongen vrijheid verkrijgen!'

[17] Met deze belofte stelden ze zich tevreden en ze wachtten zeer verlangend tot middernacht voorbij zou zijn.

 

 

153 Drie maangeesten spreken over de maanwereld

 

[I] Kisjonah wist ook iets van sterrenkunde af en begon aan de hand van de verplaatsing van de sterren uit te rekenen of middernacht al gauw voorbij zou zijn; want in die tijd had men nog lang niet zulke klokken als thans, en men behielp zich met een onnauwkeurige berekening aan de hand van de stand der sterren.

[2] Na een poosje zegt Kisjonah: 'Volgens mijn berekening zou midder­nacht nu al voorbij zijn?!'

[3] Ik antwoord: 'Vriend! Jouw berekening lijkt nergens naar; want wij zijn nog een uur van het midden van de nacht verwijderd. Reken daarom maar liever niet, want de loop van de sterren is anders dan je denkt! Jouw manier van berekenen is onjuist, en daardoor is het vrijwel onmogelijk, dat je aan de stand en de loop van de sterren het midden van de nacht kunt bepalen. Mensen, die dat kunnen, zullen eenmaal wel geboren worden; maar nu is het nog lang niet zo ver.

[4] Toch kwam onder het houden van verschillende gesprekken het midden van de nacht naderbij, en geheel volgens de wetten der natuur kwam de maan voor de helft verlicht op. Toen vroegen de dochters van Kisjonah al weer gauw, wat de maan toch wel was, en hoe zij steeds zo haar licht veranderde.

[5] Maar Ik zei tegen hen: 'Beste dochtertjes! Er staan net drie maangeesten achter jullie; vraag het hen! Zij zullen jullie precies vertellen wat de maan is, en op welke manier zij regelmatig haar licht wisselt en af en toe helemaal verliest!'

[6] De oudste stelde toen vragen aan de drie geesten over de maan, en die antwoordden: 'Bekoorlijke! Over de aarde waarop jij woont zouden wij aan jou precies dezelfde vraag kunnen stellen. Je weet niet waarom het nu donker is op aarde en toch stel je daar geen vragen over; waarom wil je dat dan wel over de maan weten, die toch zoveel verder van je af staat dan de aarde, die je draagt?

[7] Kijk, net als jouwaarde, is ook onze maan een wereld! Jouw aarde is rond; en onze maan is dat ook. Jouwaarde wordt steeds maar voor de helft door de grote zon beschenen, en onze maan ook. Bij jou duurt de nacht gemiddeld ongeveer dertien van jullie korte uren, en je aardse dag is ook ongeveer even lang; op de maan echter duren zowel de nacht als de dag ongeveer veertien aardse dag­ en nachtlengtes, en daardoor ziet je oog vanaf je aarde de voortdurende wisseling van het licht op de maan, - en dat is een groot verschil tussen de maan en jouw zoveel grotere aarde.

[8] Er is echter nog een veel groter verschil tussen jouw aarde en de maan, en dat is, dat de maan slechts aan één kant, die je echter niet zien kunt, bewoond wordt door wezens van mijn soort, terwijl de aarde aan alle kanten bewoond wordt of voor het grootste deel bewoonbaar is.

[9] O, op de maan leeft men niet zo gelukkig als op jouwaarde! O, daar heerst veel kou en veelonverdraaglijke hitte, veel honger en vaak brandende dorst! Heb daarom geen verlangen naar die kleine, maar buitengewoon harde wereld, waar op de velden geen tarwe en geen koren en helemaal geen wijn groeit!

[10] Maar op de kant die je vanaf je aarde altijd alleen maar kunt zien, woont geen lichamelijk wezen, geen dier en ook geen mens, maar daar wonen alleen maar ongelukkige geesten die zichzelf moeilijk of ook wel helemaal niet kunnen helpen. - En nu weten jullie alles, wat je weten moet.

[11] Wens echter niet om nog meer over de maan te weten te komen; want die kennis zou je tenslotte erg ongelukkig maken!

[12] Houd je alleen maar aan de liefde en geef alle wijsheid op; want je kunt beter aan de tafel der liefde eten -dan op de maan de spaarzame dauw van de steen der wijzen likken!'

[13] Na deze beschrijving verwijderen de drie maangeesten zich, en de dochters vragen Mij heel vertrouwelijk of het er op de maan wel zo uitzag als de drie maangeesten hen nu verteld hadden.

[14] En Ik zeg: ' Ja, beste dochters, -het is precies zo en vaak nog veel erger! -Maar nu laten we de maan verder gaan, en kijk allen nu eens naar het oosten!

[15] Ik zal nu enige hemelse engelen roepen, en je zult ze daar vandaan zien komen; kijk dus naar die kant!'

 

 

154 De terugkomst der twaalf apostelen

 

[I] Iedereen kijkt nu naar het oosten, waar het net als bij het opkomen der zon steeds lichter begint te worden, -natuurlijk alleen maar voor het geestelijk oog, hoewel daardoor het lichamelijk oog er ook gevoelig voor wordt.

[2] Na een poosje waarin het oosten steeds lichter en lichter wordt, verschijnen tenslotte drie gestalten, die schitterender stralen dan de zon en een volmaakte menselijke vorm hebben, en zij zweven door de lucht naar ons toe. Maar door het licht van deze drie engelen, die vanwege hun licht en hun vaste vorm de algemene naam van 'cherubijnen' hebben, was de geestenwereld haast niet meer te zien, en de geesten leken op de rusteloze nevelflarden om de toppen van de bergen.

[3] Toen de drie cherubijnen helemaal bij ons waren, zwakten ze hun licht wat af, wierpen zich voor Mij op hun aangezichten en zeiden: 'Heer! Wie in alle eeuwig oneindige hemelen is er waardig, Uw heilig aangezicht te zien? Alle eer van de eeuwigheid en de oneindigheid is alleen voor U!'

[4] Maar Ik zei tegen hen: 'Bedek je en ga snel naar beneden, naar de plaatsen waar Mijn twaalf apostelen vertoeven! Ze hebben Mijn opdracht vervuld, en dat is voldoende; haal ze daarom en breng ze hierheen!'

[5] Op hetzelfde ogenblik bedekken de drie engelen zich, verwijderen zich snel en in een paar ogenblikken brengen ze de twaalf uitgezondenen door de lucht naar Mij toe op de top van de berg.

[6] Behalve Judas deed het de twaalf veel genoegen om op zo'n won­derbaarlijke manier van grote afstand tot Mij te worden gebracht.

[7] Alleen Judas zei: 'Ik wens eens en voor altijd niet weer op die wijze vervoerd worden! Het duurde weliswaar maar een paar ogenblikken; maar ik heb zo'n angst gehad, en de lucht gierde langs me heen!'

[8] Dat hadden de engelen echter ook alleen maar aan Judas laten voelen; de elf anderen merkten daar niets van.

[9] Het volk sprak er later nog lang over, dat de apostelen door de drie engelen van veraf door de lucht naar Mij op de berg gebracht waren.

[10] Maar velen op de berg werden bang en zeiden: 'In 's hemelsnaam, zo wordt het ons te wonderbaarlijk; het is hier haast niet meer uit te houden!'

[11] En anderen zeiden: 'Dat kan alleen maar Jehova Zelf doen!'

[12] De twaalf vertelden echter over het vele, dat ze in korte tijd beleefd hadden.

[13] Ik beval de engelen om voor voldoende brood en wijn te zorgen; want de twaalf hadden honger en dorst omdat ze de hele dag niets te eten en te drinken hadden gekregen. En de engelen deden direct wat Ik hen bevolen had, en brachten de juiste hoeveelheid brood en wijn. Toen namen de twaalf het brood en de wijn, aten en dronken naar believen en kwamen weer op hun verhaal.

[14] De vijf dochters wilden van dit brood en die wijn ook wat proeven en vroegen Mij dat. Kisjonah verbood het hen echter en zei: 'Begerig zijn is ook een zonde; daarom is zelfverloochening bij alles noodzakelijk, anders komt een mens nooit tot de ware deugd, zonder welke er geen leven kan zijn.'

[15] Maar Ik zei: 'Vriend, Iaat deze zonde je dochters vergeven zijn; want de zonden, die in wezen geen zonden zijn, worden gemakkelijk vergeven. Je dochters hebben echt in alle ernst honger en dorst, en voor allen, die hier zijn is er genoeg brood en wijn. En daarom moeten allen er naar behoefte van genieten, als de twaalf, die op dit moment de meeste honger hebben, verzadigd zullen zijn!'

[16] Dit antwoord bevredigde Kisjonah en zijn dochters geheel. Ik zei daarna tegen de twaalf apostelen, dat ze nu brood en wijn moesten uitdelen, en dat deden ze meteen.

[17] Er waren ditmaal alles bij elkaar tegen de achthonderd mensen op de berg, die een heel brede top had, waarop slechts een stuk rots van één bij vijf vadem omhoog rees, dat echter vanaf de zuidkant eveneens goed te beklimmen was. Allen aten en dronken en werden verzadigd, en loofden en prezen Mij voor deze wonderbare maaltijd. En Kisjonah zei vanaf de rots, waar hij voor deze gelegenheid was opgeklommen:

[18] Vrienden en broeders, luistert naar mij! Wij kennen de Schrift vanaf Mozes tot bijna aan onze tijd toe, en de boeken over de oorlogen van Jehova, waarvan Mozes en vele andere profeten melding maken, hebben we uit Perzië gekregen en de vertaling daarvan gelezen, omdat veel wijzen ze als echt aanmerken; maar van al de wonderen die daarin beschreven staan, is er ook niet een, dat te vergelijken zou zijn met datgene wat nu voor onze ogen gebeurt. Zoiets is niet alleen niet in Israël, maar in de hele wereld nog nooit gehoord! Wie moet dan wel Degene zijn, Die zulke daden doet, die buiten God echt niemand doen kan?!'

 

 

155 Het verschil tussen wetenschap en geloof

 

[I] Bij deze woorden roep Ik Kisjonah van zijn vijf vadem hoge kansel naar beneden en zeg onder vier ogen tegen hem: 'Zwijg voorlopig en verraad Mij niet voor de tijd daarvoor rijp is! Want er zijn er hier nog veel, die daarvoor niet zo rijp zijn als jij en die daarom ook niet volledig gewaar mogen worden Wie Ik nu eigenlijk ben. Anders zou dat een belemmering vormen voor hun tot leven te brengen geestelijke vrijheid, die hun geest heel moeilijk ooit zou kunnen overwinnen.

[2] Het is voldoende, dat velen nu beginnen te vermoeden Wie Ik ben, en dat de meesten Mij voor een grote profeet en enigen Mij voor Gods Zoon, -Die Ik uiterlijk ook ben -, houden. Meer zou voorlopig te schadelijk zijn; daarom laten wij ze ook voorlopig in hun mening en hun geloof, en je mag Mij daarom niet verder verraden!'

[3] Kisjonah zegt: 'Ja Heer, U heeft gelijk; maar ik ben ook maar een mens. Is het geen oordeel voor mijn ziel, dat ik nu zonder enige twijfel niet alleen geloof, maar ook heel zeker weet Wie U bent?'

[4] Ik zeg: 'Jou heb Ik door woord en leer voorbereid. Toen Ik een paar dagen geleden bij je kwam, dacht je dat Ik een wijze en knappe dokter was, en toen je Mij ongewone dingen zag doen, begon je Mij voor een profeet te houden waarin de geest van God werkte. Je bent echter goed in alle scholen thuis, en wilde daarom precies weten hoe een mens tot zulke prestaties kon komen. Toen onthulde Ik je wat de mens is en wat in hem sluimert, en tevens wat uit de mens kan worden als hij zichzelf helemaal kent en daardoor de volle levensvrijheid van zijn geest bereikt heeft.

[5] Maar Ik liet je toen ook zien dat God Zelf ook: een mens is, en dat dit de enige reden is waarom ook jij en alle aan jouw gelijke wezens mensen zijn. En Ik toonde je ook in 't geheim, dat Ik Zelf die mens ben, en dat iedere mens geroepen is om dat te worden en voor eeuwig te zijn, wat Ik Zelf ben. Toen was je verbaasd, en sinds dat ogenblik weet je Wie Ik ben.

[6] En zie, dat was een doelmatige voorbereiding voor je ziel en je geest, zodat je Mij nu een hele aarde en uit stenen mensen zou kunnen zien scheppen zonder je daar druk over te maken. Want je hebt uit vrije wil op wetenschappelijke wijze aangenomen dat God een mens kan zijn en dat een mens heel goed en geheel wetenschappelijk bewezen een god kan zijn! En daarom kan het nu je ziel en je geest nooit van de wijs brengen, als je volkomen beseft dat Ik eeuwig de enige en enig ware God en Schepper van alle dingen ben.

[7] Maar het staat er heel anders voor met deze andere mensen, die allen puur wetenschappelijk niet te benaderen zijn. Zij hebben alleen het geloof en daarbij uiterst weinig verstand.

[8] Het geloof staat echter dichter bij het zieleleven dan het grootste verstand. Door een dwangmatig geloof wordt de zielook geketend; als de ziel echter geketend is, dan kan er in haar geen sprake zijn van een vrije ontwikkeling van de geest.

[9] Als echter, zoals bij jou, eerst het verstand het juiste inzicht verkregen heeft, dan blijft de ziel vrij en haalt uit de kennis van het verstand altijd alleen maar zoveel, als ze verdragen en verteren kan.

[10] En zo vormt zich uit een goed ontwikkeld verstand een waar, vol, levend geloof, waardoor de geest in de ziel een juiste voeding krijgt en daardoor steeds sterker en machtiger wordt, -wat een mens meteen kan waarnemen, als zijn liefde tot Mij en tot de naaste steeds sterker en machtiger wordt.

[ II] Maar, zoals reeds aangeduid, daar bij de mens het verstand vaak helemaal niet ontwikkeld is en de mens slechts het geloof heeft, dat in zekere zin op zichzelf slechts gehoorzaamheid van het hart en zijn wil is daarom moet de mens heel voorzichtig behandeld worden opdat hij niet ten prooi valt als de dag ongeveer veertien aardse dag­ en nachtlengtes, en daardoor ziet je oog vanaf je aarde de voortdurende wisseling van het licht op de maan, - en dat is een groot verschil tussen de maan en jouw zoveel grotere aarde.

[12] En nu zul je wel zonder moeite inzien waarom Ik je zo-even van de rots afriep, waar je de mensen wilde onthullen wie Ik ben. Daarom moet de ene blinde nooit de andere leiden, maar dat moet iemand doen die door zijn goede verstand scherp kan zien, - omdat ze anders beiden in de afgrond storten.

[13] Ik zeg je, wees in alles ijverig en verzamel van alle dingen de juiste kennis! Onderzoek alles wat je tegenkomt, en behoud daarvan wat goed en waar is, dan zal het gemakkelijk voor je zijn om de waarheid te vinden en het voorheen dode geloof weer levend te maken en het te doen groeien tot een waar levenslicht.

[14] Tegen jou zeg Ik en daardoor tegen allen: Als je voor je leven echt nut van Mijn leer wilt hebben, dan moet je haar eerst begrijpen en dan pas volgens waarheid daarnaar handelen!

[15] Zo volkomen de Vader in de hemel in alles is, net zo volkomen moeten jullie ook zijn, -omdat je anders nooit Zijn kinderen kunt worden!

[16] Je hebt het door Matthéus geschrevene gelezen met daarin Mijn bergprediking; daarin leerde Ik de leerlingen bidden en wel met de aanroep: 'Onze Vader!'

[17] Wie dit gebed in het hart bidt, maar het echter niet begrijpt, is als een blinde die de zon looft en prijst, maar haar ondanks haar zeer machtige licht niet ziet en zich van haar ook geen voorstelling kan maken. Daardoor zondigt hij weliswaar niet; maar aan de waarheid heeft hij ook niets, want daarbij blijft hij toch in dezelfde duisternis.

[18] Als je dus het hart van een mens werkelijk toerust voor het leven, vergeet dan niet om eerst het verstand goed te ontwikkelen, anders maak je van hem een blinde zonaanbidder waar je niets aan hebt.'

 

 

156 Het scheppingsverhaal van Mozes

 

[1] Na deze uitleg, waarvan Kisjonah zei, dat zij een antwoord gaf op al zijn vragen, begon het in het oosten te dagen en een heel frisse ochtendkoelte besloop de spits van onze berg waar we het nog steeds best naar ons zin hadden, en Kisjonah stelde voor dat we zolang af zouden dalen naar de dichtstbij gelegen berghut tot de zon opgegaan zou zijn.

[2] Ik zeg: 'Houd daar over op! De ochtendkoelte op deze hoogte zal niemand schaden, maar sterkt ieders ledematen; bovendien duurt het niet lang, en het is nodig omdat anders een bepaald soort geesten, die hier niet nader te omschrijven is, overdag slecht weer zou brengen als ze nu bij zonsopgang niet door sterke vredesgeesten belemmerd werd om op te stijgen.'

[3] Kisjonah vroeg niet verder, en wij bleven nog tot aan de middag van deze dag op de top van de berg. Maar na de middag daalden we weer af naar de bergboerderij en brachten daar nog een paar dagen door met allerlei besprekingen over de levenstaken van de mens en over de aard van de aarde, de sterren en allerlei andere dingen.

[4] Veel begreep het nog steeds wat somberder deel van de Joden en bij Mij gebleven Farizeeën er niet van, maar toch protesteerden zij niet; want deze Joden en Farizeeën, die zich al op de eerste dag van Mijn bezoek aan Kisjonah aan Mijn kant geschaard hadden, waren werkelijk opgewekte en goedwillende mannen en het waren nuchtere denkers, die al veel van Mij verwachtten en Mijn woord gelijkstelden met dat van God. Daarom kunnen ze niet vergeleken worden met diegenen, die naar Kapérnaum teruggejaagd werden, en ook niet met diegenen, die vanwege het beven van de berg meer dan vier dagen geleden weer naar benepen vluchtten.

[5] Hoewel de bovengenoemde betere Joden en Farizeeën zich nu al strikt hielden aan wat Ik zei, trokken ze vaak hun schouders op bij Mijn verklaringen over het werkelijke ontstaan of liever de graduele schepping van de aarde en alle dingen in en op de aarde, zoals ook die van alle talloze andere hemellichamen, en zeiden bij zichzelf: 'Dat is dan toch wel rechtstreeks tegen Mozes in! Waar blijven dan de zes scheppingsdagen, waar de sabbat waarop God gerust heeft? Wat komt er dan terecht van datgene, wat Mozes zegt over het ontstaan van alles wat nu in z'n totaliteit de hele wereld vormt? Als deze wonderdoener uit Nazareth ons daarover nu een leer geeft die de leer van Mozes helemaal opheft, wat moeten we dan zeggen? Als Mozes echter niet meer geldt, dan gelden daardoor ook alle profeten en uiteindelijk hijzelf ook niet; want als Mozes niets voorstelt, dan stellen ook de profeten niets voor - en de verwachte Messias, die hij eigenlijk zelf is, ook niets!

[6] Maar nauwkeurig beschouwd is zijn leer juist, en de schepping kan eerder zo plaats gevonden hebben als hij het nu uitlegt, dan zoals Mozes dat vertelt.'

[7] Een van hen kwam toen naar Mij toe en zei: 'Heer! Als het zo gebeurd is, wat moeten we dan met Mozes en de profeten aan?'

[8] Ik antwoord: 'Die moeten door jullie in de juiste geest en met verstand ontvangen en begrepen worden!

[9] Mozes geeft bij zijn uitbeelding van de schepping alleen maar beelden, die betrekking hebben op het ontwaken van het eerste godsbegrip bij de aardse mens, en niet op de stoffelijke schepping van de aarde en alle andere werelden.”

 

 

157 De eerste scheppingsdag

 

[1] 'Er staat toch geschreven: 'In het begin schiep God hemel en aarde, en de aarde was woest en leeg en in de diepte was duisternis; maar Gods geest zweefde over de wateren.

[2] En God sprak: 'Laat het licht worden!', en het werd licht. God zag, dat het licht goed was; toen scheidde Hij het licht van de duisternis. Hij noemde het licht 'dag' en de duisternis 'nacht'. Zo ontstond uit avond en ochtend de eerste dag.'

[3] Zie, dat zijn de woorden van Mozes! Als u ze op de natuur wilt toepassen, dan moet u toch op het eerste gezicht al zien, wat voor een grote onzin daaruit voortkomt!

[4] Wat bedoelt Mozes dan met de 'hemel' en de 'aarde', waar hij over zegt, dat deze in het begin geschapen zijn? De 'hemel' is het geestelijke, en de 'aarde' is het natuurlijke in de mens; deze was en is nog steeds woest en ledig -net als bij u. De 'wateren' zijn uw slechte inzicht in alle dingen, de geest van God zweeft er wel boven, maar bevindt zich er nog niet in.

[5] Maar omdat Gods geest steeds ziet dat het in uw materialistische werelddiepte heel donker is, zegt Hij als het ware tegen u: 'Laat het licht worden!'

[6] Dan begint het in uw wezen wat schemerig te worden, en God ziet hoe goed het licht is voor uw duisternis; maar u kunt en wilt dat zelf maar niet inzien. Daarom vindt er dan ook een deling in u plaats, dag en nacht worden namelijk gescheiden, en door de dag herkent u dan in uzelf de vroegere nacht van uw hart.

[7] De eerste natuurlijke staat van de mens is die van 's avonds Iaat, dus duisternis. Maar omdat God hem een licht geeft, daarom is dat licht voor de mens een waar morgenrood, en zo ontstaat uit de avond en het morgenrood van de mens werkelijk zijn eerste levensdag.

[8] Het is toch begrijpelijk, dat als Mozes, die in alle wetenschappen van de Egyptenaren ingewijd was, in zijn geschriften de eerste natuurlijke dag van de aarde aan had willen geven, hij met al zijn kennis en wijsheid toch wel gemerkt zou hebben, dat uit de avond en de morgen nooit een dag kan ontstaan; want op de avond volgt in de natuur altijd nog de hele nacht, en de dag komt pas na de morgen.

[9] Wat dus tussen avond en morgen ligt, is nacht; maar wat tussen morgen en avond ligt, is dag!

[10] Als Mozes gezegd had: 'En zo ontstond uit morgen en avond de eerste dag!', dan zou u wel aan kunnen nemen, dat het de natuurlijke dag was; maar hij had goede redenen om het juist omgekeerd te zeggen, en dat heeft te maken met de avond en tevens de nacht van de mens, wat heel begrijpelijk is, want niemand heeft nog ooit een volkomen wijs kind gezien.

[11] Als een kind op deze wereld geboren wordt, heerst er in zijn ziel volkomen duisternis en dus nacht. Het kind groeit op, krijgt allerlei onderricht en daardoor steeds meer inzicht in allerlei zaken en dat is de avond, dat wil zeggen, het begint in de ziel zo schemerig te worden alsof het avond is.

[12] U zegt wel dat het 's morgens ook schemert, en Mozes had dan ook kunnen zeggen: 'En zo ontstond uit de ochtendschemering en uit de eigenlijk al lichte morgen de eerste dag!'

[13] Dan zeg Ik: Zeker, als hij geestelijk gesproken tegen de mensen iets onzinnigs had willen zeggen! Maar Mozes wist, dat alleen de avond te vergelijken is met de aardse toestand van de mens; hij wist dat de zuiver aardse verstandelijke ontwikkeling bij de mens op dezelfde manier plaats vindt, als het schemeren van de natuurlijke avond.

[14] Hoe meer de mensen met hun verstand de aardse dingen proberen te vinden, des te zwakker wordt in hun hart het goddelijke licht van de liefde en van het geestelijke leven. Daarom noemde Mozes zulk aards licht van de mens ook de avond.

[15] Alleen wanneer God door Zijn barmhartigheid een levenslichtje in het hart van de mens aansteekt, dan begint de mens pas de waardeloosheid in te zien van alles wat hij eerder met zijn verstand, de geestelijke avond, zich toegeëigend heeft, en hij ziet dan ook langzaam .maar zeker steeds meer in, dat al de schatten van het avondlicht net zo vergankelijk zijn als het avondlicht zelf.

[16] Maar Gods ware licht, aangestoken in het hart van de mens, dat is de morgen die met en uit de voorafgegane avond de eerste echte dag in de mens teweegbrengt.

[17] Door deze verklaring die Ik nu geef, moet u nu ook wel inzien dat er een ontzaglijk groot onderscheid bestaat tussen de beide lichten, of liever inzichten; want alle kennis in het wereldse avondlicht is bedrieglijk en daarom ook vergankelijk. Alleen de waarheid duurt eeuwig; maar het bedrieglijke moet altijd op niets uitlopen.'

 

 

158 De tweede scheppingsdag

 

[I] Het zou echter makkelijk kunnen gebeuren, dat het licht van God in het hart van de mens uit zou stromen in het avondlicht en dan zou oplossen of minstens zich zo zou vermengen, dat men uiteindelijk niet meer zou weten wat het natuurlijke en wat het goddelijke licht in de mens is.

[2] Daarom maakte God een vaste scheiding tussen de beide wateren, die het symbool zijn van de tweeërlei kennis waarover Ik nu wel voldoende opheldering heb gegeven, en Hij splitste zo de beide wateren.       

[3] Deze scheiding is de werkelijke hemel in het hart van de mens en wordt zichtbaar door een waar levend geloof, maar in der eeuwigheid nooit door onnutte verstandelijke spitsvondigheden.

[4] Daarom noem Ik nu ook degene, die het sterkste en onwankelbaarste geloof heeft, een rots en plaats hem als een nieuwe scheidsmuur tussen hemel en hel, en geen duistere macht der hel zal deze scheidsmuur in eeuwigheid ooit kunnen overmeesteren.

[5] Als zo'n scheiding in de mens gemaakt wordt en het geloof sterker en sterker wordt, dan maakt dit geloof steeds duidelijker zichtbaar hoe onbeduidend het natuurlijk verstandelijke is. Het natuurlijke verstand aanvaardt dan het geloof als meerdere en zo groeit in de mens uit zijn avond en zijn steeds lichtere morgen de volgende dag, die reeds veel lichter is.

[6] In deze situatie, die kenmerkend is voor de tweede dag, ziet de mens datgene al, wat alleen het ware is dat voor eeuwig moet blijven bestaan; maar echt ordelijk is het bij hem nog niet. De mens vermengt nog steeds het natuurlijke met het geestelijke, vergeestelijkt de natuur vaak te veel en ziet daardoor ook in de geest nog materiële dingen en komt met zichzelf nog niet in het reine over wat hij moet doen.

[7] Hij lijkt op een pure waterwereld, die aan alle kanten omringd is door lucht waar licht doorheen schijnt, en die uiteindelijk niet in staat is om te bepalen, of zijn waterwereld uit de met licht doorschoten lucht of uit de waterwereld ontstaan is. Hij realiseert zich nog niet duidelijk genoeg, of hij zijn geestelijke kennis uit zijn natuurlijke verstand heeft verkregen, of dat zijn natuurlijke verstand zich uit de in de mens verscholen, misschien al aanwezige, maar ook in het begin zeer geheim werkende geestelijke kennis, heeft ontwikkeld. Om het nog duidelijker te zeggen, hij weet niet of het geloof uit de kennis voortkomt of de kennis uit het geloof, en wat nu wel het verschil is tussen die twee.

[8] Kortom, hij weet op dat moment nog niet, wat er eerder was, de kip of het ei, het zaadje of de boom.

[9] Dan komt God weer en helpt de mens verder, als deze uit de hem gegeven en dus eigen kracht genoeg gedaan heeft op deze tweede dag van zijn geestelijke leerschool. En die verdere hulp bestaat daarin, dat het licht in de mens versterkt wordt, waardoor het als een voorjaarszon, niet alleen door de grotere lichtsterkte maar door de juist daardoor veroorzaakte warmte, alle zaden die in het hart van de mens gelegd zijn begint te bevruchten.

[10] Die warmte heet liefde en is geestelijk tevens de bodem, waarin de :zaden gaan kiemen en hun wortels laten groeien.

[ 11] En zie, dat is de betekenis van wat in Mozes geschreven staat, dat God beveelt dat de wateren zich op bepaalde afgezonderde plaatsen moeten verzamelen, en dat daardoor de droge en vaste grond zichtbaar wordt die de zaden nodig hebben om uit te kunnen groeien tot levende en leven gevende vruchten!

[12] En er staat geschreven: 'En God noemde het droge 'aarde' en het nu op bepaalde plaatsen verzamelde water 'zee'.'

[13] Een vraag is dan: 'Voor wie heeft God die namen bedacht?' -Voor Zich Zelf zeker niet; want het zou toch wat al te lachwekkend zijn, te denken dat de hoogste goddelijke wijsheid er een speciaal plezier in zou hebben dat het haar, zoals dat bij mensen toegaat, gelukt was om het droge 'aarde' en het op bepaalde plaatsen afgezonderde water 'zee' te noemen.

[14] Deze namen kon God echter ook zeker niet voor iemand anders bedacht hebben, omdat er buiten Hem tijdens de schepping nog geen enkel wezen was dat Hem kon begrijpen!

[15] Dit gezegde van Mozes heeft dus beslist geen materiële, maar slechts een geestelijke betekenis, en het grijpt alleen met geestelijke symbolen terug op de vroegere schepping der werelden, dus van het geestelijke naar het materiële, -wat waarschijnlijk alleen de wijsheid van een engel doorgronden kan. Maar zoals het er staat heeft het slechts een zuiver geestelijke betekenis en Iaat weten, hoe eerst de enkele mens, en dan ook de hele mensheid, van tijd tot tijd en van periode tot periode wordt gevormd, van het oorspronkelijk noodzakelijke natuurlijke naar het steeds meer geestelijke.

[16] Zo worden zelfs afzonderlijke delen van de mens aangegeven. De kennis heeft een eigen plaats: de zee van de mens. En de als een vruchtbare bodem uit de kennis ontsproten liefde, wordt steeds door de zee, zijnde de totale kennis van het echte licht, omspoeld en gesterkt om steeds rijkelijker allerlei edele vruchten voort te brengen.'

 

 

159 De derde scheppingsdag

 

[1]  Als dus het inzicht van de mens de liefde aan alle kanten omgeeft, en daarbij meer en meer verlicht en verwarmd wordt door het vuur van de liefde, dat het steeds meer voeding geeft, dan wordt de mens ook in alles steeds energieker en tot daden bereid.

[2] Onder deze omstandigheden komt God weer tot de mensen, natuurlijk - dat begrijpt u wel - geestelijk, en Hij, als de eeuwige liefde, zegt tegen de liefde in het hart van de mens: 'Laat de aarde nu alle soorten zelfbestuivende grassen en kruiden voortbrengen, en allerlei soorten bomen en struiken, die ieder naar eigen aard vruchten dragen en zichzelf uitzaaien op aarde!'

[3] Dit gebod van God in het hart geeft de mens dan een standvastige wil, sterkte en moed en hij gaat aan het werk.

[4] En zie! Zijn juiste inzichten stijgen als met regen beladen wolken op boven de aan banden gelegde zee, en trekken over de droge aarde die ze bevochtigen en vruchtbaar maken. En de aarde wordt groen, brengt allerlei grassen en kruiden met zaden voort en allerlei bomen en struiken met hun zaden. Dit betekent, dat de liefde in het hart van de mens aanstonds verlangt en wil wat het ware door hemelse wijsheid verlichte verstand nu goed en waarachtig vindt.

[5] Want net zoals het zaad, wanneer het in de aarde gelegd wordt, weldra opgroeit en een veelvoudige vrucht voortbrengt, zo groeit ook de juiste kennis in de levenskrachtige bodem van het hart.

[6] Dit zaad van de kennis gaat echter als volgt te werk: het wekt de levenskracht die in de aarde sluimert, en deze verzamelt zich dan meteen steeds meer rondom het zaad en maakt, dat dit ontkiemt en een plant wordt die veel vrucht geeft. Of wel, de echte kennis wordt in het hart omgezet in de daad, en uit de daad volgen dan allerlei werken; en daarover heeft Mozes het met zijn wijze woorden in zijn Genesis, en wel in het al hiervoor woordelijk besproken eerste hoofdstuk, de verzen 11 en 12.

[7] De door het licht uit de hemel tot de juiste kennis gebrachte oorspronkelijke avond van de mens, wordt zo de aanleiding voor de werken die daarop moeten volgen; en dit is de derde dag van de ontwikkeling van het hart en de gehele geestelijke mens. Om deze geestelijke mens gaat het, daarvoor zijn Mozes en alle andere profeten van God in deze wereld gekomen, net als Ik nu Zelf! Naar Ik meen is dit onderwerp nu toch wel duidelijk genoeg voor u!?'

[8] Een van de Farizeeën zegt: 'Verheven wijze vriend en Meester! Persoonlijk onderschrijf ik ieder van Uw aan ons allen gegeven woorden, want ze zijn volledig waar en moeten dat ook zijn. Maar als U naar Jeruzalem gaat en op deze wijze in de tempel de. Genesis uitlegt, dan wordt U en Uw gehele aanhang gestenigd als U Zich met heel duidelijk beveiligt door Uw goddelijke macht! Maar als U deze macht tegen. de tempelpriesters gebruikt, dan zijn ze ook veroordeeld, en die veroordeling zal dan weinig afwijken van een direkte totale vernietiging door bliksem en vuur van de hemel!

[9] Zoals gezegd, het is hoe dan ook een zeer hachelijke zaak. En daarbij is Uw wijze en scherpzinnige uitleg van de eerste drie in de Genesis beschreven scheppingsdagen zo goed, dat daar geen speld tussen te krijgen is. Maar nu is de vierde dag aan de beurt, waarop God zoals geschreven staat, heel duidelijk zon, maan en alle sterren schiep! Hoe wilt U dat op een andere wijze verklaren? Zon, maan en sterren zijn er nu eenmaal, en niemand kan op een andere manier dan zoals dit in de Genesis beschreven staat, verklaren hoe al deze grote en kleine lichten aan het firmament ontstaan zijn,

[10] Nu is de vraag: Waar ligt de sleutel, waar de verklaring die duidelijk aangeeft dat de vierde dag alleen betrekking heeft op de mens!'

[11] Ik antwoord: 'Vriend, u heeft toch wel vaker gehoord en ook wel zelf ondervonden, dat er lichamelijk gesproken verziende en bijziende en ook half, heel en stok blinde mensen zijn! De verzienden zien in de verte alles goed, maar dichtbij zien ze slecht; de bijzienden zien dichtbij goed, maar in de verte slecht; bij de halfblinden is het voor de helft nacht en voor de helft dag, dat wil zeggen, ze zien de voorwerpen met een oog wel goed, maar omdat het andere oog blind is, spreekt het vanzelf dat zulke kijkers alles maar in het halve licht kunnen zien; de geheel blinden zien geen voorwerpen meer, niet bij dag en net zo min 's nachts maar bij dag zien ze toch nog een zwakke schemering, zodat ze de dag kunnen onderscheiden. van de nacht; de stokblinden zien echter geen schemering en zien nooit het verschil tussen dag en nacht.

[12] Wel, al die verschillen, die u bij het lichamelijke zien van de mens tegenkomt, vindt u bij het geestelijke zien net zo en nog veel gevarieerder. En zo, heeft ook u een groot gezichtsgebrek en dat is geestelijk veel groter dan lichamelijk. Laat Ik u zeggen, dat uw ziel buitengewoon bijziend is!'

 

 

160 De vierde scheppingsdag

 

[I] 'Wat leest u dan in Genesis? Staat er niet het volgende:

[2] 'En God sprak: Maak lichten aan het uitspansel, die dag en nacht scheiden en die tekens, tijden, dagen en jaren doen ontstaan en twee lichten moeten er aan het uitspansel staan die op aarde schijnen!' En dat gebeurde. En God maakte twee grote lichten, een groot licht, dat heerste over de dag, en een klein licht dat heerste over de nacht, en bovendien ook sterren. En God zette ze aan het uitspansel, zodat ze op de aarde schenen en de dag en de nacht beheersten en licht en duisternis scheidden. En God zag dat het goed was. Zo ontstond uit de avond en de morgen de vierde dag. '  .

[3] Kijk, zo luidt woordelijk het scheppingsverhaal van de vierde dag volgens Genesis.

[4] Als u dit gegeven maar een klein beetje beter onderzoekt met -laten we zeggen -uw natuurlijke denkvermogen, dan moet u als u Genesis letterlijk neemt, al bij de eerste blik de grootste onzin opvallen!

[5] Volgens Genesis schiep God toch al op de eerste dag het licht, en zo ontstond uit de avond en de ochtend de eerste dag. Zeg dan eens welk licht drie dagen lang voldeed om voor dag en nacht te zorgen? En op de vierde dag zegt God weer: 'Laat er lichten aan de hemel zijn!' Dan vraag Ik: Wat zijn dat dan voor lichten die dag en nacht moeten scheiden? Als het op de eerste dág geschapen licht al drie dagen tengevolge gehad heeft; waarom moeten er dan nu op de vierde dag nog meer lichten komen voor datzelfde doel? Daarbij is er alleen maar sprake van 'lichten'; maar over een maan en een zon wordt helemaal niets gezegd! Deze lichten veroorzaken daarbij ook nog tekenen -wat voor tekenen dan? -, vervolgens tijden -welke dan? -, en dagen en jaren -wat voor dagen en jaren dan? -Is de nacht dan niets? Telt de nacht dan niet net zo goed mee als de dag?

[6] Bovendien is de aarde rond en is het steeds aan één kant dag en aan de andere kant nacht. Afhankelijk van de wenteling van de aarde om haar as van het westen naar het oosten, wordt het steeds daar dag waar de landen tegenover de zon liggen, of liever door de constante en steeds gelijkmatig draaiende beweging zo gezegd onder de zon geschoven worden.

[7] Als er dus geen twijfel over mogelijk is dat de natuurlijke dag op aarde door haar eigen beweging tot stand wordt gebracht, waarbij de zon niets anders doet dan steeds maar vanaf één plaats licht te geven en door haar licht dáár dag veroorzaakt waar haar stralen komen, en op die manier nooit of te nimmer de dag kan of wil regeren,  -dan vraag Ik: Hoe zou Mozes dan met zijn lichten de zon en de maan bedoeld kunnen hebben? En als Mozes de natuurlijke zon en de natuurlijke maan bedoeld had, dan zou hij ter verduidelijking van zijn publieke mededeling aan de mensheid deze lichten zeker bij name genoemd hebben; want in Mozes tijd kenden alle mensen deze beide hemellichamen al!

[8] Daarbij spreekt Mozes over een uitspansel dat in werkelijkheid in de natuurlijke ruimte helemaal niet bestaat, daar zon, maan en alle sterren net als de aarde zelf in de volledig vrije, door niets en nergens beperkte ether zweven en door eigen wetten op hun bestemde plaatsen gehouden worden, zich vrij bewegen en nergens aan het een of ander hemels uitspansel zijn bevestigd!

[9] Want er is maar één uitspansel in de eindeloze vrije ruimte, en dat is de wil van God, die door Zijn eeuwige onveranderlijke wet de hele ruimte en alles wat daarin is vervult.

[10] Als datgene wat zich voor uw" oog voordoet als een bijzonder wijd uitgespannen blauw gewelf een uitspansel was, en zon, maan en alle sterren waren daar als het ware aan vastgemaakt, hoe zouden ze zich dan kunnen bewegen en hoe zouden vooral de u bekende planeten dan steeds van plaats kunnen veranderen?

[11] De andere sterren, die u vaste sterren noemt, lijken ergens aan vastgemaakt te zijn; maar dat is niet zo. Ze zijn echter zo ontzettend ver van de aarde verwijderd en hun banen zijn zo uitgestrekt, dat ze die vaak nauwelijks binnen honderdduizenden aardse jaren afleggen, zodat daardoor hun bewegingen ook zelfs door honderd mensengeslachten nog niet opgemerkt kunnen worden. En dat is dan de reden, waarom ze u als onbeweeglijk voorkomen; maar de werkelijkheid is anders, en er is nergens een zogenaamd uitspansel in de hele oneindige ruimte.

[12] Het uitspansel dat Mozes bedoelt, is de vaste wil volgens de ordening van God, die voortkomt uit het juiste begrip en uit de liefde, die het gezegende aardrijk des levens is. Deze wil kan slechts voortkomen uit de vruchten schenkende volheid van de echte liefde tot God in het mensenhart, die ontstond uit het hemelse licht dat God in de mens liet stromen toen Hij zijn innerlijke duisternis verdeelde in avond en morgen. Deze echte liefde tesamen met het juiste inzicht en het ware verstand, hetgeen zich in de mens uit als een levend geloof, is de hemel in de mens. En de daaruit ontsproten vaste wil om te voldoen aan Gods orde is het uitspansel in de mens. En aan zo 'n uitspansel geeft God, als dat geheel overeenstemt met Zijn liefdevolle wil, nieuwe lichten uit de hemel der hemelen, ofwel de zuivere vaderliefde in het hart van God. En de lichten verlichten dan de wil en maken dat deze het inzicht krijgt van de engelen en verheffen daardoor de geschapen mens tot het ongeschapen Kind van God, dat zich door de eigen vrije wil nu aangepast heeft aan de goddelijke ordening!'

 

 

162 Vervolg van de vierde scheppingsdag

 

[1] 'Zolang de mens een schepsel is, is hij tijdelijk en vergankelijk en kan niet blijven bestaan; want ieder mens is als natuurlijk schepsel slechts een bruikbaar vat ten nutte van de echte mens, die zich daarin met voortdurende hulp van God kan ontwikkelen.

[2] Als -- het buitenste vat voldoende ontwikkeld is, waartoe God het overvloedig voorziet van alle nodige bestanddelen en eigenschappen, dan wekt of liever ontwikkelt God Zijn ongeschapen eeuwige geest in het hart van de mens. De kracht van deze geest wordt door Mozes bedoeld, als--hij spreekt over de twee grote lichten die aan het uitspansel geplaatst worden en dat hebben alle aartsvaders en profeten ook altijd zo bedoeld.

[3] Dit ongeschapen eeuwig levende licht aan het uitspansel in de mens is vanaf dat moment het enige dat leiding geeft aan de echte dag in de mens, en deze leert het vroegere vat om zich geheel om te vormen naar zijn eeuwig ongeschapen goddelijk wezen en zo de hele mens tot een Kind van God te maken.

[4] Maar ieder geschapen mens heeft een levende ziel, die ook een geest is en de nodige bekwaamheid heeft om goed en echt en kwaad en onecht te onderscheiden en ook om zich het goede en echte eigen te maken en het kwade en 'onechte uit zich te bannen; maar de ziel is desondanks geen ongeschapen, maar een geschapen geest en kan daarom op zichzelf nooit het kindschap van God verkrijgen.

(5] Als ze echter volgens de haar gegeven wet het goede en ware in alle deemoed en bescheidenheid van haar hart en' volgens de haar door God meegegeven vrije wil aangenomen heeft, dan is zo'n deemoedige,.beschei­den en gehoorzame wil, om het zo maar eens te zeggen een echt uitspansel geworden, omdat hij zich nu gevormd heeft, volgens de, hemelse opgave die in de ziel is gelegd, en zo helemaal geschikt is om het zuiver ongeschapen goddelijke in zich op te nemen.        .

[6] Het zuiver goddelijke, ofwel de ongeschapen geest, van God, die nu voor eeuwig zijn plaats inneemt aan zo’n uitspansel is het grote licht; maar de ziel van de mens, die door het grote licht omgevormd wordt tot een bijna even groot licht, is het tweede kleinere licht, dat nu echter net als het ongeschapen grote licht aan hetzelfde uitspansel wordt geplaatst en door het ongeschapen licht omgevormd wordt tot een eveneens ongeschapen licht, waarbij het in geheel geestelijk gelouterde zin. veel wint, zonder van zijn natuurlijke aard iets te verliezen. Want de ziel van de mens zou op zichzelf nooit God in Zijn zuivere geestelijke Wezen kunne.n zien, en omgekeerd zou de zuivere ongeschapen Geest van God nooit het natuurlijke .kunnen zien, omdat voor deze Geest het natuurlijke en materiële niet bestaat. Maar in de bovengenoemde algehele verbinding van de zuivere geest met de ziel, kan de ziel door de nieuwe geest die zij krijgt God zien in Zijn oorspronkelijke zuivere wezen, en de Geest kan dan door de ziel het natuurlijke zien,

[7] Dit bedoelt Mozes, als hij zegt dat het ene grote licht de dag en het kleine licht de nacht zal besturen. Het kleine licht zal ook de tekens vaststellen, of wel: in alle wijsheid de oorsprong van alle verschijnselen en van alle geschapen dingen vaststellen, en daardoor ook de tijden, dagen en jaren, wat zo ongeveer betekent, dat het in alle verschijnselen de  goddelijke wijsheid liefde en genade herkent

[8] De sterren, waarover Mozes ook, spreekt, zijn de ontelbare nuttige inzichten die men in alle afzonderlijke dingen verkrijgt, welke kennis natuurlijk voortvloeit uit het ene hoofdbesef en daarom thuis hoort aan hetzelfde uitspansel waar de twee hoofdlichten geplaatst zijn. "

[9] Wel, dat is dan de vierde scheppingsdag waarover Mozes in zijn Genesis spreekt. Net als de vorige drie is deze, zoals wel te begrijpen is, ontstaan uit dezelfde avond en ochtend van de mens.

 

 

162 vijfde en zesde scheppingsdag

 

[1] 'Om te voorkomen dat u Mij nu in dit opzicht verder nog vragen zult stellen over hoe het dan met de vijfde en zesde scheppingsdag staat, zeg Ik u hierbij kortheidshalve, dat de daarop volgende schepping van de gehele dierenwereld en tenslotte van de mens zelf, alleen maar betrekking heeft op het geheel tot leven komen en de zekere verwerkelijking van alles wat de mens van nature in zich heeft.

[2] Zijn zee en al zijn wateren vullen zich met leven, en de mens herkent en aanschouwt in zijn nu zuiver goddelijk ongeschapen licht de onbeperkte en eindeloos afwisselende overvloed van creatieve ideeën en vormen en realiseert zich op deze wijze zijn zuiver goddelijke afkomst. En het verhaal van de schepping van de eerste mens is de afbeelding van de algehele menswording of het verkrijgen van het volkomen kindschap van God.

[3] Natuurlijk vraagt u zich nu heel in 't geheim in uw hart nog van alles af en zegt: ' Ja, ja, dat is nu allemaal heel goed, wijs en heerlijk, en niemand kan ook maar de geringste twijfel hebben over de waarheid van dit alles; maar hoe is dan deze aarde ontstaan, die toch onmogelijk al de eeuwen door zo kan hebben bestaan zoals ze nu is? Waar komen dan al die soorten grassen, kruiden, struiken en bomen vandaan? Hoe en wanneer ontstonden alle dieren?

[4] En hoe werd de mens bewoner van deze aarde? Werd er werkelijk maar één mensenpaar geschapen, zoals in Genesis staat, of werd op de aarde in één keer een hoeveelheid mensen van verschillende kleur, gestalte en karakter geschapen?'

[5] Ik kan op zulke begrijpelijke vragen niets anders antwoorden dan wat Ik al eerder gezegd heb, namelijk: Als u zo wijs bent als de engelen, dan kunt u uitgaande van het zuiver geestelijke standpunt haarfijn op overdrachtelijke wijze de hele natuurlijke schepping reconstrueren uit hetgeen Mozes in zijn Genesis zegt. Dan zult u zien, dat de natuurlijke schepping, weliswaar over zeer uitgestrekte periodes, haast dezelfde volgorde heeft als in Genesis wordt verteld. Het ontstaan van het eerste mensenpaar staat vrijwel op de juiste plaats aangegeven en zijn test en tenslotte zijn voortplanting heeft, behoudens een kleinigheid dat in passende beelden weergegeven wordt, in dezelfde volgorde plaatsgevonden die in het verdere verloop van Genesis aangehouden wordt.

[6] Maar zoals gezegd, zonder de wijsheid van de engelen zult u dat wel nooit ontdekken, ook al had u alle wijsheid van de wijzen van de hele aarde, die over dit onderwerp ook al de meest verschillende opvattingen en meningen hebben gehad.

[7] Deze kennis heeft op deze wereld echter voor geen enkel mens enig nut, want de mens wordt door veel kennis eigenlijk zelden of nooit in zijn hart iets beter, maar wel heel vaak slechter. Want degene, die veel weet wordt niet zelden trots en hoogmoedig, ziet dan neerbuigend uit zijn vermeende onbereikbare hoogte op zijn broeders neer als een gier op de mussen en andere kleine vogeltjes, alsof ze er alleen maar zouden zijn om door hem gevangen te worden en om hun zachte vlees door hem te laten verslinden.

[8] Maar zoek u voor alles in uw hart het Rijk van God en zijn gerechtigheid, en maak u zich over al het andere weinig zorgen; want dat alles, met daarbij inbegrepen de wijsheid der engelen, kan u geheel onverwacht ten deel vallen. Nu denk Ik, dat u Mij wel helemaal hebt begrepen!?'

 

 

163  Het einde van Jeruzalem

 

[I] Nadat de Farizeeën en hun soortgenoten deze langdurige verklaring van Mij over Genesis gekregen hadden, stonden ze allemaal als aan de grond genageld, en de leider der Farizeeën zei, nadat hij zich zichtbaar had ingespannen om goed na te denken: 'Heer! Meester aller meesters in alles! Ik en wij allemaal zien nu, hoewel niet zonder veel spijt, in dat U in alle opzichten volkomen gelijk hebt, en dat alles wat U zegt de zuivere waarheid is. Maar ik zei niet voor niets: Niet zonder veel spijt zien wij dat nu in! Want met Uw diepe wijsheid, die te heilig is voor deze slechte zelfzuchtige wereld, zult U zonder heel bijzondere wonderen voor dovemansoren prediken, en als U wonderen zult doen, dan zult U blinde toeschouwers hebben en zodoende weinig resultaat boeken.

[2] Als de mens voor zijn vorming tot een waar mens een geheel vrije wil moet hebben en geheel vrij moet kunnen handelen, dan kunt U prediken en wonderen doen wat U wilt, maar van de honderd zal er zich nauwelijks één werkelijk bekeren. Want als iemand van nature al te dom is en op geen enkele wijze ontwikkeld is in het een of andere voor mensen noodzakelijke en nuttige vak, dan kan hij Uw leer onmogelijk begrijpen. Als hij echter een beetje meer verstand heeft dan het gemiddelde en daardoor gemakkelijk kennis opdoet, hetzij van de Schrift of van de een of andere wetenschap of kunst, terwijl dat enig aards voordeel geeft en misschien ook nog veel aanzien voor zijn persoon oplevert, dan kunt U Vader Jehova met donder en bliksem voor U laten spreken, maar dan zullen zulke mensen toch dat doen wat onze voorvaderen in de woestijn onder Mozes hebben gedaan. Toen maakten zij van goud een kalf en dansten er op heidense manier omheen om het te aanbidden, terwijl Mozes op de Sinaï onder donder en bliksem met Jehova sprak en de heilige geboden van Hem kreeg!     .

[3] Als ik niet wist, hoe de Farizeeën, schriftgeleerden en al de priesters en Levieten, vooral in Jeruzalem, geaard zijn, dan zou ik het nauwelijks wagen op deze wijze met U te spreken; maar ik ken dat volk maar al te goed en daarom heb ik me ook zo ver mogelijk van de tempel verwijderd en kom er ook nooit meer.

[4] Als U soms weer eens naar Jeruzalem gaat, neem dan een grote hoeveelheid almacht mee, anders wordt U als godslasteraar gestenigd! Want wie daar ook maar voor een cent verstandiger probeert te zijn dan de gewoonste veger van de tempelhoven, die wordt direct voor ketter en godslasteraar uitgemaakt, en als hij zich niet bekeert door behoorlijk te offeren, dan staat hem buiten de stadsmuren op de vervloekte plaats genadeloos de steniging te wachten!              .

[5] Ik zeg U, goddelijke vriend, voor Jeruzalem is er maar één oplossing, en dat is die van Sodom en Gomorra! Verder heil is er voor deze stad en haar bewoners niet!'

[6] Ik zeg: 'Vriend! Wat je Mij nu gezegd hebt, wist Ik allang! Ja, Ik zeg je, zo zal ook het einde van Jeruzalem zijn! Maar eerst moet in die stad al datgene nog gebeuren, wat door al de profeten over haar voorspeld is, opdat de schrift vervuld en haar maat vol wordt. En het zal nu geen zeventig jaar meer duren tot er geen steen meer op de andere gelaten zal worden! En als dan iemand zal vragen waar de tempel stond, dan zal er niemand zijn die de onderzoeker kan inlichten!

[7] Binnen de muren van deze stad werden vele profeten vermoord. Ik ken ze állen, hun bloed riep in de hoogste hemelen om wraak op zulke erge misdadigers; maar de maat, die de hel aan deze stad gaf, is nog niet helemaal vol, en daarom werd ze nog gespaard. Maar binnenkort is de maat vol, en zij zal niet meer gespaard worden!

[8] Voordat we nu echter deze berg verlaten, geef ik jullie een opdracht waaraan streng de hand gehouden moet worden, en dat is dat niemand van jullie tegen iemand daar beneden iets vertelt over wat je hier op de berg gezien hebt, tot Ik jullie in de geest daarvoor toestemming geef. Wie dit gebod van Mij niet in acht neemt, wordt meteen met stomheid bestraft; want het volk hier beneden is daarvoor nog lang niet rijp, en jullie zelf ook nog maar ten dele.

[9] Spreek met je soortgenoten over het hier geleerde alsof je het niet van Mij hebt gehoord, maar alsof je het persoonlijk had bedacht! Slechts als je vrienden als het ware deel hebben aan jullie leer, dan mag je ze pas onder vier ogen vertellen van Wie je die leer hebt ontvangen, en welke tekens daaraan vooraf zijn gegaan!

[10] Maar vergeet dan niet om deze mensen in Mijn naam hetzelfde gebod met dezelfde straf aan te zeggen, dat Ik jullie allen nu hier heb gegeven!

[11] Gedurende de korte tijd dat we hier nog op deze hoogte zullen blijven, zullen jullie nog meer wonderbaarlijke dingen beleven; want Ik wens het geloof van jullie zo krachtig mogelijk te maken. Maar denk bij alles wat je nog zien en horen zult aan het zojuist gegeven gebod; want als je je daar niet aan houdt geldt voor ieder van jullie, dat je een jaar lang getroffen zult worden door de straf waar Ik voor heb gewaarschuwd!'

 

 

164  De luchtreis van Judas Iskariot

 

[1] Judas Iskariot zegt: 'Heer! Dat is een streng gebod! Wie zal zich daar nu helemaal aan kunnen houden?'

[2] Ik zeg: 'God heeft ook het sterven van het lichaam in een onver­mijdelijke en onveranderlijke wet vastgelegd, en ondanks al het gejammer van de mensen neemt Hij Zijn heilige woord niet terug! Je kunt daarover praten en redetwisten zoveel je maar wilt, maar aap het eind moet je toch sterven! pas in het hiernamaals zul je beseffen, dat dit sterven heel noodzakelijk voor je was.

 [3] Wel, dat geldt voor ieder gebod, dat uit de mond van God komt! Als je het als een wet aanvaardt, dan zal het heel makkelijk voor je zijn om je er aan te houden; maak je echter voor jezelf een andere wet dan die Ik je geef, dan zul je het met Mijn wet moeilijk hebben. Want als twee wetten tegen elkaar indruisen, dan is het houden van beide wetten moeilijk of tenslotte helemaal onmogelijk. Begrijp je dat?

[4} Denk aan wat Ik je zeg! Wees erop bedacht en Iet op dat in de loop van de tijd niet de een of andere tegenstrijdige wet in jezelf, je dood wordt!'

[5] Judas zegt: 'Maar, wat betekent dat nu weer? Uw woorden zijn nog steeds net als het vogelschrift van de Egyptenaren, dat nauwelijks nog door een geleerde gelezen en nog minder begrepen wordt! Wat bedoelt U nu eigenlijk met een tegenstrijdige wet? Hoe kan ik nu mijzelf een wet voorschrijven, als een ander me die geeft? Ik kan mij alleen maar er wel of niet aan houden, en dat is afhankelijk van mijn vrije wil en dat is geen tegenstrijdige wet!'

[6] Ik zeg: 'Volgens Mij kun je, als je doorgaat op deze manier dom te blijven, beter weer naar Bethabara teruggaan; want zo erger je Mij en sta je Me tegen!

[7] Waar komen de wetten vandaan? Soms van een andere plaats dan waar de wil van degene vandaan komt, die de macht en de kracht heeft om wetten te geven en ze te handhaven?! En heeft iedere mens niet de volledige zeggenschap over zich zelf en kan hij niet doen wat hij wil? Als hij de opgelegde wetten wil respecteren, dan zal hij er zeker geen moeite mee hebben om zich daaraan te houden; wil hij dat echter niet, dan is zijn wil een tegenstrijdige wet en dan moet hij zich uiteindelijk de sanctie van de opgelegde wet laten welgevallen.’

[8] Judas trekt weliswaar een zuur gezicht als Ik dit zeg, maar antwoordt toch: ' Ja, nu begrijp ik het en kan ik er mee instemmen. Maar als U zo vaak iets in bedekte termen zegt, dan wordt ik daar angstig en bang van, en dan moet ik maar blijven vragen tot ik het begrijp, vooral als het om een wet gaat, waar menigeen van ons zich beslist wat moeilijk aan zou kunnen houden, en dat geldt ook voor mij, en ik schaam me er niet voor om dat toe te geven. Wat me echter zo opvalt, Heer, is dat als een ander iets aan U vraagt, U hem heel vriendelijk een duidelijk antwoord geeft; maar vraag ik U iets, dan wordt U altijd onvriendelijk, en ik durf haast niets meer, al is het nog zo belangrijk, aan U te vragen.

[9] Neem nou eens die buitengewoon vreemde luchtreis van mij eergisteren. Dat ging zo ongelofelijk snel, dat ik van het aardoppervlak niets anders zag dan een brede razend snel voorbijschietende strook, - en daar begrijp ik nog steeds niets van; ik zou toch zo graag van U horen, hoe dat in z'n werk ging! Want zover ik weet was ik het verste weg, ver achter de overkant van de zee, en te voet zou ik er wel vier of vijf dagen over gedaan hebben.

[10] In een Grieks dorp was ik net klaar met mijn toespraak, maar men wilde niet zo bijzonder graag naar me luisteren, hoewel ik verscheidene van hun zieken heb genezen; dat ergerde mij en ik verliet toen dat domme nest. Toen ik echter moederziel alleen het dorp zo'n duizend pas achter mij gelaten had -want broeder Thomas wilde niet met mij mee naar Griekenland -, stak er een wervelwind op, en voor ik het wist hing ik al hoog in de lucht. Toen joeg een ongelofelijk sterke windvlaag mij in deze richting met die snelheid, die ik al beschreef -zodat ik tijdens de vlucht ook maar niet het geringste kon zien van wat zich op de aardbodem bevond, zelfs de zee zag er uit als een bliksemflits. Als er zich onderweg een rots of iets dergelijks in mijn vliegroute bevonden had, dan zou ik zeker in vele honderdduizenden druppels uiteengespat zijn, zonder dat ik vooraf daarover na had kunnen denken! Het was echter nog verbazingwekkender, o Heer, toen ik na die enerverende luchtreis hier heel zachtjes voor U neergezet werd!

[11] Nu zou ik graag in een paar woorden van U horen, hoe dat allemaal mogelijk was.'

[12] 'Vriend', zeg Ik, 'je weet toch wie Ik ben, waarom vraag je dan, hoe Mij dat mogelijk is, of waardoor dat met jou gebeurde? Zijn bij God dan niet alle dingen mogelijk? Kijk naar de wolken! Wie draagt ze? Je hebt eerder al gehoord, hoe Ik aan allen een verklaring gaf over de aard van de aarde, de maan, de zon en vele andere sterren, die voor het merendeel voor jouw begrip eindeloos grote zonnen zijn.

[13] Wel, de grote en tevens ook loodzware hemellichamen zweven vrij in de eindeloos ver naar alle kanten en in alle richtingen uitgestrekte ether en bewegen zich naar jouw begrippen bijna ongelofelijk snel!

[14] Een vraag is dan: Wie draagt al die tallozen in die vaste orde door de vrije eindeloze ruimte? Een weinig nadenken is al genoeg om te beseffen dat je vraag erg onnozel is! En tevens is hiermee jouw vraag meer dan duidelijk genoeg beantwoord!'

[15] Thomas komt er ook bij staan en zegt: 'Kwam je nu maar eens een keer met een echte vraag bij de Heer! Wij allen, die uitgezonden waren, hebben toch dezelfde luchtreis hierheen gemaakt? Wij weten echter, dat Hij het zo heeft gewild, en daarmee is voor ons de hele luchtreis hierheen meer dan voldoende verklaard, ook al was die erg ongewoon! Als jij beter en waarachtiger geloofde Wat en Wie onze Heer en Meester is, dan zou zo'n vraag nog niet eens in de slechtste en domste droom bij je opkomen!'

[16] Judas zegt: 'Heb je me weer te pakken? Nou, als je daar plezier in hebt, dan mag dat van mij! Deze keer ergert het me tenminste niet, omdat ik zelf wel inzie dat ik de Heer heb lastig gevallen met een zeer domme vraag, -en dat zal ik in het vervolg zeker nooit meer doen.'

[17] Waarop Thomas zegt: 'Dan zullen we ook heel goede vrienden en broeders zijn, en dan zal ik ook niet meer op je vitten!'

[18] Ik zeg: 'Wees nu maar eens rustig; want Kisjonah heeft de maaltijd klaar en we zullen nu ons lichaam eens versterken! Na de maaltijd zien we dan wel wat er nog allemaal te doen is. Het zij zo, en daarbij blijve het!'

 

 

165 Waarom moeten de mensen geboren worden

 

[1] Allen gaan nu in de berghutten en gebruiken de maaltijd, en er is er niet een, die niet opgewekt en vrolijk is.

[2] Na de maaltijd zegt Kisjonah, dat hij nu, als Ik dat goed vond, voor de avond nog een paar speciale plaatsen van zijn berg wilde bezoeken om zijn herders hun loon te geven en bij die gelegenheid ook wilde zien, hoe het met zijn schaapskudden ging en hoeveel wol de herders al hadden verzameld,

[3] Ik zeg: 'Weet je, morgen is het de dag voor sabbat, en die zou Ik nog op deze berg door willen brengen; maar omdat we vandaag nogal lang aan tafel gebleven zijn, en de dag nog maar een paar uur duurt, kunnen we beter plezierig hier bij elkaar blijven en een aantal belangrijke onderwerpen bespreken, en dan valt er nog heel wat voor jullie te beleven; daarom zou Ik nu liever hier bij elkaar blijven!'

[4] Kisjonah zegt: 'Heer, iedere wens van U is een heilig gebod voor mij! Maar dan kom ik meteen al met een vraag; en die betreft die drie mannen, die hier een paar dagen geleden zo bultengewoon stralend uit het oosten naar ons toegekomen zijn, en die meer in de lucht zweefden dan dat ze met hun voeten de bergweiden beroerden. Deze drie mannen zijn nu voortdurend in ons gezelschap, praten met ons, eten en drinken met ons, zijn erg voorkomend en gedienstig en zien er nu, behalve dat hun gestalte veel edeler is dan de onze, net eender uit als wij.

[5] Ik heb de indruk, dat ze voortdurend bij ons zullen blijven, -wat mij bijzonder veel genoegen zou doen. Toen ik ze daarnet omarmde en kuste, voelde ik dat ze net als wij van vlees en bloed zijn, en dat verbaasde mij bijzonder!

[6] Ik wilde daarom aan U vragen mij uit te leggen hoe zoiets mogelijk is. Eerst waren zij zuivere geesten, en nu zijn zij net zulke mensen als wij; waar komt hun lichaam vandaan? En als zij dat lichaam, dat er veel volmaakter uitziet dan het onze, van het ene op het andere moment gekregen hebben, zou dat dan niet bij alle mensen zo gedaan kunnen worden, in plaats van moeizaam geboren te moeten worden?'

[7] Ik zeg: 'Laat Ik voorop stellen, dat je normaal deze drie engelen niet lichamelijk zou kunnen zien en voelen. Maar Ik heb je tijdelijk zodanig ingesteld dat je ziel met haar geest door middel van je lichaam al het geestelijke nu zodanig kan zien en waarnemen alsof het natuurlijk en daardoor lichamelijk is; maar het is en blijft toch helemaal geestelijk en er is niets lichamelijks bij.         .

[8] Het grote verschil tussen ieder mens en iedere geest ligt daarin, dat een geest, zoals nu deze drie engelen hier, van meet af aan een wijs gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid binnen Mijn ordening en nooit daartegen heeft gezondigd. Een groot deel van de voor jouw, begrippen talloos vele geesten heeft de vrijheid van haar wil echter misbruikt en is daarom ondergedompeld in het gericht; en uit zulke geesten, die tesamen eigenlijk deze hele aarde en alle talloze andere werelden, zoals zon, maan en sterren, vormen, ontstaan volgens de wet waaraan de gehele natuur gehoorzamen moet, zowel de natuurlijke mensen van deze aarde als ook de mensen van alle andere werelden, en wel op de je wel bekende manier van de geboorte met de daaraan voorafgaande verwekking. Zo moeten ze door opvoeding en onderricht mensen worden, en na het afleggen van hun lichaam tot zuivere en vrije geesten worden opgevoed.

[9] Als dus het lichaam van de mens voornamelijk aan een uit het gericht geheven geest gegeven wordt, opdat hij daarin in een geheel eigen wereld een vrijheidstest zal ondergaan, is het wel duidelijk, dat de vólmaakte geesten het vleselijke lichaam helemaal niet nodig hebben, omdat het vlees slechts een middel, maar nooit een doel is en kan zijn, omdat uiteindelijk alles toch weer geestelijk en nooit meer stoffelijk moet worden.

[10] Ik zeg je: Deze aarde en deze hele eigenlijk lichamelijke hemel met haar. zonnen, manen en alle werelden, zullen eenmaal vergaan, als al de daarin door het oordeel gevangen gehouden geesten via de vleselijke weg zuivere geesten zijn geworden; maar de zuivere geesten blijven voor altijd, en zullen en kunnen, net als Ik en Mijn woord, in der eeuwigheid niet ophouden te bestaan. -Zeg nu eens, of je dit goed begrepen hebt!'

 

 

166  Adam en Eva

 

[I] Kisjonah zegt: 'O God, o God, hoe groot is deze wijsheid! Wie heeft zoiets ooit gehoord? Ja werkelijk God alleen kan zo'n uitleg geven; bij Hem is de wijsheid van alle wijzen der aarde minder dan niets! Nee, dat is dan toch wel te veel in één keer voor een sterfelijke arme zondaar, zoals Ik er beslist een ben!

[2] Door deze uitleg begrijp ik zogezegd als bij toverslag de hele Genesis door en door!

[3] Nu begrijp ik, wat het betekent: God schiep Adam als de eerste mens van deze aarde uit leem! In Zijn eeuwige orde heeft God gewild, dat de geesten die in de aarde in het gericht gevangen zijn, zich uit het kneedbare leem van de hen gevangen houdende aarde een lichaam zouden vormen in overeenstemming met de geestelijke vorm. Omdat ze daarin veel bewegingsvrijheid zouden hebben, zouden ze daardoor hun oorspronke­lijke wezen en daardoor God weer herkennen. Zo zouden ze weer vrij de goddelijke ordening aanvaarden om daardoor weer te worden wat ze oorspronkelijk waren, namelijk geheel reine engelen -net als deze aartsengelen!

[4] Ja, ja, nu wordt me opeens alles duidelijk! - Er staat: 'De vrouw werd uit de rib van Adam geschapen; hoe begrijpelijk is dat nu! - Zoals de bergen heel zeker het hardere en in die vorm ook het meer hardnekkige deel van de aarde zijn en als zodanig ook de onverzettelijkste geesten bevatten, zo vindt je daaraan overeenkomstig het halstarrigste deel van de eerste en ook van alle latere mannen in de beenderen van de man.

[5] Het meer hardnekkige deel van de geest, het meer zinnelijke, trotse en hoogmoedige van de man zonderde God in Zijn wijsheid en macht af in een op de man gelijkende vrouwelijke vorm, die, omdat ze uit de man afkomstig is, heel levensecht op hem gelijkt. Daarom en door de geslachtsdaad kan zij een levende vrucht in zich verwekken volgens de almachtige wil van God. Omdat haar, als zijnde het meer hardnekkige geestelijke deel van de man, een groter lijden is opgelegd, kan zij haar geest net zo vervolmaken als de man dat met zijn minder harde geest kan, -zodat man en vrouw tenslotte één worden, zoals in de Schrift staat.

[6] Want de term, dat man en vrouw dan één lichaam hebben, betekent toch niets anders dan: Hoewel het wezen van de vrouw het hardere deel van de man is, wordt het door de naar verhouding sterkere beproeving volledig gelijk aan het zachtere deel van de geest van de man, en dat betekent het als er staat, dat man en vrouw één lichaam hebben. - O Heer, wat zegt U hiervan? Heb ik het geheel minstens bij benadering goed begrepen of niet?'

[7] Ik zeg: 'Exact! Zo is het, en zo zou de Schrift gelezen en begrepen moeten worden, dan zou er met alle mensen goed gesproken en uit de hemel voor hun bestwil iets gedaan kunnen worden. Maar de mensen, en wel de vrouwen het eerst, zijn door hun vrije wil voor de tweede maal te misbruiken in totale zinnelijkheid ondergegaan. Zij zijn begonnen om hun oorspronkelijk van satan overgeërfde mooiere lichaam zoveel mogelijk op te poetsen en zijn ongenaakbaar, trots en onwillig geworden door hun zelfzucht, en zij dwongen daarmee de zachtere man te doen wat zij wilden, en hij moest ter wille van de vrouwen zo bereidwillig mogelijk en haast onderdanig naar haar heerszuchtige pijpen dansen, en uiteindelijk vond hij het zelfs bijzonder prettig om in de echte helse list van de vrouwen totaal verstrikt te raken.

[8] Maar daardoor viel hij dan ook uit alle in hem ontwakende hemelen, en hij werd daardoor somber, geil, zelfzuchtig, ijdel en heerszuchtig en werd zo samen met de vrouw puur duivels!

[9] Wel werd de man zo nu en dan door zijn geest zachtjes door het opwekken van liefde voor het leven gemaand om de Schrift te lezen en aandacht te hebben voor Gods grote werken! Dat deden er ook velen, nadat ze zich eerst meer of minder uit de netten van de vrouwen bevrijd hadden. Maar dat hielp niet zo veel; want ze begrepen de Schrift niet meer, en omdat ze zelf vrouwelijk materialistisch waren geworden, namen ze de materialistische betekenis der letters voor waar aan en maakten zo het woord van God tot een gedrocht en de tempel van God tot een ware moordkuil!

[10] Ik zeg tegen jou en jullie allen: Zo ver is het nu gekomen, dat alle mensen totaal verloren zouden zijn, als Ik, de Heer Zelf, niet in de wereld was gekomen om jullie te verlossen van het juk van de satan en diens eeuwige verderf; en Ik Zelf zal het uiterste moeten doen, om aanvankelijk slechts het kleinste deel van de mensen op te heffen in het ware hemelse licht.'

 

 

167 Kies uw vrouw met zorg

 

[I] 'Het ziet er voor de wereld slecht uit, als de vrouwen zich weer mooi maken en op de tronen zullen zitten; want dan zal de aarde door het vuur onderworpen worden!

[2] Houd daarom de vrouwen goed in bedwang; laten zij zich in de eerste plaats oefenen in de ware deemoed! Ze moeten rein, maar nooit opgemaakt en versierd zijn; want het opmaken en opsieren van de vrouwen is het graf van de mens en veroorzaakt overal de ondergang!

[3] Zoals een reine, ingetogen, deemoedige vrouw een echte zegen voor een huis is, zo is een ijdele en daardoor trotse vrouw een vloek voor de hele aarde, en ze is op die wijze een duivel in zijn kleinste gedaante en lijkt volledig op een slang, die door haar geile blikken de vogels van de hemel In haar giftige en dodende muil lokt!

[4] Daarom geef Ik de raad, zonder de intentie dat deze raad een gebod wordt:

[5] Als iemand een vrouw kiest en wil trouwen, laat hij er dan op letten dat het meisje, dat hij trouwen wil, zich niet oppoetst -behalve dan met water, wat goed is voor de gezondheid -en niet uitdagend over straat gaat, wat met past voor een vrouw, en ook niet pronkt met haar eventuele andere aantrekkelijkheden, maar in alles ingetogen is, haar lichaam goed bedekt houdt met linnen klederen en 's winters met ongeverfde doeken van schapenwol. Ze moet ook geen kletskous zijn en zich er met op voor laten staan dat ze iets zou hebben. want het is heel heilzaam voor de vrouw als ze niets heeft dan datgene wat ze beslist nodig heeft. Zo'n meisje is een man waard en háár hand moet je vragen. Maar een rijke, ijdele, versierde vrouw, die in zachte en bontgeverfde kleren rondloopt, uitdagend over straat gaat, die zich graag door de rijken en aanzienlijken laat groeten en tegen de armen zegt: 'Zie dat. stinkende bedelvolk eens!' - daarvan zeg Ik jullie, - vermijdt zo'n meisje als een kreng!

[6] Want zo'n meisje is een getrouwe kopie van de lokkende hel op kleinste schaal, en wie zo iemand ten huwelijk vraagt, begaat een grove zonde tegen de goddelijke ordening. Hij kan er op rekenen, dat zo'n vrouw, die zich op aarde vrijwel nooit verbetert, als ze eerder sterft dan haar man, hem als hij haar volgt in het hiernamaals, ook al was hij de deugd zelf maar vanwege de aardse voordelen erg aan haar gehecht, zeker een behoorlijk lange tijd in de hel zal vasthouden.

[7] Want net zoals zo'n vrouw op deze aarde bedrieglijke middelen gebruikte om een man te vangen die ze begeerde, zo zal zij in het hiernamaals, maar dan duizendmaal verleidelijker, haar man als hij komt, met alle aantrekkelijkheid die maar te bedenken is, tegemoetkomen en hem in haar helse nest trekken. En zodoende zal die man het erg moeilijk krijgen om uit de netten van zijn vrouw te geraken.

[8] Let daar dus goed op, en degene die trouwen wil, kan maar beter zijn vrouw eerst goed leren kennen en alles nagaan, opdat hij niet in plaats van een engel een duivel aan zich bindt, die hij dan niet gemakkelijk meer kwijt raakt!

[9] De kenmerken heb Ik jullie nu voldoende laten zien; let daar op, dan zul je hier en In het hiernamaals geluk hebben! Dit moeten jullie niet zien als een gebod waaraan je je houden moet, maar alleen, zoals reeds eerder gezegd, als een goede raad die, als men zich daaraan houdt, voor jullie en speciaal voor alle ijdele vrouwen heel nuttig kan zijn.

[10] Want degene onder jullie, die een ijdele en listig verleidende vrouw zo terecht wijst dat deze haar kwade dwaasheid inziet, die zal eenmaal daarvoor in de hemel een grote beloning ontvangen.

[11] Kijk daarom niet naar verleidelijke vrouwen; want zo'n vrouw is heimelijk zonder het te weten verbonden met de satan en zij werkt onbewust aan zijn verleiding mee.

[12] Als een van jullie de satan in zijn ergste vorm wil zien, dan moet hij een opgemaakte deerne of een aanstellerige vrouw bekijken, en dan ziet hij de satan in zijn voor de mens gevaarlijkste vorm!

[13] Komt de satan als draak en spuwt hij oorlog, honger en allerlei besmettelijke ziektes over de aarde, dan is hij het minst gevaarlijk voor de mens; want in die noden wenden de mensen zich tot God, gaan boete doen en ontlopen zo de hel en zijn gericht.

[14] Maar als de satan zijn draak omkleedt met het lichtende gewaad van een engel, dan is hij voor de mens, die van nature geneigd is naar het zinnelijke, het gevaarlijkst, net als wanneer een verscheurende wolf in schaapsvel tussen de schapen komt! Maar komt de wolf als wolf naar de schapen, dan vluchten zij naar alle richtingen en brengen de brenger des doods in verwarring, zodat hij blijft staan en erover nadenkt welk schaap hij zal achtervolgen, waardoor hij tenslotte zonder buit moet teruggaan; komt hij echter in schaapsvacht, dan vluchten de schapen niet, maar verheugen zich zelfs over het nieuwe tot hen gekomen schaap, dat een wolf is, die de hele kudde verscheurt zonder dat er ook maar één schaap voor hem op de vlucht slaat.

[15] Kijk, deze leer en deze raad moet je daarom als iets heiligs in jullie harten bewaren en je moet hem zo navolgen alsof Ik een gebod gegeven had, dan worden jullie huwelijken gezegend met de zegen uit de hemel; maar in het andere geval - met de vloek uit de hel!

[16] Laatje daarom niet verlokken door de blinde en bedrieglijke charmes van de wereld, maar wees altijd nuchter en schat de waarde van de wereld op de juiste manier; geef geen goud en parels, die je nu uit de hemel gekregen hebt, weg voor de dwaasheden van de wereld, dan zullen jullie onder elkaar steeds vrede hebben en de~hemel voor je zien open staan! Als jullie je echter weer door de verleidingen van de wereld laten gevangen nemen, dan moet je het ook aan jezelf wijten als de hemel zich steeds meer voor je gaat sluiten; en als je in grote nood zult raken en de hemel om hulp zult roepen, dan zul je geen hulp krijgen! Want het is onmogelijk dat Iemand die met wat dan ook aan de wereld hangt, tevens in gezegende  verbinding met de hemel staat.    

[17] Want ieder mens is zo geschapen. en ingesteld dat hij het kwade en het goede, de leugen en de waarheld niet in een hart naast elkaar kan verdragen; het een of het ander, maar in der eeuwigheid nooit allebei tegelijk!

[18] Ja, met zijn verstand moet hij beide kennen; maar in zijn hart kan alleen het ene of het andere als basis voor zijn leven aanwezig zijn.

[ 19] Hebben jullie Mijn raad goed begrepen?'

[20] Allen antwoorden daarop: ' Ja, Heer en Meester in alle goddelijke wijsheid!'

 

 

168 Het heilige woord, de wereld en de mensen

 

[I] Dan komt een Farizeeër naar voren en zegt: 'Heer en Meester! Dat is allemaal erg mooi, goed en waar, en er is niets tegen in te brengen. Maar als de mensen alle stoffen, die de aarde hen zo rijkelijk schenkt, niet verzamelen en op de juiste wijze bewerken, dan zal de aarde er spoedig als een woestijn uitzien, en geen enkele cultuur zal er dan nog te vinden zijn. Moeten er geen huizen zijn en allerlei scholen? Als dat verdwijnt, dan valt de mensheid binnen zeer korte tijd in een totaal dierlijke toestand terug. Men kan de wereld toch niet volledig aan de kant zetten zolang men in de materie woont!?'

[2] Ik zeg: 'Uw scholen zijn juist goed genoeg om al het geestelijke in de tere gemoederen van de kinderen te doden, en er zou dus weinig aan verloren gaan als ze helemaal verdwenen; want waarlijk zeg Ik u: Als de wereld uw leraar is, wat voor geestelijks wilt u dan van haar leren?

[3] Wie niet in zijn hart leert over God, die blijft in de nacht van de wereld, en het licht des levens zal eeuwig verre van hem blijven!

[4] Maar wie niet verlicht wordt door het ware licht des levens dat uit God straalt, die is dood, ook al had hij in de wereld alle engelenwijsheid geleerd! Hoe lang heeft hij daar wat aan?

[5] Blijf daarom in Mij, dan zal Ik in u zijn, en de hemelse wijsheid zal uw harten voor eeuwig levend vervullen! Begrijpt u dit?'

[6] Toen de Farizeeër deze les uit Mijn mond hoorde, sprak hij heel somber en met een ernstig gezicht: 'O grote, heilige, voor de hand liggende waarheid! Hoe heerlijk, hoe groot ben je! Hoe gelukkig zouden alle mensen op deze aarde kunnen zijn, als ze in die heilige waarheid woonden en hun levenswandel daarnaar richtten! Maar, o Heer, er is een levensgroot maar! Zo lang er nog een stofje van de aarde bestaat, of zolang de mensen deze aarde bewonen zullen, zal er hebzucht, nijd, gierigheid, hoogmoed en de alles bedervende heerszucht onder hen zijn, allemaal zaken uit de basis van de hel; en op die bodem zal deze waarheid, die ongetwijfeld uit de hemel is, toch nooit wortels krijgen en hij zal door al die duizendmaal duizend hellekinderen tot de laatste letter achtervolgd worden! Wat heb je dan aan zo'n hemelse waarheid?!

[7] Als de mensheid voor het grootste deel werd vernietigd, en een nieuwe mensheid op aarde werd gezet en deze vanaf de wieg in deze waarheid werd opgevoed, dan zou je er vruchten van kunnen verwachten waar de hemel wat aan heeft; maar zoals de mensheid nu is, is ze voor de hel nog te slecht, laat staan voor deze waarheden uit de hoogste hemelen!

[8] Mocht u soms van plan zijn om een kleine gemeente te stichten, die in al deze zuivere hemelse wijsheid en waarheid zou moeten leven en groeien, dan zal die toch geheel en al door verscheurende wolven omringd worden, die ook als ze haar geestelijk niets kunnen doen, haar toch onafgebroken lichamelijk zullen verontrusten en beangstigen, en zij zal in haar zuiverheid nooit kunnen uitgroeien; en wie, buiten God, weet hoe na verloop van langere tijd de nakomelingen van de zuivere gemeente er uit zullen zien?!

[9] Mensen zijn en blijven mensen, vandaag engelen, morgen duivels, en dus kun je ook de beste niet vertrouwen!

[10] Jehova voerde toch zichtbaar de kinderen uit Egypte; ze zagen Hem dag en nacht; in de woestijn, waar Hij de wetten gaf, voedde Hij hen op wonderbare wijze gedurende veertig jaar. Het regende er van steeds maar grotere wonderen! - En sla de geschiedenis er nu eens op na, werp een blik op onze tegenwoordige levens -, godsdienst­ en andere vriend­schapsverhoudingen en kijk dan eens naar de voormalige kinderen Gods, en je vindt niets meer terug van wat ze eens waren!

[11] Daarom zeg ik en daar ben ik vast van overtuigd, zonder ook maar in het geringste op Uw liefde en Uw wijsheid vooruit te willen lopen: Het is eeuwig jammer van Uw wijsheid en zulke daden; want de mensen zijn dat in der eeuwigheid niet waard! Vuur en zwavel van de hemel, ja, dat zijn ze waard, maar nooit in der eeuwigheid zo'n onmetelijke genade! Alleen op deze plaats kan ik dat zeggen; want ik geloof dat er hier geen verrader op ons loert. Maar als we weer beneden zijn dan zwijg ik weer als het graf! Zeg mij, o Heer en Meester, heb ik gelijk? Is het zo of niet?'

[12] Ik antwoord: 'Aards gesproken heb je helemaal gelijk; zo is het en zo wordt het ook. Maar dat alles kan en mag Mij niet ervan weerhouden de hemelse waarheid aan de wereld te verkondigen!

[13] Want om de wereld te oordelen, moet zij vooraf datgene krijgen, waarmee zij zichzelf veroordelen zal en veroordelen moet, namelijk: de hemelse waarheid, die door Mij nu in deze wereld komt en, ook al wordt ze altijd vervolgd, blijven zal.

[14] Uw mening ten opzichte van de slechte wereld is goed en helemaal terecht; maar tussen God en de mensen van deze aarde bestaan heel buitengewone betrekkingen, waarvan niemand iets weet dan alleen de Vader, en degene aan wie Hij het openbaart.

[15] Maar nu praten we er niet meer over! Het wordt al avond, -en het wordt koud op deze hoogte, laten wij daarom naar binnen gaan! Zo zij het!'

 

 

169  Over het lachen

 

[1] Na deze gesprekken gaan wij allen in de grote woonhut, en velen, vooral de vrouwen en maagden, gaan dicht bij het vuur zitten en warmen zich. Maar enige Joden, die ook best een beetje warmte van de vlammen hadden willen hebben, ergerden zich inwendig over de vrouwen, omdat die bijna alle warmte van de vlammen tegenhielden. En er kwamen enige leerlingen naar Mij toe, zeiden dat tegen Mij, beklaagden zich bij Mij daarover en morden. Ik verweet hen echter zachtmoedig deze onheb­belijkheid.

[2] Behalve één waren allen gekalmeerd; maar die ene, een koppige Jood uit Kapérnaum, bleef door mopperen en zei: 'Wel ja, wat heb je aan al dat gepraat? Ik had het buiten al zo koud dat ik het bijna niet meer uithield; en nu ik als oude man mij wat wil warmen, houden de vrouwen alle warmte van het vuur tegen, en ik ben haast helemaal stijf van de kou! Beneden is het midden in de winter niet zo koud, als het nu juist vanavond op deze hoogte is; en ik ben al over de zeventig en ik ben van nature al kouwelijk! Ik wil niet onvriendelijk zijn; zeg U daarom tegen de vrouwen, dat ze mij bij het vuur laten!'

[3] Ik zeg tegen de oude: 'Weet je dan niet, dat Ik je ook zonder vuur zou kunnen verwarmen als je geloof zou hebben?'

[4] De oude zegt: ' Ja, Heer, ik geloof! Want ik heb vele wonderen van U gezien, en daarom geloof ik dat alles wat U zegt en wilt, gebeurt.'

[5] 'Ga dan bij die drie mannen staan', zeg Ik, 'die een paar dagen geleden uit den hoge bij ons zijn gekomen, en je zult het meteen warm krijgen!'

[6] En de oude deed dat en hij kreeg het meteen zo warm, dat hij het na een poosje van de warmte niet meer kon uithouden en Mij voor die weldaad bijzonder bedankte, maar omdat het hem nu te warm werd, wilde hij graag wat afkoelen; want hij had het een beetje te warm.

[7] Maar Ik zei: 'Doe wat je wilt; Ik heb je niet aan die drie mannen vastgebonden! Ga naar buiten, daar zul je het direkt koel genoeg hebben!'

[8] En de oude ging naar buiten, maar kwam hals over kop onder luid hulpgeroep weer de hut in en riep: 'Redde, wie zich redden kan! De hele berg staat in vuur en vlam, en het komt steeds dichter bij de hut! Om Jehova's wil, we zijn allen ten dode opgeschreven!'

[9] Terwijl de oude zo jammert, komt Kisjonah, die zich buiten reeds voor zakelijke bezigheden een poosje van ons verwijderd had, en zei tegen Mij: 'Heer, U neemt me wel niet kwalijk dat ik iets feestelijks voor U op touw heb gezet volgens het gebruik van mijn alpenherders, omdat U vandaag, zoals U gezegd hebt, de laatste avond op deze hoogte doorbrengt. Mijn herders hebben bossen sprokkelhout, die ze in het bos verzameld hebben, aangestoken; en dat hebben ze ter ere van U gedaan en zij zingen vrolijke liederen en psalmen daarbij. Zou U niet even buiten komen kijken?'

[10] 'Graag', zeg Ik, 'want Ik mag je bijzonder graag!' En Ik stond op en ging naar buiten, en alle leerlingen volgden Mij.

[11] Maar de vrouwen lachten de oude Jood uit, omdat hij tevoren dacht dat de hele berg in brand stond en toen zo'n kabaal gemaakt had alsof de hele wereld al verging! De oude schaamde zich een beetje en verdroeg nu heel geduldig het lachen van de vrouwen.

[12] Maar Ik verweet de vrolijke vrouwen die ongemanierdheid en dreigde ze. Toen vroegen de vrouwen, waaronder de vijf dochters van Kisjonah niet waren -want die maakten het avondmaal in de grote herenhut klaar -, Mij en de oude om vergeving en zeiden, dat ze het beslist niet onvriendelijk bedoeld hadden.

[13] De oude vergaf het hen ook dadelijk van gans er harte. Maar de drie engelen kwamen toen naar de vrouwen toe en zeiden: 'Luister naar ons, vrouwen! Deze oude is een nakomeling van Tobias, die blind was, en die we met de gal van een vis weer ziende hebben gemaakt, en alle nakomelingen van deze oude Tobias, die doodgraver was, hebben als ze oud zijn om een bepaalde reden, die alleen God en wij maar kennen, zwakke ogen. Wij zeggen u echter, dat het een grote zonde is en op een lichtvaardig hart wijst, als men om een blinde lacht, in plaats van hem de hand reikt en hem over voetpaden en oneffen wegen leidt. Als jullie niet geweten zouden hebben, dat de oude, die ook Tobias heet, voor meer dan de helft blind is, dan zou je niet gezondigd hebben; maar omdat je wel wist, dat de oude slechts voor de helft ziet, en toch gelachen hebt, zondigden jullie en verdien je een grote straf; maar omdat hij het je na jullie verontschuldiging vergeven heeft, willen wij het je ook vergeven.

[14] Maar wee jullie, als je ooit weer een gebrekkige zou uitlachen! Zijn kwaal zal dan jullie kwaal worden!

[15] Trouwens de mensen kunnen beter helemaal niet of maar heel zelden lachen; want het lachen is afkomstig van de geesten van leedvermaak uit het menselijke lichaam.

[16] Een vriendelijk vertrekken van de gezichtsspieren, waaruit men speciale welwillendheid kan aflezen, is hemels; al het andere lachen stamt echter meestal uit de hel. Want de duivels lachen altijd als hen een gemene streek lukt; in de hemel lacht echter nooit iemand, maar men is steeds vervuld van de hartelijkste en vriendelijkste welwillendheid voor alle nog zo armzalige schepsels en vol medelijden met die lijdende broeder, die zijn tijd op aarde nog vervullen moet. Denk daar in het vervolg aan!

[17] Als de mensen veel om de zwakheden van hun broeders gaan lachen, dan verdwijnt het geloof als de zon na zonsondergang, en de liefde in het hart van de mens wordt dan net zo koud als deze nacht nu is, en er zal dan zo'n nood onder de mensen heersen, als er nog nooit eerder is geweest!

[18] Denk aan deze les uit de hemel! Straf je kinderen als ze lachen; hoor ze liever huilen dan lachen! Want het lachen ontstaat in de hel, die altijd vol hels gelach is.

[19] Er zijn omstandigheden, waarbij het alleen de mannen geoorloofd is over iets doms, of over een eigenzinnige domheid te lachen, maar dan is het lachen een welverdiende straf voor degene, die waard is uit~lachen te worden.

[20] Maar als iemand alleen maar voor zijn plezier lacht en voorwerpen, gebeurtenissen en belachelijke praatjes opzoekt, opdat hij geprikkeld wordt om te lachen, dan is hij een nar! Want alleen het hart van een nar kan geprikkeld worden om te lachen; ieder mens, die een beetje wijs is, begrijpt maar al te goed en snel de heilige ernst van het leven, en hij zal er niet gauw over denken om ergens over te lachen.

[21] Lach in de toekomst daarom niet meer en kijk niet naar grappen­makers en komedianten, die zich ervoor laten betalen om jullie klaar te maken voor de hel. Houdt je hart steeds nuchter, opdat je Gods welgevallen en daarmee de echte eer deelachtig wordt!'

[22] Deze toespraak maakte een grote indruk op de vrouwen, en ze legden de belofte af om hun leven lang niet meer te lachen.

 

 

170 De genezing van de blinde Tobias

 

[I] Maar de oude had gehoord wat de drie engelen tegen de vrouwen zeiden; daarom ging hij naar hen toe en zei: 'Ik heb zojuist gehoord, dat u de naam van mijn stamvader hebt genoemd en u liet toen merken dat mijn naam u niet onbekend is; door Gods genade gaf u het dode oog van de oude Tobias weer licht en leven.

[2] Kijk, beste en eeuwige vrienden van God, binnenkort wordt ik volledig blind; met het ene oog zie ik al niets meer, en het andere begint ook al veel zwakker te worden. Wat zou u er van denken om mij het volle licht van mijn ogen weer te geven? Dat zou voor u toch met weinig moeite mogelijk zijn! Help mij alstublieft!'

[3] De engelen antwoorden: 'Zie je Hem dan niet, die daar voor je met Kisjonah naar het hoogopvlammende vuur kijkt en luistert naar de zangen en psalmen van de herders? Niet wij, maar Hij heeft de oude Tobias het licht van zijn ogen weergegeven! Ga naar Hem; Hij is de Heer en kan doen wat Hij wil; Hij alleen kan je het licht van je ogen weergeven! Uit ons zelf zijn wij tot net zo weinig in staat als wat jij uit jezelf kunt. Wij zijn slechts Zijn dienaren en wachten op Zijn bevelen.'

[4] Na deze woorden van de drie engelen gaat de oude naar Mij toe en vraagt Mij om het licht van zijn ogen. - Dan zeg Ik: 'Je was toch altijd zo'n onverzettelijke Farizeeër en een verheerlijker van de tempel in Jeruzalem en je hield Mij toch voor een Esseen, een magiër en nog meer van dat fraais; hoe kom je dan nu aan dat geloof!'

[5] De oude zegt: 'Heer! Ook ik was in Kapérnaum, waar U de dochter van overste Jaïrus van de dood in het leven hebt teruggebracht; toen geloofde ik al. Maar ik moest nog meer zien en horen opdat mijn geloof sterker zou worden; en ik heb gezien en gehoord en nu geloof ik, dat U, o Heer, alles kunt wat U wilt. Als U, o Heer, mij dus genezen wilt, dan kunt U dat ook helemaal!'

[6] Daarop zei Ik tegen de oude: 'Het is weliswaar iets ongerijmds, om iemand 's nachts ziende te maken; maar als je geloof zo sterk is als je beweert, dan kun je best ook 's nachts ziende worden! Ik zeg je echter, dat het nu geestelijk voor alle mensen nacht is en dat ze allemaal geheel blind zijn, en de mensen zullen nooit overdag, maar 's nachts ziende worden en voor velen zal uit hun avond en morgen blijvend een eerste dag ontstaan. En dus wordt je ziende in de nacht!'

[7] Daarop werd de oude ziende en hij bewonderde nu de aparte vuren, die hij eerder allemaal in elkaar had zien overlopen als één vuur .

[8] Toen hij merkte hoe goed hij kon zien, viel hij voor Mij op de knieën, wist geen woorden genoeg te vinden om Mij te loven en te prijzen en was uitermate gelukkig.

[9] Maar Ik zei tegen hem: 'Jij hebt ook Mijn gebod gehoord; zwijg jij dus ook over alles, wat je hier gezien en gehoord hebt, anders zal je overkomen, waarvoor Ik iedereen gewaarschuwd heb!' Toen stond de oude op en bezwoer dat hij zou zwijgen als het graf.

[10] Zo werd dus alles op deze hoogte goed en voltooid. En toen de vuren uitdoofden, kwamen de dochters van Kisjonah en nodigden Mij en alle aanwezigen uit voor het avondmaal. En wij gingen allen, gebruikten een goede maaltijd en begaven ons toen ter ruste.

 

 

171  De verzinsels van Rhiba

 

[1] De ongeveer dertig Farizeeën, die de een wat meer, de ander wat minder, betere manieren hadden gekregen en nu ook gelovig waren geworden, gingen in een eigen hut en overlegden daar gedurende bijna de gehele nacht wat ze van nu af aan zouden doen.

[2] Een van hen, zogezegd een voornaam man, heette Rhiba. Toen het lang duurde zonder dat er een besluit werd genomen, nam hij het woord en zei: 'Broeders, jullie praten nu zeker al een uur of twee en je bent nog geen stap verder gekomen om een besluit te nemen. Jullie kennen mij wel en je weet allang, dat ik in zulke kritieke omstandigheden meestal de spijker op de kop sla, en nu denk ik, nadat ik alles wat werd gesproken en gedaan heel kritisch heb aangehoord en bezien, dat ik hier de spijker ook wel kan raken. Luister daarom naar mij !

[3] Het is beslist waar en niet te ontkennen dat deze mens, die de zoon van een timmerman uit Nazareth is, dingen doet en handelingen verricht, die behalve God vrijwel niemand mogelijkerwijs kan doen; of wel, wie maar enigermate zwak en niet zo scherpzinnig is, wordt zonder meer overdonderd en denkt dat deze Nazareeër minstens een soort Griekse halfgod is. Het had niet veel gescheeld of zelfs ik had dat geloofd; want die verschijningen op de top van deze berg waren in alle ernst zo buitengewoon, dat ze in Mozes en Elia 's tijd niet buitengewoner konden Zijn.

[4] Maar ik met mijn onopvallende scherpzinnigheid zag toch dingen gebeuren waardoor mij de schellen van de ogen vielen, en waardoor ik nu heel goed en precies weet waar ik aan toe ben. Hebben jullie die mannen niet gezien, die als engelen op de bergtop naar ons toekwamen?' - Iedereen knikt instemmend. -Weten jullie ook, wie het zijn en waar ze vandaan zijn gekomen?' -Men schudt ontkennend het hoofd. -'Ik zal dat jullie eens uit de doeken doen! Kijk en luister:

[5] Het zal jullie wel bekend zijn dat de timmerman uit Nazareth, Jozef genaamd, waarvan altijd al gezegd werd dat hij ingewijd was in de kennis van de Egyptische en Perzische magie, tevens in direkte lijn afstamt van David en zich zo nu en dan de bijnaam 'Davids zoon' gaf. De vader van Jozef, die Eli heette en ook een timmerman met een overigens geheel onbesproken gedrag was, had echter in het geheim toch als hoofddoel gekozen om zijn stam weer op de troon van Juda en het gehele beloofde land te brengen. Hij liet zijn zoon Jozef, onder het voorwendsel dat deze zich in de bouwkunst zou bekwamen, in goed gezelschap naar Perzië en misschien zelfs naar Indië reizen. Maar dat was niet voor de bouwkunst, maar voor de buitengewone magie, opdat Jozef dan met die wetenschap en die kunst alle mensen kon verblinden en zich als een door God gezonden wezen kon laten verheffen op de troon van Joden en Romeinen tesamen. Want met de sterk tot verafgoding ge neigde Romeinen zou makkelijker gemanipuleerd kunnen worden dan met de Joden. Alleen moest Jozef, ondanks zijn geheime kunst, naar buiten toe een strenge Jood zijn en voor de wet geen smetje hebben, opdat zelfs de hogepriester geen aanmerking op hem kon maken! Na een aantal jaren kwam Jozef van zijn reis terug en bezat toen de kunst wel, maar had geen middelen en gelegenheid om deze toe te passen. Ook had hij geen durf genoeg, zoals mij oude mensen verteld hebben, maar het voornaamste wat hem ontbrak was het sprekerstalent; want spreken kon hij niet en daarom was hij erg kort van stof. Eli zag, dat zijn opzet niet slaagde, en liet toen zijn zoon Jozef, die helemaal geen geschiktheid voor de troon toonde, alleen maar zijn bekende handwerk uitoefenen. Toen Eli stierf, zegende hij zijn zoon wel, maar zei heel wijs dat Jozef ten opzichte van zijn kinderen voor dat bepaalde doel niets meer moest doen, want er zat geen toekomst meer in. En daarom heeft Jozef ook helemaal niets meer voor de kinderen van zijn eerste vrouw gedaan.

[6] Maar na het overlijden van zijn eerste vrouw kwam door een gelukstreffer, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door zijn in Perzië geleerde magie, de mooie jonge Maria, die ook van Davids stam was, uit de tempel onder zijn bescherming, en toen kwam het koningsidee in Jozef weer tot leven. Hij maakte Maria zwanger, die toen nauwelijks veertien jaar oud was, en huwde haar pas later, waardoor hij weliswaar in Jeruzalem grote moeilijkheden kreeg, maar waaruit hij zich redde met geld en magie, en door op aanraden van een goede vriend in Jeruzalem tevens met Maria te trouwen.

 [7] Weliswaar moeten de nog in leven zijnde en zeer welgestelde ouders van Maria in Jeruzalem, een zekere Joachim en Anna, met dat huwelijk niet erg ingenomen zijn geweest; maar Jozef had een machtige vriend in de tempel, de oude Simeon en vooral Zacharias, en zo ging de geschiedenis toch zonder verdere moeilijkheden door, en Maria werd de rechtmatige vrouw van Jozef, en daarmee moesten de ouders ook instemmen.

[8] Jozef, die buitengewoon aangemoedigd werd door Maria waarvan hij veel hield, deed er nu alles aan om voor het nog niet geboren kind, als het een jongen zou zijn, -wat de in dergelijke dingen opgeleide Jozef met vrij grote zekerheid vooruit kon weten, -al het mogelijke voor het bepaalde doel aan te wenden, waarbij nu ook de niet onaanzienlijke middelen van de schoonouders wel goede diensten verleend zullen hebben.

[9] Enige weken voor de bevalling zond hij in het geheim boden naar Perzië en liet drie wijzen uitnodigen, die hij in zijn jeugd had leren kennen. Deze kwamen naar Nazareth; en omdat in diezelfde tijd Keizer Augustus voor heel Judéa de volkstelling in Bethlehem had uitgevaardigd, waren Jozef en Maria met de kinderen naar Bethlehem opgetrokken om zich daar te laten inschrijven.

[10] De in Nazareth gearriveerde drie wijzen met hun grote en schitterende schaar bedienden wisten toen niet waar ze naar toe moesten, gingen op naar Jeruzalem en deden daar ongelukkigerwijs bij de oude Herodes navraag naar de pasgeboren koning van Israël en goten daarmee. olie op het vuur! Herodes kon hen natuurlijk niets anders zeggen dan in de eerste plaats, dat hem dat totaalonbekend was, en in de tweed~ plaats dat als er iets van waar was, deze familie zich dan net als vele duizenden anderen in verband met de door de keizer verordende volkstelling, zeker in Bethlehem zou bevinden. Daarop haastten de drie wijzen zich meteen naar Bethlehem en vonden daar wat ze zochten.

[11] Je kunt je wel voorstellen dat het daar niet ontbroken heeft aan magische verschijnselen, waar zelfs de Romeinen van onder de indruk waren anders had Herodes niet de kinderen laten vermoorden. Deze magiërs hebben het kind voor een goede opleiding ook grote schatte~, zo niet geschonken dan toch wel geleend, rekening houdend met.het feit dat het kind koning zou worden en dan het geleende naar Perzië terug zou zenden.

[12] Juist daarom hebben die drie magiërs het pasgeboren kind niet meer uit het oog verloren, tot op dit uur zorgden zij voor zijn complete magische opleiding en nu kwamen ze ook weer als drie engelen uit de hemel en ze helpen Jezus bij het volvoeren van zijn wonderen, en het volk, dat blind is en niets van al die geheime dingen weet, te verblinden met allerlei wijze preken en wonderbare daden.

[13] Maar ons, die in al dergelijke geheimen zijn ingewijd, kunnen ze de ogen niet verblinden, en daarom is het onze heilige plicht om deze mens op alle wegen en paden in de gaten te houden en daar, waar hij te ver gaat, snel in te tomen.

[14] Het ergste zou zijn, als hij de Romeinen aan zijn kant kreeg; dan zou al onze moeite helemaal voor niets zijn! Dat moeten we daarom dan ook zo zorgvuldig mogelijk zien te verhinderen, anders groeit hij ons nog hemelhoog boven ons hoofd! Als hij eenmaal boven is, dan zullen wij hem niet meer naar beneden kunnen trekken! -Wat denken jullie daarvan?'

[15] De anderen zeggen: ' Je hebt misschien wel helemaal gelijk; maar als het later anders blijkt te zijn, wat best mogelijk is, wat moeten we dan?'

[16] Rhiba antwoordt: 'Die vraag kun je hier helemaal niet stellen! Is hij meer, of kan hij meer zijn dan een mens? Wie onder ons is dan zoals de heidenen, die niet weten wat of wie God is en daarom zowel bijzondere mensen als ook zelfs sommige eigenaardige dieren voor Goden aanzien, vereren en aanbidden?

[17] Is deze Nazareeër dan meer dan een buitengewoon voortreffelijk mens, een genie, onovertrefbaar in zijn doen en laten?

[18] Als hij zou blijven wat hij is, en zijn kunst voor het welzijn der mensen zou uitoefenen en ze ook over menig onderwerp, waarin de mensen blind zijn en waar ze weinig of helemaal geen inzicht in hebben, zou onderrichten, dan zou hij onvervangbaar zijn, en het land waar hij woonde zou te benijden zijn. Maar nu streeft hij naar de troon, de kroon en de scepter van David, en dat maakt hem verachtelijk in de ogen van alle echte en zuivere Joden die nog bezield zijn met de oude geest, waardoor ze alle verschijnselen in het mensenleven in de juiste verhoudingen kunnen zien en niet zo gemakkelijk als halfheidense tollenaren en zondaren bedrogen kunnen worden!

[19] Wat heeft het voor de mensheid dan ook voor nut om door zulke schitterende leringen in verschillende sekten gescheiden te worden, die elkaar dan alleen maar vanwege het verschillende geloof haten -meer dan de verscheurende dieren in de wouden?! Die van het oude geloof haten die van het nieuwe geloof, en omgekeerd, en zo schenkt zo'n geloof altijd juist het tegendeel van wat het predikt; in plaats van vriendschap, liefde en vrede veroorzaakt het vaak de onverzoenlijkste vijandschap, haat en de ergste oorlog! En alle geloofsvernieuwingen op aarde hebben steeds deze zelfde vruchten opgeleverd! Als nu, zoals langdurige ervaring leert, de vruchten van zulke ondernemingen steeds dezelfde zijn, dan hebben wij als verlichte mensen en leiders van de volken de onvermijdelijke plicht om zulke vernieuwers vroegtijdig de weg te versperren waarop voor duizenden ondergang en verderf dreigt. Is het dan niet beter, dat één zo'n heerszuchtige magiër uit de wereld wordt geholpen, dan dat in korte tijd vele duizenden, door zo'n zonderling verleid, door het scherp van het zwaard te gronde moeten gaan?!'

 

 

172 De vervloeking van de Farizeeër

 

[1] Een ander zegt nu: 'Als we deze zaak alleen beschouwen uit het standpunt van deze wereld, dan heb je geen ongelijk; maar als er na de dood nog een leven is voor de ziel van de mens, waaraan ik nog nooit heb getwijfeld, dan hebben al deze wereldse overwegingen en betrekkelijkheden helemaal geen waarde, en dan is deze Jezus een zon voor de nacht van de menselijke geest en toont hij ons de goede weg, waarop wij al tijdens ons lichamelijke bestaan in het grote hiernamaals kunnen zien en uit het vaderhuis het heerlijke voedsel voor het eeuwige leven kunnen halen!

[2] En dat leert hij en hij wil de blinde mensen tonen, hoe de lucht zonder meer brood en wijn, dus echt voedsel, uit de hemelen kan bieden en kan geven, zoals wij dat een paar dagen geleden op de top allen hebben gezien en waarvan wij hebben gegeten en gedronken!

[3] Dat de oude nacht steeds de strijd met de nieuwe dag aanbindt en aanbinden moet, dat leert ons niet alleen de geschiedenis der mensheid, maar ook de aard van de dingen, zoals ze dagelijks voor onze ogen gebeuren en plaats vinden; maar dat is nu juist Gods ordening, goedvinden en wil, waartegen nog nooit een wereldmacht iets heeft kunnen uitrichten.

[4] Wat wil je dan doen, als deze totaal van God vervulde Jezus je met zijn gedachten greep en volledig vernietigde? Hoe zou je je tegen hem teweer stellen?

[5] Nu moet je eens goed luisteren! Een mens, aan wiens wenken wind en zee en alle slechte en goede geesten gehoorzamen, - een mens, die de doden weer tot leven wekt en iedere ziekte, al' is deze in een nog zo vergevorderd stadium, zonder medicijnen, maar slechts door zijn wil geneest, zou wel eens iets meer kunnen zijn dan alleen maar een buitengewoon begaafd magiër! Wij hebben toch vaak magiërs gezien, en waargenomen hoe ze met louter tovertekens, toverspreuken, amuletten en toverstaven omgeven zijn en hoe ze altijd iedere kleinigheid die ze tot stand brengen, bovenmatig opblazen.

[6] Deze Jezus heeft echter noch een amulet, noch iets anders wat bij het toveren hoort, ook geen wonderzalven, geen speciale kruiden en wortels en is zeker geen geheimzinnige, mystieke pocher, maar een hele open, zeer goedmoedige en buitengewoon tegemoetkomende hoffelijke mensen­vriend en een mens in de ware zin van het woord.

[7] Hij is geen moedeloze, maar hij is steeds opgeruimd, en zijn woorden zijn als honing en melk; en toch gebeurt bij al zijn eenvoud alles op de wonderbaarlijkste manier, wat hij ook maar wil! Ik ben er geheel van overtuigd dat hij in staat is om enkel door zijn wil heel makkelijk een nieuwe aarde te scheppen! Ik ken hem al sinds vlak na zijn geboorte en kan je vertellen, dat hij al als jongetje van een paar jaar hetzelfde deed wat hij nu als man voor ons doet!

[8] Maar als er een mens is die in ons bijzijn daden verricht, die alleen maar aan God mogelijk zijn, wat zal mij dan nog verhinderen om zo'n mens voor God aan te zien?

[9] Ik ben een geboren Galileeër en nu al meer dan zeventig jaar oud, Ik ben al meer dan veertig jaar priester en kan al dertig jaar lang slecht zien, één oog was al helemaal blind en met het andere zag ik alles in elkaar overlopend en onzuiver. Bij ontelbare doktoren, die uit alle wereldstreken naar Kapérnaum kwamen en zich in hun kunst verbeeldden bijna bovenaardse wezens te zijn, slangen en wilde dieren temden, vogels de kop afsneden en er weer in een oogwenk opzetten, kortom echte mirakelen verrichtten, heb ik voor veel geld voor mijn ogen middeltjes gekocht en ze precies volgens voorschrift toegepast; maar het hielp niets!

[10] Een paar uur geleden, vlak na het avondmaal, hielp hij mij door één woord, zonder wat voor middel dan ook, zodanig dat ik nu met beide ogen zo goed en zuiver zie als waarschijnlijk niemand van jullie!

[11] Zoek het maar eens in de geschiedenis op of er ooit een mens met zo'n wonderkracht en macht toegerust op aarde is geweest! Mozes heeft wel veel gedaan door de macht van God, die hij kreeg door de kracht van zijn geloof, net als Abraham deze kreeg door de grote belofte! Maar hoe klein zijn de wonderen van Mozes vergeleken bij die, die deze Jezus ons nu Iaat zien!

[12] En jullie zitten gewoonweg te beraadslagen hoe je hem uit de weg zou kunnen ruimen! Foei! Dat is schandelijk van jullie, en je verdient het om met de krachtigste tuchtroede van God voor eeuwig zo zwaar mogelijk bestraft te worden!

[13] Waarlijk, in deze Jezus schijnt datgene ten volle vervuld te worden, wat de grote profeet Jesaja over de verhevenste knecht van God voorspeld heeft, toen hij zei:

[14] 'Zie dit is Mijn knecht, die Ik heb uitgekozen en die Ik het meest liefheb, waaraan Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn geest op Hem leggen, en Hij zal aan de heidenen het oordeel verkondigen! Hij zal niet schreeuwen of twisten, en zijn geroep zal niet op de straten te horen zijn. Het gekneusde riet zal Hij niet breken en de smeulende pit niet doven, totdat Hij voor de overwinning het oordeel uitvoert en de heidenen hun hoop zullen stellen op Zijn naam!' (Jes. 42,1-4)

[15] Als Hij kroon en scepter zou willen, mijn hemel, Hij heeft er meer dan voldoende macht voor! Want net zoals Hij Zijn apostelen in een oogwenk uit alle windstreken door Zijn onzichtbare dienaren door de lucht kan laten vergaren, wat we met eigen ogen hebben gezien, net zo zou Hij alle heersers van deze aarde kunnen verzamelen en hen heel eenvoudig ter verklaring kunnen zeggen: 'Ik ben de Heer, en jullie allen zijn voor eeuwig afgezet! Als jullie Mijn knechten wilt zijn dan mag je bij Mij blijven; maar wil je dat niet, verdwijn dan en verga!'

[16] Maar Hij, die in de ware zin van het woord almachtig is, heeft ons allemaal zelfs bedreigd, als we beneden ook maar een woord zouden vertellen van wat hier is gebeurd! Hij zoekt dus geen wereldse roem en werelds aanzien, maar alleen maar de geestelijke groei en vervolmaking van de mensen. Zó wil Hij alleen maar een geestelijke staat bij de mensen vestigen en hen, die niet meer weten waar ze vandaan gekomen zijn weer in het verloren paradijs terugbrengen! En daarom zouden we hem' indien mogelijk, uit deze slechte wereld moeten verwijderen? Nooit of te nimmer! Vervloekt is degene, die zulke gedachten in zijn hart koestert!

[17] Nooit heeft de aarde een grotere mensenvriend geherbergd, nooit een die onzelfzuchtiger was dan Hij is, - en jullie willen de hand aan hem slaan? Vraag.jezelf maar eens af wiens geesteskinderen jullie zijn, en de satan, die in je hart woont, zal het Jullie zeggen en zal jullie antwoorden: 'Ik ben jullie vader!'

[18] Hoe moet jullie Messias er dan uitzien? Soms net als jullie? Of moet Hij optreden als een duizendvoudige Simson en met het wapen van Simson zomaar met één slag de mensen bij millioenen doodslaan en dan niet Zichzelf, maar jullie op de heersersstoel zetten, en Zich dan door jullie heel onderdanig laten gebruiken als lastezel, kameel, waakhond, als vechtende leeuw in de woestijn tegen je vijanden, als adelaar, die met zijn scherpe ogen vanuit de hoogte meedeelt, waarvandaan de vijand op je afkomt, zodat je geheelongestoord het geroofde van de hele aarde kunt verbruiken en met de teerste en schoonste meisjes der aarde kunt geilen?! Dat zou pas een Messias voor jullie zijn!

[19] Jullie willen heren zijn, en de Messias moet jullie knecht zijn! Op die manier wil je wel een Messias hebben! Maar dat je 'Heer' tegen de Messias moet zeggen, dat zint je niet, en daarom zou je Hem nu uit de weg willen ruimen!

[20] Denk er eens over na en raadpleeg je hart of het er met jullie niet letterlijk zo uitziet, en jullie harten zullen hard ' Ja' roepen!

[21] Mocht ik dit echter ten onrechte verondersteld hebben, zeg me dan eens, hoe jullie Messias er moet uitzien en welke eigenschappen hij moet hebben!

[22] Het is een schande voor ons, terwijl wij ons nog wel kinderen van de Allerhoogste noemen; en de heidenen, tollenaars en zondaars zijn ons in alles voor! De Grieken, Romeinen, Egyptenaren, Perzen, Assyriërs en bijna alle ons als heidens bekend staande volkeren hebben uit dankbaarheid voor hun afgoden de grote wijze mannen verafgood, omdat ze dachten, dat zulke mannen hen door hun goden uit genade gegeven werden, en ze bewezen hen goddelijke verering, bouwden tempels voor hen en verklaarden de plaats waar zo'n wijze gewoond had tot heilige plaats. In slechts heel weinig gevallen is het voorgekomen dat de goddeloze heidenen onmenselijk tegen hen opgetreden zijn.

[23] Maar wij Joden, die de naam 'Volk van God' dragen, hebben een groot aantal van onze door God gezonden profeten gestenigd en ze vervloekt en toch durven wij ons nog steeds 'Kinderen Gods' te noemen!

[24] Elia, een van de grootste en machtigste profeten, moest bijna naar het einde der wereld vluchten, om zichzelf in veiligheid te brengen voor de woede van de 'Kinderen Gods' en de woede van hun buren. Dat zijn prachtige 'Kinderen Gods'!

[25] Wij zijn het die de boden van God gestenigd hebben en wij zouden nu ook deze goede Jezus uit de wereld willen helpen, als dat zou kunnen! Maar de hemel zal daar wel op toezien! Mocht zoiets echter mogelijk worden -want God laat de mensen zelfs de slechtste daad begaan opdat zijn maat voor de hel vol zal worden -, dan voorspel ik jullie de eeuwige vloek over al de Joden, dat ze op aarde nooit meer een thuis zullen hebben, en dat hun naam, waar zich zelfs de heidenen voor gebogen hebben, walging zal opwekken bij de mensen!

[26] Zo waar God leeft, zo waar zal dit ook gebeuren! En zo'n misdaad zal in de hel eindeloos worden vergolden! Denk er goed aan, dat ik dit als Farizeeër tegen jullie heb gezegd!'

 

 

173 Vastgeroest in hun wereldse voorschriften

 

[I] Slechts enkelen aanvaardden wat deze oude man, Tobias, nu tegen hen gezegd had; maar het merendeel was daarover zo boos geworden, dat het zijn kleren wilde verscheuren en daarna Tobias en allen, die hem gelijk gaven, wilde stenigen.

[2] Maar de oude Tobias zei: 'O doe maar met ons wat je van plan bent, nu wij een doorn in je oog zijn geworden! De drie engelen, die hier nog zijn, zullen jullie voor je prijzenswaardige moeite ook een prijzenswaardig loon in de hel toebedelen, en de duivels zullen de naad van je mantels wel verder openscheuren!'

[3] Toen Tobias zo energiek tegen zijn woedende collega's had gesproken had en deze stenen begonnen te zoeken, kwamen de drie engelen de hut binnen, en hun gezichten lichtten als de zon.

[4] Bij het zien daarvan werden de weerspannigen erg bang, en ze vielen op hun aangezicht en smeekten huilend van angst de drie om vergeving.

[5] Maar deze zeiden: ' Als jullie de vijanden zijn van degenen, die door Gods geest bewogen worden, -wie zijn dan jullie vrienden? Wij zeggen jullie openlijk: Dat zijn de duivels! Bekeer je daarom, anders krijg je te maken met de macht van de Allerhoogste!'

[6] De van doodsangst bevenden huilen: 'Wat moeten we doen?' Daarop zeggen de drie: ' Deemoedig zijn en de ware, enige Zoon van God geloven, Wiens ziel één is met de Vader! Want de Vader is in Hem en niet buiten Hem!' -Na die woorden verdwijnen de drie engelen, en de Farizeeën richten zich weer op en zien geheel af van hun bijzonder slechte voornemen.

[7] Tobias vraagt hen nu: 'Nu, hoe staat het er mee, wat willen jullie doen? Waar zijn de vervloekte stenen? Waarom vergrepen jullie je nu niet aan die drie, die je voorheen nog aanzag voor de vermomde drie magiërs uit Perzië?'

[8] De vreselijk ontstelden antwoorden: ' Je weet toch, dat we de geboden van Mozes moeten houden, waarop we bij de hemel en bij de tempel hebben gezworen! Als nu deze Jezus overal het tegenovergestelde leert en doet, dan kunnen we toch niet zo maar onze eed omruilen voor deze bijna geheel anti-mozaïsche leer? Maar we zullen nadenken en zien, wat er aan te doen is! Nu zeggen we niet ja en ook niet nee; want er staat geschreven, dat er uit Galiléa nooit een profeet zal opstaan! En daarom is deze geschiedenis, hoe wonderbaarlijk ze ook op haar unieke manier is, toch altijd gekoppeld aan veel dingen die tot nadenken stemmen!'

[9] Tobias zegt: 'Het is wel zo, dat uit Galiléa geen profeet zal voortkomen; maar ik vraag of er ook geschreven staat, dat de Messias niet uit Galiléa zal voortkomen! Daarvan staat volgens mij nergens iets! En met betrekking tot de komende Messias is er ook nergens een plaats speciaal genoemd, waar Hij zal opstaan! Als volgens de Schrift Galilea in ieder geval geen profeten zal leveren, dan kan het toch heel goed de Messias leveren! Want tussen een profeet en de Messias zal toch wel een oneindig verschil bestaan?!' De ontstelden antwoorden: 'Je hebt gelijk; daarom zullen we er diep over nadenken. ,

[10] Dan zegt een andere Farizeeër op de achtergrond, die gedurende de gehele lange verhandeling heel rustig had geluisterd, zonder intussen de een of andere mening naar voren gebracht te hebben: 'Vrienden en broeders! Om deze wonderbare geschiedenis te begrijpen, moet je nuchter en uitgeslapen zijn; wij zijn echter allemaal meer of minder dronken van de avondmaaltijd en daarbij hebben we veel slaap! Hoe kunnen en willen we dan zo over zo'n wonderbare en tevens belangrijke en ernstige zaak een deugdelijk oordeel uitspreken?

[11] Ik vind daarom dat we beter wat kunnen gaan slapen en morgen de verdere en zeker meer verstandige verhandeling voort kunnen zetten! Want het lijkt me toe, dat het toch ook al begint te schemeren, en de morgen zal dus wel niet lang meer op zich laten wachten; verder moeten we de sabbat toch minstens in de passende rust tegemoet treden en niet in een woordenstrijd over onze meningen en opvattingen!

[12] Ik geloof dat de grote groep van de aanhangers van Jezus zich al begint te roeren! We willen of moeten ze observeren, -maar hoe, als we er te slaperig voor zijn en zij misschien eerder weggaan, dan dat wij wakker zullen worden, als we nu genoodzaakt zijn wat te slapen?!'

[13] Een ander valt hem in de rede en zegt: 'Dat is gemakkelijk te verhelpen, we plaatsen een wacht!' Dan zegt de ander: 'Wie? Jij soms of iemand anders die net als jij omvalt van de slaap en als wacht net zo goed in slaap zal vallen als wij beiden?!'

[14] Een derde zegt: 'Van dat slapen zal zeker niets meer komen; want de anderen beginnen zich al klaar te maken voor het vertrek; daarom zal er voor ons wel niets anders overblijven dan hun voorbeeld te volgen. Want de weg naar de vlakte is lang en voor het opgaan van de zon zullen we nog lang niet in het dorp zijn!'

[15] Een vierde zegt: 'Wel, nu is Meester Jezus ook voor de hut en maakt aanstalten om te vertrekken; er blijft ons dus wel niets anders over dan ook zo vlug mogelijk op te breken?'

[16] Dan zegt de eerste: 'Daar heb je het nou! Ik heb het wel gedacht. Dat zal me een mooie reis worden -zonder slaap en ook nog helemaal dronken van het avondmaal van gisteren!'

[17] Een aantal zegt nu: 'Wel, het kan nu eenmaal niet anders! Degenen, die gerust hebben zullen zeker niet op ons wachten! Opstaan dus maar! Slapen doen we dan wel beneden in het dorp.' Nu staan allen op en gaan snel naar buiten.

[18] Als de Farizeeën allemaal al klaar staan voor vertrek, maar Ik nog niet direkt aanstalten maak voor de afdaling in het dal, wordt het grootste deelontstemd en vraagt aan Mij of Ik dan nog niet ga vertrekken.

[19] Maar Ik zeg hen: 'Ik ben Heer en doe wat Ik wil, en niemand hoeft Mij te vragen: 'Waarom moet dat zo?' Als dat wat Ik voor Mij en de Mijnen wil echter voor iemand niet prettig is, Iaat die dan doen wat hij wil; want Ik houd niemand vast! Als iemand wil gaan, -nu, dan gaat hij! Wil iemand echter wachten, -nu, dan wacht hij maar geduldig! Voor zonsopgang zal Ik niet verder gaan en eerst gebruik Ik nog een morgenmaal; want de weg is ver en vermoeiend.'

[20] De Farizeeën zeggen: 'Kunnen we dan nog een poosje gaan rusten?' Ik antwoord: 'Beslist wel! Want de aarde heeft het licht van jullie ogen niet nodig bij zonsopgang, maar wel het licht van Mijn ogen, opdat het licht worde in de diepte!'

[21] De Farizeeën zeggen dan onder elkaar: 'Laat dat degene begrijpen, die dat kan en wil; maar wij begrijpen het niet!'

[22] De oude Tobias zegt: 'Ik begrijp het wel en blijf daarom ook hier buiten; misschien wordt het in mijn diepte dan ook licht.'

[23] Waarop de anderen zeggen: 'Oude rare man, doe maar wat je wilt; maar wij gaan weer in de hut en slapen nog een poosje.' Na die woorden gaan ze allemaal vlug de hut in en gaan daar liggen om te slapen.

[24] Tobias gaat heel eerbiedig naar Mij toe en wil Mij alles vertellen, wat gedurende de nacht in zijn hut gebeurd was. Ik troost hem echter en zeg: 'Ik weet overal van! Als Ik het niet had geweten, hoe had Ik je dan op het juiste moment hulp kunnen zenden?! Laat het daarom maar rusten! Want wie zich voortijdig tegen Mij verheft, die zal de verzenen hard tegen de prikkels slaan! Wees dus maar niet bang! Want zulke onaangename dingen zullen je voortaan niet meer overkomen!

[25] Maar laten we nu wat hogerop gaan, daar op die oostelijke heuvel; van daar uit zullen we de pracht van een zeer mooie zonsopgang te zien krijgen; en dat versterkt zowel de ziel als de ledematen en verwarmt het hart en de nieren.

[26] Na deze korte toespraak begeeft alles zich nu met Mij naar de top van de alpenheuvel en wacht verlangend op de zonsopgang, die ook niet meer zo lang op zich liet wachten.

 

 

174 Gedragsregels voor rechters en wetgevers

 

[1] Toen na een uur de zon in een nauwelijks te beschrijven pracht en majesteit opkwam, werden allen geheel en al gesticht en tot tranen toe geroerd en men zong psalmen tot eer van Degene, Die dat alles zo wonderbaarlijk, goed en heerlijk had geschapen.

[2] De oude Tobias zei na dit feestelijke ochtenduurtje: 'O Heer! Dat is een andere tempel dan die in Jeruzalem, die voortdurend vol vuil en viezigheid is! Hoe vaak heb ik in mijn leven psalm na psalm gezongen terwijl mijn hart droog bleef als tien jaar oud stro en koud als ijs! En hoe warm slaat het nu voor mijn almachtige schepper! Hoe vaak was ik in de tempel en hoe blij was ik als ik diens steeds stinkende voorhoven mocht verlaten; en hier zou ik een eeuwigheid willen blijven en de grote God, die alle talloze heerlijke dingen heeft geschapen, willen prijzen uit de van liefde brandende diepte van mijn hart! Beste Meester, hoe kan ik U danken voor deze heilige hoge levensvreugde, die ik nog nooit eerder heb ondervonden?!'

[3] Ik zeg: 'Wie zo in Gods schepping gaat staan en zo warm voelt en ondervindt wat hij daarvoor zijn God en Schepper schuldig is, zoals dat nu bij jou het geval is, die brengt Mij daarmee ook al de beste en aangenaamste dank.

[4] Blijf jij echter in het vervolg vervuld van zulke gevoelens en gewaar­wordingen en sluit je hart nooit voor de armere broeder, ook al was hij eens je vijand, dan zal jou mettertijd een grote genade uit de hemel ten deel vallen! Als je allerlei zondaren ziet, veroordeel en verdoem ze dan niet; want -begrijp Mij goed -zij zijn het meestal niet die zondigen, maar de geest die ze daartoe aanzet. Je kunt niet weten door welke geest ze gedreven worden. Er zijn er genoeg, die in hun vroomheid heel gemakkelijk hoogmoedig zouden kunnen worden en die dan al gauw vanaf de vermeende hoogte van hun deugd met veel verachting en afschuw neer zouden willen zien op de zondaren, waardoor ze dan zelf onbewust nog grotere zondaars zouden worden dan degenen, die ze verafschuwen; dan komt er een geest en verleidt zulke mensen tot de een of andere zonde, en de al trots geworden voorvechter van de deugd ondervindt zo aan den lijve, dat hij nog lang geen God, maar slechts een heel gewoon zwak mens is !

[5] Zo'n mens wordt dan weer deemoedig en doet boete, waarvoor hij zich vroeger, toen hij nog meende zo deugdzaam te zijn, veel te verheven voelde!

[6] En daarom moet niemand een zondaar haten omdat hij een zondaar is; iedereen doet goed en voldoende als hij de zonde alleen haat en verafschuwt! Maar een verharde booswicht, die één is geworden met de zonde, moet je geen hulp geven! Als hij daardoor echter voor zijn verbetering terecht in de ellende is gekomen, dan moet je aan hem denken, en als hij je wat vraagt, dan moet je daarnaar luisteren. En als je een misdadiger naar de galg ziet brengen moet je geen vreugde voelen over zijn treurige lot, ook al zou hij zijn misdaad waarvoor hij nu de dood in gaat aan jouw huis hebben gepleegd; want weet, dat het niet onmogelijk

is dat zo'n misdadiger in de andere wereld zalig kan worden!

[7] Liefde moet in alles het voornaamste levenselement zijn van ieder mens!

Rechtvaardigheid, die niet in de liefde wortelt, is voor God geen recht­vaardigheid; en de degene die zo recht spreekt is voor God dan ook een tienmaal grotere zondaar dan degene die door hem veroordeeld wordt, en God zal hem eens net zo onbarmhartig veroordelen, als hij zijn naasten veroordeeld heeft.

[8] Veroordeel daarom niemand en verdoem ook niemand, ook al zondigt hij nog zo erg tegen jou, dan zul jij ook eenmaal niet veroordeeld en verdoemd worden; want de maat waarmee iemand meet, is dezelfde als waarmee het hem eenmaal in de andere wereld weer vergolden wordt. De strenge, volgens wat voor een wet dan ook rechtvaardige, maar tevens koude, liefdeloze rechter zal eens net zo'n streng rechtvaardig en on­verbiddelijk oordeel over zich horen uitspreken; de gerechtsdienaars en scherprechters zullen echter nooit Gods aangezicht zien!

[9] Wie een dief en moordenaar vangt, heeft goed gehandeld als hij hem aan het wettelijke gerecht overgeeft; maar de rechter mag nooit vergeten, dat de misdadiger zolang hij in deze wereld leeft, nog geen volledige duivel is, maar een misvormd, verleid mens, die men op alle mogelijke manieren nog kan trachten te verbeteren voor hij als een onverbeterlijke duivel ter dood veroordeeld kan worden!

[10] Bij het scherprecht moet het echter zo toegaan, dat de veroordeelde niet meteen gedood wordt, maar men moet hem een hele dag vijf handbreedten boven de begane grond met handen en voeten aan een paal gebonden te kijk hangen.

[11] Toont hij dan oprecht en smekend dat hij zijn leven beteren wil, dan moet hij van de paal losgemaakt en in een geëigende en op rechtvaardige liefde gebaseerde verbeteringsinrichting worden gebracht, maar dan niet eerder vrij worden gelaten voordat duidelijk aantoonbaar is dat hij zich verbeterd heeft. Geeft de misdadiger aan de paal echter gedurende de gehele dag geen teken van verbetering, dan is hij een complete duivel en moet daarom ook, als hij nog leeft aan de paal, na zonsondergang gedood en daarna tesamen met de paal op de terechtstellingsplaats worden verbrand.

[12] Ik zeg dit daarom tegen jou, opdat je je in de toekomst daarnaar richten zult, want jij was ook rechter en dat ben je nog steeds bij de Farizeeën en je zorgt voor de graven van de overledenen en de terecht­stellingsplaatsen voor de misdadigers.

[13] Gezegend is hij die zich daarnaar zal richten; zijn naam zal schitteren in het eeuwige levensboek!

[14] Maar nu gaan we weer naar beneden naar de hutten; Kisjonah heeft al een bescheiden morgenmaal klaargemaakt en wacht op ons met zijn vrouwen zijn dochters.'

 

 

175 Sabbatsheiliging

 

[I] We gaan nu snel naar beneden, en Kisjonah komt Mij al vlug tegemoet om Mij en alle leerlingen uit te nodigen voor de morgenmaaltijd, maar tevens verontschuldigt hij zich dat de tafels wat soberder voorzien zijn dan anders, want de voorraden waren op en hij had ze niet aan laten vullen omdat hij wist dat Ik vandaag -op de sabbat -weer bergafwaarts naar het dal zou gaan. Als het morgenmaal daardoor iets minder zou zijn dan anders, dan kwam dat niet omdat hij dat zo gewild had, maar omdat hij, geheel buiten zijn schuld, niet bij machte was om daar iets aan te veranderen!

[2] Ik stel hem gerust en zeg: 'Wees maar gerust en maak je daarover geen zorgen! Zo is het heel goed en juist, en het gaat zoals Ik het wil; - overigens moet Ik je als Mijn beste broeder en vriend er op wijzen, dat je je gedurende deze paar dagen toch wat te veel ingespannen hebt.

[3] Ten opzichte van de onuitgenodigde gasten, de grote groep Farizeeën, zou je beslist niet gezondigd hebben als je ze niet had uitgenodigd; want die hebben zeer veel goud en zilver, en als ze hier wilden zijn, dan hadden ze zich zelf best kunnen verzorgen! Maar het was zeker ook geen zonde van je, dat je ze kosteloos verzorgd hebt. Als je ze echter een rekening wilt presenteren dan zal Ik dat niet afkeuren. De oude Tobias hoort echter bij Mij.'

[4] Kisjonah zegt: 'Ik zal dat ook doen; er zijn genoeg armen, - dat gelag zal hen ten goede komen! Maar wees nu zo goed, o Heer, om het wat karige maal met Uw leerlingen te gebruiken; de Farizeeën slapen nog in de grote slaaphut en ik wilde graag zonder hen eten!'

[5] Ik zeg: 'Doe dat niet! Wek ze en nodig ze uit voor de maaltijd! Ik zal vandaag met al de Mijnen vasten tot de middag; beneden zullen we dan pas een echte maaltijd gebruiken.'

[6] Kisjonah doet dadelijk wat Ik tegen hem zei, hoewel het hem wel wat tegen de borst stuit. De Farizeeën en hun genoten komen vlug van hun slaapplaatsen en haasten zich naar het morgenmaal, dat ze ondanks de sabbat heel haastig opeten; want ze zijn bang dat de zon, die weliswaar allang is opgegaan maar nog niet de hut bereikt heeft omdat deze naar het westen vlak bij een hoge rotswand is gebouwd, toch heel gauw de hut zou kunnen bereiken, en dan mochten ze pas weer eten na de ondergang van de zon, of in de tempel te Jeruzalem tijdens het breken van de toonbroden.

[7] Kisjonah vestigt er Mijn aandacht op en zegt: ' Je kunt eigenlijk wel lachen om dat gedoe; bij hen begint de sabbat pas op het moment dat de zonnestraal het punt beschijnt waar zij zich bevinden! Zoals U nu al een paar maal hebt gezien, o Heer, komt de zon pas tegen de middag bij deze hut, en deze ogendienaars zouden dus pas na een halve dag met de sabbat beginnen en deze gaan vieren. Zulke kerels zul je ergens anders op de goede aarde toch nauwelijks vinden!'

[8] Ik zeg: 'Laat ze maar; heel vlug zullen er zich verscheidene gelegenheden voordoen, en wel nog voordat we helemaal beneden zijn, waarbij we hen hun sabbat onder de neus kunnen wrijven. Maar dit betekent nog niets als je weet hoe slim ze hun sabbat ontduiken als ze dat willen en de sabbat in hun synagoge hen geen rijke oogst voorspelt: -dan doen ze ramen en deuren dicht, zodat de zon haar licht niet kwijt kan in de vertrekken van zulke ogendienaars, en op die plaats en op dat ogenblik is er dan geen sabbat in het huis! Ook een dag zonder zon geldt niet als een hele sabbat tenzij ze in hun synagoge hun zevenarmige kandelaar aansteken, maar zoiets kost natuurlijk altijd een rijkelijk offer! Daarom hebben ze dan ook altijd liever een sombere sabbat dan een vrolijke zoals vandaag.

[9] Maar zoals Ik al zei, vandaag komt er nog wel een gelegenheid, waarbij we dat onder de aandacht kunnen brengen. Maar nu gaan we op weg, want het zal vandaag erg warm worden, en in de grote hitte is het niet aangenaam om te reizen.

[10] Nu breken we ook meteen op en dalen in snelle pas de berg af het dal in, en de Farizeeën hijgen achter ons aan en ergeren zich over onze vlugge stappen. Een roept er ons zelfs na en zegt: 'Waarom lopen jullie toch zo onzinnig hard? Hebben jullie boven soms iets gestolen?!'

[11] Matthéus, de apostel, Iaat dat niet op zich zitten en antwoordt: 'Wij lopen met onze eigen voeten, net als jullie met die van jullie, en we gaan daarom zo goed en zo vlug we zelf willen, waarvoor we jullie toch hopelijk geen rekenschap behoeven af te leggen; ook hebben we vooraf met jullie geen bindende afspraak gemaakt hoe vlug we voor jullie uit zullen gaan! Houdt dus je mond en ga je eigen weg zoals je kunt en wilt! Wij maken ons niet druk over jullie; waarom maak je je dan bezorgd over ons?!'

[12] Dan zegt een Farizeeër, die daardoor al erg kwaad is geworden: 'Wat loop je toch te kletsen, domme tollenaar; weet je dan niet dat het vandaag sabbat is, waarop niemand behoort te twisten?!'

[13] Daarop antwoordt Matthéus: 'Geldt de sabbat dan alleen maar voor mij en niet voor jullie?! Wie begon er te twisten?! Er staat toch nergens geschreven dat je op de sabbat niet vlug mag lopen; daarentegen verlangen jullie zelfs dat men niet teveel moet treuzelen op de sabbat bij het gaan naar de synagoge, en dus overtreden wij zelfs jullie wet niet als wij vandaag op de sabbat wat sneller gaan dan op een andere dag. Beneden in het dorp staat een kleine synagoge waar wij, als wij vlug genoeg lopen, beslist nog op tijd kunnen komen; wat verlang je dan nog meer van ons?!'

[14] De Farizeeën zeggen: ' Ja, daar hoor jij toch niet bij, die zich naar de synagoge en de scholen haasten! Het is toch belachelijk als een tollenaar over een synagoge praat! We zullen jou niet kennen?! Je bent meer een heiden dan een geboren Griek en toch praat je over ijver voor de synagoge, zwarte boosdoener?!'

[15] Matthéus zegt: 'Het wordt nu toch wel tijd dat je je tong beteugelt, anders veroorloven wij ons om met knuppels op jullie ruggen de sabbat te breken! Moet je die eeuwige dagdieven zien en wat ze zich met ons durven te veroorloven! Nog één beledigend woord en ik vergeet de sabbat en mijn menselijkheid en pak jullie als een beer aan!' Na dit dreigement zeggen de Farizeeën weliswaar niets meer, maar inwendig zijn ze woest.

 

 

176 Aren lezen op de sabbat

 

[I] Maar na een poosje, al tamelijk diep in het dal, kwamen we bij een akker die vol met bijna gerijpt koren voor ons lag. Er liep een weg door de akker, en we namen deze weg omdat we dan vlugger bij het dorp zouden zijn. Wij liepen dus door het gezaaide, en het was natuurlijk nog sabbat. Maar de leerlingen hadden honger omdat ze net als Ik geen morgenmaal gehad hadden, en ze begonnen daarom de rijpere aren af te plukken, de korrels in hun hand er uit te wrijven en ze te eten. (Matth.12:1)

[2] Toen de toch al kwade Farizeeën dat zagen, liepen ze vlug naar Mij toe en zeiden met gewichtige gezichten: 'Ziet u niet, dat uw leerlingen op sabbat dingen doen die niet betamelijk zijn?!' (Matth.12:2)

[3] Ik antwoordde hen: 'Hebben jullie dan nooit gelezen, wat David deed, toen hij en zijn metgezellen honger hadden? (Matth.12:3) Dat hij in het huis van God ging en de toonbroden at, die hij niet mocht eten noch degenen die bij hem waren, maar wat alleen aan de priesters toegestaan was?! (Matth.12:4) Of heb je nooit in de wet gelezen, hoe de priesters op de sabbat in de tempel de sabbat ontheiligen en toch niet schuldig zijn?! (Matth.12:,5)                                         ...

[4] Boven hebben jullie Mijn daden gezien en Mijn leer gehoord, en dikwijls is er tegen jullie gezegd Wie Ik ben! Als dat jullie nog niet genoeg is, dan zeg Ik je nu nog één keer onverbloemd, dat in Mij Diegene is, Die groter is dan de tempel! (Matth.12:6)

[5] Als jullie echter zouden weten wat het betekent: 'Ik heb een welgevallen aan barmhartigheid en niet aan offers!', dan zouden jullie deze onschuldigen nu in je hart niet vervloekt hebben! (Matth.12:7) Weet dan, blinde en dove Farizeeën: De Zoon des mensen, Die Ik ben, is ook Heer over de sabbat!' (Matth.12:8) De Farizeeën schrokken zo van deze woorden, dat ze meteen achteruit gingen en de leerlingen niet meer verboden om aren af te plukken.

[6] Maar Kisjonah, die steeds naast Mij liep en van wien de akker was, zei tegen Mij: 'Heer, ik zal nu vooruitgaan en meteen een uitgebreide maaltijd klaar laten zetten; want ik heb medelijden met de brave leerlingen vanwege hun kennelijke honger!'

[7] Ik zeg: 'Daar zul je echt goed aan doen. Maar Ik zal nu toch eerst met de leerlingen een school bezoeken ter wille van deze Farizeeën, opdat hun ergernis niet nog groter wordt. Ze zitten toch al in hun maag met Matthéus, omdat hij hun een poosje terug erop heeft gewezen dat wij terwille van de synagoge zo vlug lopen. Als we nu de school in het dorp voorbij lopen, dan loopt de maat bij hen over en beginnen ze herrie te schoppen; maar als we nu eerst toch in een school gaan, dan kunnen ze niets meer zeggen en dan kan jij ook zonder schaamte je rekening aan hen voorleggen, dat wil zeggen als de sabbat afgelopen is.' Na deze woorden ging Kisjonah rechtstreeks met de zijnen naar huls, waar hij alles geheel verzorgd aantrof.

[8] Wij sloegen echter een beetje meer naar links een weg in naar de school, die op het hoogste punt van het dorp lag. Daar aangekomen betraden we direkt de zeer sporadisch bezochte school (Matth.12:9), en de Farizeeën volgden ons op de voet. Ze waren inwendig erg kwaad, omdat ze op de akker voor hun domheid door de leerlingen uitgelachen waren, toen Ik hun bezwaren tegen het aren plukken weerlegde.

[9] Toen we in de school kwamen deden de Farizeeën meteen weer heel gewichtig en brachten een mens bij Mij, die al heel lang een verdorde hand had en daardoor bijna geen enkel werk kon doen. Ze vroegen Mij, omdat Ik eerder gezegd had dat Ik ook Heer over de sabbat ben of het toegestaan zou zijn om ook op de sabbat te genezen. Dat vroegen ze Mij echter alleen maar om bewijzen tegen Mij in handen te krijgen (Matth.12:10); want hun slechte harten brandden al van toorn en haat.

[10] Maar Ik zei tegen hen: 'Waarom vragen jullie dat aan Mij, alsof Jullie deze zieke zouden kunnen helpen en zijn reeds lang gestorven hand levend. zouden. kunnen maken?! Als Ik hem echter genezen wil, dan zal Ik Jullie toch niet om Jullie toestemming vragen?!

[11] Wie van jullie is er zo dwaas, dat hij zijn schaap dat in een gat valt, daar op de sabbat met uithaalt?! (Matth.12:11) Maar een mens is toch veel waardevoller dan een schaap! Zodoende zal men op een sabbat een mens toch wel mogen helpen?!' (Matth.12:12)

[12] Toen zwegen de Farizeeën; maar Ik riep de mens bij Mij en zei tegen hem: 'Strek je hand uit!' En hij strekte zijn hand uit, en deze werd net zo gezond als de andere, die nooit ziek geweest was. (Matth. 12:13)

[13] Nu was de maat vol voor de Farizeeën; ze verlieten de school en beraadslaagden buiten hoe ze Mij zouden kunnen doden. (Matth. 12:14)

[14] Maar Matthéus, die een listige spion was, sloop hen na en luisterde ze ongemerkt af, kwam al gauw bijna buiten adem terug en riep luid wat hij gehoord had. Toen zond Ik vlug een leerling naar Kisjonah en liet hem zeggen dat Ik vandaag uit voorzorg niet bij hem kon komen eten, omdat Ik de Farizeeën die Mij nu naar het leven stonden niet nog grotere misdadigers wilde maken dan ze al waren waarom Ik een tijdje uit deze streek verdwijnen zou. De leerling liep pijlsnel, en wist waar hij Mij weer kon vinden.

[15] Nauwelijks had hij het aan Kisjonah overgebracht, of deze vertrok onmiddellijk met zijn hele huishouden, verzamelde in aller ijl nog een grote hoeveelheid volk, haastte zich naar de school en kwam nog net op het juiste moment, toen de Farizeeën al voorzien van stenen de school wilden binnendringen.

[16] Het spreekt wel vanzelf dat de Farizeeën behoorlijk door Kisjonah aangepakt werden, waarop Ik vervolgens met veel volk vandaar vertrok en al hun zieken onderweg genas; want omstreeks de tijd van de tarweoogst kwam er nogal wat koorts voor in deze streek die dicht aan de Galilese zee lag, en zodoende waren daar ook steeds veel zieke mensen vooral van het vrouwelijk geslacht. Toen deze over Mij hoorden, kwamen ze de menigte achterna om door Mij genezen te worden en allen die dat deden werden genezen. (Matth.12:15)

[17] Maar nadat Ik ze genezen had, waarschuwde Ik ze om daar thuis met niemand over te spreken (Matth.12,16), en ook niet tegen wie dan ook iets mee te delen over waar Ik was toen Ik ze genas, en in welke richting Ik verder was gegaan. Ze beloofden zich daar heel precies aan te houden en daarop liet Ik hen in vrede gaan.

 

 

177 De vervulling van de profetie

 

[I] Toen Ik met hen klaar was, kwamen de apostelen naar Mij toe en zeiden: 'Heer, U bent soms toch wat raadselachtig! Weet U, we hebben al zoveel wonderen van U gezien en ook aan den lijve ondervonden, dat we er ook maar geen ogenblik aan kunnen twijfelen, als we dat al zouden willen, dat U in de volste en waarste zin des woords de Zoon van de levende God bent en ook zijn moet; want wat U doet heeft tot op heden geen mens kunnen doen. Maar toch komen er bij U bepaalde ogenblikken voor, waarop U in alle ernst bang schijnt te zijn voor de mensen, terwijl U toch, zoals wij meermalen overtuigend gezien hebben, gebieden kunt over alle zeer machtige engelenscharen uit de hemel!

[2] Wij zouden die Farizeeën met hun ongeveer vijftig onbewapende aanhangers, waarvan de een nog laffer is dan de andere, behoorlijk hebben kunnen toetakelen; en zo'n almachtig woordje van U, - en de lust om U te vervolgen zou de Farizeeën voor altijd zijn vergaan! Het is ons een raadsel en dat kunnen we eerlijk gezegd met de beste wil niet begrijpen, waarom U, die alle goddelijke macht bezit, voor die kerels bent gevlucht! - Legt U ons Uw vreemde handelwijze toch eens uit!'

[3] Ik zei: 'Jullie zijn nog behoorlijk zwak en blind, dat je zoiets niet direkt ziet! Kijk, dat gebeurde opdat jullie zouden bemerken, dat wat de profeet Jesaja over Mij geprofeteerd heeft nu in vervulling ging, toen hij (Matth.12:17) het volgende zei: 'Zie, dit is Mijn knecht, Die Ik heb uitgekozen, en Mijn geliefde, Waaraan Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel aan de heidenen verkondigen (Matth.12:18). (Onder oordeel wordt hier waarheid.licht en leven verstaan; want de waarheid zorgt voor een rechtvaardig oordeel.) Hij zal geen ruzie maken en schreeuwen, en men zal Zijn roepen niet in de straten horen. (Matth.12:19) Het gekneusde riet zal Hij niet breken en de smeulende lampenpit zal Hij niet doven, totdat Hij het oordeel uitvoert. (Matth. 12:20) En de heidenen zullen op Zijn naam hopen.' (Matth. 12:21)

[4] Wel, dat is de reden waarom Ik het niet tot een ruzie en nog minder tot een handgemeen met de Farizeeën wilde en kon laten komen.

[5] Overigens wist Ik vooraf echt wel, dat Kisjonah ze niet zonder straf zou laten vertrekken! Nu zijn ze tien keer erger gestraft, dan wanneer wij ons daarover druk gemaakt hadden; want ten eerste hebben ze ontzettend op hun kop gehad van de mensen van Kisjonah, en ten tweede mogen ze over alles wat ze gezien, gehoord en beleefd hebben, in Kapérnaum geen lettergreep loslaten, en dat ergert en hindert ze nog het meest.

[6] Want als er één ook maar een lettergreep laat horen wordt hij, zoals hem dat op de berg is voorspeld, op datzelfde ogenblik stom, doof en, als dat nodig mocht zijn, ook blind. Daarom wilden ze ook proberen of ze Mij konden doden; want ze dachten dat daardoor de werking van Mijn op de berg gegeven dreigement, waarin ze beslist geloofden, vernietigd zou worden.

[7] Want ze houden Mij nog steeds voor een slechte magiër, die levend wel, maar dood niet tot iets in staat is. Het ergste voor hen is echter dat ze nu niet weten waar Ik ben heen gegaan. Weliswaar hebben ze al boden in oostelijke richting gezonden om Mij te zoeken -want ze zagen ons vanaf de school naar het oosten verdwijnen -; maar dat we in het bos onverwachts na een uur lopen in westelijke richting gegaan zijn en nu meteen ook over de zee naar de andere kant zullen varen, dat weten ze niet, en daarom zullen ze tevergeefs zoeken. Is jullie raadsel hiermee opgelost?'

[8] De twaalf en ook veel anderen die Mij volgen, antwoorden: 'Ja, nu is alles ons wel duidelijk! Het is zo werkelijk veel beter, dan wanneer wij zelf die kwaadaardigen aangepakt zouden hebben; nu is alles weer helemaal in orde.'

[9] Judas zegt een beetje laconiek: 'Behalve onze magen! Behalve die paar rauwe tarwekorrels is er vandaag, want het is nu alweer avond, niets ingekomen. Daarom zou het geen kwaad kunnen, als er voor we over de zee varen iets voor onze magen gedaan kon worden!'

[10] Ik zeg: 'Vasten is vandaag ons parool, in ieder geval tot aan de overkant; daar zullen we wel wat vinden.'

[11] Maar Thomas vermaant Judas om die opmerking en zegt: 'Hoe is het nu mogelijk, om midden in de verhevenste les van de Heer met zo'n beestachtig gemene opmerking te komen?! Heb je helemaal geen gevoel voor eer of oneer in je lijf?! Als je dan toch zo'n geweldige honger hebt, neem dan in het vervolg de een of andere mondvoorraad mee; maar om zulke opmerkingen tegenover de Heer te maken is echt te laag om daar nog meer woorden over vuil te maken!'        .

[12] 'Ja, ja', zegt Judas, 'ik was vergeten, dat jij ook nog in ons gezelschap bent! Je bent en blijft mijn opvoeder en schijnt het erg plezierig te vinden om mij bij iedere gelegenheid de een of andere klap te verkopen. Dat is ook goed; als je het leuk vindt blijf het dan doen, maar ik zal me niet meer over je ergeren!'

[13] Dan zegt Petrus: 'Dat is ook beter; maar voor het overige heeft Thomas wel gelijk, hoewel hij menigmaal ook een beetje hard is. Maar ik vind dat we steeds de Heer in het oog moeten houden; als Hij iets zegt dan is het goed en juist dat het zo gezegd is, en dan moet ieder zich daaraan houden! Zegt de Heer echter niets, dan hebben wij nog minder recht om iets te zeggen! Ik vind, dat wij vooral in het bijzijn van de Heer daarop moeten letten om onder elkaar vrede en eendracht te bewaren!

[14] Geloof me, beste broeder Thomas, als hongerige Judas tegenover de Heer zijn mond al niet houdt, dan zal hij zich van jou nog minder aantrekken! Gesteld dat we iets op elkaar aan te merken hebben, dan moeten we het scherpe en bittere vermijden, opdat die spreuk van Jesaja, die de Heer eerder over Zichzelf aanhaalde, ook op ons, Zijn apostelen, van toepassing zal zijn!'

[15] 'Zo is het goed, beste Simon Jona!', zeg Ik. Zo moet het bij jullie zijn, en uiteindelijk bij alle mensen! Want wie een wond heeft en daar iets scherps op legt, die geneest de wond niet, maar maakt haar alleen maar groter en erger. Wie echter de wond met balsem en zuivere olie verzorgt, die zal haar spoedig laten genezen en de schade aan het vlees herstellen.

[16] Maar nu zie ik de schipper van Mijn vriend Kisjonah daar naar de oever sturen, en hij is er zelf ook; laten we daarom naar de walkant gaan, zodat we bij de hand zijn als de schippers het scheepstouw over zullen gooien; dan trekken we het schip helemaal aan de kant en schepen ons vlug in; want er staat aan deze kant tegenwind en daarom kunnen ze niet makkelijk helemaal aan de kant komen. Maar de wind zal ons heel goed helpen bij het oversteken en zal ons snel aan de overkant brengen. Laten we nu vlug afdalen naar de oever, zodat ze zich niet voor niets inspannen.

 

 

178 Aan zee. Genezing van de bezeten man

 

[I] Wij lopen nu snel naar de oever en komen daar precies op het moment waarop de schippers het scheepstouw naar de wal gooien. Petrus, die, zelf een ervaren schipper is, pakt direkt het touw; vervolgens trekken we gemakkelijk het schip aan de oever, schepen ons in, en binnen anderhalf uur brengt het ons aan de tegenoverliggende oever, en wel in de buurt van een plaatsje, dat half door Grieken en half door Joden bewoond werd.

[2] We bereikten de oever toen de avondschemering de omgeving nog goed verlichtte en wij alles nog goed onderscheiden konden. Kisjonah stuurde twee boodschappers naar het plaatsje, om te vragen of er voor tenminste honderd mensen onderdak beschikbaar was. Maar de bood­schappers kwamen al vlug onverrichter zake terug, en daarom bleven wij gedurende de nacht in het schip, omdat de wind was gaan liggen en het water heel rustig golfde.

[3] Kisjonah liet snel brood, wijn en goed gebraden vlees uit het schip halen, en zijn vrouwen zijn dochters hielpen mee en bedienden ons. Het behoeft wel nauwelijks vermeld te worden dat dit voor Judas, die op de andere oever al een lege maag had, heel welkom was.

[4] Ook vraagt Kisjonah Mij of hij een vuur in het schip zal aanleggen, omdat de nachten aan het water, ondanks de zeer grote hitte overdag, gewoonlijk toch nog behoorlijk koel zijn. Ik stem daar mee in, en in de grote vuurpan waarin zich een hoeveelheid zuivere hars, olie en ander licht brandbaar materiaal bevindt, wordt meteen vuur gemaakt; deze grote scheepstoorts stond al gauw in lichterlaaie en gaf over de hele omgeving een intens licht. Dat lokte al heel snel een aantal kijklustigen uit het plaatsje naar de oever, en daaronder waren er die Mij vanaf de dichtbij zijnde oever in het schip herkenden, en die begonnen te juichen, omdat Ik, de bekende wondergenezer, in hun gebied was gekomen; want er waren daar veel zieken.

[5] Velen haastten zich weer naar huis en vertelden in het hele plaatsje, dat Ik daar op het schip was.

[6] Het duurde dan ook niet lang, of er werd een stomme en tevens blinde.die ook bezeten was, aan de oever gebracht, en het volk vroeg Mij of Ik deze wel zou kunnen en willen genezen.

[7] Maar er waren ook een aantal Farizeeën uit dit plaatsje haastig komen kijken wat er gebeuren zou, en die zeiden tegen het volk: 'Hij zal het wel laten om deze man te genezen!'

[8] Maar Ik genas de bezetene in een oogwenk vanaf het schip, zodat hij kon zien en spreken. (Matth.12:22) Daar was al het volk uit dit plaatsje van ondersteboven, en de Joden, die de Farizeeën niet steunden, riepen: 'Dit is waarlijk Davids Zoon, waar alle Joden op hopen!' (Matth.12:23)

[9] Een goed en rechtvaardig man uit dit plaatsje kwam dicht bij het schip en zei: 'Goddelijk grote, wonderlijke Meester! Waarom zou U gedurende de nacht op het schommelende schip U Uw nodige nachtrust door de wind en de gevoelige koude van de nacht laten ontroven!? Deze omgeving aan het water heeft de speciale eigenschap, aan ieder welbekend, dat na een hete dag altijd in dezelfde verhouding een koelere nacht volgt, waardoor de mensen die .hier wonen allerlei ziektes oplopen; Ik heb echter een groot, ruim en goed ingericht huis, zodat U met Uw leerlingen daarin meer dan voldoende plaats kunt vinden, en U kunt daar blijven zolang U maar wilt; waarbij een redelijke hoeveelheid voedsel ook niet zal ontbreken!'

[10] Ik antwoord hem: ' Ja, Ik neem uw uitnodiging aan; want Ik weet dat uw ziel oprecht is. Maar ook Kisjonah met zijn vrouwen zijn dochters is hier; het schip is van hem, en hij is een trouwe leerling en een man naar Mijn hart; heeft u voor hem ook plaats?' Hierop antwoordt de oude man: 'Ook als er nog meer van die families waren! Allen die bij U behoren zijn welkom in mijn huis!'

[11] 'Dan zal uw huis ook een groot geluk te beurt vallen!', zeg Ik, en Ik vervolg tegen Kisjonah: 'Leg het schip maar helemaal tegen de wal, zodat we op ons gemak aan land kunnen gaan!' Dat gebeurde meteen, en we kwamen daarna snel in het huis van onze oude man, die zijn mensen direkt opdracht gaf om ons zo geriefelijk mogelijk onder te brengen.

 

 

179 Jesaïra. De rekening van de oude man

 

[I] Toen alles was geregeld voor het slapen, kwam de oude met zijn zonen, die merendeels vissers, schippers en timmerlieden waren, bij Mij en zei: 'Hier is nu alles voor Uw onderdak zo snel en zo goed als dat in dit korte tijdsbestek mogelijk was, klaargemaakt, en U kunt nu naar believen daarvan gebruik maken. Zoals U thuis heer bent, zo bent U dat nu ook in dit huis, dat ik met mijn zeven zonen gebouwd heb. Als U iets wenst, zegt U het maar en ik zal Uw knecht zijn en U met mijn gehele huis dienen!'

[2] Ik antwoord daarop: 'U bent, wat u bent, en Ik ben ook wat Ik ben; maar omdat u zo deemoedig bent en u zich vernedert, daarom zult u eens in Mijn rijk daarvoor verhoogd worden! Maar nu hebben we alleen maar wat rust nodig; laat morgen echter de zieken uit deze plaats hierheen komen, opdat Ik ze kan genezen.’

[3] Dan zegt de oude: 'Dan zult U veel te doen krijgen; het plaatsje is niet zo klein en er is daar vrijwel geen huis zonder zieke! Dit is weliswaar de vruchtbaarste streek langs de uitgestrekte zeekust, maar merkwaardig genoeg voor mensen ook de minst gezonde; niets als koorts en allerhande bulten!'

[4] 'Laat maar!', zeg Ik. 'Morgen wordt alles anders; zorg morgen wel voor vis, zodat Mijn leerlingen, die vandaag merendeels gevast hebben, weer eens goed kunnen eten! Het wordt u allemaal vergoed!'

[5] Maar de oude zegt: 'Heer! Vergeef mij, dat ik U hier tegen moet spreken! Er hebben in mijn huis al duizenden onderdak en voedsel gekregen, en ik heb nog nooit van iemand iets aangenomen, laat staan dus van U! Ik verstrooi mijn rekeningen altijd in de wind, en die draagt ze naar de sterren waar de almachtige Vader woont; Hij is altijd nog mijn betrouwbaarste betaler en vergelder geweest en zal het deze keer ook zijn! Hoeveel zieken en gebrekkigen zijn er niet maandenlang bij mij verpleegd, en ondanks de ongezonde omgeving is er nog nooit een van mijn eigen mensen ziek geworden! Heer! Dat is een gunst van boven, en daarom moet U niet over vergelden of zelfs betalen spreken; wánt ik zou noch het ene noch het andere aanvaarden!'

[6] 'Ja', zeg Ik,'maar daar kleeft één bezwaar aan! Als Ik het u niet vergeld, dan zal de vergelding vanaf de sterren ook wat magertjes uitvallen! Want Ik heb ook in en boven alle sterren zeer veel en uiteindelijk zelfs alles te vertellen en te regelen!’

[7] Daar kijkt de oude geweldig raar van op en hij weet niet wat hij moet zeggen. Pas na een poosje zegt hij, vrij zacht: 'Om Jehova's wil! Bent U soms een engel uit de hemel, of wordt U door een van hen geholpen en heeft de Vader in de hemel die aan U als dienaar gegeven?'

[8] Ik zeg: 'Geniet nu maar zonder zorgen van uw nodige slaap; morgen zal u veel geopenbaard worden! Maar ga nu naar buiten en zeg tegen het volk, dat daar nog lawaai maakt, dat het ook moet gaan slapen en dat het morgen alle zieken hier moet brengen; Ik zal ze allemaal genezen.' Toen ging de oude naar buiten, en deed wat Ik hem had aanbevolen.

[9] Het volk begon toen luid te jubelen en riep: 'Heil aan de verheven zoon van David! Hij kwam tot ons om ons van iedere plaag te bevrijden! We weten weliswaar niet vanwaar Hij tot ons is gekomen; maar het is zeker dat Gods geest met Hem is, zoals deze met zijn aartsvader David w.as! Want als Gods geest niet met Hem was, dan zou Hij de bezetene met hebben kunnen genezen!'

[10] Er kwamen echter ook een paar Farizeeën met het volk mee, omdat ze als tempelpolitie uit Jeruzalem alles moesten registreren wat Ik hier verder nog zou doen. De genezing van de bezetene die doof stom en blind was, had hen behoorlijk van hun stuk gebracht, en ze overlegden aan een stuk door, wat ze er aan moesten doen om Mij verdacht te maken als landloper, schooier, bedrieger of zelfs als tovenaar, die met de duivel een verbond gesloten had. Daarom zeiden ze ook tegen het volk: 'Morgen zal wel blijken, van welke geest hij bezield is! We zullen wel eens zien hoe hij de vele kreupelen, lammen en melaatsen zal genezen!' Het volk zegt: 'Nu hij zo in één keer de ergste genezen heeft, zal Hij ook zeker de anderen des te makkelijker genezen! Maar jullie kunnen daarover maar beter je mond houden; want jullie hebben nog nooit een mens genezen, niet door jullie dure gebeden en nog minder door je amuletten die je de zieken aanprijst en voor veel geld verkoopt!’

[11] In Hem woont de geest van God; want dat heeft Hij ons al door deze enkele daad voldoende bewezen; jullie hebben helemaal geen geest in jullie, behalve die van de hoogmoed, de heb­ en de heerszucht!

[12] Jullie willen na God wel de eersten zijn, en je verlangt van ons mensen een goddelijke verering; maar wij zeggen je, dat jullie voor ons de laatsten zijn. en honderdmaal erger dan alle heidenen! Want voor ons welzijn doen jullie mets; je werkt niet, en die bij jullie in de school komen, worden na verloop van een paar jaar zo dom en somber, dat geen engel zonder speciale macht en kracht van God ze weer normaal zou kunnen maken! En dat is altijd nog het beste deel van al jullie zorgen en moeiten voor wat ons welzijn moet heten!

[13] Jullie verleiden de vrouwen van jullie geloofsgenoten, de Joden, honderdvoudig tot het plegen van echtbreuk, en met hun dochters bedrijf je ontucht; maar dat vind je niet erg! Wanneer echter een andere arme duivel zoiets zou doen, dan wordt hij gestenigd als hij arm is, maar als hij rijk is en in aanzien staat, dan kan hij zich loskopen en blijft bovendien nog jullie vriend ook!

[14] De Joden, jullie geloofsgenoten, kennen jullie beslist niet zo goed als wij Grieken, en als ze jullie al kennen, dan mogen ze toch niets zeggen. Maar wij kennen jullie en mogen spreken; vooral bij deze gunstige gelegenheid zeggen wij jullie dan ook precies wat wij van jullie vinden!

[15] Ga nu maar gauw naar huis, anders gaat het nog Griekse vuisten regenen! Wij zullen hier wel waken; waag het maar niet hoe dan ook aan deze mens te komen, anders staat je van ons iets te wachten!

 [16] Wij zijn ook Jood geweest en zijn nu blij dat we Griek zijn; hoewel we in naam en voor de politie Griek zijn, zijn we in ons hart toch echte Joden, - maar beslist niet zoals jullie, die je aan God gewijde gebeden voor geld verkoopt en daaraan de leugenachtigste uitwerkingen toeschrijft!

[17] Wij zelf bidden tot God omdat hij God.is, en wij als Zijn schepsels verplicht zijn om Hem te aanbidden. Gaan jullie maar weg, want jullie aanwezigheid staat ons nog meer tegen dan een stinkend kreng!'

[18] Na deze ondubbelzinnige opmerking van het volk, dat voor meer dan de helft uit Grieken bestond die hier woonachtig waren, verdwijnen de Farizeeën zo snel mogelijk, en het volk juicht over deze overwinning, en ook over het feit dat het deze dagdieven, zoals het de Farizeeën meestal noemde, nu eens de naakte waarheid onder hun snuffelneuzen had kunnen wrijven.

 

 

180 Het plan van de jonge Farizeeër

 

[I] Deze plaats was overigens beroemd omdat al haar inwoners zo scherpzinnig waren. Je moest wel van goeden huize komen om het met hen, speciaal met de Grieken, op te kunnen nemen; en daarom wisten de hier wonende Farizeeën heel goed, dat het met dit volk slecht redetwisten was. Ze gaven dan ook ditmaal weinig weerwoord en gingen naar huis. Maar thuis pijnigden ze hun hersens des te meer af over de vraag, hoe ze Mij hier verdacht konden maken, of helemaal in het verderf konden storten.

[2] Een van hen, niet zo'n heel slechte, zei tenslotte toen het overleg hem te lang had geduurd: 'Broeders, je hoeft je aan mij niet te storen, maar ik vind dat we nu moeten gaan slapen, zodat morgen ons hoofd en ons hart weer fit is! Wat hebben we aan al dat tobben en denken?! Morgen komt er weer een dag. Laten we afwachten wat die zal brengen, dan zullen we met de hulp van Jehova helderder zien hoe het met deze vreemde persoon gesteld is. Er is niet de geringste twijfel over dat er iets buitengewoons aan hem is; want de genezing van de bezetene aan de oever, zo maar vanuit het schip, zonder hem zelfs maar aan te raken, is een gebeurtenis die bij mijn weten nog nooit eerder plaats vond!

[3] Laten we dus maar afwachten wat er morgen nog allemaal verder zal volgen, en daardoor zullen we makkelijker in staat zijn om ons daarover een completer oordeel te vormen! Want om hem nu al helemaal blindelings te veroordelen, dat zou een beetje te gewaagd zijn, vooral nu ons volk zo opgewonden is en zich al lang meer richt op de Grieken dan op ons, die hun al lang een doorn in het oog zijn. Laat je daarom leiden door mijn goede inzicht. Morgen is een dag die voor ons misschien veel gunstiger kan worden, dan vandaag het geval was!'

[4] Dan zegt een ander: 'Wat doen we dan met die belediging die het volk ons heeft aangedaan? Kunnen we daar soms ook zo rustig mee gaan slapen en er helemaal geen grijs haar van krijgen en het vergeten, als ware het nooit gebeurd? Moeten we daar geen rechtvaardige straf voor geven?'

[5] Maar de betere zegt: 'Laat het door hen afkopen, als je kunt! Of roep de boosdoeners vandaag nog of morgen ter verantwoording, als je er een mogelijkheid voor ziet! Wat kun je als één tegen velen?! Het lijkt me voorlopig nog maar het beste om erover te zwijgen. Maar als je er voorshands al iets tegen wilt doen, dan is er niemand die je zal tegenhouden; maar wat mij betreft wacht ik eerst alles maar eens af en daarna doen we wel wat nodig is. Laat de appel aan de boom eerst maar eens rijp worden, als je niet in een zure appel wilt bijten! Begrijp je mij?!'

[6] Na deze woorden van de niet zo slechte Farizeeër, die nog jong en levenslustig was en die zich daarom niet zoveel liet gelegen liggen aan de oude geldwolven, gingen alle Farizeeën en schriftgeleerden slapen, maar gaven nog wel een van hun dienaren opdracht om wacht te houden zodat ze zich de volgende ochtend niet zouden verslapen en daardoor de eerste handelingen van de tovenaar zouden missen.

[7] Maar de iets betere Farizeeër ging, nadat alle anderen inclusief de man die de wacht moest houden, al vast sliepen, naar buiten en overlegde bij zichzelf hoe hij de slechte plannen van de ouderen kon verijdelen. Hij dacht: 'Kon ik deze wonderdoener maar bereiken, dan zou ik hem wel goed kunnen adviseren op welke manier hij, ongehinderd door mijn collega's, zijn genezingen kan uitvoeren! Maar hoe kom ik bij hem? Het opgewonden volk omringt het huis, en zoals ik zie worden er al zieken heengeleid en gedragen; dat zal morgen een groot gedrang zijn waar niet doorheen te komen is. Maar ik weet wat ik doe! Ik ga nu naar het volk en zeg hen zonder omwegen wat ik ervan denk, en laat hen zien dat ik zelf een vijand ben van die oude geldijveraars en de wonderdoener iets duidelijk moet maken, omdat hij anders zijn genezingen nauwelijks -uit kan voeren. Als het volk het mij toe wil staan, dan is het goed, en als het mij dat niet toe wil staan, nu, -dan heb ik voor mijn gevoel toch gedaan wat ik doen kon.'

[8] Met zulke gedachten gaat hij terug naar het volk, dat hem in de maanlichte nacht maar al te gauw herkent als de hun bekende jonge rabbijn.

[9] De Grieken, die vroeger ook Joden waren, komen hem direkt tegemoet en vragen heel nors, wat hij daar op dat moment zoekt, en of hij soms een spion is. Maar hij zegt op een vertrouwelijke toon: 'Beste mannen en vrienden! Ik draag wel het kleed van een Farizeeër en zoals jullie weten ben ik ook inderdaad een echte Farizeeër; want als eerstgeborene van een rijk huis in Jeruzalem was ik verplicht om datgene te worden, wat mijn, niet zo gewetensvolle, ouders wilden. En zo werd ik uiterlijk wel, maar innerlijk nog minder Farizeeër dan jullie allen, hoewel jullie nu Grieken zijn.

[10] De reden van mijn komst is heel eenvoudig het volgende: Jullie kennen mijn collega 's even goed als ik en jullie weten welke rechten zij zich allen aanmatigen. Zij zijn theologen, en niemand behalve zij mag iets van de schrift begrijpen, hoewel zij, onder ons gezegd, waarschijnlijk van alles meer verstand hebben, dan nu juist van de schrift; maar ze zijn daarvoor door de tempel uitverkozen en hun vermeende rechten komen daarvan­daan, en daartegen kunnen jullie niets doen.

[11] Tevens zijn zij doktoren en dulden om die reden niet, dat een vreemde met zijn kunst maakt dat hun inkomen vermindert; ook hiervoor heeft de tempel hen privileges gegeven en zij weten voor hun recht op te komen, en daar kunnen jullie niets tegen doen of uitrichten.

[12] Ook zijn zij in speciale, door Mozes bepaalde gevallen, rechters en beschikkers over dood en leven van hun ondergeschikten en dat recht kunnen zij waar, wanneer, en op welke manier zij maar willen, uitoefenen, en zij behoeven zich niet te verantwoorden; zij behoeven slechts ieder jaar een lijst naar Jeruzalem te zenden en meestal worden ze geprezen als ze naast het jaarlijkse pachtbedrag, dat ze voor de synagogen en scholen aan de tempel moeten afdragen, een behoorlijk uitgebreide lijst sturen van degenen die ze terechtgesteld hebben.

[13] Want al deze ambten worden al sinds lang door de tempel voor de duur van het leven verkocht of verpacht; in deze plaats zijn wij slechts pachters en ik ben zelfs een onderpachter .

[14] Ik kan je wel zeggen dat de tempel veel geld vraagt voor zo'n synagoge en school! En om ze zo duur mogelijk aan de man te brengen, geeft de tempel daarbij allerlei vastgelegde privileges, \\aarop de pachters, die de wet achter zich hebben, zich niet zo gemakkelijk laten beknibbelen.

[15] Natuurlijk kun je pas koper of pachter van een synagoge of school worden, als je eerst in de tempel onder allerlei zware eden ingewijd bent tot Farizeeër; maar als je eenmaal Farizeeër bent, dan is het heel moeilijk om geen Farizeeër te zijn!              .

[16] Hoewel een echte Jood walgt van die bedriegerijen van de tempel, zijn ze daadwerkelijk toch door de staat erkend en goedgekeurd, en jullie kunnen daar niets tegen uitrichten. Ik zou jullie nog veel meer kunnen vertellen, maar het is voldoende om jullie datgene uit te leggen, waaraan je kunt zien welke rechten de Farizeeën hebben, waartegen voorlopig met geweld, jammer genoeg, niets gedaan kan worden.

[17] Als ik de oude, wraakzuchtige collega's ter wille van de goede zaak niet gesust had, dan zouden jullie nu al in heel moeilijke omstandigheden verkeren; want ze wilden al een legioen uit Kapérnaum laten komen en het hele huis aan het gerecht overleveren! Ik ben dus jullie vriend en geen vijand en nog minder een sluwe vijandelijke spion! Maar denk niet dat ik daarom een verrader ben! Als je echter een goede raad van mij wilt aannemen, luister dan geduldig naar mij!'

[18] De drie zeggen: 'Je schijnt te vertrouwen te zijn; spreek dus en zeg wat we moeten doen! Maar waag het niet om ons te bedriegen en om de tuin te leiden; want daarvoor zou je met je leven moeten betalen!'

[19] De jonge Farizeeër antwoordt: 'Daar ben ik niet bang voor, en als ik honderd levens had, dan stond ik met al die levens in voor de waarheld dat ik het totaal eerlijk meen! Luister dus: Je weet nu dus, dat het de Farizeeën eigenlijk nergens anders om gaat dan om hun gepachte inkomen. Ga dus morgen naar ze toe en spreek met hen een bepaald bedrag af voor het feit, dat morgenochtend de hier aanwezige wonderdokter de zieken van deze plaats zonder enige moeilijkheid genezen mag, en de oude geldhandelaars zullen jullie zonder enig bezwaar toestemming geven; en willen of kunnen jullie hen het geld niet di rekt geven, beloof hun dat toch en dan lukt het ook!

[20] Alleen zou ik de wonderdokter wel willen adviseren, dat hij in de eerste plaats na het genezen van de zieken deze plaats beter direct kan verlaten, omdat anders de naar geld dorstende Farizeeën zich mogelijk door jullie meteen voor nog meer concessies zouden willen laten betalen, maar In de tweede plaats wil ik er voor waarschuwen, dat hij zich niet, wat die wonderdokters gewoonlijk doen, als profeet op moet werpen en het volk ook geestelijk gaan bewerken; daar ben ik niet op tegen, maar de ouden zijn op dit punt juist vanwege jullie Grieken erg onverdraagzaam.

[21] En tenslotte moet het volk hem niet in het bijzijn van die oude vossen uitroepen tot zoon van David; want dat is voor mijn oude collega's het allerverschrikkelijkste! Als jullie daar op letten, dan kan -wat ik van ganser harte hoop - alles in stilte en rust verlopen; maar anders zou het echt wel eens een schreeuwend spektakel kunnen worden!'

 

 

181 De oude Farizeeën om de tuin geleid

 

[I] De drie Grieken zeggen nu: 'Die raad van jou is niet zo slecht gemeend; maar toch bevalt hij ons niet helemaal! Hoe lang moet die gruwelijke heerschappij van deze volksbedriegers nog duren?! Hoewel we met hen niets meer te maken hebben, zijn we ze toch zat geworden; ze bespotten ons voortdurend, ze belasteren ons in hun scholen en vervloeken ons bij iedere gelegenheid, Hoe lang moeten we ons dat nog laten welgevallen? Bovendien zijn ze ook nog burgerlijk rechter, en als we een uitspraak van het gerecht willen hebben dan moeten we het altijd duur betalen. Wel, dat is voor ons een heel slechte zaak, en daarom vinden wij dat hier morgen voor altijd een eind aan die heerschappij gemaakt moet worden; want alle hier wonende Joden gaan morgen naar onze kant over, en de Farizeeën zullen, daar ze voor ons totaalonbruikbaar zijn geworden, eruit gegooid worden, behalve jij, als je bij ons wilt blijven! -Weet je, dat is ons plan, en dat is al zover uitgevoerd dat er zich onder de burgers van dit plaatsje nu geen echte Joden meer bevinden! Wat vind je van dit plan?'

[2] De jonge rabbijn zegt: 'Als dit jullie helemaal lukt, dan zal er niet makkelijk iemand te vinden zijn die er minder op tegen is dan ik! Maar wees voorzichtig als de raven, anders zou het jullie en ook mij beslist niet naar wens vergaan! Want niemand kent beter dan ik de ver om zich heen graaiende poten van de oude vossen, en hun scherpe ogen zien door de muren, en hun oren horen wat ergens uren verderop gezegd wordt. Dan ga ik nu maar naar huis opdat ze mij niet gaan verdenken; want het begint al te dagen, en de vossen zullen weldra wakker worden, en als ze me zouden missen dan was het uit,

[3] Dan zeggen de drie: 'Ga dan maar gauw; maar let op dat je ons niet bij de oude vossen verraad! Want dan zou het er slecht voor je uit gaan zien!'

[4] De jonge Farizeeër keert weer naar huis terug en vindt alles nog in diepe slaap, ook de wacht. Hij wekt die echter en gaat er over te keer dat hij sliep. Daardoor worden nu ook de oude vossen wakker, en een paar komen aangelopen om te zien wat er aan de hand is.

[5] Maar de jonge Farizeeër doet alsof hij erg kwaad is, en vertelt dat hij omdat hij geen slaap had, ging kijken of de afgesproken en betaalde wacht zijn plicht deed: 'En nu moet u toch eens zien en u met mij ergeren, -hij sliep vaster dan wij allemaal! En de belangrijke dag breekt aan waarover misschien door het verre nageslacht nog gesproken zal worden, en de geplaatste en betaalde wacht slaapt! Ah, dat is nu toch wel een beetje al te erg! Als Jehova ons vannacht niet bijzonder beschermd had, zouden wij allen door het opgewonden volk vermoord kunnen zijn!'

[6] Bij deze woorden krimpen de ouden in elkaar en beseffen ze pas in welk gevaar ze zich bevonden hebben, en ze prijzen hun jonge collega uitermate, dat hij als een engel Gods over hen heeft gewaakt.

[7] De jonge barstte natuurlijk haast in lachen uit; maar hij vermande zich en onderdrukte met geweld, wat hij luidkeels had willen doen. Hij gaf de wacht met zijn voet een lichte schop en commandeerde deze om direkt te verdwijnen, daar hij toch nutteloos was. De wacht ging ook meteen; want het leek wel of hij de jonge begreep.

[8] Toen de wacht weg was en de dag zich steeds duidelijker aankondigde, zei de jonge: 'Broeders, ik geloof dat we niet veel tijd meer te verliezen hebben, daarom moesten we volgens mij toch maar snel op stap gaan, zodat ons niets zal ontgaan van wat daar allemaal gaat gebeuren!'

[9] De ouden vinden dat ook en zeggen: ' Ja, je hebt gelijk, er mag ons daar niets ontgaan! Heb je echter een koerier naar Kapérnaum gezonden voor soldaten in geval van mogelijk optredende weerspannigheid?'

[10] De jonge antwoordt: 'Als ik op jullie bevelen gewacht zou hebben, dan waren we allang uitgesorteerd! Alles is al gebeurd! Maar of de soldaten al gauw zullen komen is een andere vraag; want het is nog tamelijk ver naar Kapérnaum en naar een andere plaats nog verder." Daarom zegt het spreekwoord, geduldig afwachten wat er komt: het zijn of het niet­ zijn!'

[11] Het spreekt natuurlijk vanzelf dat de jonge er niet over gepiekerd had om een bode naar Kapérnaum te sturen; want hij was zelf heimelijk een vijand van de oude Farizeeën omdat hij ook heel in het geheim een aanhanger van de Essenen was en daarom niets liever wenste dan de oude tempelhelden de genadeslag te geven.

[12] De ouden hadden echter nog geen morgenmaaltijd gehad en zeiden tegen de jonge: 'Ei,ei, als de soldaten nu maar snel kwamen! Het is beslist de hoogste tijd om te gaan, maar voordat de soldaten komen, kunnen we nog wel eerst een morgenmaal gebruiken; want de tovenaar zal toch niet voor zonsopgang met zijn kunsten beginnen?!'

[13] De jonge zegt daarop: 'O, zeker niet! Als jullie dat prettig vinden, dan kan ik wel even kijken of er bij het huis van Baram al wat gebeurt, en dan kunnen jullie intussen het morgenmaal gebruiken.' (Baram is de naam van de timmerman, bij wien de Heer de nacht doorbracht; het plaatsje heette Jesaïra, thans een steppe.)

[14] De ouden vragen: 'Vast je vandaag?' - De jonge antwoordt: 'Dat niet, maar zoals jullie wel weten, kan ik nooit voor zonsopgang iets gebruiken; bewaar dus een kleinigheid voor mij!' Daarop zeggen de ouden: 'Dat is goed, ga dus maar snel en breng ons zo vlug mogelijk een goed bericht en vooral betreffende de soldaten; want zonder hen zijn we ­zoals jij dat altijd zegt - uitgesorteerd!'

[15] De jonge vertrekt meteen, en de ouden roepen hem nog eens na: 'Vergeet vooral de soldaten niet!' De jonge roept terug: 'Laat dat maar aan mij over!'; maar bij zichzelf voegt hij daaraan toe: 'Dan zijn jullie al uitgesorteerd!'

 

 

182 Het morgengebed van Jezus

 

[I] Komend bij het huis van Baram vindt de jonge dit al geheel omgeven door zieken en gezonden, en hij vraagt aan iemand, of Ik al op ben. Dan zegt een oude, rechtschapen Griek tegen hem: ' Ja, Hij is al op en was al reeds voor het huis; maar toen nodigde de oude Baram hem uit voor het morgenmaal en ging Hij weer naar binnen.'

[2] De jonge vraagt: 'Wat deed hij dan voor het huis?'

[3] De Griek zegt: 'Hij hief zijn ogen alleen maar op naar het firmament, en scheen op een bepaalde manier kracht daaruit op te nemen; maar Zijn blik was als die van een groot veldheer die millioenen mensen en dieren op zijn wenken gehoorzamen moeten! In Zijn gezicht zag je iets heel vriendelijks, maar tevens sprak daar een ernst uit die mijn ogen nog nooit zo hebben gezien. Ik ben blij dat Hij mij niet recht in de ogen heeft gekeken, want werkelijk, dat geef ik openlijk toe, ik zou zijn blik niet hebben verdragen! En toch trok het mij met onbegrijpelijke kracht naar Hem toe, en ik had die niet kunnen weerstaan als Baram Hem niet voor de morgenmaaltijd had uitgenodigd!'

[4] De jonge vraagt: 'Wat denk je nu van hem? Wat is er naar alle waarschijnlijkheid met hem aan de hand, en wie en wat zou hij volgens jouw steeds zo scherpe oordeel kunnen zijn?'

[5] De oude zegt: 'Ik ben weliswaar een Griek, dus volgens jullie mening een heiden die aan veel goden gelooft; maar in wezen ben ik net zomin een heiden als jij en ik geloof alleen aan één allerhoogst goddelijk wezen! Maar deze wonderdokter zou me er heel makkelijk toe kunnen brengen om aan al die vele goden te geloven; want als hij niet op z'n minst een halfgod is, dan ben ik geen mens meer!'

[6] De jonge zegt: 'Ik zou hem toch werkelijk ontzettend graag willen zien! Als men nu maar in het huis kon komen, dan zou ik wel snel kennis met hem kunnen maken! Om met zo'n man te spreken moet toch wel heel belangrijk zijn!'

[7] Terwijl de jonge Farizeeër dit nog zegt, kom Ik naar buiten en roep hem, zeggend: 'Ahab, zoon van Thomas van Toreh, kom; als je hongert en dorst naar waarheid, dan zul je verzadigd worden!'

[8] De jonge zegt verbaasd: 'Heer! Wij hebben elkaar nog nooit ontmoet, en U was bij mijn weten nog nooit hier in Jesaïra! Hoe kunt U dan mij en mijn vader kennen?!'

[9] Ik zeg: 'Ik weet nog veel meer over jou en je hele familie, maar dat is hier niet belangrijk; maar dat je deze nacht over Mij gewaakt en veel gewaagd hebt, dat is erg belangrijk voor Mij, en die opoffering zal voor jou niet onbeloond blijven! Kom!'

[10] Dan gaat Ahab snel naar Mij toe tussen het volk door en begrijpt nog steeds niet hoe Ik dat allemaal kon weten.

[11] Ik zeg tegen hem: 'Wees maar niet zo verbaasd, want je zult nog heel andere dingen zien! Het komt goed uit dat je de ouden thuis gelaten hebt; ze zouden deze mensen in hun geloof storen, en zonder dat zouden al deze zieken moeilijk te helpen zijn. Als deze mensen genezen zijn, dan kunnen ze altijd nog komen en hun tempel­ en geldzakgeweten bevredigen. Blijf jij daarom voorlopig hier en Iaat ze op je wachten totdat Ik klaar ben! Ik weet overal van. Je hebt weliswaar erg tegen hen gelogen; maar voor zo'n doel vergeeft God altijd zo'n zonde! Begrijp je dat?'

[12] De jonge antwoordt: 'Ik ken de wet wel en weet dat Mozes gezegd heeft: 'Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste!' Een buitengewoon respectabel gebod, -dat echter nu jammer genoeg juist het minst door mijn collega’s in ere gehouden wordt; want zij zeggen: dat een vals getuigenis ten nutte van de tempel en haar dienaren, God welgevallig is, en dat een waar getuigenis in het nadeel van de tempel en haar dienaars, vervloekt is, en dat de waarheidslievende getuige tegen de tempel en haar dienaars gestenigd moet worden!

[13] Mozes heeft dat weliswaar niet zo geschreven, maar de tempelpriesters zeggen en leren dat het geschreven woord in het boek dood is, maar dat zij het levende boek zijn waarin God Zijn wil dagelijks door Zijn engelen laat opschrijven; en op deze wijze hebben we nu al een totaal nieuwe bijbel gekregen, die precies het tegendeel voorschrijft van wat Mozes en de profeten geleerd hebben!

[14] Volgens dit nieuwe tempelvoorschrift is deswegen de leugen op het juiste moment en voor het goede doel niet alleen toegestaan, maar in bepaalde gevallen zelfs een gebod, vooral als er tempelbelangen op het spel staan! Want wie bewijzen kan dat hij het beste en hardnekkigste ten bate van de tempel kan liegen, heeft veel aanzien in de tempel.

[15] U weet misschien wel dat men altijd vóór de feesten de tempel reinigt, waardoor een hoeveelheid mest en allerlei vuil verzameld wordt. Omdat  het te droog en te veel aarde en zand bevat - is dat opveegsel nauwelijks waard om weggebracht te worden; maar daar zijn bepaalde waarachtige mestprofeten. Die trekken het land in en verkopen de mest in de kleinste hoeveelheden; voor een hoeveelheid met het gewicht van een ei vragen ze meestal een zilverling! De tempelmest wordt dan aangeprezen als de ziel van de andere mestsoorten waarmee de lichtgelovigen hun akkers bemesten, en ze menen en geloven dan echt, dat hun akkers en velden zonder de tempelmest helemaal geen vrucht op zouden leveren, en dat zelfs als ze toch vrucht zouden dragen, die Gods zegen zou ontberen en daarom niemand profijt zou kunnen brengen.

[16] Vaak gebeurt het dat zulke mestprofeten niet genoeg hebben aan de korf mest, die ze in de tempel halen en in alle streken uitverkopen; onderweg vullen ze hun korf dan weer met het eerste het beste wat ze aan mest op straat vinden en verkopen dat eveneens als tempelmest, zodat uiteindelijk ieder der honderd mestprofeten tienmaal zoveel mest verkoopt dan hij in de tempel gehaald heeft. Kijk, hier is eigenlijk de eerste verkoop al een groot bedrog, omdat de tempelmest veel slechter is dan iedere andere stalmest; maar dat is nog niet genoeg, -de blinde en verwarde mensen moeten uiteindelijk ook nog de mest van de straat als echte tempelmest kopen!

[17] Maar dat is niet slecht! Omdat dit bedrog in het voordeel van de tempel gepleegd wordt, is het geen zonde, maar zelfs een deugd - en, omdat het de tempel welgevallig is, is het dat ook voor God! - O Mozes!

[18] Nu moest iemand het echter eens wagen het volk te vertellen dat de tempelmest zo goed als geen uitwerking heeft of hij moest ten minste eens wijzen op het tweede bedrog, waarbij men straatmest ook als tempelmest verkoopt; dan wordt hij als zondaar tegen de tempel vervloekt en dan moet hij van goede huize zijn wil hij er levend vanaf komen!

[19] En net als de mest zijn er nog wel honderd andere gevallen waarbij alles leugen en bedrog is; wie dat aan het volk onthult, Heer, moge Jehova genadig en barmhartig zijn!

[20] Dat ik tegen mijn oude collega’s gelogen heb, vind ik zelf geen zonde, vooral als ik hier een man, zoals U, beschermen kan tegen de vervolging van mijn collega’s, waaraan iedereen blootgesteld is die naar hun ver­moeden ook maar een vonkje beter inzicht en helderder verstand heeft dan zij. Maar behandelt U nu eerst deze zieken, anders zouden de oude schurken toch nog eerder hierheen komen dan dat ik ze ga halen!'

[21] Ik zeg tegen Ahab: 'Kijk, ze zijn allen reeds genezen! De blinden zien, de lammen lopen, de doven horen, de stommen spreken, en allen die met wat voor kwaal dan ook hier gebracht zijn, zijn nu weer vol leven en geheel gezond! Ik zal hen nu zeggen dat ze naar huis moeten gaan, en dan kan jij je collega’s hierheen brengen en ze vooraf vertellen wat je hier hebt gezien.'

[22] Toen zei Ik tegen alle genezenen dat ze naar huis moesten gaan, en waarschuwde ze allen dat ze het gebeurde niet in het land rond moesten vertellen en vooral niet in Jeruzalem, als ze daar eventueel zouden komen. Allen beloven Mij dat ze niets zullen vertellen, en danken Mij vervolgens met tranen in de ogen.

[23] Maar Ik zeg nog eens: 'Ga nu, - jullie geloof hielp je; maar pas op dat je verder niet meer zondigt, anders zal een tweede kwaal erger zijn dan de eerste!' Nu vertrekken allen die genezen zijn, en loven en prijzen God die een mens zo'n macht heeft gegeven.

[24] Ahab zegt heel verbaasd: 'Nee, dat heeft een mensenoog nog nooit gezien! Geen plichtplegingen, geen woord en geen kunstgreep! Nee, dat is sterk, dat is teveel in één keer voor een beperkt mens zoals ik! Ze werden echt allen helemaal gezond, zonder medicijnen, zonder gebed, zonder woord en zonder kunstgreep! -Heer! Leg mij nu eens uit, hoe U dat kunt!'

[25] Ik antwoord: 'Dat kun je nu niet begrijpen; maar als je Mijn leerling wilt worden dan zul je dat wel inzien en begrijpen. Maar ga nu en stel je collega’s op de hoogte, als je wilt!'

[26] , Ja, ik ga " zegt Ahab,'en ik zal het hen zo vertellen, zoals ze het het liefste horen! Ik zal hen het mooiste stuifzand in de ogen strooien, zodat ze totaal blind worden; want daarvoor heb ik veel talent. Van alles wat hier gebeurd is krijgen ze niets te horen! De genezing van de bezetene van gisteren is voldoende; van die van vandaag zullen ze, zoals gezegd, niets horen of zien!'

[27] Dan zeg Ik: 'Goed, goed; doe wat je het beste vindt! Wij zijn vrienden bevrijd je en volg dan Mij, dan zul je waarheid en leven vinden en vrij worden door de waarheid!'

 

 

183 Ahab’s list

 

[I] Ahab gaat nu weg en haast zich naar zijn collega’s. Als .hij bij hen komt, bestoken ze hem allemaal met vragen en zeggen: Maar in de naam van de tempel, wat deed je dan zo lang?! Wat een angst hebben we om jou uitgestaan! Hoe staat het er nu mee? Wat .doet.de tovenaar? Hoe is het met je gegaan? Komen de soldaten al? We zitten in een lelijk parket. Weet je daar dan nog niets vanaf!?'

[2] Ahab vraagt: 'Wat is er dan? Waar weet ik dan niets vanaf!!'

[3] De ouden antwoorden: 'Stel je toch eens voor! Nog maar net een halfuur geleden komen hier drie burgers, Joden, Uit deze plaats; zij deelden ons mee dat de hele markt Jesaïra zonder enige uitzondering overgegaan is naar de Grieken en dat wij hier nu niets meer te zoeken hebben! Wat zeg je daarvan?! - Reken maar, dat dat allemaal het werk is van deze verwenste tovenaar, want hij is niets anders dan een helse apostel die bezeten is door de geest van Beëlzebub! Ja, wat zeg je daar wel van?!'

[4] Ahab zegt: 'Ja, als dat zo is, dan is dat erg voor ons, en we zullen ons eerst eens bezig moeten gaan houden met onze toekomstplannen! Ik heb er gisteren wel iets over horen mompelen, maar Ik kon toch met precies constateren wat de hele geschiedenis te betekenen had. Maar het is echt wel onze eigen schuld! Ik heb jullie al vaak gezegd dat wij met onze domheden en duisternis, waarmee wij allen in de tempel ingewijd zijn, het hier bij deze hele pientere Grieken niet zouden volhouden, en dat het voor hen kinderspel zou zijn om ons de duimschroeven aan te leggen; maar dat was altijd olie op het vuur! Nu is het onvermijdelijke gebeurd wat ik jullie al veel eerder voorgerekend heb, en ik begrijp echt niet waarom jullie dat nu zo vreemd kunnen vinden! Ik heb al zo vaak tegen jullie gezegd: Laten we toch eindelijk eens ophouden met het dom houden en het onderdrukken van het volk; want alles op de wereld heeft zijn grenzen die niet overschreden mogen worden! Wat hebben we er aan als we het volk systematisch dom houden?! De domheid zal tenslotte omslaan in boosheid, en dan zullen wij moeten verdwijnen. En nu is het zover!

[5] Het volk geloofde in Mozes en de profeten; maar wij zeiden: Die zijn dood en hun geschriften ook! God openbaart zijn wil in de tempel en zegt wat men moet denken van Mozes en de profeten. Nu zijn de hogepriester, de levieten en al de Farizeeën en schriftgeleerden de levende Mozes en de levende profeten! -Dat leren wij!

[6] Ik heb jullie wel honderd keer overduidelijk gezegd dat die aanmatiging van ons op het laatst slecht af moest lopen. Maar jullie lachten mij uit en hielden vol dat dat volstrekt onmogelijk was! Nu is het dan zo ver! Houden jullie nu nog vol, dat zo iets onmogelijk is?!

[7] Maar ik zeg jullie nog een keer, dat het totaal onze eigen schuld is; want wie bij ernstige dingen geen raad aanneemt, die is echt niet te helpen!

[8] Ik heb daar bij het huis van Baram zojuist alle mogelijke moeite gedaan om de opgewonden gemoederen van het volk te sussen. Ik zei tegen die heethoofden, dat zo dadelijk hier soldaten uit Kapérnaum zullen aankomen om hen te bestraffen! Maar ze lachten en zeiden: 'Dan kun je lang op ze wachten; want wij hebben jullie bode in onze macht -net zoals jullie allemaal! Maak, dat je goedschiks wegkomt, anders zul je op een andere manier verdwijnen!' Dat was het aardige antwoord op mijn waarschuwing en dreiging aan het volk; ik had dat ook veel beter niet kunnen doen!

[9] Maar wat de tovenaar betreft, die heeft met dit alles totaal niets te maken; want hij en zijn leerlingen en Baram zijn waarschijnlijk de enige Joden in deze plaats! Dat hij inderdaad een magiër zou kunnen zijn zal ik niet bestrijden; maar dat hij zijn kracht van Beëlzebub heeft dat zou ik niet durven beweren, hoewel ik daarmee jullie mening niet wil be­ïnvloeden. Ga er nu zelf eens heen en praat met hem en overtuig jezelf overal van!'

[10] De ouden vragen: 'Heeft hij de vele zieken al genezen?'

[11] Ahab antwoordt: 'Dat is best mogelijk, hoewel ik er niets van gezien heb. Er staan nog wel een hoop mensen van beiderlei kunne voor het huis van Baram, merendeels Grieken die ik goed ken, en ze bespreken allerlei dingen met de zeer bescheiden magiër, of wat hij dan ook zijn mag; maar ik heb niets meer gezien van wat voor zieke dan ook. Misschien heeft hij ze genezen toen ik hier voor jullie de wacht hield. Maar, zoals ik al zei, laten we er nu naar toe gaan, dan kunnen jullie jezelf er van overtuigen hoe de zaken er daar voorstaan!'

[12] Dan vragen de ouden nog: 'Loopt ons leven geen gevaar?' En Ahab antwoordt: 'Wat is dat nu toch weer voor een domme vraag! Is het hier dan veiliger voor jullie?! Omdat alles zo in ons nadeel is veranderd, is het voor ons allemaal beter naar buiten te gaan waar we onze voeten nog kunnen gebruiken dan ons hier tussen de vier muren om te laten brengen!'

[13] 'Ja, ja', zeggen de ouden daarop, 'je hebt gelijk; laten we dus naar buiten gaan en al onze schatten achter slot en grendel bergen, want ze zijn erg waardevol!' Ahab zegt: 'Heel goed, - laten we maar gaan; wie zal er nu klaar staan om onze schatten te stelen?! De mensen hier hebben nu wel wat anders te doen dan aan onze schatten te denken!'

[14] Na deze woorden staan de ouden op, sluiten alles achter slot en grendel en zeggen zelfs niet tegen hun dienaars, wat ze van plan zijn.

 

 

184 Farizeeën kunnen niet liegen

 

[1] Als ze bij het huis van Baram komen, zien ze onmiddellijk een grote menigte die door de massale genezing letterlijk buiten zichzelf is van verbazing. Maar omdat de oude Farizeeën die massale genezing niet hebben gezien, denken ze, dat het volk zich nog steeds verbaast over de genezing van de bezetene van de vorige dag, omdat men nog net als gisteren steeds maar roept: 'Heil aan de zoon van David! Dit is waarachtig Davids zoon!'

[2] Toen de oude Farizeeën dit hoorden, ergerden zij zich en zeiden tegen het volk: 'Waarover verbazen jullie je nu zo bijzonder?! Wij weten beter dan jullie hoe het gebeurde! Deze tovenaar drijft de duivels alleen maar met behulp van de opperste duivel, Beëlzebub, uit (Matth. 12:24), -en moet je hem dan loven alsof hij de zoon van David zou zijn?!' -Toen begonnen een paar wat minder overtuigde mensen een beetje te twijfelen en vroegen aan de Farizeeën of die hen uit de doeken konden doen hoe het gebeurde en hoe het mogelijk was, -en of de opperste duivel zo nu en dan ook goddelijke daden kon verrichten.

[3] De oude vossen waren niet op deze vraag bedacht en wisten daarom niet welk antwoord ze moesten geven. Toen de vragenden echter bemerkten dat de Farizeeën geen enkel bewijs hadden, omdat het antwoord zo lang op zich liet wachten, zeiden ze: 'Waarom geven jullie op onze redelijke vraag geen antwoord, zodat wij kunnen vaststellen hoe deze zogenaamde tovenaar de duivel door Beëlzebub uitdrijft en of Beëlzebub ook goddelijke daden kan verrichten? Het is heel gemakkelijk om een mens, die hoe dan ook in staat is om buitengewone dingen te doen, een knecht van de satan te noemen en hem zo verdacht te maken, maar het is heel wat anders om daarvan een tastbaar en zeker bewijs te leveren! Waarom zeggen jullie niets, als je zo zeker van je zaak bent?'

[4] De Farizeeën antwoorden: 'Wij zwijgen, omdat wij door de geest van God verlicht, altijd weten en begrijpen wat de mensen behoren te weten en wat wij bijgevolg moeten zeggen. Niet, omdat wij het niet zouden weten, maar -omdat wij het niet mogen, willen wij jullie ook geen rechtsgeldig bewijs geven naar aanleiding van jullie vraag. Het betaamt jullie alleen maar om alles te geloven wat wij jullie leren, en niet om dat zelf uit te zoeken; want God heeft ons aangesteld om alle dingen tot op de kern te onderzoeken, de geheime zaken voor ons te houden en het volk alleen maar datgene te vertellen wat het nodig heeft. Begrijpen jullie ons nu?!'

[5] Daarop zegt het volk: 'O ja, we hebben jullie heel goed begrepen, en omdat we dat al een tijdlang doen, zijn we juist vanwege dat maar al te goede begrip overgegaan naar de Grieken die niet zulke praatjes over geheimen verkopen! Daar heb je Aristoteles, Pythagoras, Plato en Socrates, en hun werken en geschriften zijn helder en waarachtig. Maar bij jullie wordt alles steeds meer in het diepste duister gehuld, zodat men geen handbreed voor of achter zich kan zien.

[6] Hoe komen jullie erbij om deze ons door God gezonden genezer verdacht te maken?! Hij heeft ons wel gedaan en al onze zieken genezen, en daarom noemen jullie hem een satansknecht?!

[7] Wat moeten jullie dan wel zijn, die ons nog nooit een nog zo kleine weldaad bewezen hebt?! Wanneer hebben jullie met je nietswaardige middelen en door je voorgewende gebeden ooit iemand genezen?'

[8] De Farizeeën zeggen: 'Hebben we dan geen officiële getuigschriften?!'

[9] Het volk zegt: 'Natuurlijk hebben jullie officiële getuigschriften en nog heel snoevende ook - uit de tempel; maar waar zijn dan de daden waartoe jullie volgens de getuigschriften te allen tijde in staat zouden zijn?! Daar hebben we nog nooit iets van gezien!

[10] Maar deze mens kwam zonder officiële papieren bij ons en doet nu dingen waarvan men gevoeglijk kan zeggen, dat, zolang de wereld bestaat, er nog nooit een mens is geweest die dat gedaan heeft! We beseffen heel goed waarom jullie deze goddelijke mens voor ons verdacht wilt maken, hoewel jullie ons de waarheid daarover niet wilt vertellen. Luister! Wij zijn zo vrij, het jullie onder je neus te wrijven! Dit is de reden:

[11] Deze goddelijke mens maakt de wonderbaarlijkste dingen tot werke­lijkheid, iets waartoe jullie -volgens je tempelgetuigschriften -in staat zouden moeten zijn, maar wat je gedurende de dertig jaren, die jullie bij ons bent, nog nooit hebt gedaan.

[12] Hoeveel geld en andere grote kostbaarheden hebben jullie van ons ontvangen, opdat je iets voor ons welzijn zoudt doen; maar waar is het resultaat?! Ons goud en zilver heb je wel genomen; maar we kregen niets daarvoor terug dan lege beloftes, die nooit vervuld werden. Als wij aan jullie vroegen wanneer de vervulling zou komen, dan wezen jullie op de weelderige gewassen en onze goddank gezonde kudden. Maar wij wezen jullie op de nog weelderiger gewassen en de net zo gezonde kudden van de Grieken, die door jullie op iedere sabbat voor zonsopgang zeven maal vervloekt werden. Dan zeiden jullie: Zo'n weelderige groei wordt ver­oorzaakt door de satan, en het brood van zulke velden en het vlees van zulke kudden brengt geen leven, maar de verdoemenis! Maar jullie versmaadden toch niet de verplichte en zeker niet geringe bijdrage van de Grieken, die zij ieder jaar als gedoogbelasting in de vorm van alle mogelijke soorten gewas af moesten dragen! Zeg eens, wat hebben jullie dan wel met de volgens jullie sprookje door satan gezegende gewassen gedaan?'

[13] De Farizeeën, die al erg kwaad zijn, antwoorden: 'Dat verkochten we aan de heidenen, zoals de Romeinen en Grieken, opdat ze op de jongste dag nog meer verdoemd zullen zijn!'

[14] 'Dat is mooi!', zegt het volk, 'Ze zeggen, dat de duivel dom is, en dat je zijn leugens van het voorhoofd af kunt lezen; maar jullie zijn nog tien keer zo dom, -want jullie leugens kun je al met je klompen aan voelen! Weet je niet meer dat wij al jullie gewassen met onze ossen en ezels naar Jeruzalem naar de markt hebben gebracht, en dat we precies weten aan wie wij jullie gewassen verkocht hebben!? En jullie zijn brutaal genoeg om tegen ons te zeggen dat je het Griekse gewas aan de heidenen verkocht hebt, opdat ze nog meer verdoemd zouden zijn! Als je je al met leugens wilt schoon wassen, lieg dan een beetje slimmer zodat het niet lijkt alsof wij nog dommer zijn dan jullie en dat het voor ons geen verschil zou maken om zonder enig bezwaar zwart in plaats van wit en wit in plaats van zwart te kopen! -Nee, hoe kan iemand zo afschuwelijk liegen! Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt!'

[15] De Farizeeën zeggen daarop: ' Jullie weten en begrijpen niets! Weten jullie dan niet, dat een Farizeeër helemaal niet kan liegen?! Want in de wet van de tempel staat, dat ieder die zich wijdt aan de dienst van God, absoluut niet liegen kan, ook al zou hij het willen; want zelfs de grootste leugen wordt in zijn mond de lichtendste  waarheid!'

[16] Nu begint het volk te lachen en zegt bij wijze van grap: 'Ja, ja, die tempelwetten die je daar aanhaalt kennen wij ook; ze zeggen dat daar ook in geschreven staat: Als een Farizeeër viezigheid in zijn mond neemt dan verandert dat direkt in goud!'

 

 

185  Het smaden van de Heilige geest wordt nooit vergeven

 

[I] Toen de Farizeeën merkten, dat het volk ze door had, en dat ze nu bespot werden, begonnen er wraakgedachten brandend in hun harten op te borrelen; toen zei Ik tegen het volk: 'Laat ze met rust; want zij zijn zelf blinde leiders van blinden. Als ze met degenen die ze leiden, bij een kuil komen vallen ze samen erin. Zij kunnen jullie in een land waar zij de macht in handen hebben, altijd eerder kwaad doen, dan jullie hen: maar nu hebben zij zich met jullie toch zo ver gewaagd, dat ook zij in de kuil kunnen vallen en dan nog vlugger dan jullie! Want ze zeiden, dat ze aan de Romeinen en Grieken, tot hun verderf, vervloekt gewas verkocht hebben; als jullie dat bij de Romeinse overste aangeven jaagt hij ze allemaal over de kling! Maar zoiets mag nooit gebeuren! Wij zullen ons nu in het huis terugtrekken, en Ik zal binnen zien of Ik deze geestelijk geheel blinden, ziende kan maken.’

[2] Vervolgens ga Ik het huis binnen, en de Farizeeën lopen meteen achter Mij aan en worden binnen door Mijn leerlingen begroet. Maar er liep ook veel volk mee, zodat het in de kamer een groot gedrang werd. Maar dat gaf niets, want Ik en Mijn leerlingen hadden toch plaats genoeg.

[3] Toen nu alles rustig was in huis, opende Ik Mijn mond en sprak voornamelijk tegen de Farizeeën, omdat Ik hun slechte gedachten maar al te goed en duidelijk zag: 'Dat het zo ver met u is gekomen,  dat ligt aan niemand -behalve aan uzelf. U bent hier in Jesaïra bij dit volk toch al meer dan dertig jaar en u heeft niet kunnen ontdekken welke geest er in hen leeft! Het is nu te laat om de eenmaal gewekte geest van dit volk weer tot slapen te dwingen! Uw ergernis is daarom totaal nutteloos. want u zelf bent daaraan schuldig en verder niemand.

[4] Ik kwam hierheen als een echte Jood en als zodanig waarachtig in het volle bezit van de geest van God en al zijn kracht!

[5] Toen Ik aan de oever kwam, en u, door het vuur naar het schip gelokt, snel naar de oever kwam, genas Ik voor uw ogen de blinde, stomme en tevens bezetene, Het volk herkende ogenblikkelijk de Goddelijke kracht in Mij en begroette Mij als de zoon van David; zelf herkende u het in uw hart ook, Maar omdat u meende, dat zo'n erkenning u in alles zou benadelen, zei u tegen uw innerlijke overtuiging in dat Ik zulke daden deed met behulp van de opperste duivel! Wie heeft u daarmee echter kwaad gedaan?! Kijk, niemand -dan alleen uzelf!

[6] Als u maar een beetje eerlijker over deze zaak had nagedacht en ze nader had onderzocht, dan zou u het bijzonder ongerijmde van uw bewering ogenblikkelijk hebben moeten inzien, en daarnaast hebben moeten erkennen dat u door een zeer voorbarige en domme bewering noodzakelijkerwijs bij dit intelligente volk de laatste vonk van aanzien en geloof verliezen moest!'

[7] De Farizeeën vragen dan: 'Wat hadden we dan moeten doen? Als u toch zo wijs bent, vertel het ons dan!'

[8] Wat ernstiger zeg Ik: 'Zo had u moeten denken, oordelen en spreken: Ieder rijk, dat in zichzelf verdeeld is, wordt chaotisch, en iedere stad of ieder huis in zichzelf verdeeld zijnde, kan niet bestaan! (Matth,12:25) Als de ene satan de andere verdrijft, dan is het toch duidelijk dat hij eerst zijn eigen mening heeft moeten veranderen! En dan vraag Ik: Hoe kan zijn slechte rijk dan stand houden?!

(Matth. 12:26) Naar Mijn mening ligt dat toch wel voor de hand!

[9] Maar als Ik, een echte Jood, volgens uw domme bewering de duivel uitdrijf met Beëlzebub, vertelt u Mij dan eens met wiens hulp uw kinderen dat doen, die nu toch ook in alle landen als genezers rondtrekken, zieken genezen en duivels uitdrijven?! Ik zeg u echter: Niet alleen dit volk, maar ook uw kinderen zullen uw rechters zijn! (Matth.12:27)

[10] Als Ik echter door de geest van God de duivels uitdrijf, en daarvan is het hele volk overtuigd, dan is toch het Rijk van God tot u gekomen (Matth.12:28), waarover u, als Joden, zich nog meer zoudt moeten verheugen dan de Grieken, die heidenen zijn, omdat dit teken de gunst van de Joden die zij reeds lang verloren hadden, weer herstelt! Want slechts zo kan de echte Jood aan de hele wereld tonen, dat hij de enige mens op de uitgestrekte aarde is die een zichtbaar verbond met God heeft, en door de almachtige kracht van de geest van God dingen kan doen die op die manier geen ander mens mogelijk zijn.

[11] Als de niet Joden dit bij de Joden opmerken, zullen zij zich weldra met vele duizendmaal duizenden om de machtige Joden verzamelen en zeggen: 'Alleen de Jood is van God, door hem toont Gods almacht zich wonderbaar; hij is sterk en wijs en moet in eeuwigheid onze heer zijn!'

[12] Als de echte Jood echter ooit die kracht van de geest van God in zich heeft, dan moet zijn hele huis en land die kracht ook hebben! Maar hoe kon of zou iemand dan zo'n machtig huis betreden en zijn inboedel stelen? Het enige zou zijn, maar dat is onmogelijk, dat hij de machtige eerst zou binden en dan pas zijn huisraad stelen (Matth.12:29), zoals de Romeinen het ook echt bij ons gedaan hebben omdat zij ons dronken en slapend in ons huis aantroffen, waarop zij ons gebonden, beroofd en tot hun slaven gemaakt hebben, hetgeen de Joden volkomen verdiend hadden omdat zij God geheel hebben verlaten.

[13] Maar God had medelijden met Zijn volk en wilde het nu weer helpen, en daarom heeft God Mij dan ook naar u toegezonden. Als dit nu dus klaarblijkelijk het geval is zoals u zelf ziet, waarom verstrooit u dan weer alles wat Ik verzamel?!

[14] Want wie niet voor Mij is, die is tegen Mij, en wie niet met Mij verzamelt, die verstrooit (Matth.12:30) en is blijkbaar tegen de geest van God die u vrij wil maken!

[15] Daarom voeg Ik aan alles wat u is overkomen nog dit toe: Alle zonde en smaad wordt de mens vergeven, maar het smaden van de heilige geest nooit! (Matth.12:31) Want u heeft heel goed geweten dat Ik de bezetene heb genezen door de kracht van God, maar u heeft terwille van het schandelijke aardse gewin en uw aanzien, de geest van God in Mij, die u redden wilde, toch belasterd, en daarvoor heeft u dan ook van de heidenen het verdiende loon gekregen!'

[16] De Farizeeën zeggen: 'Wij hebben niet de geest van God, maar u alleen belasterd, en u bent van vlees en bloed en toch zeker niet de geest van God? Want u bent net als wij alleen maar een zoon van een mens!'

[17] Ik antwoord hen: ' Ja zeker, schijnbaar ben Ik dat, maar in werke­lijkheid ben Ik misschien wat meer. Maar als Ik dus net als u een mensen zoon ben, dan is dat niet in het minst een verontschuldiging voor uw laster! Want Ik als mensenzoon doe deze daden beslist niet, - net zo min als u! Maar in deze nu voor u staande mensenzoon is de geest van God de werkende kracht, en Die is het die u belasterd hebt; want niet Ik, maar Gods geest heeft ten aanschouwe van u dit alles gedaan, en u hebt Hem belasterd.

[18] Ja, wie Mij als mens tegenspreekt, die wordt het vergeven; maar wie de heilige geest tegenspreekt, die wordt het niet vergeven, noch hier, noch in het hiernamaals! (Matth. 12:32)

[19] Want een slechte boom geeft slechte vruchten, maar van een goede boom zullen de vruchten ook goed zijn. Dus aan de vrucht herkent men de boom! U bent de boom, en de door u heidens geworden Joden zijn uw vrucht! Oordeel zelf, of deze goed of slecht is!' (Matth. 12:33)

 

 

 

186  Eén met de duivel

 

[I] De Farizeeën zeggen: 'Dat is niet onze vrucht, maar de vrucht van zulke landlopers zoals jij er een bent, die op gezette tijden uit alle windstreken als kunstenaars en tovenaars hierheen komen. Waar wij bij zijn beoefenen ze wel hun slechte kunst; maar 's nachts bekeren ze de mensen tot hun heidense filosofie en dan stellen ze met hun bijzonder grote welsprekendheid ons en de tempel en diens door God gegeven voorschriften in een afschuwelijk kwaad daglicht! Wel, deze Joodse heidenen, die hier in Jesaïra woonachtig zijn, zijn de vrucht van zulke individuen! Wij vertelden altijd het echte en het goede aan het volk en onderwezen hen juist en rechtvaardig volgens de wet van Mozes. Maar als Beëlzebub door middel van individuen van jouw soort het volk van ons aftroggelt, zijn wij daar dan verantwoordelijk voor?! Omdat satan de vruchten aan onze takken bederft en laat rotten, zijn wij toch zeker geen slechte boom. Ons onderwijs en wat wij zeggen is juist; maar jouw toespraken en jouw daden zijn afkomstig van de opperste duivel en verleiden het lichtgelovige volk! Deswege zou jij met je aanhang gestenigd en gedood moeten worden!'

[2] Toen de woedende Farizeeën zo spraken, begon het volk te protesteren en maakte aanstalten om zich aan de Farizeeën te vergrijpen.

[3] Maar Ik zei tegen het volk: 'Laat dat! Het is voldoende, dat deze slechten voor eeuwig overwonnen zijn; laat ze daarom nu met rust! Maar Ik zal ze nu hun welverdiende beoordeling laten horen!'

[4] Het volk zegt: 'Ja, Heer, U doet ons een groot plezier als U deze booswichten eens vertelt, wie en wat zij nu eigenlijk zijn!'

[5] Dan wend Ik Mij weer tot de Farizeeën en zeg heel ernstig: 'O jullie addergebroed! Hoe zouden jullie iets goeds kunnen zeggen, terwijl je toch in je hart helemaal slecht bent?! Waarvan het hart echter vol is, daar loopt de mond van over. (Matth.12,34) Een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart altijd goede dingen voort; en een slecht mens brengt altijd uit de slechte schat van zijn hart slechte dingen voort! (Matth. 12:35) Maar Ik zeg jullie, dat de mensen eenmaal, op de dag van het jongste gericht, rekenschap af moeten leggen over ieder slecht en ijdel woord dat ze hebben gesproken! (Matth.12:36) Zoals in het boek Hiob geschreven staat, zo zal het zijn: 'Uw woorden zullen u rechtvaardigen en uw woorden zullen u verdoemen!' (Matth. 12:37)

[6] Voorheen heb Ik jullie al laten zien, waarom Ik zowel hier als ergens anders kwam, maar jullie boze harten willen datgene, wat je vrij en gelukkig zou kunnen maken, niet aanvaarden en nog minder begrijpen!

[7] Voor al het goede, dat Ik kosteloos voor jullie doe, willen jullie Mij stenigen en doden! O jullie opgefokte adders, jullie slangenbroedsel! Het slechte getuigenis dat de profeten van jullie gaven is maar al te waar! Jullie eren je God slechts met dode ceremonieën en met je lippen; maar je hart is in 't geheel niet bij Hem betrokken!'

[8] Maar een paar Farizeeën en schriftgeleerden trokken zich toch iets aan van wat Ik zei. Zij trokken hun gezicht in een wat menselijker plooi en zeiden: 'Meester, wij verachten uw leer niet helemaal; maar we waren gisteren en vandaag niet in de gelegenheid om zelf te zien op welke manier en hoe u uw wonderdaden hebt gedaan. Doe nog eens zo'n teken, we zouden er graag een zien! (Matth.12:38) Misschien hebben we er dan begrip voor, en geloven we daarna in uw leer!'

[9] Maar Ik richtte Mij tot het volk en zei: 'Dit slechte en overspelige soort mensen wil een teken zien! Maar er wordt hen geen ander teken gegeven dan het teken dat de profeet Jona eens gaf! (Matth.12:39) Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een walvis zat, zo zal ook de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het midden der aarde zijn.' (Matth. 12:40) (Daarmee wordt in de eerste plaats het graf aangeduid; maar in geestelijke zin betekent het, dat de ziel van de mensenzoon af zal dalen naar de gevangen zielen van de gestorvenen en ze persoonlijk vrij zal maken.)

[10] Toen keken de Farizeeën elkaar aan en zeiden: 'Wat betekent dat, wat zal hij doen? Hoe komt hij in het midden van de aarde? Waar is dat? Dat is toch eigenlijk overal en nergens! Wie weet dan hoe groot de aarde is en waar haar midden is? Die mens is gek, of een boze geest wil hem in zijn macht krijgen! Men zegt toch, dat ieder mens, voordat hij gek wordt een aantal wonderen kan doen. Hoe komt hij erbij om zich met Jona, die in Ninevé gepredikt heeft, te vergelijken?!'

[11] Alsof Ik tot het volk spreek zeg Ik weer: 'Ja, ja, de mensen uit Ninevé zullen tesamen met dit geslacht op de dag van het jongste gericht opstaan en zij zullen het vervloeken; want zij hebben zich bekeerd na de prediking van Jona. En hier predikt méér dan Jona! (Matth.12:41) En zo zal ook eenmaal op de jongste dag in het hiernamaals de koningin uit het zuiden dit geslacht ontmoeten en zij zal het vervloeken! Want zij kwam van het einde der aarde om Salomo's wijsheid te horen, en hier staat méér dan Salomo!' (Matth. 12:42)

[12] Nu zeggen de Farizeeën: 'Wel als u gelooft dat wij allen helemaal door de duivel bezeten zijn, en dat iedereen ons op de jongste dag zal vervloeken, drijf dan de duivel bij ons uit, zoals u het gisteren bij de blinde en stomme hebt gedaan, en dan zullen wij u net zo goed prijzen als de door u genezene!”

[13] Maar ze meenden niet oprecht dat zij hun vele boze geesten kwijt wilden raken waarmee ze zich reeds volledig verenigd hadden, maar zeiden dit alleen maar om Mij ergens op te kunnen pakken. Want als een slechte geest in de mens alles aan zich schatplichtig en dienstbaar heeft gemaakt, dan uit hij zich niet zo dat je het merkt, maar hij doet dan erg verstandig en werelds, zodat iedereen moet geloven dat zo'n mens niet bezeten is, terwijl hij in werkelijkheid veel erger bezeten is dan een ander, die door de een of andere slechte geest erg gekweld wordt omdat deze mens zich niet laat overmeesteren.

[14] Daarom zeg Ik ook tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: 'Er zijn een aantal redenen waarom dat bij jullie niet meer mogelijk is, want de boze geesten zijn allang geheel één geworden met jullie ziel en beheersen nu helemaal jullie eigen slechte, overspelige leven. Als Ik ze uit jullie zou verdrijven, dan zouden jullie ook je leven verliezen; maar mocht het zijn dat Ik je eigenlijke, oorspronkelijke leven kon behouden, dan zouden jullie daar toch niets meer aan hebben omdat je hele aard nu geheel en al duivels is geworden! Want als uit zo'n mens de onreine geest door Mijn macht wordt verdreven, dan gaat hij door dorre plaatsen, zoekt rust en vindt deze niet (Matth. 12:43). Dan zegt hij bij zichzelf: 'Ik ga weer naar mijn oude huis terug; want op de steppen en woestijnen vind ik geen rustplaats, en in de huizen, waar al genoeg bewoners van mijn soort wonen, word ik niet binnengelaten.' Als dan na dit voornemen de duivel weer bij zijn vroegere huis komt, dan vindt hij daar geen activiteit, en het is schoon en versierd. (Matth.12:44) Daarop gaat hij terug en roept nog zeven andere geesten, die slechter zijn dan hij. Met hun hulp kost het hem weinig moeite om zijn oude huis binnen te dringen, en dan wonen ze gezamenlijk in dat huis, en met zo'n mens wordt het dan nog veel erger dan het eerst was!

[15] En zo zou het met dit slechte geslacht gaan. (Matth. 12:45) Daarom zal Ik het niet nog meer verdoemen dan het al is!

[16] Als de Farizeeën dat horen, gloeien ze bijna van woede en zouden Mij best willen verscheuren, als ze maar niet bang waren geweest voor het volk.

 

 

187  Jood of Griek

 

[1] Maar Ahab, de jonge Farizeeër, verwijderde zich nu van de ouden en was blij dat Ik hen zo de waarheid had gezegd. Maar hij vroeg Mij stilletjes of hij dan ook zo'n slechte bezetene was.

[2] Ik keek hem vriendelijk aan en zei: 'Als je dat was, dan zou je me dat niet zo vragen. Voor de satan was jij tot op heden ook nog een dorre plaats; pas echter op, dat je voor hem geen vruchtbaar veld wordt! Neem je daarom zeer in acht voor je slechte collega’s!'

[3] Ahab zegt: 'Heer en Meester! Als U me niet verlaat, dan kan de macht van de hel mij zeker niet belagen! Aan mijn ijver voor U zal het niet liggen!'

[4] Ik zeg: 'Ga dan heen! Je zult sterk zijn door je geloof in Mij en je ijver voor Mij! Maar let er wel op dat je collega’s je niet in het een of ander verwikkelen; want hun duivels hebben een fijne neus en een scherp gehoor om hun boze doeleinden te bereiken!'

[5] Ahab zegt: 'Heer, U kent mij nu beslist beter, dan ik mijzelf ken! Mijn list is subtiel en sluw; en de duivel is, zoals men zegt, blind, en daarom zullen ze elkaar nog wel eens aankijken als ik hen te slim af ben. Vandaag doe ik nog een proefje met hen. Ik zal nu op luide toon wat onvriendelijke woorden met U wisselen, zodat ze geen idee hebben waarover ik met U heb gesproken; maar U mag daarover niet kwaad op mij worden!'

[6] Ik antwoord: 'Doe wat je wilt, maar wees voor alles in alle dingen goed, verstandig en eerlijk; want, hoe goed een leugen ook bedoeld moge zijn, hij helpt maar tijdelijk en brengt de mens al gauw daarna nadeel en schade!'

[7] 'Ook goed', zegt Ahab, 'dan zeg ik voorlopig helemaal niets!'

[8] En Ik zeg: 'Dat zal beter zijn! Want op het juiste moment zwijgen is beter, dan nog zo doeltreffend te liegen!’

[9] Na deze les gaat Ahab door de volksmenigte weer terug naar zijn collega's, waarvan er één toch gemerkt had dat hij met Mij sprak. Die begon hem dan ook meteen scherp te ondervragen. Maar Ahab sloeg zich daar goed doorheen, en de strenge ondervrager moest hem ten slotte nog prijzen.

[10] Maar Ik keek niet meer naar de Farizeeën en begon Mij met het volk te onderhouden. Ik toonde hen aan, dat het tegenover God niet redelijk zou zijn om het Jodendom te verlaten, omdat het heil van alle mensen slechts van de Joden komt, en dat ze beter, zoals daarvoor al enigen in hun harten gedaan hebben, weer kunnen terugkeren tot het Jodendom vanwege het feit dat het anders niet mogelijk zou zijn om kind van God te worden.

[11] Daarop vraagt een Griek: 'Moeten we dan onze knie weer voor de opgeblazen Farizeeën buigen en hun oude onverteerbare zuurdeeg vreten? Vriend, u bent weliswaar een groot meester vol goddelijke kracht en macht en u bent goed, wijs en rechtvaardig, maar nu verlangt u iets zeer onzinnigs van ons. Tot Mozes hoeven we niet terug te keren - heel eenvoudig, omdat we hem daadwerkelijk nog nooit verlaten hebben, en de God der Joden is ook de onze in onze harten; de uiterlijke naam Jood of Griek zal toch hopelijk geen afbreuk doen aan de wijsheid van God?! Maar voor ons is het toch een goede beschutting tegen de onafgebroken vervolgingen en pesterijen van de Farizeeën! Waarom zouden we dan weer Joden en geen Grieken heten?!

[12] Kijk, dat is geen wijze voorwaarde die u ons stelt! Wat geeft het, als we naast Mozes ook de wijzen van de Grieken met hun dichterlijke godendom leren kennen, wier wijze zinnebeeldige gedichten toch heel wat anders zijn dan de dure tempelmest?! Vooral omdat wij er helemaal niet in geloven, omdat wij maar al te goed weten hoe de Griekse en later Romeinse goden ontstaan zijn, en dat alleen Jehova God is over alles, die alles heeft geschapen en altijd alles onderhoudt en bestuurt!'

[13] Ik zeg hem: 'Vriend, je praat en hebt Mij niet begrepen, terwijl degenen, die Mij begrepen hebben, niet spreken, hoewel ze toch net zo goed Grieken zijn als jij. Het zit hem zeker niet in de naam, maar in het geloof van het hart! Maar het is ook waar en iets om rekening mee te houden, dat het beter is een bedevaart naar Jeruzalem te maken en de feesten met passende en oplettende aandacht bij te wonen, dan een reis naar Delphi te maken en goede raad te vragen aan de dwaze Pythia!

[14] De geweldige misbruiken van de tempel ken Ik beslist beter dan jullie, en je hebt van Mij gehoord, hoezeer Ik daar tegen ben. Maar ondanks alle slechtheid is de tempel toch onvergelijkelijk beter dan die te Delphi, wiens priesters en priesteressen slechts hele goede taalkundigen zijn, die op iedere vraag zo'n antwoord weten te geven dat ze altijd gelijk hebben:!

[15] Toen je een vrouw wilde huwen, maakte je eerst een reis naar Delphi en vroeg daar voor veel geld aan de Pythia, of je gelukkig zou worden met de vrouw die je wilde nemen. Vertel eens, wat kreeg je als antwoord?'

[16] De Griek zegt: 'Wel, het volgende: 'Bij de vrouw vindt u het geluk, niet wacht u het ongeluk!'. En weet U, het orakel heeft mij de waarheid voorspeld, want ik ben echt gelukkig met mijn vrouw!'

[17] Ik zeg: 'Kijk het orakel zou ook gelijk gehad hebben, als je ongelukkig geweest was met je vrouw!'

[18] De Griek zegt: 'Ik zie niet in hoe dat dan mogelijk geweest was!' Ik zeg: ' Je ziet het woordenspelletje niet! Kijk de zin luidt: 'Bij deze vrouw vindt u het geluk niet wacht u het ongeluk.' Als je de zin in tweeën deelt na het woordje niet, dan heeft het orakel gelijk als je ongelukkig zou zijn; want dan zou de zin, zonder ook maar iets in de woordvolgorde te veranderen aldus luiden: 'Bij uw vrouw vindt u het geluk niet, wacht u het ongeluk!'

[19] Maar als je Mij niet wilt geloven, vraag dan maar eens aan je buurman, die een jaar daarna voor net zo'n gelegenheid naar Delphi is gereisd, of zijn antwoord niet precies eender is als het jouwe! En hij is ongelukkig met zijn vrouw, omdat ze een grote slet is; maar het orakel had bij hem net zo goed gelijk als bij jou, en toch geef je er nog hoog van op! Oordeel nu zelf eens wat beter is, de tempel in Jeruzalem of het orakel in Delphi?!'

[20] De Griek zet grote ogen op na die uitleg en zegt: 'Meester, nu begrijp ik het! Dat kan alleen maar een God en geen mens weten. U bent Zelf God, of minstens Gods zoon en niet de zoon van een mens zoals wij ! Daarom zullen wij ons weer op de tempel richten, maar niet onder de tuchtroede van de Farizeeën, maar helemaal vrij! Maar deze Farizeeën moeten weg; want ze hebben ons te veel bedrogen en ons vrijwel al ons bezit ontnomen, geestelijk en lichamelijk! In naam blijven we dus Grieken, maar in waarheid in ons hart volmaakte belijders van Mozes en de profeten! We zullen ook jaarlijks naar Jeruzalem gaan en de tempel bezoeken; en als die afgesloten wordt, dan blijft de vreemdenzaal nog voor ons open, die toch ook bij de tempel behoort.'

[21] Ik antwoord: 'Doe wat je wilt, maar geef je harten niet over aan valsheid, toorn, wraak en lust tot vervolgen! Wees daarbij kuis en rein in gedachten; heb God waarachtig boven alles lief en je naaste als jezelf, zegen, die je vervloeken, doe degenen geen kwaad, die je haten en vervolgen, dan zul je God welgevallig zijn, rust hebben en gloeiende kolen stapelen op de hoofden van je vijanden!'

 

 

188 Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders

 

[1] Terwijl Ik Mij nog onderhield met het volk, kwam moeder Maria met Mijn broeders; want in het huis van Kisjonah had zij gehoord dat Ik naar Jesaïra gevaren was en Mij daar ophield. Dat was voor haar een voetreis van een halve dag, en omdat ze zeer vroeg 's morgens van huis was weggegaan, was ze maandag 's middags in Jesaïra.

[2] Enerzijds was het een huiselijke aangelegenheid waarover ze met Mij wilde spreken, anderzijds wilde ze ook over een geestelijke aangelegenheid spreken, omdat ze zoveel uit Kapérnaum over Mij gehoord had wat zij speciaal wilde vertellen. (Matth.12:46) Maar door het gedrang kon ze het huis niet in, zodat ze verplicht was buiten te wachten tot Ik naar buiten zou komen.

[3] Maar omdat ze al een hele tijd tevergeefs stond te wachten, vroeg ze aan een van de huisgenoten van Baram, of hij tegen Mij wilde zeggen dat zij buiten al geruime tijd stond te wachten en hoognodig met Mij moest spreken. De boodschapper drong zich door het volk, kwam in Mijn buurt en zei: 'Meester! Uw moeder en Uw broeders staan buiten en zouden U graag willen spreken!'

(Matth. 12:47)

[4] Toen zei Ik ernstig tegen de boodschapper: 'Wat zeg je? Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders?!' (Matth.12:48) Toen deed de bood­schapper wat geschrokken een stapje terug.

[5] Maar Ik hief Mijn rechterhand op boven Mijn leerlingen en zei: 'Kijk, dat zijn Mijn moeder en Mijn broeders! (Matth.12:49) Want wie de wil doet van Mijn Vader Die in de hemel is, die is werkelijk Mijn broeder, Mijn zuster, Mijn moeder! (Matth.12:50) Ga echter naar buiten en zeg tegen de wachtenden dat Ik zal komen!'

[6] Er waren er die dit gezegde van Mij hard vonden en Mij verwijten maakten en vroegen, of Ik niet wist hoe het gebod van Mozes luidt over het eren van de ouders.

[7] Ik ging echter niet in op deze vraag en zei: 'Ik weet, Wie Ik ben, en Mijn leerlingen en Mijn aardse moeder weten het ook, en daarom mag Ik de waarheid spreken; maken jullie je dus maar druk over je eigen zaken, - niemand hoeft zich bezorgd of druk te maken over Mij; want Ik weet het beste wat Ik moet doen.' Toen zwegen allen, en niemand durfde iets terug te zeggen, niet ervoor en niet ertegen.

[8] Na enig zwijgen kwam de heer des huizes Baram naar Mij toe en zei: 'Heer en Meester! Het is middag, en de maaltijd staat klaar voor U, Uw leerlingen en ook voor Uw aardse verwanten die buiten op U wachten. Zou U mij arme zondaar de eer en de genade willen bewijzen om het goed klaargemaakte maal te aanvaarden?'

[9] Ik zeg: 'Weliswaar verwacht Ik aan de zee nog een andere maaltijd; maar omdat u Mij op zo'n passende manier heeft uitgenodigd, zal Ik u graag de eer en de genade bewijzen. Maar daar zeg Ik bij, dat Ik geen Farizeeër in de kamer wil hebben waar Ik eet, behalve de jonge Ahab, die Ik bij Mijn leerlingen opneem! Want hij zal zich bij zijn collega’s, die hem zwaar zijn gaan verdenken toen ze hem daarnet heimelijk met Mij zagen spreken, wel nooit meer geloofwaardig kunnen maken. Zeg nu echter tegen het volk dat Ik hier in huis niets meer zal zeggen of doen, zodat het naar buiten gaat en plaats voor ons maakt; want in dit gedrang zou het op natuurlijke wijze moeilijk zijn om buiten te komen.'

[10] Na deze woorden van Mij wendt Baram zich tot het volk en zegt: 'Beste buren! De goddelijke Meester is nu uitgesproken en zal hier in huis geen toespraken meer houden en zeker niets meer doen, gaan jullie dus nu rustig naar buiten, behalve Ahab; want de Meester wil met hem spreken.' Na deze woorden gaat het volk naar buiten behalve de Farizeeën.

[11] Zodra het volk buiten is stappen de oude Farizeeën vol woede in hun harten op Mij af en vragen Mij heel brutaal, wat voor plannen Ik met Ahab heb, of Ik hem ook wil klaarmaken voor de hel?! Als Baram die vraag hoort, ergert hij zich terecht en zegt tegen hen: 'Ik heb ieder jaar mijn belasting tot de laatste cent betaald, en ben daardoor wettelijk bezitter van dit door mij gebouwde huis en daarom duld ik het van niemand, dat iemand die ik in mijn eigen huis als gast eer en verzorg, door vreemden zoals jullie, onaangenaam behandeld wordt! Ik gebied jullie daarom in alle ernst mijn huis ogenblikkelijk te verlaten en je buiten de omheining van mijn bezitting te begeven, omdat ik anders niet wacht om gebruik te maken van mijn duur betaalde rechten als eigenaar!'

[12] Maar de Farizeeën zeggen: 'Ben je dan ook al Griek geworden, dat je je tegenover ons een huisrecht wilt aanmatigen?! Weet je soms niet dat de Joden tegenover een Farizeeër geen huisrecht hebben?! Is niet iedere Farizeeër in ieder Joods huis dat hij betreedt, de algehele heer , en wordt de eigenlijke huisheer niet pas uit genade weer heer, als de Farizeeër het huis verlaat? En weet jij als Jood ook niet, dat je slechts pachter en geen heer bent noch van je huis, noch van je grond, en dat wij grond en huis van je af kunnen nemen als we dat willen, en het vijftig jaar lang aan een ander kunnen verpachten?'

[13] Baram antwoordt: ' Als Jood heb ik dat tot mijn grote ergernis wel geweten; daarom ben ik nu dan ook een Griek, respectievelijk een Romein, en heb ik tegen betaling van een vast bedrag bij het keizerlijke gerechts­kantoor het volledige onomstotelijke eigendomsrecht verkregen, en daar wil ik je meteen wel een proefje van geven als je nu niet direkt doet wat ik gezegd heb!'

[14] De Farizeeën zeggen: 'Laat ons de eigendomsbrief van het Romeinse gerecht zien!' Baram pakt deze nog pas op goed perkament geschreven brief, voorzien van het keizerlijke zegel, houdt hem de ouden onder de neus en zegt: 'Komt je dat bekend voor?!' Dan schreeuwen zij: ' Jij bent dus ook een verrader van God, de tempel en ons?! Dat danken we zeker aan deze zoon van David?! Daarvoor vervloeken wij jou en je hele huis!'

[15] Toen de Farizeeën die vloek hadden uitgesproken, greep Baram snel een behoorlijke stok en begon meteen zo hard mogelijk op de Farizeeën in te slaan, waarbij hij zei: 'Wacht, satansknechten, ik zal jullie eens het juiste loon uitbetalen voor je vloek!' Een Farizeeër, die de stok nog niet gevoeld had, riep: 'Er staat geschreven: 'Wee hem, die de hand aan een gezalfde slaat!' 'Dat weet ik', zegt Baram, 'en daarom gebruik ik nu juist die stok!' En Baram gaf ook deze gezalfde nu een proeve van de stok. Toen vluchtten alle slechte Farizeeën, uitgezonderd Ahab, naar buiten, waar het volk hen verder onder handen nam.

 

 

189  Duivelse aanval

 

[I] Nadat ze van het terrein zijn afgejaagd, komt Baram vermoeid terug en zegt: 'Heer vergeef het mij! Wat ik nu heb gedaan, deed ik echt niet voor mijn plezier; maar het was geen uithouden meer met deze slechte overspelige soort! Je kunt je de duivel echt niet slechter voorstellen dan deze kerels, die er van overtuigd zijn dat de gehele aarde volkomen hun eigendom is! Normaal wind ik me daarover niet zo op; maar toen die kerels U, o Heer en Meester, letterlijk begonnen aan te vallen, kon ik mijn rechtvaardige toorn niet meer onderdrukken en moest ik wel van mijn huisrechten gebruik maken! Maakt U Zich daar echter maar niet druk over; want als die kerels een klacht indienen, dan zal ik die wel aanvechten en ik zal U wijs en slim weten te verontschuldigen!'

[2] Ahab zegt: 'Vriend, je kunt er in ieder geval vast rekening mee houden; want deze oude booswichten zullen al hun best doen om het hele voorval zo ongunstig en zwart mogelijk aan Jeruzalem door te geven! In de eerste plaats de voor hen zeer ongunstige bezigheden van deze goddelijke Meester, dan de totale afvalligheid van heel Jesaïra van het Jodendom, vervolgens mijn gedrag en ten laatste zullen ze Herodes laten weten, dat hij hier al zijn onderdanen heeft verloren, omdat ze zich het Romeinse burgerrecht gekocht hebben! Dat zal in Jeruzalem in één keer alle slechte geesten wekken, en dat zou hier wel eens verscheidene kwade voorvallen kunnen veroorzaken! Wees er daarom op voorbereid en zorg vooraf voor hulp van de keizer, anders zullen deze slechte geesten je veelleed bezorgen. ,

[3] Ik zeg: 'Houd daar maar over op, Ahab; Ik sta er voor in, dat het huis van Baram onverlet blijft; -maar dat die oude onmensen zullen doen, wat je gezegd hebt, is waar, maar noch Baram, noch jij behoeven daar enige angst voor te hebben. Maar nu gaan we aan de maaltijd, waar Ik ook naar Maria en de zonen van Jozef wil luisteren!'

[4] Verbaasd over de naam Jozef, zegt Baram: 'Wat zegt U, die van mijn meester uit Nazareth, waar ik zoveel aan te danken heb?! Hij was nog een jonge man en al meester in zijn vak toen ik bij hem in de leer was. Wat heeft hij mij geduldig en liefdevol alle knepen van het vak laten zien, en hoe gauw heeft hij mij niet het beste werk laten doen en mij belangeloos met raad en daad terzijde gestaan; dat zal ik werkelijk eeuwig nooit van hem vergeten!'

[5] Ik zeg: 'Wel, Maria is zijn tweede vrouw, hem door de tempel als vrouw gegeven; maar de beide mannen die bij haar zijn, zijn de zonen van Jozefs eerste vrouwen die zetten nu zijn handwerk voort. Maar Ik ben lichamelijk de zoon van Maria en Mijn naam is Jezus!'

[6] Baram antwoordt: 'O wat ben ik gelukkig, dat deze eer en genade aan mijn huls bewezen wordt! Laten we nu vlug aan tafel gaan, opdat de heerlijke moeder met de beide zonen van Jozef niet te lang op ons behoeven te wachten!' Dan gaan wij snel de eetkamer in waar ook Maria met de beide zonen van Jozef op ons wachten.

[7] Als Maria Mij ziet, begint ze van vreugde te huilen; want ze had Mij nu al twee maanden lang niet gezien, en de beide broers, die Mij zeer liefhebben, vergaat het net eender. Nadat wij ons wederzijds dus zeer hartelijk begroet hebben, gaan we allen aan tafel, spreken het dankgebed uit en gebruiken dan het goede en rijkelijke maal, waaraan Kisjonah, die Mij met vrouwen dochters tot op heden niet verliet, ook heel opgewekt deelnam en daarbij veel besprak met Maria en de broers.

[8.] Toen we na de maaltijd aan tafel zaten en vanwege de grote hitte, wijn aangelengd met water dronken, vroeg Ahab of hij spreken mocht. Hij moest ons iets belangrijks mededelen wat vooral samenhing met Mijn persoonlijke veiligheid, omdat hij nu pas in de loop van het gesprek te weten was gekomen, dat Ik de bij het volk beroemde, en bij de Farizeeën zeer beruchte Jezus van Nazareth was, die in het hele land een buitengewone reputatie had. Ik zei tegen hem: 'Vertel wat je weet!'

[9] Ahab vertelt: 'Heer en Meester! U heeft de dochter van onze overste Jaïrus opgewekt uit de dood - dat is bekend in de gehele streek -, en ook de..dochter van een overste uit het Romeinse leger. Wie zou er dan aan twijfelen of zo'n afschuwelijke tiran niet eeuwig dankbaar zou zijn voor zo'n wonderdaad, en de wonderdoener een plaats rechts naast zich op de troon zou geven, net zoals eens de farao met Jozef deed nadat deze hem zijn droom had uitgelegd!

[10] Maar wat doet dit tempelgebroed, deze echte duivelsknechten?! Zij stuurden een bericht dat ik jammer genoeg ook heb moeten ondertekenen, hoewel Ik tot op heden noch van Jezus, noch van Zijn leer ook maar ooit gehoord, noch van Zijn daden iets gezien had. Volgens dit afschu­welijke bericht zijn nu allerwegen gehuurde spionnen en sluipmoordenaars door de tempel en ook door Herodes en de Romeinse landvoogd aangesteld, om U uit de wereld te helpen!

[11] In deze mededeling wordt U door Jeruzalem op een zodanige wijze als volksbedrieger, verleider en opruier in opspraak gebracht, zoals dat tot op heden, zo ver ik weet, nog met geen mens gebeurd is. De dochter van Jaïrus zou helemaal niet dood-- zijn geweest toen men U riep om haar te genezen of uit de dood op te wekken, maar ze was helemaal gezond geweest en had, om U te beproeven, alleen maar gesimuleerd! Toen U' kwam en 'talitha kumi' tegen haar zei, werd het de overste geheel duidelijk dat U een bedrieger was en geen verstand had van de echte geneeskunde; want als U als een genezer een mens en zijn kwalen had kunnen beoordelen, dan zou U op het eerste gezicht al gezien hebben dat het meisje niet alleen niet dood, maar daarbij ook nog kerngezond was!

[12] Weliswaar is de Romeinse overste, ik geloof dat hij Cornelius heet wiens knecht of .dochter U ook hebt opgewekt uit de dood, daar op tegen; maar wat kan hij alleen tegen zo n massa valse getuigenissen!

[13] Beste, dierbaarste vriend, Meester en Heer! Ik zou U nog veel kunnen vertellen; maar ik zie, dat mijn vertellen van de naakte waarheid U bedroefd heeft gemaakt. Omdat de laster over U te duivels gemeen is, zwijg ik maar over al het andere; het is voldoende dat ik U van het belangrijkste op de hoogte heb gebracht. Het beste aan deze hele zaak is nog, dat de satan dom is en door werkelijk wijzen en slimmen gemakkelijk schaakmat gezet kan worden, wat in Uw geval des te makkelijker zal gaan omdat U buitengewoon wijs bent! Laten we er maar niet meer over praten!

[14] Bij U vergeleken ben ik weliswaar maar een heel eenvoudig mens; maar deze slechte booswichten wind ik allemaal heel makkelijk om iedere vinger! En ik vind het zeker geen zonde om de satan zo hard als dat maar mogelijk is ergens tegen op te laten lopen. Want dat dwingt hem om zich weer voor een tijdje heel bescheiden van het kwade gevechtsterrein terug te trekken; en zo wint de wijze en slimme mens weer tijd om zijn geest met edeler zaken bezig te houden, in plaats van steeds maar door met de satan ruzie te maken.'

 

 

190 De leer van het Rijk der hemelen

 

[1] Nu zegt Maria: 'Mijn Heer en zoon! Wat deze jonge man Je nu vertelde, is helemaal waar, en ik ben juist daarom naar Jou toe gekomen, om Je te vertellen dat ik voor Jou letterlijk uit mijn huis ben gejaagd. Wat moet ik nu doen met Je broers en zusters, alleen in aardse zin dan? Want ik weet wel dat Jij op aarde geen verwanten hebt, behalve Jouw leerlingen die Je liefhebben.

[2] Onze kleine bezitting is verloren; de slechte Farizeeën hebben haar in beslag genomen en zij hebben onze woning samen met de tuin vol gewassen aan een vreemde verkocht! Weet Je, ik en Je broers en zusters zijn niet meer zo jong om het zware daglonerswerk te doen; en ook al zouden we dat willen, dan hebben deze slechte tempelheersers onder bedreiging van zware straffen alle Joden toch verboden om ons wat voor werk dan ook te geven, en evenmin een aalmoes! Wat moeten we nu doen, en waar moeten we van leven?!'

[3] Dan zeggen Baram en Kisjonah tegelijk: 'Hooggeëerde moeder, die God de eindeloze genade heeft waardig bevonden, om door haar de allerhoogste zoon van alle hemelen in deze slechte wereld te laten geboren worden, maakt u zich daar maar geen zorgen over! Kijk, in de eerste plaats zijn wij staatkundig gezien geen Joden meer, maar naar buiten toe zijn wij Grieken, hoewel wij in onze harten echte Mozaïsche Joden zijn! Beiden zijn wij - de Heer zij alle lof - rijk; kom daarom met al uw verwanten bij ons wonen, en u zult niets te kort komen!'

[4] Ik zeg: 'Vrienden! Jullie voorstel is balsem voor Mijn hart! Mijn zegen en Mijn genade zal eeuwig jullie deel zijn. Maar eerst zal Ik naar huis gaan en zien, met welk recht de slechte booswichten het kleine en met veel moeite verkregen bezit van moeder, Jozefs rechtmatige vrouw, hebben geroofd.

[5] Dan zal Ik ook met Jaïrus een paar woordjes te spreken hebben; want zijn dochter zal weer ziek worden, en dan komt hij wel. En Ik zal met hem praten. We zullen nu echter, omdat het werkelijk zo ernstig is en het slechte hellebroedselons allerwegen vallen heeft gezet, meteen opbreken en de zee op gaan; die heeft geen val voor ons uitstaan!

[6] Aan de zee zal Ik eerst het volk nog door middel van beelden veel over het Rijk der hemelen onthullen, opdat niemand zich te eniger tijd verontschuldigen kan door te zeggen: 'Hoe zou ik dat hebben moeten geloven en doen, terwijl ik er nooit iets over hoorde?!' Als de oude booswichten komen, dan moet het volk hen niet tegenhouden opdat ze zich eens nog minder zullen kunnen verontschuldigen.

[7] Vriend Kisjonah, ga jij vast en maak je grote schip klaar; want dat zullen we nodig hebben!' Kisjonah staat met de zijnen op, en gaat om aan Mijn wens te voldoen.

[8] Baram vraagt Mij echter, omdat Ik niet meer in zijn huis kan en wil blijven, of hij Mij mag begeleiden.

[9] En Ik zeg: 'Net zo ver en net zo lang als je maar wilt! Want Ik heb nog nooit het eerlijke en echte verlangen van iemand afgewezen of onverhoord gelaten!' Baram regelt derhalve zijn zaken, geeft zijn vrouw en kinderen opdracht over wat zij tijdens zijn afwezigheid moeten doen, en hoe zij tegen slechte vijanden op moeten treden. Vervolgens neemt hij wat goud mee en gaat met ons allen naar buiten aan de zee, en een zeer grote volksmenigte volgt ons op de voet. (Matth. 13:1)

[10] Ook de oude Farizeeën mankeren niet, hoewel ze zich verkleed hebben, opdat het volk ze niet zal herkennen. Wanneer we aan de zee komen, dringt het volk onder het voortdurende roepen van 'Heil aan de zoon van David!' zo dicht naar de oever, dat Ik met Mijn verwanten geen plaats meer heb om te staan, en al Mijn talrijke leerlingen nog minder .

[11] Daarom zei Ik tegen Kisjonah: 'Laat de trap op de oever zakken; wij moeten in het schip, want het land wordt ons te eng!' Kisjonah liet snel de trap neer, en wij klommen meteen op het schip. (Matth.13:2)  Maar omdat het volk Mij het schip in zag gaan, dacht het dat Ik meteen zou wegvaren. Daarom begon het luid te vragen om hen de beloofde leer van het hemelrijk te geven!

 

 

191 De gelijkenis van de zaaier

 

[1] Toen wij allen in het schip waren, en de trap opgetrokken was, zei Ik tegen het volk dat het zich rustig moest gedragen en zich aan de oever een plaats moest zoeken. En het volk werd rustig, en stil zocht het zich een plaats aan de oever; alleen de oude Farizeeën zetten zich niet neer, maar stonden niet ver van de oever in de nabijheid van hun schip; want ze waren van plan om Mij steeds in het oog te houden en waren daarom ook helemaal klaar, om ons ook op zee te achtervolgen.

[2] Ik zette Mij op het zeer ruime dek van het schip en begon veler!.ei zaken in beeldspraak aan het volk te vertellen; de reden voor Mijn beeldspraak was, dat de domme Farizeeën het dan niet zouden begrijpen. Maar het volk, dat hier wat sneller van begrip was, begreep wel wat Ik hen vertelde.

[3] Als eerste beeld vergeleek Ik Mijzelf met een zaaier en sprak: 'Hoor en luister goed!

[4] Een zaaier ging eens een goed en gezond gewas zaaien (Matth.13:3). En terwijl hij zaaide, viel er een deel op de weg; toen kwamen de vogels en pikten het op. (Matth.13:4) Een deel viel op rotsachtige grond waar niet veel aarde lag, en het schoot daarom snel op, omdat er weinig drukkende aarde op lag; (Matth.13:5) maar toen de zon opkwam en fel begon te schijnen, verwelkte de in de koele en vochtige nacht opgeschoten kiem al gauw omdat hij geen wortels had, en verdorde. (Matth.13:6) Een deel viel tussen de dorens, en deze groeiden veel breder Uit dan het gewas en verstikten het. (Matth.13:7) En een deel viel tenslotte op goede grond en droeg vruchten, een deel honderdvoudig, een deel zestig voudig en een deel dertigvoudig. (Matth.13:8) Wie oren heeft om te horen, die hore. (Matth. 13:9)

[5] Ik wilde de toespraak hier niet onderbreken, maar omdat de leerlingen verscheidene van deze beelden zelf niet begrepen, kwamen ze naar Mij toe en zeiden: 'Waarom spreekt U nu opeens tegen hen in gelijkenissen? (Matth.13:10) Wij, die al.zo lang bij U zijn, begrijpen ze nog maar nauwelijks; hoe zullen de luisteraars aan de oever ze dan kunnen begrijpen. Ziet U dan niet hoe ze hun schouders ophalen en dat een aantal zelfs denkt, dat U ze voor de mal houdt, of dat U over zulke oninteressante dingen spreekt vanwege de Farizeeën, want iedereen. weet toch wel, dat je het gewas niet op de weg, of op stenen en net zomin tussen de dorens moet zaaien! Wij begrijpen wel wat U daarmee bedoelt; maar zij op de oever denken heus dat U ze ertussen neemt! Of wilt U ze dan echt op een manier lesgeven die ze niet begrijpen?'

[6] Maar Ik zeg tegen de leerlingen: 'Waar heb je het over en waarom storen jullie Mij?! Ik weet heus wel, waarom Ik tegen dit volk in gelijkenissen spreek die het niet begrijpen moet! Het is aan jullie gegeven om het Rijk Gods te begrijpen; maar aan hen is het niet gegeven (Matth.13:11); want weet wel, dat het zo is: Wie heeft, zoals jullie, daaraan wordt gegeven zodat hij dan in overvloed heeft; maar wie niet heeft, daar wordt ook nog van afgenomen wat hij heeft! (Matth.13:12) Daarom spreek Ik als Heer tegen hen in gelijkenissen; want met ziende ogen zien zij niets, en met horende oren horen zij niets; want ze begrijpen het niet! (Matth.13:13)

[7] Wat deed Ik hier, en wie denken ze dat Ik ben? Zij zijn allemaal blind en doof. Hun evenbeeld heb je gisteren gezien aan de blinde en tevens stomme man die Ik heb genezen. Zoals hij lichamelijk was, zo zijn zij geestelijk, en Ik spreek tegen hen in gelijkenissen opdat de voorspelling van Jesaja door hen vervuld wordt, die zo luidt: 'Met de oren zult u het horen en toch niet begrijpen, en met ziende ogen zult u het zien en daarbij toch niets verstaan! (Matth.13:14)

[8] Want het hart van dit volk is eigenzinnig en hun oren horen slecht en hun ogen dutten, om te voorkomen dat ze op een keer met de ogen zouden zien, met de oren zouden horen, met het hart zouden begrijpen en zich zouden bekeren en Ik hen dan echt kon helpen!' (Matth.13:15)

[9] Maar zalig zijn jullie ogen, die dat zien, en jullie oren, die dat horen! (Matth.13:16) Want voorwaar, Ik zeg jullie: Vele profeten en rechtvaar­digen hebben gewenst om datgene te zien en te horen, wat jullie zien en horen, en hebben het toch niet gezien en gehoord! (Matth. 13:17)

[10] Ik heb jullie echter eerder gezegd, dat het jullie gegeven is het geheim van het Rijk van God te begrijpen; toch merk Ik dat jullie begrip in de aard der zaak niet zoveel beter is dan dat van hen op de oever. Hoor dan en luister dan naar de gelijkenis van de zaaier, die als volgt uitgelegd moet worden (Matth. 13:18):

[11] Als iemand de woorden over het Rijk van God die Ik uitspreek, wel hoort, maar in zijn hart niet begrijpt, omdat dat hart van pure wereldgelijkvormigheid net zo platgetreden is als een weg, dan ziet de boze maar al te snel het niet in de aarde gevallen, maar op de vast gestampte, wereldse gladde buitenkant van het hart blootliggende woord, en pakt met gemak weg wat eigenlijk in het hart gezaaid is maar toch aan de werelds gladde buitenkant bleef plakken; en zo'n mens lijkt dan op de weg waarop het zaad, of wel Mijn woord, viel. (Matth.13:19) En daar aan de oever staan er veel van deze soort!

[12] Het zaad dat op de rotsgrond viel, betekent het volgende: Een mens hoort het woord en aanvaardt het met veel vreugde. (Matth.13:20) Maar omdat zo iemand net als een steen te weinig levensvocht, waarvoor een moedig hart alleen borg staat, en ook te weinig grond, ofwel vaste wil, in en boven zich heeft en daarom ook net als een steen afhankelijk is van het weer om vochtig of droog te zijn, en dus met het weer meedraait, ergert hij zich erg en wordt kwaad als hij allerlei ellende en vervolging ter wille van Mijn woord moet ondergaan (Matth. 13:21) en lijkt daarom juist op een door de zon verhitte steen, waarop Mijn woord natuurlijk geen wortels kan krijgen en tenslotte helemaal verdorren moet.

[13] En kijk, daar aan de oever staan veel van zulke stenen, die nu ter wille van Mij erg kwaad zijn op de slechte Farizeeën. Ze zien nu echter tijdens Mijn aan hen gerichte woorden, dat zich boven hun hoofden allerlei ellende en vervolging samenpakt. Door te veel ergernis enerzijds en te veel vrees anderzijds doden ze nu Mijn woord in hun hart, want ondanks alle tekens die zij hebben gezien, en ondanks al Mijn uitdrukkelijke verzekeringen geloven zij toch niet dat Ik voldoende machtig ben om ze te beschermen tegen al het kwade. Op deze manier lijken ze op de steen waarop het zaad viel.

[14] Het zaad, dat tussen de dorens viel, betekent: Dat een mens het woord hoort en ook aanvaardt, maar daarbij bezig is met allerlei wereldse zaken en de daarbij behorende zorgen, of met bedrieglijke winsten of de nog bedrieglijker rijkdom. Zulke ijdele zorgen hopen zich van dag tot dag op, tieren net als alle onkruid welig in het hart voort en verstikken maar al te makkelijk en te snel Mijn gezaaide woord. (Matth. 13:22)

[15] En kijk, weer staan er daar aan de oever velen die lijken op de dorens, waartussen het zaad viel!

[16] Het in de goede aarde gezaaide zaad betekent echter: Dat een mens Mijn woord hoort en het opneemt in de grond van zijn hart, waar het altijd en immer helemaal juist en levend begrepen wordt; zo'n mens lijkt dan op een goede grond waarin het zaad valt en afhankelijk van de wil en de kracht van de mens gemakkelijk honderdvoudige, of zestig voudige of dertigvoudige vrucht opbrengt aan goede werken. (Matth. 13:23) en daarbij betekent honderdvoudig dat hij alles voor Mij doet, en zestig voudig dat hij veel voor Mij doet, en dertigvoudig dat hij behoorlijk wat voor Mij doet.

[17] Er zijn dan ook drie hemelen in Mijn rijk: de bovenste voor de honderdvoudige vrucht, daaronder die voor de zestig voudige vrucht en de onderste voor de dertigvoudige vrucht. Minder dan dertigvoudig telt niet mee, en wie minder dan dertigvoudig heeft, raakt het kwijt aan degenen, die dertig, zestig en honderdvoudige vrucht hebben. Zo wordt dus genomen van degene, die niet heeft, en toegevoegd bij degene, die reeds heeft, opdat hij dan overvloedig heeft!

[18] En zie, daar aan de oever staan er velen van wie het nu al genomen is, en het is aan jullie gegeven terwijl je toch al veel hebt, terwijl zij te weinig of niets hebben!

[19] Als iemand een akker heeft, die hem veel vruchten opbrengt, omdat de grond goed is, maar ook een akker heeft, die ondanks alle bemesting slecht blijft en nauwelijks meer vruchten oplevert dan wat er op gezaaid wordt, -dan vraag je je af: Wat zal de eigenaar doen? Wel, hij zal de geringe opbrengst van de slechte akker nemen en bij de goede en rijkelijke vrucht van de goede akker doen en hij zal het jaar daarop niet meer zaaien op de slechte akker, maar alles zaaien op de goede akker! Die zal dan de volle oogst geven, maar de slechte wordt overgelaten aan het onkruid, de distels en de dorens.

[20] Zo pakt een verstandige heer des huizes dat aan; moet de Vader in de hemel soms onverstandiger handelen dan een verstandig mens op deze vergankelijke aarde?

[21] Denk daarom niet in je hart dat de Vader in de hemelonrechtvaardig zou kunnen zijn!

[22] Als je weet dat men alleen bij diegene raad vraagt, die enige wijsheid heeft, en zich gauw afwendt van iemand die al snel Iaat blijken dat hij slechts een praatjesmaker is, dan is de vraag: -doet men onrecht, als men het geloof in de praatjesmaker opgeeft en het overdraagt op de echte wijze, die toch al van alle kanten vertrouwen in overvloed geniet?

[23] Of doen jullie, als Mijn leerlingen, onrecht, als je Mij volgt en tempel en Farizeeën en alle schriftgeleerden verlaat, en daardoor het laatste vonkje vertrouwen dat je in hen had, bij hen wegneemt en het aan Mij geeft, terwijl Ik door Mijn daden en woorden toch al zoveel vertrouwen bezit?! Ik denk, dat het jullie nu wel duidelijk is dat er absoluut geen onrecht gebeurt als, zoals Ik jullie vertelde, eenmaal van degene die niet heeft volgens dat getal dat Ik noemde, ook dat wat hij heeft wordt afgenomen.

[24] Ik spreek echter alleen maar over het geestelijke en niet over de materie, want het zou welonrechtvaardig zijn als men bij de weinig bezittende het kleine bezit weg zou nemen en het aan een rijke zou geven, wiens voorraadschuren en kamers toch al te vol zijn. Daarom betreft alles waarover Ik nu spreek, alleen maar het geestelijke en niet de materie, waarvoor slechts een dwingende en harde wet kan en mag gelden tot de tijd van haar eens komende ontbinding. Is dit nu duidelijk?'

[25] Allen antwoorden: ' Ja, Heer en Meester; want Uw wijsheid gaat boven al onze nog zo hoge en wijs gewaande gedachten! Daarom vragen wij U, of U op deze manier verder wilt spreken!'

 

 

192 Onkruid tussen de tarwe, mosterdzaad en zuurdeeg

 

[1] En Ik zeg nu luid, zodat ook de aan de oever staanden het kunnen horen: 'Nu dan, wie oren heeft om te horen, die hore, en wie ogen heeft -in het hart, wel te verstaan -, die begrijpe het! Ik zal jullie een ander beeld van het Rijk van God geven; luister!

[2] Het hemelrijk is ook als een mens die goed zaad op zijn akker zaaide. (Matth.13:24) Maar toen zijn knechten sliepen, kwam de vijand van de landman en zaaide slecht onkruid tussen de tarwe, dat daarna gelijk met de tarwe opkwam. (Matth.13:25) Waar nu de tarwe met de vrucht, die zij geeft, opgroeide, daar stond ook het slechte onkruid. (Matth. 13:26)

[3] Toen de knechten dat merkten, gingen ze naar de heer des huizes en zeiden: 'Heer, u heeft toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt dan al dat onkruid er op?!' (Matth. 13:27)

[4] De heer des huizes antwoordde echter: 'Dat heeft mijn vijand mij aangedaan!' Toen zeiden de knechten: 'Heer, als u dat wilt, dan gaan we het uitwieden!?' (Matth.13:28) Waarop de heer zei: 'Laat dat, opdat je niet bij het wieden van het onkruid ook de goede tarwe vertrapt en mee uittrekt! (Matth.13:29) Laat het gezamenlijk opgroeien tot aan de oogst! Als het oogsttijd is zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid in bossen en breng het van de akker naar een plaats waar men het verbranden zal; en breng de zuivere tarwe vervolgens in mijn schuren!” (Matth.13:30) Kijk, dat is een goed beeld van het hemelrijk! Maar lulster verder naar Mij! Ik wil jullie nog meer van deze beelden geven, die allemaal een heel precieze weergave zijn van het Godsrijk. Luister daarom verder naar Mij!

[5] Het hemelrijk lijkt op een mosterdzaadje, dat een mens nam en op zijn akker zaaide. (Matth.13:31) Zoals bekend is dit zaad een van de kleinste onder alle zaden; maar als het opgroeit, is het groter dan de kool en tenslotte wordt het een echte boom, zodat de vogels er op af komen en tussen zijn takken nestelen.' (Matth.13:32)

[6] Daarop zagen de leerlingen elkaar met grote ogen aan en zeiden: 'Wat krijgen we nu? Wie begrijpt dat? Nu lijkt het hemelrijk zelfs al op een mosterdkool!'

[7] Maar Ik zeg: 'Verwonder je niet daarover, maar luister verder naar Mij! Ik geef je nog een ander beeld van het Godsrijk:

[8] Het hemelrijk is ook als een zuurdeeg dat een vrouw nam en door drie schepels tarwemeel mengde, net zolang tot het hele meel gezuurd was.' (Matth.13:33)

[9] Alweer zagen alle leerlingen inclusief de pientere twaalf apostelen, elkaar heel verbaasd aan en zeiden tegen elkaar: 'Wie kan dat in zich opnemen en begrijpen? Of houdt hij het volk vanwege de Farizeeën voor de mal? Het is echt niet te begrijpen waarom Hij nu opeens met zulke duistere beelden aankomt!'

[10] Maar Ahab, die erg goed op de hoogte was met de schrift, hoorde het gesprek van de leerlingen en zei tegen hen: 'Als Hij datgene is, wat ik nu vast geloof dat Hij beslist moet zijn, dan zou, omdat Hij nu steeds door en niet zonder gelijkenissen spreekt (Matth. 13:34), datgene wat Jesaja over de komende Messias voorspeld heeft op Hem betrekking kunnen hebben, namelijk toen hij zei: 'Ik zal spreken in gelijkenissen en zal vertellen, wat vanaf het begin der wereld voor alle mensen een geheim was!' (Matth. 13:35)

[11] Zie, zo sprak eens de grote profeet, en zo zong ook eenmaal David in zijn acht en zeventigste psalm in het tweede vers, en naast heel veel andere dingen slaat dat juist op Hem, en dan vragen jullie nog: Waarom zó, en wat betekent dat?', terwijl je toch al een behoorlijk lange tijd met Hem optrekt?! Als het noodzakelijk is dan zal Hij ons deze gelijkenissen wel uitleggen, en als het niet nodig is, -nu, dan mogen we ons allen wel heel gelukkig prijzen, dat wij nu zien en horen mogen, wat alle aartsvaders graag gezien en gehoord zouden hebben!'

[12] Na deze ingelaste toespraak van Ahab zijn alle leerlingen weer gerustgesteld; maar het volk vraagt Mij, omdat Ik tijdens de rede van Ahab zweeg, of Ik nog meer van die onbegrijpelijke taal zou spreken, of dat zij, die in afwachting van een goede les, die echter niet gekomen was, aan de oever zaten, maar weer naar hun bezigheden zouden terugkeren!

[13] Maar Ik zei: 'Ga naar huis; want voor jullie heb Ik Mijn mond niet opengedaan, omdat Ik wel wist hoe dom jullie harten zijn! Daarom zullen eenmaal ook jullie kinderen je meesters en rechters zijn!' Daarop ging al het volk snel weg van de oever en iedereen ging naar huis.

[14] De Farizeeën echter niet, zij klommen, toen ze zagen dat Kisjonah zijn schip begon vlot te trekken, ook meteen in hun klaarliggende schip en kozen vóór ons zee. Maar Ik wilde heimelijk, dat een krachtige wind hen zou voortdrijven. En zie, meteen dreef een krachtige wind hun schip hard voor zich uit en schuimende golven sloegen zo nu en dan over het dek.

 

 

193 De verwondering

 

[I] Wij voeren echter in een geheel andere richting weg van Jesaïra, en weer moest het gebeuren dat ook wij midden op zee door een storm werden overvallen, bij welke gelegenheid alle leerlingen en allen, die op het schip waren, nogmaals zeer angstig werden, zoals het al een keer eerder was gebeurd, en weer begonnen ze van angst en vrees te roepen dat Ik ze moest helpen omdat anders alles zou vergaan!

[2] En Ik gebood, net als toen, de wind en de zee, waarop ogenblikkelijk een grote windstilte intrad en de zee spiegelglad werd en al het volk op het schip hardop zei: 'Wie is hij, dat wind en zee hem gehoorzamen?!'

[3] Maar Ahab, die niet ingestemd had met deze vraag, zei tegen de leerlingen en verscheidene anderen: 'Vrienden, die vraag en die verwon­dering was weer echt dom en niet op zijn plaats! Jullie zijn toch al zo lang in Zijn omgeving, en toch verwonder je je nog net zo, alsof dit het eerste teken is dat je ziet gebeuren! Ik ben nog geen hele dag bij jullie, en voor mij is dat allemaal al net zo begrijpelijk, als wat dan ook maar voor een mens begrijpelijk kan zijn! Als Hij namelijk de grote beloofde Messias is, Die volgens David niets meer en niets minder is dan Jehova Zelf in vleselijke gedaante, dan zal het voor Hem toch erg eenvoudig zijn om aan een storm op zee een eind te maken, daar het voor Hem zeker niet moeilijk was de gehele wereld te scheppen! Als dat echter onweerlegbaar zo is en jullie Hem kennen, hoe kunnen jullie dan zo'n vraag en zo'n verwondering in je hart hebben?!'

[4] Een beetje boos door deze aanmerking van Ahab, zegt Judas: 'Vriend, dat we dat en nog veel meer van Hem hebben gezien, is dat dan een reden voor ons om ons over niets meer te verwonderen wat de Heer in ons bijzijn doet?'

[5] 'In geen geval, broeder!', zegt Ahab. 'Maar Ik vind alleen maar dit: Wij moeten ons in alle deemoed van onze harten wel verwonderen dat Hij zoiets in ons bijzijn doet, en ons, hoewel we echt niet zulke waardevolle schepsels zijn, zo waardig acht voor Zijn liefde, wijsheid en macht, dat Hij nu juist zulke daden ten aanschouwe van ons verricht! Ik vind mijzelf tenminste voor de minste nog niet waardig genoeg! Maar als wij weten Wie Hij is, en we verbazen ons dan nog, als Hij die hemel en aarde geschapen heeft iets buitengewoons doet, net alsof een mens dat gedaan had, dan vinden wij de Heer eigenlijk alleen maar een wat buitengewoon mens! En dan vind ik, dat de manier waarop jullie je verbazing hebt getoond na het plotseling verdwijnen van de storm, niet op zijn plaats is!

[6] Zou het dan niet belachelijk zijn, om je nu ook te gaan verwonderen over de zon, over de maan, over alle sterren, over de aarde en over alle wonderbaar georganiseerde en gevormde schepsels, die toch even goed Zijn werken zijn als dat het stillen van deze harde storm op zee Zijn werk is?! Ik meen dat als we ons dan toch willen verwonderen, we dat alleen maar daarover moeten doen, dat de almachtige Onuitsprekelijke god Jehova, vanaf Zijn eeuwige onmeetbare hoogte zo diep is neergedaald naar ons sterfelijke, zeer zwakke mensen. Daarom zou het haast onge­lofelijk zijn, als dat, wat nu hier is en volkomen echt gebeurt, al niet sinds Adam, Henoch en door alle profeten tot op de arme Zacharias en diens zoon Johannes toe, geprofeteerd was.

[7] Ik vind het grootste wonder dat, wat door honderden profeten eensluidend geprofeteerd is, nu hier is! Wat nu plaats vindt is niets anders dan een natuurlijk gevolg van de eerste wonderbaarlijke verschijning op deze aarde, namelijk: de geprofeteerde vleselijke verschijning van Jehova!'

[8] Dan zeggen zelfs de twaalf apostelen tegen Mij: 'Heer, waar haalt hij die taal en die zuivere wijsheid vandaan?'

[9] Ik zeg: 'Zijn vlees en bloed zeggen hem dat niet, maar de geest, die al zover in hem is ontwikkeld, dat hij niet ver meer af is van de algehele wedergeboorte van de geest! Maar het is werkelijk geen bijzondere eer voor jullie, dat hij jullie leraar is, in plaats dat jullie dat voor hem zijn; hij heeft echter veel op jullie voor omdat hij de schrift heel goed kent, en Ik heb hem lief zoals Ik jullie lief heb; want er is veel deemoed in zijn hart!'

 

 

194 Het geestelijk huis van de mens

 

[1] Nu vragen de leerlingen die aan de zee wonen: 'Heer, waar zullen we nu naar toe gaan?' 'Recht toe, recht aan, naar huis!', zeg Ik. Maar zij zeggen daarop: 'Heer, daar zal het ons niet zo goed vergaan! Want de Farizeeën hebben Uw aardse moeder alles afgenomen, en wij denken daarom dat het er thuis wat bedenkelijk uitziet, hoewel we heel precies weten dat U eigenlijk overal een huis heeft en thuis bent.'

[2] Ik zeg: 'Jullie zouden nu toch wel wat bekend moeten zijn met de geestelijke taal! Wil Ik dan naar Nazareth, als Ik zeg, dat we nu rechtstreeks naar huis zullen gaan?! Begrijp dat nu toch eens! Als Ik over thuiskomen spreek, dan bedoel Ik daarmee het innerlijk van de mens, wat een werkelijk geestelijke verzamelplaats is van het leven, de kracht, de macht en alle wijsheid. Dus daar gaan wij nu heen! Wij hebben echte innerlijke geestelijke rust nodig, en dat is een echt thuis; daarin zullen we datgene -niet voor Mij, maar voor jullie -vinden, wat voor ons mensen van vlees en bloed nodig is! Begrijpen jullie dat?'

[3] De leerlingen zeggen daarop: 'Ja, Heer, nu begrijpen wij het!'

[4] Ik vervolg: 'In aardse termen gesproken, trekken we nu weer bij Kisjonah in! In zijn huis zijn wij veilig; want het is een vrij huis en het betaalt daarvoor aan de keizer een grote schatting, en de Farizeeën zullen op een afstand worden gehouden. Maar na enige dagen zullen we van daaruit wel naar het aardse vaderland gaan en daar proberen recht te maken, wat erg krom is geworden.'

[5] Kisjonah zegt dan: 'Heer, U zou niet een paar dagen, maar liever een paar maanden, of op z'n minst weken met al de Uwen in mijn, maar in waarheid eigenlijk geheel en al Uw, huis moeten doorbrengen. Want in Nazareth zult U, als U geen vuur en zwavel van de hemel laat regenen, bijna of helemaal geen geloof vinden, vooral niet bij de Farizeeën en schriftgeleerden, die U eigenlijk hoe langer hoe meer naar het leven gaan staan!'

[6] Ik antwoord hem: 'Vriend, maak je daarover geen zorgen; want men kan Mij slechts zover benaderen en kwaad doen, als Mijn Vader, die in Mij is -zoals Ik in Hem ben, het toelaat; en wat allemaal toegelaten wordt tot heil van alle mensen en ter vervulling van de schrift, dat weet Ik al sinds eeuwen! AI de profeten hadden nooit zo kunnen voorspellen, als Ik het niet vooruit had geweten; want dezelfde geest, die in alle volheid in Mij woont en nu zo tegen jou spreekt, heeft ook zo tegen de profeten gesproken wat je in de schrift leest! Maar omdat nu dezelfde geest hier is, moet Hij datgene vervullen, wat Hij over Zichzelf door de profeten geprofeteerd heeft! En heb jij daarover maar geen zorg! Want deze almachtige geest weet wel wat Hij doet!'

[7] Kisjonah begrijpt Mij, zwijgt, slaat zich dan driemaal op de borst en zegt na een poosje: 'Ik ben wel niet waard, dat U bij mij intrekt, maar wees mij arme zondaar toch genadig en barmhartig en blijf een paar dagen als troost bij mij!'

[8] 'Wees maar kalm!', antwoord Ik. 'Want zolang Ik hier op aarde werk heb zal Ik bij jou wonen, samen met allen die bij Mij zijn; jouw huis zal voor Mij een rustoord zijn. Maar voor Mijn werk zal Ik het vaak moeten verlaten; geestelijk zal Ik het echter nooit verlaten!' (Daarbij leg Ik Mijn hand op Kisjonah's hart.)

 

 

195  Weerzien met Jaïruth en Jonaël

 

[1] Nadat we dit met elkaar besproken hadden, bereikten we ook de oever, en wel juist bij de landingsplaats van Kisjonah, waarvandaan men meteen door een grote en mooie tuin in de zeer ruime gebouwen en woonhuizen van Kisjonah kwam, waarin alles al voor onze ontvangst gereed was. Want Kisjonah had in het huis van Baram al in 't geheim van Mij gehoord dat Ik weer bij hem zou terugkomen, en zodoende had hij door middel van een kleiner vaartuig direkt boden met een bepaalde opdracht naar huis gestuurd.

[2] Maar wie troffen we daar ook aan? - Jaïruth, de rijke koopman uit Sichar, die het oude slot van Ezau bewoonde en bezat, en Jonaël, de reeds bekende opperpriester uit dezelfde stad; beiden waren door de engel, die bij Jaïruth was, daarheen gebracht; want zij hadden heel belangrijke zaken met Mij te bespreken. En dat was dus werkelijk een heel aangename, echt hemelse verrassing.

[3] Toen deze twee Mij zagen, werden zij innerlijk zo blij, dat ze geen woord over hun lippen konden krijgen; zij legden hun van diepe ontroering en vreugde bevende handen op hun borst en begroetten Mij zo in alle liefde van hun hart.

[4] Ik zei echter tegen hen: 'Mijn beste vrienden en broeders! Vermoei je tong niet; want één woord van je hart telt bij Mij meer dan duizend nog zulke mooie woorden die de tong spreekt terwijl het hart er vaak niet veel van weet!

[5] Bekom eerst van je verre en moeilijke reis; daarna zal Ik je pas vertellen wat je thuis moet doen tegen de door de orthodoxe Samaritanen naast jou, beste Jonaël, aangestelde opperpriester voor de nietszeggende, blinde dienst op Garizim. Maar, zoals Ik al zei, jullie hebben voor alles rust en herstel nodig, houdt je daar dus eerst mee bezig!

[6] Broeder Kisjonah, zorg jij voor verfrissingen en maak gebruik van de dienaar van deze twee uit Sichar hierheen gekomen vrienden; want die is niet moe, en hij zal je snelle en goede diensten verlenen en kent je huis al zo goed, alsof hij al vele jaren bij jou in dienst was. Maak dus maar onbezorgd gebruik van hem en Iaat jouw vermoeide mensen ook een poosje rusten; de dag loopt al wel op z'n eind, maar je huishouden zal er niet onder lijden als de vermoeiden vandaag eerder dan anders rust nemen, want deze dienaar zal ze allen goed vervangen.'

[7] Kisjonah zegt: 'Heer, dat alle dingen bij U mogelijk zijn, daar ben ik vast van overtuigd en daarover heb ik helemaal dezelfde mening en hetzelfde geloof als onze jonge Farizeeër Ahab; maar hoe deze heel teer gebouwde jongeman, die eigenlijk nog maar een knaap is, die grote hoeveelheid werk kan verrichten en ons allen zal bedienen, terwijl we toch met een paar honderd mensen hier aanwezig zijn, dat is, Heer, ­hoewel ik er niet in het geringste aan twijfel­ te raadselachtig voor mij!',

[8] Ik zeg: 'Vriend je hebt hier te weinig melk, kaas en boter; maar boven op je berg heb je een grote voorraad. Laat deze knaap eerst je hele voorraad van de berg halen; het is beter, dat je de voorraad hier hebt dan boven in de bergen, waar vannacht een horde wilde Scythen zal passeren op zoek naar buit.'

[9] 'Ah', zegt Kisjonah, 'nu gaat me een licht op! Deze knaap is er zeker net zo een, als die drie die ons op de bergtop gediend hebben?' Ik antwoord: 'Jawel, maar vraag en raad nu niet langer, anders wordt het te laat!'

[10] Dan gaat Kisjonah vlug naar de jongeman en brengt hem op zijn vriendelijkste manier zijn wens over. De jongeman geeft ten antwoord: 'Beste vriend van mijn Heer en God, maak u maar niet druk; in een paar ogenblikken is alles in orde, want bij mij is hier en daar en overal een en hetzelfde, en hoewel ik een van de zwaksten ben, moet onder het geweld van mijn voeten toch de hele aarde beven!'

[11] Kisjonah was geweldig verbaasd over zo'n uitspraak en kon zich beslist niet voorstellen wat dat betekende en hij merkte van pure verbazing nauwelijks, dat de jongeman bij de laatste woorden de kamer verliet om zijn opdracht uit te voeren.

[12] Kisjonah was nog lang niet bekomen van zijn verbazing en wilde Mij net vragen, hoe dat mogelijk zou zijn, toen de jongeman heel soepel weer voor hem stond en glimlachend zei: 'Wel, u staat er nog over na te denken hoe dat mogelijk zou zijn, en het is allemaal al gedaan! Zelfs dat, waarvoor uw ijverige schrijvers geen gelegenheid hadden om in de dag­ en rekeningboeken te boeken, vanwege de drukte aan de tol, heb ik gauw nog verholpen -zodat ze nu helemaal vrij zijn en klaar met hun werk!'

[13] De geheel verblufte Kisjonah weet nu helemaal niet meer wat hij hiermee aan moet, en zegt heel verwonderd: 'Maar mijn beste, hoe is dat mogelijk?! Terwijl je nog maar net de kamer verlaten hebt, beweer je nu dat je al meer gedaan hebt dan waartoe al mijn mensen zo hard mogelijk werkend in een week in staat zijn? Dat vind ik toch wel een beetje te ongelofelijk! Daarvoor zou je minstens duizend handen moeten hebben en zo snel moeten zijn als de bliksem?!'

[14] De jongeman antwoordt: 'Wel, ga dan naar buiten en overtuig u zelf overal van!'

 

 

196 Engelenwerk

 

[I] Dan gaat Kisjonah naar de voorraadkamers en vindt daar de hele voorraad melk, kaas en boter allemaal ordelijk op de juiste plaatsen opgeslagen, en hij gaat in de schuren en vindt ze vol; want ook het te velde staande rijpe gewas was binnengehaald. Vervolgens gaat hij de grote stallen van de runderen, de schapen en ezels binnen en vindt daar alles keurig in orde! Ook gaat hij naar zijn grote rechthuis, kijkt in de boeken en vindt overal alles helemaal in orde en hij controleert de geldladen en vindt ze allemaal vol; dan snelt hij naar het grote kookhuis en vindt daar alles goed en in de juiste hoeveelheid en gevarieerdheid gekookt en klaar en hij vraagt de koks en kokkinnen, hoe dat allemaal in zijn werk gegaan is. Maar deze wisten hem niets anders te zeggen dan: 'Er kwam een mooie jongeman in de keuken en zei: 'Zet de spijzen klaar in de schotels; want ze zijn allemaal al gereed!' Daarop onderzochten wij de spijzen, en het was, zoals de jongeman gezegd had, die ons meteen weer verliet. Proef zelf de spijzen, en u zult zien dat het zo is!'

[2] Kisjonah proeft de spijzen en merkt dan, dat zijn koks en kokkinnen de zuivere waarheid gesproken hebben. Dan gaat hij weer in de grote kamer waar Ik was, en de jongeman vraagt hem: 'Wel, Kisjonah, ben je over mij tevreden?'

[3] Kisjonah antwoordt: 'Er is al veel wonderbaars in mijn huis gebeurd; het was voor mij alleen maar te begrijpen door in mijn hart hardop te zeggen: Bij God zijn alle dingen mogelijk! Maar toch is dat het onbe­grijpelijkste! Om werk, dat anders een hele dag hard werken gekost zou hebben, door de machtige hand van een met Gods geest vervulde mens, zo gezegd in een oogwenk te verrichten, dat is nog te begrijpen; maar het is heel wat anders om honderd werkzaamheden op ver van elkaar gelegen plaatsen door een menselijk wezen in een en hetzelfde ogenblik te laten verrichten, en dat is door een sterfelijk mens ondanks al zijn begrip en zijn scherpe verstand beslist niet te begrijpen, en ik kan daarover weer niets anders zeggen dan: Heer, wees mij arme zondaar genadig en barmhartig; want ik ben het nooit waard dat U onder mijn dak komt wonen!'

[4] Maar Ik zeg tegen Kisjonah: 'Houd nu toch eindelijk eens op je zo te verbazen, en laat je mensen nu de spijzen binnenbrengen; want we hebben allemaal al behoorlijk honger .

[5] Als dit je al zo bijzonder verbaast, wat zul je dan wel zeggen, als Ik je in alle waarheid zeg, dat op de gehele aarde slechts één engel aangewezen is om te zorgen voor de groei van alle grassen, alle struiken en bomen, ieder naar zijn aard, en de voortbrenging van de grootste verscheidenheid aan vruchten, en voor alle dieren in het water, de lucht en op de aarde?! Dat zal dan voor jou ook wel niet te begrijpen zijn, maar toch is het zo en gebeurt het zo! Wees dus maar niet zo verbaasd, maar ga en laat de dienaren ons de spijzen brengen!'

[6] Dan vraagt Kisjonah: 'Heer, mijn enige liefde en leven, wat zou U er van denken, om toe te staan dat deze wonderbare jongeman ons bij het binnenbrengen van de grote hoeveelheid spijzen helpt; want mijn dienaren kost dat wel een uur!'

[7] 'Goed', zeg Ik, 'laat hem je maar helpen, maar houd op met al die overmatige verbazing; want je weet, dat bij God alles heel gemakkelijk mogelijk is!'

[8] Met dit antwoord is Kisjonah helemaal tevreden, en hij vraagt aan de hem steeds zeer welwillend vriendelijk aanziende jongeman, om de spijzen uit de keuken op de reeds gereedgemaakte tafels te helpen brengen.

[9] De jongeman zegt: 'Maar, beste vriend, doe niet zo verbaasd! Kijk eens naar de tafels! Toen u nog bezig was om aan de Heer der heerlijkheid te vragen of ik helpen mocht, gebeurde het reeds. Maar waar is uw wijn?'

[10] Kisjonah kijkt vluchtig over de tafels en verbaast zich inwendig, maar zegt dan: 'Werkelijk, we zouden de wijn haast vergeten hebben! Wil je zo vriendelijk zijn, deze ook nog voor mij uit de grote kelder te halen?'

[11] 'Kijk!', zegt de jongeman, 'Het is allemaal al weer in orde, de wijn staat in de juiste hoeveelheid naast de spijzen op de tafels.'

[12] Kisjonah overziet de veertig grote tafels, die in de grote eetzaal aangericht en zeer goed voorzien zijn, en er ontbreekt niets; stoelen en banken staan sierlijk opgesteld en er staan ruim voldoende lampen voor de verlichting tijdens de avondschemering op alle tafels en ze branden reeds met zuivere vlammen en geven een helder licht!

[13] Als Kisjonah dat alles zo in zich opneemt, raakt hij inwendig vol verwondering en zegt na een poosje: '0 God, o God, Jezus, mijn eeuwige liefde! Als dat zo doorgaat, verheffen al mijn huizen zich vandaag nog en wordt al het hout en gesteente daarin nog levend!' -En zich tot de jongeman wendend zegt hij: 'Vriendelijk jong mens of engel, wat je ook bent of hoe men je ook noemt, leg mij nu toch eens heel globaal uit, hoe je dat kunt!'

[14] De jongeman antwoordt: 'U bent wel erg nieuwsgierig; maar ik kan u alleen maar zeggen, dat ik zonder Hem, Die nu bij u in deze wereld woont, niets kan doen; Hij is Degene, Die al zulke dingen doet! Hoe Hij dat alles doet, moet u dus aan Hem vragen; want de kracht om deze dingen te doen is niet van mij, maar van de Heer die Zijn onderdak bij u kiest. Ga en vraag het dus aan Hem!'

[15] Kisjonah zegt: 'Beste vriend, dat weet ik wel; maar ik wilde alleen graag iets weten over de manier waarop zoiets tot stand gebracht wordt. Je moet toch een beweging maken!? Dat moet dan toch wel erg snel en zeker gaan! Want daarmee vergeleken heeft de bliksem toch heel duidelijk een slakkengangetje! Ah, ah, ik moet er niet aan denken! Als je voor dat alles ook maar honderd momenten gebruikt had, dan was dat alles toch nog eerder te begrijpen; maar om zo -zonder merkbaar tijdsverlies zo veel te doen, en dan ook nog zeer ordelijk, dat tilt me nu boven mijn geijkte denkpatroon uit en daardoor durf ik van pure eerbied en bewondering nauwelijks meer adem te halen!'

[16] Ik zeg tegen Kisjonah: 'Wel, vriend, is je verbazing nog niet verdwenen? Ik vind, dat we nu maar eens aan tafel moeten gaan en daarna praten over de verdere punten van de almacht van God en diens vastbesloten liefde en wijsheid!'

[17] Kisjonah zegt: 'Heer, vergeef mij! Door al die verwondering zou ik bijna vergeten waarvoor de spijzen en dranken op de tafels staan; ik nodig U en al de Uwen uit om aan tafel te gaan! Maar waar is Uw moeder Maria, met de meegekomen en kennelijk bij U behorende zusters, dan kan ik ze halen voor het avondmaal?'

[18] Ik zeg: 'Vraag dan eerst naar je vrouwen je dochters! Waar die zijn, daar is ook de goede Maria met de dochters van Jozef, Mijn overleden aardse pleegvader. Zij zijn nu druk met elkaar bezig, om vandaag nog alles te bekijken, waar ze beslist morgen, overmorgen en daarna nog tijd genoeg voor zullen hebben! Onze jonge en vlugge dienaar zal ze allemaal wel halen en hierheen brengen, en maak jij je daar dus maar niet druk over!'

 

 

197 Verklaring van de gelijkenis van het onkruid

 

[I] Terwijl Ik dat nog maar net uitgesproken had, was de jongeman ook al terug met de vrouwen, en wij gingen aan de tafels zitten en aten vrij snel en opgewekt het avondmaal. Na de maaltijd zei Ik tegen allen: 'Luister , omdat de nacht nu mooi en helder is met veel sterren, gaan we niet meteen naar bed, maar naar buiten onder de vrije hemel op het grasveld; want Ik ben voornemens om jullie nu nog veel te vertellen en te laten zien!'

[2] Iedereen stemde in met dit voorstel, en we stonden allen snel op van de tafels en gingen naar buiten en wel naar een ongeveer twintig vadem hoge heuvel, die aan het eind van de grote tuin zich zacht glooiend zo'n dertig pas van de zee verhief. Kisjonah zei echter, dat deze heuvel een heel mooi uitzicht over de hele zee gaf, maar daarbij toch altijd niet erg prettig was, omdat er, waarschijnlijk door de nabijheid van de zee, veel giftige slangen en adders huisden. Hij had al van alles gedaan om het ongedierte te verdrijven, maar dat had niet geholpen!

[3] Ik zeg: 'Laat dat maar rusten! Nu zal hij nooit meer dit ongedierte tot woonplaats dienen; daar kun je volledig van verzekerd zijn!'

[4] Kisjonah zegt: ' Als dat zo is, waaraan ik niet in het minst twijfel, dan dank ik U in de eerste plaats uit het diepst van mijn hart voor de wonderbaarlijke bevrijding van dit ongemak, en in de tweede plaats Iaat ik dan ter herinnering aan U op deze heuvel een echte school bouwen voor het geven van onderricht in Uw leer aan groot en klein en jong en oud!'

[5] Ik zeg: 'Zo'n school kan zich ook altijd in Mijn zegen verheugen, als ze Mijn grondslag bewaart. Maar helaas, zoals de wereld alles bederft, zo zal ze in de loop der tijd deze school, net.als Mijn zuivere leer, niet ongemoeid laten, en zo is er op deze wereld niets dat blijft! Want de hele wereld is nu in duisternis gehuld en staat in satans dienst! Maar laten we nu naar de heuvel gaan!' Ik en Kisjonah gaan voorop en alle leerlingen en alle bedienden van Kisjonah volgen ons op de voet.

[6] Maar als we bij de heuvel komen, ziet Kisjonah, hoe voor hem een grote adder juist tegen de heuvel opkruipt, en meteen daarna ziet hij er nog meer en hij zegt tegen Mij: 'Heer, was mijn geloof dan te klein, dat dit ongedierte nog niet verdwenen is?'

[7] Ik antwoord: 'Dit is opdat je de heerlijkheid van de Zoon van God zult zien en herkennen! Let daarom nu op! Ik beveel deze dieren nu om deze plaats voor altijd te verlaten en, zolang een telg van jou deze tuin en heuvel bewonen zal, hier niet te nestelen; en dan zal je zien hoe ook deze zeer stompzinnige beesten Mijn stem moeten gehoorzamen!'

[8] Toen richtte Ik Mij tot de berg en bedreigde de beesten. En met vele duizenden schoten ze als pijlen uit hun holen en vluchtten in zee; en zo werd de berg voor altijd gezuiverd van dit ongedierte, en voortaan werd er ook geen nog zo kleine worm meer op deze heuvel gezien.

[9] Daarop gingen wij welgemoed de heuvel op, en omdat het gras al wat nat van de dauw was, liet Kisjonah snel een groot aantal kleden halen en haast de hele heuvel bedekken, waarbij de jongeman hem ook weer nuttige snelle diensten verleende. Heel welgemoed nestelden wij ons allen op de geheel met mooie tapijten bedekte heuvel.

[10] Toen kwamen Mijn leerlingen, die ondanks al hun denken, piekeren en veronderstellen er met de gelijkenis van het onkruid \op de akker niet uit konden komen, naar Mij toe en vroegen Mij of Ik hen de gelijkenis van de zaaier, die goed zaad gezaaid had en vervolgens op zijn schone akker onkruid temidden van de tarwe vond, wilde uitleggen en nader verklaren. (Matth.13:36)

[11] Maar Ik antwoordde: 'Hebben jullie niet gehoord, wat Kisjonah ter gedachtenis aan Mij op deze heuvel wil oprichten, en dat Ik hem vertelde hoe het jammer genoeg zo'n instelling in deze wereld zal vergaan? Wel, dat had betrekking op de goede akker, die met de zuiverste tarwe bezaaid werd en toch een grote hoeveelheid onkruid temidden van de tarwe liet opschieten! Zie, deze gelijkenis betekent het volgende:

[12] Ik, of zoals de Joden zeggen, de Mensenzoon, strooi het goede zaad uit. (Matth.13:37) De wereld is de akker; het goede zaad zijn de kinderen van het Rijk; het onkruid zijn echter de kinderen van het kwade. (Matth.13:38) De vijand die ze zaait, is de duivel; de oogst is het einde der wereld, en de maaiers zijn de engelen! (Matth.13:39) Net zoals men het onkruid op de akker wiedt, het in bossen bindt en vervolgens verbrandt, zo zal het ook aan het eind van de wereld gaan!

(Matth. 13:40)

[13] De mensenzoon zal Zijn engelen uitzenden, en ze zullen uit Zijn rijk alle aanstootgevende dingen en alle mensen, die onrecht bedrijven (Matth.13:41) en oog noch oor en nog minder hart hebben voor de nood van hun broeders, verzamelen en ze in de brandende oven werpen, waar gehuil en tandengeklapper zal zijn. (Matth.13:42) Deze brandende oven bevindt zich in het eigen hart van de kinderen van het kwade - en bestaat uit hoogmoed, zelfzucht, heerszucht, hardvochtigheid, onverschilligheid ten opzichte van Gods woord, gierigheid, nijd, afgunst, leugen, bedrog, ontrouw, ontucht en hoererij, echtbreuk, vals getuigenis, kwaadsprekerij en alles wat tegen het gebod der naastenliefde indruist!

[14] Want zoals uit het hart van de rechtvaardigen de hemel in alle heerlijkheid zal opbloeien, zo zal bij de onrechtvaardigen datgene uit hun hart zijn volle wasdom bereiken, wat zich daarin bevindt; een slecht zaad zal nooit goede vrucht opleveren!

[15] Een hard hart zal geen zachte vrucht geven, en een ontrouw hart zal zich nooit kunnen beheersen, en de toorn zal het vuur zijn, dat nooit uit zal doven! Wees voor dat alles dus op je hoede en wordt in alles rechtvaardig volgens de wet der liefde!'

 

 

198  De schat in de akker

 

[1] Als jullie oprecht kinderen van God willen worden, beloof dan nooit iemand iets waaraan je je niet kunt houden -of wat nog erger is -waaraan je je niet wilt houden; voorwaar, Ik zeg jullie, een afspraak of een belofte, die niet gehouden wordt, is het ergste wat bestaat!

[2] Want met toorn bezondig je je zelf en doe je allereerst je zelf schade aan; wie ontucht bedrijft, die begraaft zijn ziel in het oordeel van het vlees en schaadt ook alleen zichzelf; maar het kwaadste van alle kwaden is de leugen !

[3] Heb je aan iemand beloofd om iets te doen, en komen er dan omstandigheden tussen waardoor je je niet aan je afspraak kunt houden, ga dan meteen zonder verzuim naar degene aan wien je iets beloofd hebt, en vertel hem heel eerlijk wat er aan de hand is, opdat de wachtende in dit geval andere wegen en middelen kan aangrijpen om op tijd uit de een of andere nood te geraken!

[4] Wee degene echter, die beloftes doet en ze niet houdt als hij het wel had kunnen doen; want daarmee veroorzaakt hij een omvangrijk kwaad; want de wachtende kan dan zijn plicht niet nakomen, en degenen, die hun hoop op hem gesteld hadden, kunnen ook niet verder, en zo is het mogelijk, dat zo'n onbetrouwbare belofte duizenden in de grootste verlegenheid en droefenis stort; en dus is een niet gehouden belofte het tegengestelde van de naastenliefde en daarom het grootste kwaad!

[5] Een hard hart te hebben is beter, omdat dat niemand ijdele hoop geeft, en als men weet dat men van iemand met een hard hart niets te verwachten heeft, dan zoekt men andere middelen om iets in stand te houden. Maar als iemand iets wat hem is beloofd, verwacht, dan gaat hij geen andere wegen en middelen gebruiken. Als het moment daar is waarop de wachtende zijn zaken in orde had willen brengen, en degene die het beloofd heeft hem in de steek laat zonder vooraf gewaarschuwd te hebben dat hij zijn belofte om de een of andere reden, die natuurlijk waarachtig moet zijn, niet zal kunnen houden, dan is zo iemand net als de satan. Die heeft de mensen al vanaf het eerste begin door zijn profeten ook de prachtigste beloftes gedaan, maar heeft er nooit één waar gemaakt en daardoor tallozen in de grootste ellende gestort!

[6] Hoed je daarom vóór alles voor zulke toezeggingen en beloftes die je niet kunt nakomen en die je, wat nog kwader is, om wat voor reden dan ook niet houden wilt; want de opperste duivel ziet dat graag.

[7] Wees liefdevol en rechtvaardig in alle dingen; want de rechtvaardigen zullen eenmaal in het rijk van hun Vader stralen als de zon op de helderste middag! .

[8] Wie oren heeft om te horen, die hore (Matth. 13:43). Want Ik wil jullie nog een paar gelijkenissen over het hemelrijk geven:

[9] Het hemelrijk gelijkt ook op een verborgen schat in een akker, welke schat door een mens gevonden werd, en 's nachts haastig door hem in de volgende akker werd begraven, omdat de schat groot en zwaar was en hij hem niet naar huis kon dragen omdat dat te ver was. Heel vrolijk ging hij toen naar huis, verkocht alles wat hij had en kocht de akker ten koste van alles (Matth. 13:44); want de schat in de akker was duizenden malen meer waard dan wat hij voor de akker gaf, en nu kon hij omdat de akker van hem was, de schat zonder gevaar uit de akker halen, en niemand kon hem het bezit daarvan bestrijden. Nu kon hij rustig zijn schat in zijn nieuwe huis brengen dat hij tesamen met de akker gekocht had, en hij hoefde niet meer in het zweet zijns aanschijns voor zijn onderhoud te werken; want hij kon nu door zijn schat in de grootste overvloed leven. -Begrijpen jullie deze gelijkenis?'

[10] De leerlingen antwoorden: 'Ja Heer, deze gelijkenis is duidelijk; want de vinders van de schat zijn zij, die Uw woord horen, en de akker is het nog wereldse hart van de mensen, dat zij door het volgen van Uw woord eerst nog geestelijk voor zichzelf moeten kopen, opdat Uw woord in dat hart hun volle eigendom wordt en zij daarmee dan al het goede voor zichzelf en hun broeders kunnen doen!'

[11] 'Jullie hebben de gelijkenis goed begrepen', zeg Ik; 'want zo gaat dat met het echte hemelrijk. -Maar luister nu naar een ander beeld!'

 

 

 

199 De gelijkenis van de grote parel en het net

 

[I] 'Dit keer is het hemelrijk te vergelijken met een koopman die in alle landen naar mooie parels zocht. (Matth.13:45) En hij vond een parel van onschatbare waarde, vroeg naar de prijs, en toen hij deze kende ging hij ook meteen naar zijn woonplaats, verkocht alles wat hij had, en ging toen terug en kocht de grote parel (Matth. 13,46), die ook duizenden malen meer waard was dan wat hij ervoor betaalde. - Begrijpen jullie dit beeld?'

[2] Weer antwoorden de leerlingen: ' Ja, Heer, ook dat begrijpen we; want wij zijn allemaal als die koopman, omdat wij voor U alles verlieten; en U bent voor ons de grote onschatbare parel!'

[3] 'Ook deze gelijkenis hebben jullie volkomen begrepen', zeg Ik; 'want dit is ook weer een duidelijk beeld van het hemelrijk! -Maar luister naar nog een beeld!

[4] Nu weer is het hemelrijk als een net, dat in zee geworpen wordt, en waarmee men allerlei soort vis vangt. (Matth.13:47) Als het net vol is trekken de vissers het aan de oever; de vissers gaan er dan bij zitten, zoeken de goede vissen er uit en doen ze in een bak, maar de zieke en bedorven vissen gooien ze weg! (Matth.13:48)

[5] Maar zo zal het ook aan het einde der wereld gaan: de engelen zullen er op uit trekken en de slechten scheiden van de rechtvaardigen (Matth.13:49) en zij zullen hen in de vuuroven van hun eigen boze hart werpen, en daar zal een groot gehuil en geklapper met de tanden zijn (Matth.13:50), hetgeen de echte duisternis is voor de slechte ziel, die daarna met haar verbrande wereldse verstand zoeken zal naar dingen om haar slechte liefde te bevredigen, maar nooit iets vinden zal!' - En Ik vroeg de over dit beeld wat piekerende leerlingen na een poosje: 'Hebben jullie dit beeld ook helemaal begrepen?'

[6] Zij antwoorden: 'Ja, Heer, ook dit beeld hebben wij geheel begrepen (Matth.13:51); het lijkt op datgene wat U op de oever bij Jesaïra sprak: Wie heeft, die zal gegeven worden zodat hij in overvloed heeft; maar van wie niet heeft wordt ook genomen wat hij heeft!'

[7] En Ahab voegt daar nog aan toe: 'Voor mij zijn de bedorven en zieke vissen voornamelijk de Farizeeën en al die theoretiserende schrift­geleerden, die steeds maar hun oude rommel te koop aanbieden en de hele natuur en haar vruchtbaarheid loven, maar het heerlijkste van het heden verachten en vervolgen! Dat zijn toch zeker bedorven en zieke vissen? Hoe moet je het anders noemen, als je met je verstand Farizeeër en schriftgeleerde bent en daarom denkt dat je iets beter bent dan alle andere mensen, en dan daarvoor nog offers en belasting eist van de merendeels betere broeders en zusters, en tevens nog een leeg en steenhard gevoelloos hart hebt?!

[8] Daarom geloof ik, dat in de toekomst de geleerde die Uw hemelrijk met het hart bestudeerd heeft, de oude bedorven, onbetrouwbare en zieke schriftuurlijke kraam van de Farizeeën wel helemaal weg zal moeten doen, en voor Uw leer een geheel nieuwe basis zal moeten leggen; want Uw leer is wijs en rechtvaardig en daardoor het tegendeel van die van de Farizeeën!

[9] Ik weet dat Mozes en al de andere profeten Uw geest hadden toen zij profeteerden; maar wat zijn ze nu misvormd! En nu U Zelf hier bent om ons Uw heilige wil te openbaren, waartoe dienen dan nog de onbetrouwbare en zieke Mozes, net als ook al de profeten?!

[10] Wie in het hart volgens Uw leer door de daad is gevormd voor het hemelrijk, heeft geen Mozes en geen profeten meer nodig!'

[11] Ik antwoord: 'Wat je zegt is waar en je hebt gelijk op een kleinigheid na, en wel, dat nochtans een echte schriftgeleerde, dat wil zeggen een tot het hemelrijk bekeerde, moet lijken op een wijze huisvader die oud en nieuw uit zijn huiselijke bezit en voorraden aan zijn gasten presenteert (Matth.13:52) en aanbiedt om van te genieten. Of moet men als de nieuwe wijn in zakken gedaan is, de oude wijn weggieten, of moet men het oude koren weggooien als het nieuwe in de schuren gebracht is?! Daarom moet een echte schriftgeleerde voor het hemelrijk zowel de oude schrift als dit nieuwe woord van Mij kennen en daarnaar handelen!'

[12] Ahab zegt: 'Maar toch alleen maar Mozes en de profeten zonder de zeker gedeeltelijk misvormde staatswetten, de onnutte godsdienstbe­palingen, die nu nergens meer goed voor zijn, omdat we ons wat de staat betreft toch zonder meer onderwerpen moeten aan de Romeinse wetten!?'

[13] Ik zeg: 'Dat is vanzelfsprekend. Wat je uit de oude wetten weg moet laten terwille van de echte naastenliefde, dat vind je al opgeschreven; mijn beide vrienden uit Sichar zijn hier, zij kunnen getuigen van Mijn uitgebreide bergrede, waarin al deze zaken voorkomen.' Daarmee is Ahab helemaal tevreden gesteld.

 

 

200  Bescherm ons daarvoor, o Heer

 

[I] Nu vraag Ik de beide mensen uit Sichar om Mij te vertellen met welk verzoek zij hierheen gekomen zijn. En Jonaël, die voor beiden het woord doet, zegt: 'Heer, U heeft al eerder de kern aangeroerd, en daarover gaat het dan ook! Het is echt haast niet te geloven, dat mensen, die toch samen met ons de blijvende grote tekens van Uw puur goddelijke macht zien, zo slecht kunnen zijn! Ze erkennen de waarheid en vervolgen haar dan, juist omdat ze dat als waarheid moeten erkennen! Ze hebben mij verjaagd; als broeder Jaïruth mij en mijn familie niet opgenomen had in zijn huis, dan zou ik dakloos zijn!

[2] Heer, hoe sterk en hoe vaak heb ik in de geest tot U gebeden dat U zou komen en mij bij zou staan tegen de vijanden; maar het was tevergeefs, U kwam toch niet om ons uit onze zeer grote nood te helpen!

[3] Het is wel waar, dat U zichtbare engelen bij ons hebt achtergelaten om ons in Uw plaats te helpen. Maar zij willen niet altijd handelen en ook niet op die wijze, die ik nodig acht; want zij zeggen, dat ze zonder Uw wil niets kunnen doen; want slechts Uw wil is hun hele kracht en macht! Dat is allemaal wel waar, maar als de beledigde oude orthodoxe Samaritanen honderden van Uw aanhangers uit het land verdrijven, zodat deze bij de heidenen bescherming moeten zoeken -wat alleen maar kan als de verdrevenen zelf heiden worden -, dan lijkt het mij toch wel juist dat Uw engelen daar tussenbeide zouden komen en een eind zouden maken aan zo'n gemene jacht, in plaats van dat zij samen met ons met een treurig gemoed de hele geschiedenis aanzien en tenslotte zelfs samen met ons zuchtend uitroepen: 'Des Heren raadsbesluiten zijn toch altijd on­doorgrondelijk en Zijn wegen onnaspeurlijk!'

[4] Maar wat helpt dat?! Honderden worden heiden, honderden worden met stokken en staven geslagen en terwille van Uw naam op openbare plaatsen bespot!

[5] Joram moest voor een tijd uit Sichar weg, en het huis dat Jacob gebouwd heeft, is intussen afgesloten en leeg! En Joram is nu ook met zijn vrouw in het huis van broeder Jaïruth, net zoals vele andere families van aanzien die om Uwentwil in Sichar niet meer werden geduld!

[6] En Uw engelen die bij ons zijn, hebben tegen dat alles ook niet één stap gedaan! Heer, Heer, ter wille van Uw heilige naam! Waarvoor moet dat dan toch goed zijn?!

[7] Moet hier op deze aarde dan alle macht en geweld van de satan over U toegelaten worden?! Of is zijn hel dan werkelijk machtiger dan al Uw hemelen? Heer, als het zo doorgaat, dan moeten de mensen op het laatst tempels en offeraltaren voor de satan bouwen, en die van U afbreken! In deze tijd wel een heel treurige zaak!

[8] De godsdienst op de Garizim, ja zelfs in de tempel te Jeruzalem is toch niets anders dan pure satansdienst?! Ik heb van U, de Heer Zelf, uit Uw eigen mond gehoord hoe God, die in al Zijn volheid lichamelijk in U woont, geëerd en geprezen wil zijn. Als je dan naar de dienst op Garizim kijkt, dan is dat toch wezenlijke en echte satansdienst; want daar wordt in volle ernst, en dat ontkennen zelfs Uw heilige engelen niet in het minst, overvloedig wierook gestrooid voor de satan!

[9] Zo is het en gebeurt het helemaal naar waarheid, en het kan U, o Heer, niet onbekend zijn dat het zo is en gebeurt, en toch laat U het toe dat het zo is en gebeurt! Heer, hoe moeten wij dit opvatten en hoe moeten wij Uw heilig woord begrijpen?

[10] Ook de eerlijke broeder Jaïruth, die met zijn hele huis U zeer toegewijd is, krijgt nu al iedere dag bedreigingen, waarbij hij gesommeerd wordt om zich zo vlug mogelijk te laten kennen als orthodoxe Samaritaan, omdat hij anders al zijn bezit kwijt raakt!

[11] Velen, die al rotsvast in Uw leer geloofden, o Heer, zijn door de dagelijkse bedreigingen zo geïntimideerd, dat ze na het uitspreken van voorgeschreven verwensingen en vervloekingen van Uw naam tot de pure satansdienst teruggekeerd zijn!

[12] Kijk, Heer, Uw engelen bedekken wel steeds hun aangezicht voor zulke dingen; maar wat heb je aan die nietszeggende deelnemingsbetui­gingen?

[ 13] Heer, U leest Mijn hart dat U helemaal toegewijd is, en daarom spreek ik ook met U zonder een blad voor de mond te nemen en zeg: Op die manier is een nutteloos, weemoedig toekijken net zo waardeloos als een vijg op de derde dag na het afvallen van de bloesem! Hier moet je er op los gaan, en wel met alle geweld en macht, anders krijgt de satan grond en wortels.

[14] Als Uw leerlingen nu al niets tegen hem kunnen doen, waartoe zullen ze dan later in staat zijn wanneer hij zijn grootste kracht bereikt, wat hem niet zoveel moeite zal kosten als hem steeds zo weinig in de weg gelegd wordt als tot op heden het treurige gevál is, nu zelfs Uw engelen niets tegen hem durven te doen?!                                                                           .

[15] Daarom vraag ik U terwille van Uw heilige naam en terwille van al degenen, die nog steeds net als wij rotsvast geloven in Uw naam, sta ons bij en bevrijd ons van de strikken van satan!

[16] U heeft ons toch Zelf op de berg geleerd te bidden; en ondanks dat we steeds bidden, wordt het van dag tot dag erger in plaats van beter!

[17] Alles willen wij U offeren en voor U willen wij in de grootste armoede leven; maar dan moet U ons toch wel ergens een plekje op aarde gunnen, zolang wij op aarde leven; want tussen allemaal wolven, .hyena 's en beren kun je, als je zelf geen beest bent, niet leven en nog minder U, o Heer, volgen! .

[18] Wij verlangen geen vredig paradijs op deze wereld, maar het minste is toch wel, dat we niet met duivels in een totale hel moeten leven; bescherm ons daarvoor, o Heer!'

 

 

201 Twee redenen voor Gods afzijdigheid

 

[1] Ik zeg: 'Vrienden, Ik heb wel geweten dat het in zeer korte tijd zo zou gaan opdat de satan zijn werk afmaakt; maar degenen, die naar de heidenen gevlucht zijn, zouden hier in Galiléa ook onderdak gekregen hebben, en degenen, die Mijn naam vervloekt hebben om hun aardse bezit niet te verliezen, zouden er beter aan hebben gedaan, zich van de wereld los te maken, dan zich onder de vervloeking van Mijn naam te verzekeren van hun bezit, waaraan de eeuwige dood kleeft. Want ieder mens moet toch eenmaal alles verlaten.

[2] Hoe moeilijk zal het zijn voor degene die veel heeft, om zich eenmaal daarvan los te maken, en hoe licht zal diegene afscheid nemen van de wereld, die geen goederen uit haar schoot bezat en nog bovendien terwille van Mijn naam overal werd vervolgd! Die veracht de wereld, en hij zal zeker niet om haar treuren als hij, terwijl hij het hemelrijk helder voor zich ziet, deze duistere verderfelijke wereld verlaat.

[3] Weet, dat zoals het goud in het vuur niet verandert en pas daarin haar grote waarde krijgt, zo moet het ook gaan bij jullie, die werkelijk Mijn leerlingen en volgelingen willen zijn; want Mijn rijk, waarvoor wij allen nu werken, is niet van deze wereld, maar van die grote eeuwig onvergankelijke, die op dit aardse, materiële, korte proefleven volgt!

[4] En daarom geef Ik jullie voor deze wereld geen vrede, maar het zwaard; want door de strijd met de wereld en met alles wat zij je biedt, moet je je de vrijheid van het eeuwige leven bevechten!

[5] Want Mijn rijk lijdt onder geweld, en wie het niet met geweld tot zich trekt, die verovert het niet.

[6] Het is natuurlijk heel makkelijk om in een vreedzaam plaatsje en voor zijn aardse leven goed verzorgd, voor leerling van Mij te spelen, deugden aan de lammetjes te Ieren en ze met zuiver water te drenken; daar heb je niet veel voor nodig! Maar het is heel wat anders om leeuwen, tijgers en panters te temmen en ze om te vormen tot nuttige dieren! Daar heb je ook meer slimheid, moed, kracht en uithoudingsvermogen voor nodig dan voor het temmen van lammetjes!

[7] Daarom moeten jullie wat zich in Sichar openbaart ook zo bekijken en aanvaarden zoals het is, en je moet daarmee een natuurlijk gevecht aangaan, waarbij Ik jullie zal ondersteunen; maar als jullie dadelijk over de blindheid en de boosheid van de mensen tot over je oren in ergernis en toorn geraakt, en over zulke boosdoeners alleen maar een verterend vuur van de hemel afroept, dan kan het je onmogelijk anders vergaan dan het jullie vergaan is!

[8] Ook kunnen en mogen Mijn engelen jullie in zulke gevallen niet helpen, omdat zo'n hulp rechtstreeks tegen Mijn eeuwige orde in zou gaan.

[9] Maar als jullie overwinnende strijders voor Mijn rijk willen zijn, maak dan uit de zuivere waarheid een scherp zwaard; maar dat moet dan door de zuiverste onbaatzuchtigste liefde gesmeed zijn! Strijd dan moedig met zo'n zwaard en wees niet bang voor degenen, die in het uiterste geval wel je lichaam kunnen doden, maar dan ook verder niets meer doen kunnen!

[10] Ben je echter bang, wees dan bang voor Hem die de echte Heer over leven en dood is en die de ziel van de mens verwerpen of aannemen kan.

[11] Wie in de goede strijd voor Mij zijn aardse leven verliest, zal het in Mijn rijk overvloedig terug krijgen; wie echter probeert om zijn aardse leven in de strijd voor Mij te behouden, is een lafaard, en de zegekroon van het eeuwige leven zal niet zijn deel zijn! Wat voor een verdienste heeft hij, als hij muggen bestrijdt en vliegen doodslaat? Ik zeg jullie: Zo'n held is zelfs als pispaal niet te gebruiken!

[12] Ah, het is heel wat anders, geharnast en met een scherp zwaard in de hand op een groep leeuwen en tijgers in te lopen! Wanneer hij ze allemaal gedood heeft en als overwinnaar terugkeert, dan worden er erebogen opgericht en hij ontvangt beslist een groot loon voor zijn heldendaad!

[13] Ga dus weer naar huis en vecht op die manier zoals Ik het jullie nu gezegd heb, en de echte overwinning zal jullie niet ontgaan!

[14] Ik weet beslist wel het best hoe vreselijk de satan deze aarde toetakelt, en Ik zou macht genoeg hebben om hem totaal te vernietigen; maar dat Iaat Mijn grote liefde en geduld nooit toe.

[15] Want wie meent dat hij zijn vijand alleen maar kan overwinnen door hem te vernietigen, is een laffe strijder! Want als hij hem doodt verlost hij zich niet door zijn moed van de gevreesde vijand, maar door zijn grote vrees.

[16] Wie echt een held wil zijn, mag de vijand niet vernietigen, maar moet zich alle moeite getroosten om het hart van de vijand door verstand, geduld, liefde en wijsheid te winnen; slechts dan kan hij er zich over beroemen een echte overwinning op zijn vijand behaald te hebben en de bestreden vijand zelf zal zijn grootste loon zijn.'

 

 

202 De ware vrije kerk

 

[1] Als jullie beiden dit begrepen hebben, keer dan vlug weer met jullie engelen naar Sichar terug en doe daar wat Ik gezegd heb, dan zullen daar weldra al die hachelijke zaken er heel anders voorstaan.

[2] Maar jullie moeten niet als vertoornde rechters, maar als echte wijze leraren en vrienden van de blinden, doven en stommen optreden, dan zullen ze zich wel door jullie laten leiden!

[3] Wie kan er nu redelijkerwijs kwaad worden als een blinde hem op zijn voet trapt? Als je ogen hebt om te zien, dan is het toch je eigen schuld als de blinde op je voet gaat staan?! Trek je voet van de plaats weg waar de blinde loopt, dan gaat er ook niemand op staan!

[4] Zie je echter dat de blinde aan de rand van een afgrond staat, snel er dan heen, pak hem beet en breng hem in veiligheid en breng hem dan naar het licht dat iedere blindheid der ziel geneest, en hij zal de beste, dankbaarste broeder voor je worden.

[5] Als jullie de mensen in Mijn naam Ieren, doe dat dan altijd zoals Ik het doe, eerst met goede daden en pas dan met bescheiden, eenvoudige en ware woorden, en jullie zullen daardoor snel veel waarachtige leerlingen kunnen tellen.

[6] Maar als jullie jezelf bijna hemelhoog omkleden met louter ondoor­grondelijke geheimen, en de mensen ervan wilt overtuigen dat je door God uitverkoren bent om ze te veroordelen, te zegenen of te vervloeken, en als je je dan bovendien nog ergert als Mijn engelen je bij die dingen niet willen steunen, dan moet het je toch wel duidelijk zijn dat die handelwijze zeker niet Mijn wil is die jullie geopenbaard werd, maar dat jullie voor jezelf een nieuwe orde geschapen hebben en van daaruit een nieuwe goed omheinde kerk in de plaats van de oude mozaïsche hebt willen opbouwen, waarvoor jullie lammeren hun knie al op een afstand hadden moeten buigen!

[7] Kijk, zo ging het ook met de Mozaïsche kerk, en zij bracht toen zij omheind werd, geen of slechts weinig en dan nog zeer verkommerde vruchten voort!

[8] Ik geef jullie nu een volkomen vrije kerk, waarbij geen omheining nodig is dan voor ieder mens het heel persoonlijke hart waarin de geest en de waarheid woont, en alleen daar wil God door de echte vereerders gekend en aanbeden worden!

[9] Omdat Ik jullie het eerst Mijn geest gaf, moeten jullie niet denken dat je een haar beter bent dan welk ander mens ook, en die gave mag ook geen reden voor een speciale functie zijn, zoals bij de heidenen en de tweemaal zo duistere Joden en Farizeeën, maar jullie hebben slechts één Heer; jullie zijn als broeders en zusters allen evenveel waard, en daarin mag onder jullie nooit een onderscheid zijn!

[10] Ook mogen er geen voorschriften onder jullie zijn, en je moet je ook niet aan bepaalde dagen en tijden houden alsof er betere en slechtere zouden zijn, of alsof God bepaalde dagen vastgesteld zou hebben waarop Hij jullie gebeden aan zou horen en jullie offers aan zou nemen. Ik zeg jullie: Bij God zijn alle dagen gelijk, en onder al die dagen is dat de beste dag, waarop je echt iets goeds voor je naaste gedaan hebt! En zo zal in de toekomst de ware en God alleen welgevallige sabbatdag alleen maar bepaald worden door jullie goede daad!

[11] Op de dag dat je goed doet, op die dag zal het ook de ware sabbat zijn die God meetelt; maar de gebruikelijke Joodse sabbat is een gruwel in Gods ogen!

[12] En als je al een zogenaamd Godshuis bouwen wilt, bouw dan zieken ­en bejaardentehuizen voor jullie arme broeders en zusters; geef hen daarin alles wat ze nodig hebben, dan zul je op die manier de echte godsdienst uitoefenen waaraan de Vader in de hemel veel genoegen zal beleven.

[13] Aan die echte en enig ware godsdienst zal men kunnen zien, dat jullie werkelijk Mijn leerlingen zijn.

[14] Ga dus nu naar huis en werk op deze wijze, dan zal jullie arbeid gezegend zijn.

 

 

203  Lofrede van Jonaël

 

[I] Na deze uitgebreide les zeggen beiden: 'Heer! Vergeef ons onze zonde! Want wij zien nu wel heel duidelijk dat het volk niet zozeer gefaald heeft, maar dat wij eigenlijk alleen gefaald hebben, en wij zullen nu met Uw genade en hulp alles zoveel mogelijk weer in orde maken!

[2] Pas nu dringt het tot ons door wat de echte geest van Uw heilige leer is, en wij zullen deze ook met zo veel mogelijk ijver onder het volk verbreiden! Er zijn er echter nu veel naar de heidenen gegaan; we weten nauwelijks hoe we die weer terug moeten halen! Wat kunnen we daaraan doen?'

[3] Ik zeg: 'Doe met hen wat Ik met de heidenen doe, en tesamen met de heidenen zullen ze jullie leerlingen zijn.

[4] Zie, dit huis is ook heidens en was al geruime tijd overgegaan tot de Griekse wereldbeschouwing, en nu heeft het zich, meer dan enig ander Joods huis, aan Mijn kant geschaard! Als jullie het ook zo aanpakken dan zullen zich weldra meer heidenen dan Joden bij je voegen!

[5] Want wie een lege maag heeft zal gretiger toehappen dan iemand met een volle maag, vooral als de maag daarbij nog helemaal bedorven is, zoals die van de Farizeeën en schriftgeleerden!'

[6] Dan zeggen de beiden: 'Wat moeten we dan met diegenen doen, die Uw naam vervloekt hebben terwille van hun bezit dat anders van hen afgenomen zou worden?'

[7] Ik zeg: 'Beur de gevallenen op en breng.hen op de goede weg en leid hen, opdat ze hun zonde inzien en er berouw over hebben! Dat is jullie taak!

[8] Ik ben niet gekomen om deze wereld te oordelen en te gronde te richten, maar om het verlorene te zoeken en het gevallene weer op te richten! Als dit nu duidelijk is voor jullie, ga dan heen en gedraag je zo!'

[9] Na deze woorden bogen beiden heel diep voor Mij en vroegen Mij of ze nog een paar dagen bij Mij mochten blijven.

[10] En Ik stond hen dat toe en zei: 'Toen Ik jullie daarnet zei, dat je meteen weer naar huis moest gaan, doelde Ik meer op de bereidwilligheid van jullie hart en haar begrip, dan op de wens dat jullie nu op dit ogenblik direkt hiervandaan naar Sichar zouden gaan; en dus kunnen jullie best die paar dagen die Ik hier nog bij Mijn vrienden zal doorbrengen, hier blijven.'

[11] Zeer voldaan over Mijn 'antwoord zeggen de beiden Mij dank en geven Mij eer, en Jonaël zegt in een diep bewogen gemoedstoestand: 'O aarde! Verouderde akker van onkruid, dorens en distels! Donker levens­graf, oude moeder van zonde en dood! Ben je wel waard dat de Heer, je God en Schepper, je met Zijn heilige voeten betreedt, je verpeste lucht inademt en je slechte vruchten eet?!

[12] Wij mensen, de dieren en de planten hebben geen waarde genoeg om door Hem ook maar bekeken te worden! Het is allemaal zuiver eindeloze genade en ontferming!

[13] Laat alles zich daarom verheffen en Hem altijd loven en prijzen!

[14] En sterren daarboven aan de hoge hemel, bedek je onheilige gezicht; want het is God, jullie schepper, waarop je vanaf jullie hoogte trots neerkijkt!

[15] O aarde, wat heb je bereikt?! Welke naam zul je krijgen -niet terwille van je zelf, maar door Hem die jij, zeer onwaardige, nu draagt?!

[16] Oh, hoe meer ik er over nadenk wie Degene is, Die hier bij zijn uitverkorenen verblijft, des te minder ruimte vind ik in mijn borst! Hoe zal die beperkte ruimte Hem in zich op kunnen nemen, waarvoor alle hemelen en engelen te klein zijn!?

[17] O heiligste tijd der tijden op deze aarde, waar Hij nu woont Die aan de zon en de maan het licht gaf en Die hen heeft voorgeschreven om de lange weg van Zijn liefde en wijsheid te volgen, en aan de aarde de tijd en dag en nacht te geven!

[18] Laat alles daarom de Heer der heerlijkheid uit alle hemelen loven; want geheel alleen aan Hem behoort alle prijs, alle eer, alle lof en alle liefde van de eeuwige oneindigheid!'

[19] De leerlingen, die deze uitroepen aanhoren, zeggen: 'Heer, hoort U niet hoe Jonaël U looft en prijst alsof de geest van David in hem gevaren is?!'

[20] Ik antwoord: 'Ik hoor zijn lof en dat bevalt Mij heel goed; maar van jullie heb Ik die nog nooit gekregen. Het zou jullie ook zeker geen kwaad doen als je eens goed bij jezelf overdacht, wie Degene is, Die nu met je spreekt! -Maar laten we nu wat gaan rusten, want het midden van de nacht is allang voorbij!'

[21] Na die woorden wordt het al gauw stil op de heuvel, en de meesten vallen in slaap; slechts Jonaël en Jaïruth verdiepen zich in allerlei beschouwingen en loven Mij in stilte.

 

 

204  Gelijkenis van de moeder met de twee zonen

 

[1] Als 's morgens de zonsopgang al zichtbaar wordt, wekt de engel van Jonaël en Jaïruth al degenen die nog slapen, en Kisjonah, die met zijn familie het dichtst bij Mij bivakkeerde, gaf snel zijn vrouwen zijn dochters evenals alle dienaren de opdracht om voor een goed morgenmaal te zorgen!

[2] Maar Ik zeg dan tegen de bezorgde Kisjonah: 'Doe jij dat vandaag maar niet, want weet je, we moeten broeder Baram uit Jesaïra ook eens een genoegen doen! Kijk eens daar aan zee! Daar vlak aan de oever ligt het vol geladen schip van Baram, en zijn zonen en dienaren zijn samen met hem bezig om de ochtendmaaltijd hierheen te brengen. Heb voor vandaag dus maar geen zorgen beste broeder; want het grote schip bevat ook nog een uitgebreid middag­ en avondmaal, benevens veertig zakken beste Griekse wijn.’

[3] ‘Ah', zegt Kisjonah, 'die zwijgzame Baram toch! Hij zei geen woord over wat hij van plan was; 's avonds verdween hij heel stilletjes; ik meen dat hij vlug na onze aankomst verdween, en nu is hij met een volgeladen schip terug! Hij moet een goede wind gehad hebben, anders zou hij naast het werk nog lang niet hier kunnen zijn; want met kwade wind moet je van hier naar Jesaïra een hele dag roeien.'

[4] Ik zeg: 'Geloof Mij broeder, wie goeds van plan is, zal steeds een goede wind hebben; wie echter slechts in de zin heeft, zal steeds een slechte wind hebben.

[5] Er waren eens twee broeders, die een moeder hadden die veel schatten bezat. Beiden hielden heel veel van hun moeder, en wel zodanig, dat de moeder niet kon vaststellen welke van de twee het meest van haar hield, zodat ze aan hem het grotere erfdeel kon geven. Maar alleen de ene hield echt van haar; de andere had het slechts voorzien op het grote erfdeel en daarom was hij zeer attent voor de moeder en was daarbij niet zelden de broer, die echt van zijn moeder hield, voor.

[6] Omdat de goede zoon zijn moeder echt liefhad, verdacht hij zijn broer niet in het minst en verheugde zich er alleen maar over als zijn broer de geliefde moeder een plezier deed. Zo ging dit dus enige jaren goed.

[7] Maar de moeder werd ouder en zwakker en riep de beide zonen bij zich en zei: 'Ik kom er niet achter wie van jullie beiden mij meer liefheeft, zodat ik hem het grotere erfdeel kan geven; daarom wil ik dat jullie na mijn sterven de erfenis gelijkelijk zullen verdelen!'

[8] Toen zei de goede zoon: 'Moeder, u heeft ervoor gezorgd dat ik heb leren werken en ik kan net zoveel brood verdienen als ik nodig heb; maar ik zal God met mijn gehele hart smeken dat Hij u net zo lang laat leven als ik leef, en dat u uw schat voor het welzijn van het hele huis beheren kunt! Want zonder u zou de erfenis mij kwellen en mij altijd treurig maken zo vaak ik er naar zou kijken. Liefste moeder, houd u dus de erfenis en geef hem aan wie u maar wilt! Voor mij is uw hart de beste erfenis; dat God het lang in leven moge houden!'

[9] Toen de moeder deze taal van haar goede zoon met een ontroerd hart aangehoord had, sprak zij, terwijl zij niet liet merken wat zij dacht: 'Beste zoon, je bekentenis doet mij welontzaglijk veel plezier, maar dat is nog geen reden om jouw erfenis aan een vreemde weg te geven. Als jij er geen deel van wilt hebben, dan moet je broer de gehele erfenis na mijn dood nemen, en jij moet hem dienen en je brood in het zweet van je aanschijn verdienen!'

[10] De goede zoon antwoordt: 'Liefste moeder, als ik dienen en werken zal, dan zal mijn hart toch steeds zeer dankbaar aan u denken en zeggen: 'Zie, zo heeft je lieve tedere moeder je werken geleerd!' Maar als ik de erfenis had, dan zou ik uiteindelijk werkschuw worden en mij in het nutteloze leven van de weelde storten en tenslotte zelfs u nog vergeten! Daarom wil ik uw verworven geldschat niet, waarop niet uw hart staat afgebeeld, maar die slechts de macht van de keizer weergeeft; maar ik wil datgene wat ik uit uw hart heb meegekregen, dat draagt ook haar afdruk en heeft een onwrikbare plaats in mijn hart. En daarom is deze erfenis die u, lieve moeder, mij al vanaf de wieg rijkelijk hebt gegeven, en waardoor ik al veel goeds en kostbaars heb gekregen, onbeschrijflijk veel beter dan degene, die u zich met het werk en de moeite van uw handen heeft verworven! Bij het zien ervan zou ik alleen maar droevig worden, omdat ik er steeds bij zou moeten denken: 'Kijk, dat heeft je geliefde moeder zoveel moeite en werk gekost; misschien heeft ze wel vaak van pijn gehuild om jou een erfenis te bezorgen!' Wel, liefste moeder , omdat ik zoveel van u houd, zou ik dan toch onmogelijk vrolijk kunnen zijn!'

[11] De tot tranen toe bewogen moeder roept de andere zoon en zegt tegen hem, hoe zijn broer er over denkt, en wat hij wil.

[12] Deze antwoordt dan: 'Ik heb altijd wel gedacht dat broer weliswaar een edel mens, maar op bepaalde punten een zonderling is! Dan ben ik toch een heel ander mens! Net zo veel als ik u eer en acht, lieve moeder, net zo zeer acht ik ook alles wat u mij geven wilt en zult, en ik neem daarom de gehele erfenis met een van dank vervuld hart aan, en de diensten die mijn broer mij wil verlenen zullen niet onbeloond blijven. Als u dat echter wilt, lieve moeder, dan zoudt u mij alvast de halve erfenis kunnen geven, zodat ik een stuk grond kan kopen en een vrouw neem?!'

[13] De moeder zegt wat weemoedig na het antwoord van haar tweede zoon: 'Het blijft bij wat ik gezegd heb! Je krijgt pas na mijn dood je erfenis!'

[14] Toen werd de tweede zoon bedroefd en ging naar buiten.

[15] Maar na een jaar werd de moeder erg ziek, en toen de beide zoons op het veld werkten, kwam een maagd en riep de beiden bij de moeder opdat de waardigste volgens de wil van de moeder de zegen van haar zou krijgen.

[16] De goede zoon werd toen zeer bedroefd en bad onderweg luid tot God of Hij het leven van zijn moeder zou willen behouden.

[17] De slechte zoon ergerde zich echter daaraan en zei tegen de biddende broer: 'Wil je dan werkelijk met je gebed de natuur de wet voorschrijven?! Wie eenmaal zover is, hetzij vader, moeder, broer of zuster, moet sterven; en daar helpt geen smeken en bidden tegen! Daarom is mijn lijfspreuk: Wat God wil, daar ben ik het mee eens!'

[18] De goede broeder werd toen nog treuriger en bad nog inniger voor het leven van zijn moeder .

[19] Toen zij in de kamer kwamen waar de moeder ziek lag, zei de slechte zoon: 'Ik wist wel, dat u niet zo vlug dood gaat!' -En hij begon haar toen ervan te overtuigen dat ze niet bang moest zijn voor de dood!

 [20] Maar de goede zoon weende en bad hardop. God verhoorde het zuchten van de goede zoon, stuurde een engel naar het bed van de zieke moeder, en deze genas haar volkomen.

[21] Weldra stond de moeder van het bed op daar ze merkte dat een hogere macht haar de gezondheid had weergegeven. En toen ze begon te lopen en merkte hoeveel kracht ze in haar voeten had, zei zij: 'Dat heb ik te danken aan het vurig gebed van die zoon, die het aangeboden erfdeel uit echte liefde voor mij niet aannam! Waarlijk, ik zeg je, liefste zoon: Omdat jij uit echte liefde voor mij niets wilde hebben, daarom krijg je nu alles; wat van mij is, is nu ook van jou! Maar jij, die alleen maar terwille van de erfenis van mij hield, en hartstochtelijk op mijn einde zit te wachten omdat ik zo goed was om je alles te laten erven, jij krijgt nu niets en zult voor altijd een knecht van de mensen zijn!'

[22] Beoordeel deze gelijkenis nu eens! Wat denken jullie nu, wie van de beide zonen had de goede wind?'

[23] De leerlingen antwoorden: 'Duidelijk degene, die zijn moeder echt liefhad!'

[24] Ik zeg: 'Heel goed geantwoord! Maar Ik zeg jullie: Net zoals deze moeder deed, zo zal de Vader in de hemel ook eenmaal doen!

[25] Wie Mij niet liefheeft terwille van Mijzelf, die komt niet daar waar Ik zal zijn!

[26] De mens moet God zonder winstbejag liefhebben, net zoals God hem liefheeft, anders is hij God geheelonwaardig!'

 

 

205  De liefde neemt

 

[1] Ahab zegt: 'Dat is een grote en diepe waarheid; maar toch zou ik daar aan toe willen voegen, dat in ieder geval bij de mensen een belangeloze liefde niet mogelijk is; want omdat ik speciaal over de liefde veel nagedacht heb, is het mij opgevallen, dat ook al is de liefde nog zo zuiver, ze toch altijd meer of minder steelt.

[2] Kijk, ik houd beslist zo veel van U, als een mens U maar liefhebben kan; ja, als dat mogelijk was, dan zou ik U uit pure liefde geheel in mij op willen nemen -en in mijn hart op willen sluiten!

[3] Maar dan vraag ik mijzelf af, of ik dat voor iemand anders, die mij geheelonverschillig is, ook kan voelen!? - Waarom niet? Waarom voel ik het dan wel bij U?! - Het antwoord hierop geeft het onderwerp zelf!

[4] Ik weet wie U bent, en weet wat U kunt, en weet nu ook wat ik door U en door het volgen van Uw leer bereiken kan, - en dat is dan ook de onbetwistbare reden van mijn vurige liefde voor U. Want als U niet Diegene was, Die U bent, dan zou mijn liefde voor U ook aanmerkelijk geringer zijn. Ik heb in U en voor U dus een overgroot interesse, en daarom wil ik U en houd ik van U!

[5] Ik wil niet beweren dat ik van U houd vanwege een bijzonder voordeel -want ik laat alles in de wereld terwille van de liefde voor U in de steek -; maar toch steelt mijn liefde hier iets op een speciale manier; want ze grijpt naar U omdat ze U meer acht dan de hele wereld!

[6] De geest van de liefde wordt steeds beïnvloed door de grotere materiële of geestelijke waarde. De koopman, die parels zocht, verkocht alles en kocht de grote parel die hij gevonden had! Waarom dan? Omdat zij veel meer waard was dan alles wat hij daarvoor bezat! En dat is weliswaar een edel belang; maar het is en blijft toch een belang, en zeker bij de mens is er zonder dat geen liefde! En wie mij iets wijs wil maken over een ongeïnteresseerde liefde, die misschien hoogstens in God kan voor­komen, tegen zo iemand zeg ik: 'Vriend, je kunt heel wijs zijn, maar over het onderwerp liefde heb je nog nooit diep nagedacht!'

[7] Ja, de goddelijke echte liefde onderscheidt zich overduidelijk van de liefde van de hel, doordat de goddelijke liefde weliswaar ook iets pakt, net als die van de hel, maar daarna geeft ze alles weer terug! Ze verzamelt slechts om het weer terug te geven, terwijl de helse liefde alleen maar zelfzuchtig neemt en niets terug wil geven.

[8] Als wij ons echter de hemelse liefde eigen maken, dan weten wij dat we daarmee nooit verlies of schade kunnen lijden, maar slechts in alle opzichten steeds meer kunnen winnen als we meer geven.

[9] Zo lijken wij op een kuil die in de grond gegraven wordt; hoe meer grond er uit gaat, des te groter wordt de inwendige ruimte voor de opname van het licht en de hemelse lucht. Heer, volgens mij heb ik geen ongelijk; wat zegt Uw oneindig hogere wijsheid daarover?'

[10] Ik zeg: 'Alleen maar, dat je geheel gelijk hebt; want als de liefde niets nam, hoe dan ook, dan was het geen liefde; want alle liefde eist en wil hebben.

[11] Maar het doel van het willen hebben maakt, dat er een bodemloze afgrond ligt, die hemel en hel voor eeuwig van elkaar scheidt!

[12] Nu brengen Barams mensen echter al de ochtendmaaltijd; daarom willen we omdat we urenlang voor de geest zorgden, ook een paar ogenblikken aandacht hebben voor het hongerige lichaam.’

[13] Baram brengt Mij op een gouden schotel een kostelijke en zeer goed klaargemaakte vis en een volle beker met wijn en vraagt Mij, om hem de genade waardig te achten van hem en uit zijn hand het morgenmaal te ontvangen.

[14] En Ik zeg tegen hem: 'Voor deze daad zul je beloond worden, want je doet al deze moeite uit liefde voor Mij en uit een even grote liefde voor broeder Kisjonah, waar je medelijden mee had omdat je bij jezelf dacht, dat het voor broeder Kisjonah in het verloop van verscheidene dagen toch wel wat moeilijk moest vallen om enige honderden gasten van al het nodige te voorzien.

[15] Ik zeg je: Kisjonah heeft echt nog geen nood, want in tien jaar maken wij met z'n allen zijn voorraden niet op. Maar omdat jij in jouw hart dacht dat Kisjonah tenslotte zonder voorraad zou komen te zitten, en jij hem daarom van zo ver te hulp komt, daarom zal jouw loon ook net zo groot zijn als wanneer je dit voor een arm mens gedaan zou hebben. Want God kijkt alleen maar naar het hart van de gever.

[16] Maar kom nu ook bij Mij zitten en eet met mij en broeder Kisjonah van één schotel; want de vis is zo groot dat drie mensen er meer dan genoeg aan hebben!' -Baram deed dat, evenals Kisjonah.

[17] En zo vangt het morgenmaal aan bij volle zonsopgang en duurt ongeveer twee uur; want de maaltijd was met de vis nog lang niet aan zijn eind, na de vis volgden nog tal van verfrissingen.

 

 

206  Het dode lichaam

 

[I] Het behoeft wel nauwelijks vermeld te worden, dat tijdens deze ochtendmaaltijd iedereen bijzonder vrolijk werd en zeer spraakzaam; want de wijn maakte alle tongen goed los. Zelfs Jonaël en Jaïruth werden heel opgewekt en vroegen Mij zelfs, of Ik hen in zo'n vrolijke stemming ook naar Sichar terug wilde laten gaan! En Ik stond hen toe bij hun afscheid in zo'n opgewekte stemming te zijn.

[2] Toen zeiden ze: 'Heer, dat U ons dat toestaat is wel goed, omdat we dan niet zondigen als we blij zijn; maar het is wel zeer de vraag of we vrolijk kunnen zijn!'

[3] Ik antwoord: 'Nu ja, je zou het moeten zijn -en je zult het zijn!'

[4] Maar hun engel trok een beetje droevig gezicht bij die belofte. Jonaël merkte dat en vroeg Mij naar de reden daarvan.

[5] En Ik zei: 'Omdat de engel maar al te goed weet, dat tussen een grote opgewektheid en de zonde, maar een heel kleine en smalle ruimte zit! Hij ziet al van te voren de moeite die hij zal hebben om jullie bij het naar huis gaan voor de zonde te bewaren, en daarom ziet hij er een beetje droevig uit. Geef hem ook wat wijn te drinken; misschien wordt hij daardoor wat opgewekter!'

[6] Daarop reikt Jonaël de engel een volle beker wijn, deze neemt de beker en drinkt hem helemaal leeg, waarover beiden zich erg verbaasden; want dat hadden ze hem nog nooit zien doen.

[7] Maar de engel zei: 'Ik ben nu toch al een hele tijd bij u; waarom geeft u mij thuis dan nooit een beker wijn?'

[8] Jonaël zegt: 'We hadden niet eens kunnen dromen, dat een engel op aarde het een of andere voedsel zou gebruiken?!'

[9] 'Vreemd!', zegt de engel. 'U heeft toch gezien, dat de Heer van alle hemelen ook at en dronk, en Hij is toch de hoogste en volkomenste geest; waarom zouden wij engelen, nu wij ook een lichaam gebruiken moeten om u in de materie te dienen, niet eten en drinken?!

[10] Als u mij ook een stukje vis en wat brood geeft, dan zult u meteen zien dat ik niet alleen drinken, maar ook behoorlijk goed eten kan; want waar de Heer aardse spijzen gebruikt, daar doen de engelen dat ook.'

[11] En Jonaël geeft de engel een hele vis en een goed stuk brood, en de engel pakt alles aan en eet het op.

[12] Nadat de engel aan de beiden getoond had dat een geest ook best in staat is stoffelijk voedsel te gebruiken, vraagt Jonaël aan hem, hoe dat nu mogelijk was, omdat hij in de aard van de zaak toch een geest was.

[13] De engel zegt: 'Heeft u wel eens een dood mens zien eten en drinken?' Jonaël zegt: 'Zoiets heeft nog niemand gezien.'

[14] De engel zegt: 'Als een zielloos en geesteloos lichaam, dat op zichzelf bijna geheel uit materie bestaat, geen eten tot zich neemt en ook niet nemen kan, dan moet het toch de ziel en de levensgeest in dit lichaam zijn die het voedsel opneemt. Omdat het lichaam niets anders is dan een handlanger van de ziel en voor zichzelf geen voedsel nodig heeft, daarom is het dus de ziel en haar geest die zolang het voedsel van de aarde gebruikt als ze haar lichaam bewoont, en het in stand houdt doordat ze het haar afval laat eten! Want het lichaam wordt gevoed door het afval van de ziel.

[15] Maar als dus in de materiële mens slechts de ziel, zolang ze in het lichaam woont, het voedsel van de aarde gebruikt, dan mag ik als ziel en geest, zolang ik mijn voeten op deze aarde zet om u te kunnen dienen, en daarvoor een bepaald soort uit luchtmaterie geschapen lichaam heb, toch ook wel aards voedsel tot mij nemen?! -Wat dunkt u?'

 

 

207  Het echte vasten

 

[1] Zowel de beiden als ook veel anderen die meegeluisterd hebben naar de uitleg van de engel, zijn heel verbaasd, en Petrus vraagt aan Mij: 'Heer, is dat waar, wat de dienaar van Jonaël nu verteld heeft? Dat klinkt toch wel een beetje te vreemd! Hoe kan een lichaam gevoed worden met het afval van de ziel!? Heeft de ziel dan ook een maag en uiteindelijk zelfs een anus?'

[2] Ik antwoord: 'De engel heeft volledig de waarheid gezegd; het is zo. Daarom wordt de ziel zelf door zwelgen en brassen zinnelijk en stoffelijk; zij wordt overladen, en het lichaam kan niet alle afval van de ziel opnemen, en het gevolg is dat het afval in de ziel blijft. Dat bedrukt en beangstigt haar zo, dat zij alle middelen en wegen zoekt om het te veelopgehoopte afval te laten verdwijnen. En die wegen bestaan dan uit allerlei ontucht, hoererij, overspel en nog meer van die zaken.

[3] Maar omdat de ziel daarvan een zekere lustprikkel ondervindt, wordt ze vervolgens steeds wellustiger en wellustiger en richt zich daarna nog meer op het zwelgen en brassen, en ze wordt uiteindelijk geheel zinnelijk en in geestelijke levenszaken volkomen duister, daardoor hard, gevoelloos en tenslotte slecht, trots en hoogmoedig.

[4] Wanneer zo'n ziel haar geestelijke waarde op grond van de nu aangegeven levenswijze heeft verloren en ook noodzakelijk moest verliezen, en daardoor geestelijk dood is gegaan, begint zij letterlijk uit haar afval een troon op te richten, en tenslotte stelt ze er een eer in en denkt dat ze aanzien heeft vanwege haar grote hoeveelheid afval.

[5] Ik zeg jullie: Alle mensen, die in deze wereld een welgevallen hebben aan wat hun zinnelijkheid prettig vindt, zitten als ziel tot over hun oren en ogen in het dikke afval en zijn daarom geestelijk doof en blind en willen niet meer zien en horen en begrijpen, wat hen zou kunnen helpen.

[6] Wees daarom altijd matig met het eten en drinken, opdat jullie ziel niet ziek wordt en te gronde gaat in haar afval!'

[7] Petrus trekt een zeer bedenkelijk gezicht en zegt: 'Heer, als dat zo is, waar geen twijfel aan bestaat, dan kan men dus beter vasten dan eten?'

[8] Ik antwoord: 'Wie op de juiste tijd vast, handelt beter dan degene, die altijd zwelgt en brast; maar toch is er verschil tussen vasten en vasten! Het hele echte vasten bestaat daaruit, dat men zich onthoudt van alle zonden en dat men zich ten opzichte van alle wereldse dingen uit alle kracht zelf verloochent, zijn kruis op zich neemt en op deze wijze Mij navolgt, zonder met het eten en drinken angstig te zijn, maar ook zonder meer te gebruiken dan noodzakelijk is en te gaan zwelgen; al het andere vasten heeft weinig of geen zin.

[9] Want er zijn mensen, die door een bepaalde kastijding van hun lichaam de geestenwereld willen binnendringen en dan met hun krachten de natuur willen bedwingen; dat is niet alleen helemaal onnut voor de ziel, maar ook erg schadelijk. De ziel valt dan als een halfrijpe vrucht van de boom des levens, terwijl de levenskern altijd verrot, leeg, doof en dus dood is.

[10] Zulk kastijden en vasten is dus geen deugd, maar een buitengewoon grove zonde!

[11] Wie daarom volgens de ware orde wil leven, moet net zo leven als Ik leef en leer om te leven, dan zal ook hij de vrucht des levens in zich tot bloei zien komen en rijp zien worden. Daarin zal zich geen dode, maar een geheel levende kern vormen voor het enige eeuwige leven in de geest en deze zal zich ordelijk en voorspoedig ontwikkelen tot een heel levend zelfbewustzijn. Nu weten jullie ook in dit opzicht wat er geheel volgens de goddelijke ordening gedaan moet worden; doe dat, dan zullen jullie het leven in je hebben!            .

[12] Maar nu beginnen de zonnestralen meer en meer aan kracht te winnen; daarom trekken wij ons van deze heuvel terug in de schaduwrijke tuin, en Matthéus, jij als Mijn schrijver kunt nu je schrijfvellen ordenen en de aantekeningen van het gebeurde en het geleerde op een wat completere manier opschrijven. Maar wij gaan nu wat rusten!'

 

 

208  Aardbeven, storm en onweer

 

[1] Wij verlaten daarop de heuvel en begeven ons onder de schaduwrijke bomen, Er was een mooie zodenbank onder een wijdvertakte vijgenboom; daar ging Ik zitten en sliep in; en alle anderen in Mijn omgeving, zelfs Maria, gingen ook zitten en vielen in slaap, Alleen Jonaël, Jaïruth en Matthéus zaten aan een tuintafel, waar Matthéus zijn schrijfvellen begon te ordenen en de engel van Jonaël en Jaïruth hem nog op een aantal onvolkomenheden wees,

[2] Tegen de middag bemerkte Baram, die zich intussen met Kisjonah op het schip bevond, dat zich in westelijke richting bijzonder zware onweerswolken boven de horizon begonnen samen te pakken en dat de waterspiegel steeds gladder en gladder werd, wat een zeker teken was dat er heel snel een verschrikkelijk onweer vergezeld door een aardbeving op komst was,

[3] Daarop liet Baram alle etenswaren uit het schip halen en het schip zo vast mogelijk aan de oever vastleggen; en nauwelijks was Baram met dat werk klaar, of men zag de zee al in de verte tot een ongelofelijke hoogte oprijzen!

[ 4] Toen zei Kisjonah: 'We zullen de Heer en Zijn leerlingen moeten wekken; want als het water zo hoog is, zo hoog als ik nog nooit eerder gezien heb, dan kon de zee wel eens de hele tuin overstromen, en daarbij zouden de slapenden toch meer of minder letsel kunnen oplopen! Het is ook nog mogelijk dat het schip helemaal op de oever geslingerd wordt,'

[5] Baram zegt: ' Ja, vriend, als de Heer dit keer de storm niet aan banden legt, dan zou hij wel eens onnoemelijk veel schade aan kunnen richten! Maar ik vertrouw op de Heer; Hij zal ons beslist niet te gronde laten gaan! En ik geloof, dat zolang Hij rustig slaapt, wij van de komende storm, die in weinige ogenblikken hier zal zijn, weinig of niets te vrezen hebben; maar laten we toch vlug naar Hem toegaan en Hem op de komende storm opmerkzaam maken!'

[6] Vervolgens snellen de twee samen met de scheepsbemanning naar Mij toe en proberen Mij te wekken; maar Ik ontwaak niet, want daar had Ik een goede reden voor, en de engel komt naar hen toe en zegt: 'Laat Hem rusten en wek Hem niet; want Hij slaapt juist vanwege deze noodzakelijke storm! Uit wat er direkt gaat gebeuren zal blijken wat de reden voor deze storm was!'

[7] Kisjonah zegt: 'Maar wat moeten we dan, als de huizenhoge golven van de zee in een razende vloed zelfs over mijn tuin zullen spoelen?!'

[8] De engel zegt: 'Wees over andere dingen bezorgd! Denkt u dan, dat de Heer, hoewel Hij schijnbaar slaapt, niets van deze storm afweet?! Kijk! Zo wil Hij het, en daarom gebeurt het zo! Wees dus kalm!'

[9] Kisjonah vraagt: 'Ken je de reden?' De engel antwoordt: 'Ook als ik het wist, dan mocht ik het u toch niet zeggen voordat de Heer dat wil; vraag dus niets meer en wees kalm, zonder vrees en angst; wat komt zal u allen de ogen openen!

[10] Na deze woorden van de engel, die daarop heel rustig Matthéus hielp zijn vellen op de juiste manier te ordenen~ werd Kisjonah kalm, en Baram zei: 'Ik moet je openlijk bekennen, dat ik, zolang ik leef, nooit een dreigender storm gezien heb dan deze, die nu ieder ogenblik schijnt los te zullen barsten; maar ik heb ook nog nooit onverschilliger en met minder vrees naar een storm als deze gekeken! Kijk daar! Het is bij matige wind nauwelijks nog een kwartier varen vanaf de inham hier, die je ook gemakkelijk binnen die tijd kunt roeien! De storm moet in een paar ogenblikken hier zijn!

[11] Maar let op, die verschrikkelijke golven bewegen in de lengterichting van de zee, zoals ik al zei, een kwartier bulten de inham recht in de richting van Sibarah, en lijken op drijvende bergen die elk ogenblik door duizend bliksems verpletterd worden! En toch is de inham nog zo rustig, dat je moeiteloos zowel de rand van de storm als de oever duidelijk kunt zien, dat is beslist een zeer zeldzaam verschijnsel! Je zult me moeten toegeven: Als je met een heel rustig gemoed daarnaar kunt kijken dan is dat in volle ernst een zeldzaam, uitermate verheven en prachtig gezicht, Maar diegenen, die zich mogelijkerwijs buiten op de hoge zee bevinden, zal het wel anders te moede zijn -dan ons hier aan de spiegelgladde inham.

[12] In het geheel zal het toch nog wel een half uurtje zijn tot aan de afgrijselijk uitziende stormrand, en toch komt het dreun~n van de,donder machtig hierheen gerold! Daar aan de stormrand moet je er beslist doof van worden! Nu voel ik ook een behoorlijke aardschok! Merk jij daar niets van?

[13] Kisjonah zegt: “O ja, dat wilde ik daarnet reeds aan je duidelijk maken; maar dat mijn inham bij dat alles nog zo zeldzaam rustig blijft, dat is een buitengewoon wonder! Want ik weet maar al te goed,  wat voor een heilloos spektakel hier kan ontstaan als het eenmaal begint, Maar het water is binnen en een behoorlijk stuk buiten de inham nog steeds volkomen rustig, Maar let eens op, het beven van de aarde wordt heviger! Als de huizen er maar niet door beschadigd worden! Nu ontdek ik ook al heel merkwaardige kringbewegingen in de inham, en ook buiten de inham begint de springvloed al zichtbaar te worden; het zal nu met lang meer op zich laten wachten! Nu, in de naam van de Heer! Er kan ons niets ergers overkomen, dan dat we ons aardse leven er bij inschieten, en laat dan nu maar gebeuren wat er moet gebeuren; de Heer en Zijn engel zijn toch bij ons! Maar het is een schrikwekkend gezicht! De Heer zij alle zondaren genadig en barmhartig!'

[14] Nu wordt ook de inham onrustig, Harde windstoten gieren door de bomen, en talloze bliksemschichten schieten door de inktzwarte wolken, Met onvoorstelbaar hard gekraak ontladen er zich verscheidene in de inham en veroorzaken daar een heftig naar alle kanten bruisend schuim; maar geen regendruppel valt nog uit de gloeiende wolk. Er slaat een bliksem in de heuvel waar wij de nacht doorgebracht hebben; het oorverdovende gekraak van de bliksem wekt allen uit hun rustige slaap, behalve Mij.

[15] Als de velen, die nu ontwaakt zijn, zo'n onvoorstelbaar geraas en zo'n storm der stormen boven zich zien en helemaal wakker worden door tien bliksems, die gelijktijdig in de oever slaan, komen ze vlug overeind, en de apostelen lopen vlug naar Mij toe en wekken Mij met veel angstgehuil!

[16] En Judas zegt helemaal opgewonden: 'Maar Heer! Hoe kunt U toch slapen in deze storm van de elementen?! De bliksem regent uit de hemel! Wie is hier ook maar een ogenblik veilig voor de dood? Help, Heer, anders wordt de gehele aarde verwoest!'

[17] Ik zeg: 'Ben je al door een bliksem getroffen?' Judas zegt: 'Tot nu toe zo gezien nog niet; maar wat tot nu toe nog niet gebeurde, dat kan met deze storm toch wel heel gemakkelijk gebeuren! Dus praat ik alleen nog maar zo lang ik in leven ben; de volgende bliksem kan mij wel voor altijd het spreken beletten!'

[18] Terwijl Judas dit nog zegt, rolt de vloedgolf met ontzettend gedreun en lawaai de inham in; en omdat de vloed schijnbaar verscheidene vademen hoger is dan onze standplaats in de tuin, beginnen alle leerlingen te schreeuwen, en een paar vluchten zelfs op de dichtstbijzijnde heuvel, waar ze echter snel door de duizenden bliksemflitsen vanaf gedreven worden. 'Heer, help ons, als U kunt en wilt, - anders overleven we het niet!', schreeuwen nu honderden. Alleen Matthéus, Jaïruth, Jonaël en hun engel laten zich niet in de war brengen en zijn bijna met hun werk klaar .

[19] Ditmaal stop Ik de storm voor wat betreft zijn blinde huilen en woeden echter niet, maar Iaat hem zijn gang gaan; alleen mag hij niet de geringste schade veroorzaken!

 

 

209  Het doel van de storm

 

[I] Maar Petrus komt bij Mij staan en zegt heimelijk tegen Mij: 'Heer, heeft de geest van de Vader in U zich zo van U verwijderd, dat U nu niet in staat bent, om deze storm meester te worden? Probeer toch, als het U mogelijk is, om deze storm te laten bedaren!' Ik zeg: 'Er is een wijze reden voor, waarom deze storm, die niet lang meer zal duren, uit moet razen! Als je echter daaraan twijfelt, weet dan dat er tien vijandelijke vaartuigen op zee zijn om ons te achtervolgen en ons allemaal gevangen te nemen en te vernietigen! Deze storm doet echter met hen, wat zij met ons wilden doen. Als dat zo is, waarom vraag je Mij dan en verlang je, dat Ik deze storm, die nodig is voor ons voorlopig noodzakelijke heil, zal laten bedaren? Laat hem helemaal uitrazen, totdat het doel waarvoor hij ontstaan is geheel bereikt is, dan zal hij wel op een heel prettige manier eindigen! Kijk daar eens en zeg Mij dan, wat de huizenhoge golven van de zee, net als kwaadaardige en baldadige kinderen met hun rondslin­gerende speelgoed, op hun woedende ruggen heen en weer en omhoog en omlaag slingeren!'

 [2] Petrus kijkt onderzoekend naar het met stormachtige hoge golven bedekte oppervlak van de zee en ziet maar al te gauw verscheidene scheepswrakken en een wat minder beschadigd heel schip, die allemaal, schip en wrakken, door de machtige golven als kaf door elkaar gegooid worden; ook ziet hij een paar mensen, die, zich vastklemmend aan losse wrakstukken, met hun laatste krachten proberen aan de oever te komen, en door de opeenvolgende golven voortdurend bedolven en bij tijden omhoog geslingerd worden.

[3] Terwijl Petrus een poosje naar deze taferelen kijkt, zegt hij tegen Mij: 'Heer, vergeef het mij; maar U weet dat ik nog steeds een zondig mens ben en U daarom met een echte oerdomme vraag lastig heb gevallen; maar nu is mij alles duidelijk! De slechte Farizeeën uit Jesaïra hebben in Jeruzalem hulp gehaald; tien schepen met Romeinse soldaten werden uitgerust om ons hier gevangen te nemen. Zij moesten over het water hierheen komen, omdat ze moeilijk over land hier naar Kis (dit is de naam van de plaats, die geheel aan Kisjonah toebehoorde) konden komen, en nu hebben ze voor hun moeite het welverdiende loon gekregen! Zij zullen ons wel niets meer doen, en zoals ik aan de richting van de golven zie, zullen de schepen die schipbreuk hebben geleden, met de wrakken naar Sibarah drijven waar veel rotsen zijn, waar het bij deze nooit gehoorde en nooit geziene woedende storm voor iemand heel moeilijk zal zijn het er levend af te brengen! Oh, dat is buitengewoon goed dat deze slechte overspelige soort eens in zo'n oordeel terechtgekomen is! Dit voorval zou er wel eens veel toe kunnen bijdragen de Farizeeën alle verdere moed te ontnemen om tegen U op te staan!'

[4] Ik zeg: 'De satan Iaat zich duizendmaal duizend keer op de mond slaan, maar blijft na duizendmaal duizend slagen toch altijd dezelfde, allergrootste vijand van God en van al het goede en ware, dat afkomstig is van de geest van God. Degenen die nu dood op zee ronddrijven, zullen ons wel niets meer doen; maar voor hen staan er weer anderen op en die zullen het voor ons noodzakelijk maken om rn de steden van de Grieken de wijk te nemen, en tot dat moment zullen er echt niet zo veel weken voorbij gaan!'

[5] Petrus zegt: 'Heer zullen we zolang wij hier zijn, wel rust hebben?'

[6] Ja, ja, dat zeker', zeg Ik, 'maar er wonen op aarde nog veel mensen en volkeren, die het evangelie net zo nodig hebben als jullie, en zij zijn geschapen door de Vader, Die ook jullie geschapen heeft! Ondanks alle vervolgingen die ons nog wachten, moeten wij naar hen toe gaan en het goede bericht uit de hemel brengen! Zij zullen ons weliswaar ook vervolgen; maar in de loop der tijd zich toch bekeren en als lammeren in onze schapenstal hun intrek nemen!

[7] Wij zijn goed, en de wereld is slecht; dus kunnen we van haar ook niets goeds verwachten -behalve zo hier en daar een zoete aardbei tussen het overheersende onkruid! Maar kijk, de storm gaat zo zoetjes aan liggen, en alle gevaar is voor deze keer voorbij!'

[8] Dan zeg Ik tegen Baram: 'Vriend, de storm gaat liggen; de middag is met de storm voorbij gegaan, laten we dus het middagmaal gebruiken opdat we sterk genoeg zijn voor het werk van vanmiddag.’

[9] Het lijkt Mij niet noodzakelijk om het middagmaal verder te be­schrijven, en de uitwerking van de voorgaande grote storm nog meer te belichten, vooral wat betreft de tien schepen; het is voldoende te weten, dat er van de duizend mensen, die op de schepen waren, maar vijf overleefden; alle anderen werden een prooi van de zee, en op de klippen van Sibarah vond men nog na jaar en dag vergane en door de vissen afgeknaagde geraamtes en tevens een massa van allerlei Romeinse wapens en kettingen, die voor Mij en Mijn leerlingen bestemd waren.

[10] Het behoeft wel nauwelijks nader vermeld te worden dat deze storm zowel bij de Farizeeën als bij de Romeinen, vooral in Kapérnaum en in Nazareth, een zeer deemoedigende uitwerking had; en Ik had een paar weken rust met degenen die bij Mij waren.

[11] Na het middagmaal werd er op deze dag weinig belangrijks meer gedaan, en de leerlingen gingen daarom met de vissers van Kisjonah de zee op en trokken tot aan de avond vijf maal het net vol met de voortreffelijkste vissen die deze zee voortbracht, en brachten ze in de visbewaarplaats van Kisjonah, die daar echt blij mee was, en voor de avond moesten er meteen zo'n honderd stuks met allerlei specerijen en allerlei goede kruiden klaargemaakt worden. En zo eindigden we deze dag, en na het avondmaal rustte iedereen goed uit, want dat had men wel nodig.

 

 

210 Uitstapje naar Kana in het dal

 

[1] De volgende dag maakten wij, watje zou kunnen noemen, een uitstapje in een dal, dat precies tussen de beide bergketens in lag in de richting van Samaria, door welk dal tevens een hoofdweg naar Damascus liep en van daaruit verder naar alle kleine en grote plaatsen van Midden Azië, hetgeen dan ook de reden was dat de tol van Kisjonah in het plaatsje Kis een van de meest winstgevende van heel Galiléa was.

[2] In dit dal lagen natuurlijk een groot aantal kleine plaatsjes, waar veel Joden en Grieken woonden die voornamelijk handel dreven. Het dichtst bij Kis, ongeveer twee uur lopen het dal in, lag een plaatsje, dat ook Kana heette, waarom men dan ook ter onderscheiding voor Kana in de buurt van Nazareth het achtervoegsel 'in Galiléa' gebruikte; als men alleen 'Kana' zei, dan begreep men daaronder het tweede Kana in het dal, dat al in het gebied van Samaria lag, waarom dan ook in Kis, de grensplaats tussen Galiléa en Samaria, de grote tol aan de grens was.

[3] Dit Kana werd voornamelijk door Grieken bewoond, want op iedere Joodse familie waren er wel vijf Griekse families; de Joden leefden merendeels van akkerbouw en veeteelt, terwijl de Grieken zich alleen met de handel bezighielden.

[4] We bezochten dus dit Kana, en speciaal de daar wonende Joden, waarvan een deel vaak erg bedrogen werd door de slimme en listige Grieken en die, als eigenaars van het land en de grond bijna alleen alle belastingen en andere lasten moesten dragen en daarom ook vaak uit boosheid en droefheid ziek of ziekelijk waren.

[5] Toen wij in Kana kwamen, en zowel Joden als Grieken Kisjonah die zij allen goed kenden, zagen, kwamen ze snel naar hem toegelopen: begroetten hem en vroegen hem geduld met hen te hebben, want zowel Joden als Grieken waren hem grote sommen geld schuldig.

[6] Maar Kisjonah zei: ' Als ik wat van jullie had willen eisen, dan hoefde ik niet zelf hierheen te komen, maar dan zou ik mijn knechten wel gestuurd hebben; ik kom echter om jullie een grote troost te bereiden door wat ik jullie allen hier nu in het openbaar mededeel: Jullie schuld aan mij is meer dan voldoende betaald, want mijn en jullie Heer heeft ze betaald en mij volledig voldaan, en jullie kunnen daarom nu zonder verdere zorgen vrolijk zijn.'

[7] Als de bewoners van Kana dat horen, zijn ze zo uitermate verheugd, dat ze beslist willen weten, wie en waar deze heer is, die hen zo'n grote weldaad en genade heeft bewezen, want ze willen naar hem toe en hem danken en eren!

[8] Terwijl Kisjonah zijn hand op Mijn schouder legt, zegt hij: 'Dit is Hij, buig voor Hem je knie!'

[9] Hierop vallen ze allen voor Mij op hun knieën en aangezichten en roepen: 'Heil aan u, gij volledig onbekende weldoener! Wat voor goeds en vriendelijks hebben wij u dan ooit gedaan, dat u zich over onze grote ellende wilde ontfermen?! En omdat u, een geheelonbekende heer en weldoener, ons een nog nooit gehoorde grote genade hebt bewezen, vragen wij allen wat wij voor u kunnen doen, zodat wij de gelegenheid hebben ons uw genade wat meer waard te tonen dan waartoe we nu als volkomen vreemdelingen voor u, in staat zijn!'

[10] Ik antwoord: 'Wees vanaf heden in alle dingen rechtvaardig; heb God boven alles lief en uw medemensen als li zelf, want het zijn allen uw naasten, of het nu vrienden of vijanden zijn; doe wel aan degenen, die u kwaad doen; zegen, die u vervloeken, en bid voor hen, die u vervolgen, dan zullen jullie als kinderen van de Allerhoogste worden opgenomen. Daaruit bestaat alleen maar de enige echte dank aan Mij voor alles, wat Ik voor jullie gedaan heb. Dat is alles, wat Ik van jullie verlang!'

[11] De Grieken zeggen: 'Heer en vriend! Wij hebben zoveel goden! Welke van die vele goden moeten we dan boven alles liefhebben? Zeus, Apollo, Mercurius of soms een andere van onze twaalf hoofdgoden? Of moeten we zo de god van de Joden liefhebben? Maar de god van de Joden is waarschijnlijk dezelfde als onze Chronos; hoe kunnen we deze buiten­gewone god boven alles liefhebben?!'

[12] Ik zeg: 'De goden, die jullie Grieken vereren, zijn slechts nutteloos knoeiwerk, door mensenhanden uit de materie gemaakt; en jullie kunnen hen duizenden jaren vragen, aanbidden, vereren en meer dan je eigen leven liefhebben, maar ze zuUen je toch nooit verhoren en iets goeds voor je doen om de heel eenvoudige reden, dat ze in de levende werkelijkheid niets zijn en niet bestaan.

[13] Maar de god der Joden, die de meesten nu ook niet meer in waarheid willen erkennen en die zij in plaats van in geest en waarheid van het hart, hetgeen in diepste wezen de ware liefde is, alleen maar door een zeer besmeurde en dode ceremonie aanbidden en vereren, is echter toch de alleen ware, eeuwige God, die eenmaal de hemel en deze aarde met alles wat daar op, in en onder is, leeft en beweegt, uit Zichzelf geschapen heeft!

[14] Ik ben Zijn eeuwige gezondene en kwam nu naar jullie, om aan jullie en je kinderen dit evangelie te verkondigen!

[15] Daarom moeten jullie deze God boven alles liefhebben en Zijn geboden opvolgen, die heel in het kort hierin bestaan, dat je, zoals Ik daarnet zei, Hem boven alles lief moet hebben en jullie naasten als jezelf!

[16] Daarbij moetje ook geloven dat nu juist deze God, Die Mijn Vader, Mijn eeuwige liefde is, Mij in deze wereld heeft gezonden opdat iedereen die in Mij gelooft, het eeuwige leven in zich zal hebben en zo een kind wordt van de Allerhoogste!

[17] Breng, om het geloven wat gemakkelijker voor jullie te maken, al jullie zieken, dan zal Ik ze allen gezond maken, wat voor ziekte ze ook mogen hebben! Ga daarom en breng ze allen hier!'

[18] Zij verbaasden zich over Mijn toespraak en riepen als uit één mond: 'Deze plaats heeft een grote zegen ontvangen! Hoe machtig en wonder­baarlijk klinken de heilige en ware woorden van onze grote weldoener! Waarlijk, bij zo'n vriendelijkheid en goedheid vind je geen arglist, geen valsheid en geen sluwheid; daarom zullen we ook zonder bezwaar alles doen, wat hij ook maar van ons verlangt! Want hij, die onze vriend werd voor hij ons gezien had, zal dat nog meer voor ons zijn nadat hij met ons gesproken heeft en ons in onze grote nood gezien heeft! Geloofd zij de God van Abraham, Izaak en Jacob, die weer aan ons denkt en zich over ons heeft ontfermd!' ­

[19] Na deze goede woorden gaan ze allemaal snel naar huis en brengen in aller ijl ongeveer tweehonderd zieken bij Mij.

 

 

211 Genezing in Kana in het dal

 

[1] Toen de zieken, ten dele geleid, ten dele moeizaam op muildieren zittend en ten dele liggend op ziekbedden door mensen gedragen, in een halve kring om Mij heen opgesteld waren, kwamen de oudsten van deze plaats naar Mij toe en vroegen Mij:

[2] 'Heer! U, die onze schulden aan de machtige en zeer rijke Kisjonah betaald hebt, - een daad, waarvoor wij u niet genoeg kunnen danken, - genees, als u kunt deze armen, opdat zij zich met ons helemaal kunnen verheugen over de grote weldaad, die u ons heeft bewezen. ,

[3] Ik zeg: 'Ja, dat heb Ik aan jullie gevraagd en Ik kan en zal Mijn belofte ook inlossen; maar vooraf vraag Ik jullie, of je dat geloven kunt of wilt?! Jullie geloof zal je veel helpen!'

[4] De oudsten zeggen daarop: 'Heer, wij menen dat u dat kunt, en daarom vertrouwen wij er zogezegd blindelings op dat u onze zieken genezen zult door uw, ons nog onbekende, wonderlijke geneesmiddelen!'

[5] 'Maar', zeg Ik, 'hoe dan, als Ik geen speciale geneesmiddelen bij Mij heb, geen heilzame olie of andere voor het genezen van verschillende ziekten gebruikelijke middelen? Hoe denk je dan dat ik deze zieken zal genezen?'

[6] De oudsten zeggen: 'Heer! Hoe zouden wij dat nu moeten weten?! Want we hebben beslist overal meer verstand van dan van de geneeskunde! In deze plaats hebben we wel een dokter, maar dat is er eigenlijk geen. want hij heeft de mensen alleen maar onder de grond geholpen! Als we dus net zoveel wisten als onze dokter, dan zouden wij over uw geneeswijze zonder het gebruik van geneesmiddelen ook niets kunnen zeggen; vandaar dat we niet in staat zijn om te bepalen, hoe u op natuurlijke weg in staat zou zijn om de zieken zonder geneesmiddel gezond te maken!

[7] Misschien heeft u wel de beschikking over bovennatuurlijke middelen, maar dat kunnen wij niet weten; of misschien bent u een leerling van de beroemde wonderdokter uit Nazareth, Jezus genaamd? Dan zou u natuurlijk op die manier wel kunnen genezen!

[8] Het is toch eeuwig jammer, dat, zoals wij gehoord hebben, de Farizeeën te Jeruzalem Herodes het vuur zo na aan de schenen gelegd hebben, dat hij ten langen leste toegestemd heeft om deze zeer beroemde genezer gevangen te nemen en in een kerker te werpen! Oh, dat is een grote tegenslag voor de arme, lijdende mensheid!

[9] Toch is het nog een geluk, dat Hij naar het schijnt verscheidene leerlingen in Zijn kunst onderwezen heeft! Een leerling wordt wel zelden zo goed als zijn meester; maar met de juiste ijver kan hij toch wel iets van zijn meester geleerd hebben. En dat is dan toch altijd nog wel een heel voornaam iets, dat wij in hoge mate bij u aanwezig achten en daarom geloven wij, dat u --- maar wat is dat nu?! Terwijl wij alle moeite doen om aan te geven dat wij ons geloof baseren op het feit dat u een leerling van Jezus bent, staan ineens alle zieken op! De blinden zien, de lammen lopen, de stommen spreken, de melaatsen zijn rein! En er waren daarbij nog een paar met cholera, en een aantal dat met TBC besmet was, en ze zijn gezond! Ah, zo iets is toch sinds het ontstaan van de wereld nog nooit vertoond! Grote, almachtige God, hoe gebeurde dat? Heeft u ze allemaal genezen?! Of is er soms een engel in dit dal neergedaald en heeft die de zieken allemaal onzichtbaar aangeraakt en zo genezen? Hoe -hoe is dat nu toch gebeurd?

[10] U heeft nog niet eens naar de zieken gekeken en u was alleen maar met ons bezig, en alle zieken zijn nu beter! O zeg ons toch, hoe dat gebeurde!'

[11] Ik zeg: 'Waarom is de manier 'waarop' nu zo belangrijk, als de zieken alleen maar door Mijn wil en Mijn innerlijke woord, waaraan alles ondergeschikt is, volledig gezond zijn geworden, want daaraan kunnen jullie toch wel niet meer twijfelen!? Deze daad geschiedde echter niet zozeer terwille van de zieken, maar veel eerder voor jullie. Lichamelijk zijn jullie wel helemaal gezond, maar geestelijk zijn jullie zieker dan dat zij lichamelijk waren!

[12] Ik zou echter erg blij zijn als Ik jullie zielen ook zo kon genezen zoals Ik de lichamelijk zieken genezen heb! Maar dat gaat niet zo gemakkelijk, omdat iedere ziel haar eigen dokter moet zijn.

[13] Maar vooraf heb ik jullie de geestelijke medicijn al gegeven; gebruik deze, dan zullen jullie in je ziel gezond worden en daardoor zullen jullie je omvormen tot echte kinderen van God.

[14] Het woord, dat Ik tegen jullie heb gesproken, moet zonder de geringste toevoeging en zonder de minste weglating wezenlijk in acht genomen worden. En jullie geringe aantal Joden in deze plaats moet in hart en nieren Jood zijn; en jullie Grieken moeten ware Joden worden, opdat vrede en eenheid onder jullie heerse!

[15] Ook zullen jullie Grieken met je sluwe woekergeest de toch al arme Joden niet meer noodzaken om geld tegen rente te lenen, om aan jullie onrechtvaardige vorderingen te kunnen voldoen.

[16] Jullie hebben de aarde met haar menigvuldige schatten toch niet geschapen, zodat je daarmee kunt doen alsof deze jullie eigendom zijn?!

[17] Waarom eis je dan van de Joden een pachtsom, terwijl God toch het land aan de Joden heeft gegeven en alleen zij dus het recht zouden hebben om van jullie pacht te vragen?! Jullie zijn vreemdelingen in het land van de Joden, die meer dan jullie, kinderen van Jehova zijn, en toch vraag je pacht voor de akkers, weiden en bossen, die sinds Abraham eigendom van de Joden zijn! Vraag jezelf eens af, of dat wel rechtvaardig kan zijn voor God en alle rechtvaardige mensen!

[18] Daarom waarschuw Ik jullie voor de toekomst heel ernstig voor zulke schreeuwende onrechtvaardigheden, omdat het jullie anders slecht zal kunnen vergaan!

[19] Geef dat zeer onrechtmatig in bezit genomen goed en eigendom gratis aan de Joden terug en zie jezelf in het land van de Joden zoals je bent, namelijk vreemdelingen, dan zullen jullie een gezegend aandeel in alles hebben wat de Joden nu volgens de belofte letterlijk zullen ontvangen; maar anders zullen jullie deel hebben aan de vloek van duizenden en de gevolgen daarvan!

[20] Denk er nog maar eens goed over na, en dan zul je zien dat de Joden in jullie ogen alleen maar lastdieren zijn!

[21] Jullie hebben de Joden wel het politieke eigendomsrecht laten behouden, en de Jood kan altijd nog zeggen: 'Deze grond is van mij!'; maar jullie kwamen met je verleidelijke waren, je hebt van de mooie dochters en vrouwen van de Joden ijdele pronkzuchtige dames gemaakt en de blinde Joden voor gek gezet, omdat ze hun vrouwen en dochters mooier vonden met de Griekse opschik dan in de joodse ingetogen, eenvoudige kleding! Daarvoor kregen jullie het vruchtgebruik van hun akkers, tuinen, weiden en bossen; en omdat ze toch ook voor hun eigen levensbehoeften vruchten van hun akkers wilden oogsten, moesten ze duur als onderpachter voor het gebruik betalen en van de oogst ook nog de tienden afdragen! Bovendien laten jullie hen, als de eigenlijke bezitters

alle belastingen en andere lasten dragen!

[22] Ik zeg jullie: Dit onrecht is ten hemel schreiend en roept om straf van boven! Laat dus toe dat Ik jullie terechtwijs, anders zul je de hardste tuchtroede van boven niet ontlopen!'

 

 

212 De stoïcijn

 

[I] Deze toespraak wekt de achterdocht van de Grieken, en sommigen zeggen: 'Dat hebben die anders zo domme Joden toch heel mooi bedacht; ze hebben deze wonderdoende Jezus per brief gevraagd om hierheen te komen om ons vrees aan te jagen! Maar wij hebben grond onder de voeten en staan stevig.’

[2] Maar Ik werd dit keer boos over de hardheid van de Grieken en zei tegen de verharde spreker, die de andere over het algemeen toch wat betere Grieken van een goede daad af wilde houden: 'Luister, verharde mens! Let op, of de grond niet wankelt, en hoe vast je dan wel staat! Er zijn er al veel geweest die ook met de stem van een superheld tegen hun omstanders geroepen hebben: 'Laat de aarde maar in puin vallen ­en ik zal mij zonder enige vrees op de uiteengespatte resten in de eindeloze ruimte voort laten dragen!'; maar toen daarna de aarde maar een klein beetje trilde, was de grootsprekende held de eerste die met verbluffend voetenwerk maakte dat hij weg kwam! Maar misschien deed hij dat toch niet zo zeer uit vrees om in zijn huis onder het puin begraven te worden, maar eerder alleen maar om, als de aarde echt in puin zou vallen, buiten een stuk op te pikken en daarop dan een onverschrokken rit door de oneindigheid te beginnen!

[3] Ik zeg je, snoevende Griek met de naam Philopold, de vlieg, die zich niet zelden brutaal veroorlooft over je neus een kleine bedrijfsrondgang te maken, staat op de punt van jouw neus steviger dan jij op jouw aardbodem! Want als jouw neus schipbreuk leed, dan zou de vlieg toch nog een tweede laag hebben waar ze zich heel goed in leven kan houden, en dat is de lucht; maal waar is jouw tweede laag als de bodem onder je voeten je niet meer houdt?!'

[4] De Griek Philopold, die van huis uit ook een spotter was, wordt wat nijdig over Mijn opzettelijk met een beetje spot vermengde woorden en zegt: 'Kijk nu eens, een zeldzame verschijning! Een Jood die ook geestig is?! Waarschijnlijk de eerste en tevens de laatste in heel Israël! Vriend! Als een Griek het over moed heeft, dan is het zoals hij zegt! Want een Griek weet van het leven afstand te doen en de dood te zoeken; de geschiedenis kent alleen maar Griekse heldenmoed, en de onbegrijpelijke lafheid van de Joden is haar niet onbekend! Laat de aarde maar beven, of laat alle draken der aarde maar vrij, en je zult zien of een Philopold daardoor ook maar een spier van zijn gezicht vertrekt!'

[5] Ik zeg: 'Houd op met je waardeloze grootsprekerij en doe wat Ik jullie allen gezegd heb, want anders dwing je Mij echt je moed aan een harde proef te onderwerpen! Want een God van een Jood laat in zulke ernstige gevallen niet de spot met zich drijven; want ook het grote geduld van God heeft in bepaalde zaken haar vastgestelde grenzen!

[6] Als jij met je aanhangers het er echter op aan wilt laten komen, dan moet je wel goed beseffen dat een kwade God niet meer zo gemakkelijk te sussen is en van vandaag op morgen geen verdiende straf van een erge zondaar door de vingers ziet!'

[7] Philopold zegt :'Dat zal wel weer echt Joods zijn!? De Joden hebben zekere profeten gehad; die deden hun mond niet open behalve voor het uiten van pure bedreigingen, waarvan sommige na meestal onbepaalde tijd uitgekomen zijn, maar de meesten waren praatjes in de wind; want de aardse natuur is hopelijk toch altijd sterker geweest dan de mond van een joods profeet! De Grieken zijn merendeels stoïcijnen, en een echte stoïcijn is nergens bang voor -en ik dus ook niet! Want ook ik ben een doorgewinterde stoïcijn!'

[8] Dan zegt de jonge Matthéus, de apostel die voordien tollenaar in Sibarah was, heimelijk tegen Mij: 'Heer, ik ken hem, het is een buiten­gewoon onaangenaam en vervelend mens! Die heeft altijd bij mijn tolkantoor onuitstaanbare moeilijkheden veroorzaakt iedere keer dat hij met allerlei koopwaar naar Kapérnaum of naar Nazareth trok. Ik erger me nog steeds aan hem en ik zou veel zin hebben, om hem wat onder handen te nemen.'

[9] Ik zeg: 'Houd daar over op! Ik heb al een kleine test voor hem, die weldra werkelijkheid voor hem zal worden.'

[10] Matthéus doet meteen een stap terug; maar Philopold herkende de tollenaar uit Sibarah en zei tegen hem: 'Nou, nou gierig tolbaasje, hoe komt het dat jij ook hier bent?! Hoe zal het nu met je tolboom gaan, nu je die met je katteogen niet naar alle windstreken kunt bewaken?! Je hoeft heus deze wonderdokter niet tegen mij op te hitsen; hij zal zelf wel weten wat hij moet doen als ik te stug voor hem ben. Maar jullie beiden konden op natuurlijke weg wel eens een harde noot aan mij te kraken hebben; want een stoïcijn is geen touw of draad, dat je maar willekeurig naar believen buigen kunt!

[11] Kijk, de wonderbaarlijke genezing van de tweehonderd zieken heeft bijna alle inwoners van Kana overtuigd; waarom dan mij niet?! Omdat ik een echte stoïcijn ben, voor wie de gehele schepping nauwelijks een geducht standje waard is en mijn eigen persoon en het ongelukkige leven nog minder! Waarmee willen jullie mij dan straffen? Soms met de dood? Ik zeg jullie: Ik wil hem, tesamen met de eeuwige vernietiging; want voor dit smadelijke leven ben ik toch zeker geen enkele God dank verschuldigd! Of is men soms iemand voor de meest gehate gave dank schuldig?! Ik denk, dat het voor een almachtige God wel niet zo moeilijk zal zijn om een mens op de wereld te zetten! Wie zal God daarbij kunnen tegen­houden?! De te scheppen mens wordt beslist niet gevraagd of hij geschapen wil worden, zodat hij als enig rechthebbende zijn ja of nee daarover uit kan spreken; en een reeds geschapen mens heeft net zo weinig te zeggen over het scheppen van de mensen die na hem moeten komen -als iemand die nog niet geschapen is! Scheppen is dus voor een God niets bijzonders; maar voor de geschapen mens wel, omdat hij iets zijn moet waarvoor nooit zijn mening gevraagd is. Wat kan er nu ellendiger zijn dan te moeten bestaan, zonder dat ooit gewild te hebben?!

[12] Geef mij zonder arbeid en moeite mijn eten en drinken, dan zal mij dat tenminste gedurende mijn aardse levensduur enigszins bevredigen; maar om voor de instandhouding van dit bestaan ook nog onzinnig zwaar te moeten werken, dus lijden als een vervolgde wolf, en daarbij ook nog een God te moeten bedanken en zekere alleen voor de schepper van persoonlijk belang zijnde geboden te houden, dat doe ik niet voor al die Joodse en Griekse hele­ en halfgoden!'

[13] Matthéus zegt: 'Nog meer van zulke mensen op aarde, en satan heeft een school waarin hij zelf nog wel honderd jaar les kan gaan nemen! Heer, wat is er met hem aan te vangen? Als hij echt zo is dan kunnen alle engelen langs de natuurlijke weg niets met hem beginnen!'

 

 

213  De reïncarnatie van Philopold

 

[I] 'Praat er maar niet meer over', zeg Ik, 'je zult je weldra kunnen overtuigen of er met hem iets is aan te vangen!' En Mij naar de stoïcijn Philopold wendend, zeg Ik: 'Denk je nu echt dat je vooraf met God, je schepper, geen contract afgesloten hebt en niets afweet van alle voorwaarden die je vaak genoeg onder ogen gebracht zijn en waar je op deze planeet niet buiten kunt? Weet dan, dwaas, dat dit al het twintigste hemellichaam is waarop je lichamelijk leeft; 1e totale lichamelijke ou­derdom telt al zoveel aardse jaren dat dit pet getal van de fijnste zandkorrels in alle zeeën der aarde verre overtreft! Maar wat een, niet voor een lichamelijk levend mens in te denken, haast eindeloze tijdsduur bestond je al als zuivere geest in een volkomen bestaan en met het helderste zelfbewustzijn in de eindeloze ruimte, waar je in gezelschap van talloze andere geesten buitengewoon genoot van het krachtigste en ongebondenste leven!

[2] De laatste zonnewereld waar je lichamelijk woonde, noemen de geleerden van deze aarde Procyon, maar de eigen bewoners van haar uitgestrekte oppervlakte noemen haar Akka - en zo noemen ze haar daar overal met een en dezelfde uitspraak, want de bewoners van Akka spreken maar één taal. Daar hoorde je van een engel, dat de grote, almachtige, eeuwige geest, de enige schepper en instandhouder van de oneindigheid en alles wat deze bevat, op een van de kleinste planeten, waarvan er in de eindeloze ruimte ontelbaren zijn, Zelf vlees en de mensengestalte zou aannemen. Jij uitte toen de vurige wens om, als dat zou kunnen, op die planeet geplaatst te worden om daar Degene die jou, geschapen heeft te zien en te horen. Toen kwam dezelfde engel die Je hier aan Mijn 'rechterhand als zevende mens ziet staan, maar die toch een geheel vrije geest is, en hij legde je haarfijn en precies de zware voorwaarden uit waaraan je moest voldoen als je een bewoner wilde worden van deze planeet waarop je nu staat, en als je daar het kindschap van God wilt bereiken!

[3] Jij nam alle voorwaarden aan, waaronder ook deze, dat je als bewoner van de gekozen planeet de herinnering aan je eerdere levens op andere hemellichamen volkomen zou verliezen tot aan het moment dat dezelfde engel je driemaal bij de naam zou roepen die je in Akka had.’     ,

[4] Zo heeft een en ander zich in waarheid toegedragen en dat is weliswaar onbegrijpelijk voor jou, maar het is dan toch wel onbillijk van Je als je beweert, dat er vóór jouw bestaan op aarde tussen jou en je schepper geen contract zou zijn opgesteld?!'

[5] Philopold zegt: 'Wat is dat nu voor hersenschimmige wartaal?! Moet ik al ergens op een andere, mooiere en naar het schijnt betere wereld als vleselijk mens gewoond en geleefd hebben?! Nee, dat is toch wel een beetje al te sterk! Luister eens, zevende van rechts, die door de Nazareeër 'engel' genoemd wordt, hoe heet je dan, en hoe heet ik!'

[6] De engel zegt: 'Wacht maar even; ik zal zo snel mogelijk kenmerken uit je vorige wereld halen en die zal ik je ter inzage en herkenning geven!'

[7] Na deze woorden verdwijnt de engel, maar komt binnen enige ogenblikken weer terug en geeft aan Philopold een rol, waarop de naam van de engel en zijn naam duidelijk leesbaar in origineeloud hebreeuwse letters getekend staan, en een tweede rol, waarop alle voorwaarden staan geschreven waar hij voor zijn overgang mee ingestemd had.

[8] Als de engel de rollen aanreikt zegt hij: 'Hier lees en herken het, gewezen Murahel, Murahel, Murahel! Want ik, die Archiël heet, heb ze voor jou van hetzelfde altaar gehaald waar jij mij die grote belofte deed! Vraag echter niet, hoe dat in die paar ogenblikken mogelijk was; want aan God zijn bijzonder wondere dingen mogelijk! Lees eerst alles, en spreek dan pas!'

 

 

214 Over de samenhang van lichaam, ziel en geest

 

[I] Philopold leest de rollen heel aandachtig door, en omdat daardoor zijn innerlijk oog geopend wordt, zegt hij na een, behoorlijke tijd van opperste verbazing: ' Ja, zo is het; Ik blik nu terug in de totale eindeloze diepte van mijn leven, ik zie alle werelden, waarop Ik reeds geleefd heb en al de plaatsen en steden in de werelden waar ik van geboorte tot afscheid heb geleefd; ik zie wat ik was, en wat ik op de hemellichamen gedaan heb, en ik zie ook overal de nakomelingen van mijn naaste verwanten, en kijk eens, op Akka zie Ik zelfs mijn ouders, mijn vele broers en heel dierbare zusters! Ja, ik hoor ze zelfs onder elkaar bezorgd over mij praten en zeggen: 'Hoe zou het met Murahel zijn? Zal zijn geest al in de eindeloze ruimte de grote Geest in mensengestalte gevonden hebben? Hij zal niet aan ons denken omdat Archiël, de afgezant van de grote Geest, zijn herinnering afgeschermd heeft tot aan het moment waarop hij hem driemaal bij zijn echte naam zal roepen!'

[2] Kijk toch! Zo hoor ik ze praten en ik zie ze tevens in levende lijve! Ze gaan nu naar de tempel om de zware levensvoorwaarden in de documenten na te lezen; maar zij vinden ze niet. De opperpriester van de tempel zegt hen echter, dat Archiël enige ogenblikken geleden de documenten ten behoeve van Murahel gehaald heeft, maar ze toch direkt terug zal brengen. En ze wachten nu in de tempel en offeren voor mij!

[3] O liefde, liefde, goddelijke kracht! Hoe eindeloos ver strekt gij uw heilige armen uit! Overal dezelfde liefde! O God, hoe groot en heilig bent U, en wat is het vrije leven toch vol van verborgen geheimen! Welk mens op de gehele aarde kan de diepten doorgronden die ik nu zie?! Hoe totaalonbetekenend is de armzalige mens op deze uitgeputte aarde bezig, vecht niet zelden op leven en dood voor een handbreedte grond, terwijl in hem datgene te vinden is wat miljarden aarden nooit kunnen bevatten!'

[4] Na deze woorden wordt Philopold stil, gaat naar de engel en geeft hem de twee rollen weer terug met de opmerking: 'Breng ze daar weer terug, waar ze verwacht worden!'

[5] Maar de engel zegt: 'Kijk eens, ik heb ook een schrijfstift meegenomen; het is dezelfde, waarmee je eigenhandig in de tempel op Akka de documenten getekend hebt, Zet op ieder document tweemaal je naam, dat wil zeggen, de naam die je op Akka draagt en de naam die je hier draagt, en behoudt de schrijfstift als herinnering!'

[6] Dat doet Philopold, en de engel neemt daarna de documenten en verdwijnt.

[7] Na enige ogenblikken, die hij nodig had voor de bespreking met de opperpriester op Akka, is hij weer bij ons en vraagt aan Philopold, wat hij nu denkt.

[8] Dan zegt Philopold: 'Toen ik je de beide rollen teruggaf, verdween wat ik zag, en wat ik me ervan herinner is nauwelijks meer dan dat van een droom waarvan men in wakende toestand wel weet, dat men iets gedroomd heeft, maar dat men zich ondanks alle gepieker niet meer herinneren kan! Ik merk ook dat ik een erg vreemdsoortig schrijfwerktuig in mijn linkerhand houd; maar hoe dat daar gekomen is weet ik nauwelijks; en daarom zou ik willen weten waarom men dan van zo vele droom­gezichten uit het bereik van het innerlijke leven maar een zeer zwakke, of meestal helemaal geen herinnering heeft. Waarom is dat zo?'

[9] De engel zegt: 'Omdat het er om gaat, een geheel nieuw schepsel te worden en wel uit en in God. Als je eenmaal uit God een geheel nieuw schepsel en kind van God bent geworden, dan krijg je alles weer terug!

[10] In de talloze andere werelden wordt je in­ en uitwendig gevormd tot wat je moet zijn; maar hier laat God de uiterlijke vormgeving over aan de ziel, die haar lichaam zelf vormt volgens de ordening waarin zij geschapen is; maar iedere geest, die in de ziel geplaatst is, moet speciaal de ziel eerst vormen door het opvolgen van de hem uitwendig gegeven wetten. Als de ziel daardoor de juiste rijpheid en vorming heeft bereikt, dan worden geest en ziel een eenheid, en dan is de gehele mens compleet, een nieuw schepsel, van oorsprong altijd uit God, omdat de geest in de mens niets anders is dan een kleinste weergave van God omdat deze volledig uit het hart van God komt. Maar de mens bereikt dit niet door de daad van God, maar door zijn eigen persoonlijk handelen, en is juist daardoor een echt kind van God! En ik zeg je nog een keer heel kort:

[11] Op alle andere hemellichamen vormen de mensen zich niet zelf, maar worden ze door God, of wat hetzelfde is, door Zijn kinderen gevormd. Hier moeten de mensen zich echter geheel zelf vormen volgens de geopenbaarde ordening, anders kunnen ze onmogelijk kinderen van God worden! En zo is een voltooid mens op deze aarde als een kind van God in alles aan God gelijk; maar een niet voltooid mens is daarentegen veel minder dan het dier!’

 

 

215 Aarzel niet als de Heer roept

 

[I] Dan stelt Philopold nog een vraag aan de engel: 'Maar wie toont ons die hele geheime ordening?'

[2] De engel zegt: 'Degene, die je zo-even op mij geattendeerd heeft! Ga naar Hem; Hij zal je zeggen wat Hij je reeds gezegd heeft; want als je leeft zoals Hij zegt dat je leven moet, dan is dat al die goddelijke levensorde, die zorgt dat men het kindschap van God bereiken kan!

[3] En Hij is ook degene, waarvoor jij en nog vele anderen geestelijk Akka verlaten hebben en op deze aarde in het vlees van deze aarde geboren zijn om de Heer te leren kennen.

[4] In de gehele schepping is echter -en wel op alle hemellichamen die hoe dan ook door denkende wezens in menselijke gestalte bewoond worden -de totale menswording van de Heer in het vlees door ons bekend gemaakt; maar slechts op een zeer gering aantal werelden is het aan heel weinig geesten toegestaan om in het vlees van deze aarde te komen. Want de Heer kent iedere aard van alle werelden in de eindeloze ruimte, en dus ook de aard en de geschiktheid van de bewoners en hun geesten die de verschillende werelden bewonen, en daarom weet Hij het beste of een geest geschikt is voor het vlees van deze aarde of niet.

[5] Al hetgeen geschikt was werd hierheen gebracht; maar het aantal van de hierheen gebrachten is maar klein en komt niet noemenswaard boven de tienduizend uit.

[6] Maar onder diegenen ben jij een van de gelukkigsten; want als je dat wilt, kun je, net als al degenen die met Hem hierheen gekomen zijn, als leerling door Hem aangenomen worden.'

[7] Daarop zegt Philopold: 'Mijn Archiël! Omdat je mij al zo veel wonderbaar goeds gedaan hebt, doe dan nog één ding voor mij, en breng mij bij de Heer; want nu ik Hem heb herkend, ontbreekt mij de moed om opnieuw naar Hem toe te gaan! Als het nu aan mij lag, zou ik het liefst zo vlug mogelijk er vandoor gaan en me zodanig verbergen dat geen mens me ooit kon vinden! Maar omdat ik nu eenmaal hier ben, en allen mij goed kennen, kan ik dat niet doen; want dan zou het lachen over mij het hele dal wel vullen. Wees daarom zo goed en breng mij bij de Heer en wees daar mijn voorspraak!'

[8] De engel zegt: 'Dat hoeft niet, want de Heer weet wat voor ons beiden nodig is; ga jij dus maar gerust alleen, en Hij zal je zeker niet opeten!'

[9] Na dit antwoord van de engel vat Philopold toch eindelijk moed en gaat heel bedachtzaam naar Mij toe en zegt terwijl hij nog dertig passen van Mij af staat: 'Heer, staat U mij toe, dat ik dichterbij kom? Als U dat niet wilt, dan ga ik weer terug!'

[10] Maar Ik zeg: 'Wie komen wil, die kome; want door te aarzelen is nog nooit een mens verder gekomen!'

[11] Als Philopold dat hoort, loopt hij wat vlugger en komt dus spoedig bij Mij en heeft zo snel bereikt, wat velen door hun aarzelen vaak niet bereiken omdat ze ondanks alle aanmoedigingen niet van hun plek zijn te brengen.

[12] Want als iemand bij al zijn doen en laten zijn schreden niet in een rechte lijn op Mij richt, is al zijn doen en gaan en staan nutteloos voor zijn leven. En ook al kreeg hij de gehele wereld, maar had Mij niet, dan had hij niets aan de hele wereld; want die is dood! Maar als Ik nu in deze tijd van de onthulling van het Evangelie iemand roep en tegen hem zeg: 'Kom!' - en hij komt niet, dan zal hij de geestelijke dood sterven! En daarom is deze Philopold een goed voorbeeld, wat iedereen na moet volgen! Wie geroepen wordt nadat hij naar Mij heeft gevraagd, die moet komen en niet aarzelen! Want Ik blijf niet steeds in Kana (betekent: vol genade in deze wereld), maar trek al gauw verder en wend Mijn oog en oor af van degenen, die aarzelen nadat Ik 'Kom!' heb geroepen'.

 

 

216 De laatsten en laagsten van de gehele oneindigheid

 

[I] Toen Philopold bij Mij kwam, zei bij: 'Heer, ik heb ontzettend grof tegen U gezondigd; maar dat was alleen de schuld van mijn grote blindheid! Maar nu, nu U, o Heer, mij op een werkelijk wonderbaarlijke manier ziende gemaakt hebt en nu ik weet wie U bent, vraag ik U ter wille van Uw eeuwige liefde en wijsheid, of U mij arme, blinde zondaar al mijn fouten wilt vergeven die ik nu tegen U en daarvoor tegen mijn naasten heb begaan, zoals U mij dat al eerder precies hebt getoond. Als ik Uw heilige woorden opgeschreven zou hebben, - bij alle hemelen, dan zou ieder haakje zijn uitgevoerd! Maar ik geloof dat ik wel weet wat U wilt, en ik zal dat woordelijk nakomen! U heeft voor ons allen de schuld aan Kisjonah voldaan en U heeft voor niets al onze zieken zeer wonderbaarlijk genezen, en U heeft dat allemaal gedaan zonder ook maar iets vooraf te vragen, en daarom hoop ik nu, dat U een zondaar die U een gunst vraagt, niet af zult wijzen!'

[2] Ik zeg: 'Ik zeg je: Je bent aangenomen! Want wie komt, wordt aangenomen. Maar ga eerst naar huis en breng je zaken in de door Mij aangegeven orde; kom daarna terug en volg Mij; want je moet niet aan deze wereld gebonden zijn, want je bent niet van beneden uit deze wereld gekomen, maar van boven uit een andere wereld!

[3] Want onder degenen die je hier ziet, zijn er ook een paar van jouw wereld en anderen van een andere lichtwereld en maar weinigen van deze wereld; en die weinigen hebben niet veel te betekenen, want ze vinden de wereld nog altijd belangrijker dan Mij. Daarom kunnen ze ook maar weinig of niets.

[4] Ik heb echter juist deze aarde uitgekozen, omdat haar kinderen de Iaatsten en laagsten zijn van de hele oneindigheid, daarom heb Ik het nederigste kleed aangetrokken, om het alle schepsels in Mijn eindeloze schepping mogelijk te maken om Mij te benaderen; vanaf de allerlaagste planeetbewoner tot en met de allerhoogste bewoners van de oorspron­kelijke zonnen van het centrum moet iedereen op een en dezelfde wijze naar Mij toe kunnen komen.

[5] Je moet je er daarom niet over verwonderen, dat je Mij aantreft op deze planeet, die de onvolmaakts te en laatste planeet van de gehele schepping is! Want dat is Mijn eigen wil; en wie kan Mij voorschrijven dat Ik iets anders doen moet?!'

[6] Philopold zegt daarop: 'Heer, wie zal U raad willen of kunnen geven als hij gelooft, weet en bekent, dat U de eeuwige Heer bent?! Maar ik ga nu om Uw heilige wil meteen op te volgen.'

[7] Na deze woorden haast Philopold zich met het hele gemeentebestuur naar huis; terwijl er ook verscheidene Joden meegaan, om te zien wat de Grieken voor hen zullen doen, geef Ik de genezenen onderricht hoe ze zich in het vervolg gedragen moeten om niet weer in hun oude kwaal te vervallen !

[8] Zij nemen allen deze les dankbaar aan en danken Mij ook uit de grond van hun hart voor de buitengewone goedheid, die zij ondervonden hebben.

[9] Daarop verbied Ik hen echter om over alles, wat ze hier gehoord en gezien hebben met vreemden te spreken, waardoor Ik voortijdig verraden zou worden, omdat als ze zich niet daaraan zouden houden, het hen slecht zou vergaan! Maar zij beloven Mij allen dat niemand buiten deze plaats er iets over zal horen!

[10] Ik laat ze dan gaan en zeg ook tegen de leerlingen er buiten Kis tegen niemand over te spreken; en op de vraag van Matthéus, of hij deze gebeurtenis zal opschrijven, zeg Ik: 'Neen! Want jullie als Mijn rechtstreekse getuigen zijn hier wel tegen bestand en kunnen het ook begrijpen; maar als alles, wat Ik voor jullie doe en zeg, in veel boeken beschreven zou worden, dan zou de wereld die boeken niet alleen niet begrijpen, maar er zich ook nog bovenmatig aan ergeren, en dan zou ze jullie nog erger dan alle kadavers der aarde verguizen! Daarom moet jij, Matthéus, niets opschrijven behalve dat, wat Ik uitdrukkelijk tegen je zeg!'

[11] Johannes zegt nu: 'Maar Heer, mijn ware liefde! Het is natuurlijk allemaal wel goed op deze manier; maar als de wereld op een gegeven moment incomplete oorspronkelijke documenten over Uw aanwezigheid hier en Uw daden op deze wereld krijgt, dan zal ze uiteindelijk genoodzaakt zijn door twijfels die over U rijzen, Uw bestaan en werken te negeren en dit soort brokstukken aan te zien voor zaken, die in het eigenbelang van het priesterdom zijn geschreven!'

[12] Ik zeg: 'Dat is nu juist, wat Ik bereiken wil voor de eigenlijke wereld, die een woning van satan is; want of je een varken nu maïskorrels of de edelste parels geeft, het zal met de parels precies hetzelfde doen als met de maïskorrels.

[13] Daarom is het beter, dat dit heel versluierd aan de wereld gegeven wordt, dan kan ze zich druk maken met het omhulsel, terwijl de levenskern toch niet beschadigd wordt.

[14] Als het echter eenmaal nodig is, dan zal Ik opnieuw mensen op doen staan, die Ik alles zal doen weten wat hier gebeurd is en wat de wereld te verwachten heeft vanwege haar onverbeterlijke slechtheid.

[15] Maar hoe dat allemaal gebeuren zal, dat zal Ik jou, broeder Johannes, nadat Ik weer in Mijn hemel wonen zal, nog in deze wereld in versluierde beelden openbaren!

[16] Daar komen echter de Griekse­ en Joodse gemeenteraadsleden uit het plaatsje weer terug; we zullen eens zien hoe ze aan Mijn verlangen tegemoetgekomen zijn!'

 

 

217  Gedachte en wil

 

[I] Philopold komt met enige Grieken naar Mij toe en zegt: 'Heer, we hebben aan Uw verlangen voldaan voor zover dat in dit korte tijdsbestek mogelijk was; maar de kleinere details die nog nodig zijn, zullen niet vergeten worden. Met mijn huis en met mijn familie heb ik het nu zo geregeld, dat ik vrij ben om U één, twee of drie jaar te volgen, als Ik tenminste zo nu en dan aan mijn familie laat weten waar ik ben en wat U doet. Want mijn gehele huis gelooft nu in U en hoopt op Uw naam. Als U daarmee instemt, o Heer, wilt U mij dat dan genadiglijk zeggen; heeft U echter nog wensen, geeft U dat ons dan ook te kennen!'

[2] Ik antwoord: 'Voorshands hebben jullie alles gedaan wat rechtvaardig is voor God en voor alle redelijke en denkende mensen; maar hoed je ervoor dat de satan jullie niet door allerlei valstrikken betovert en dat je daardoor later getwist en geruzie krijgt, waardoor er dan heel gemakkelijk een toestand kan ontstaan die nog veel erger zou zijn dan waaruit Ik je nu bevrijd heb!

[3] Want de boze geest rust nooit, niet bij dag en ook niet bij nacht; hij loopt rond als een hongerige leeuwen zijn razende honger maakt dat hij alles aanvalt wat hem waar dan ook enigszins binnen bereik komt.

[4] Als hij zichtbaar zou zijn, dan zouden sommige moedigen de strijd met hem aangaan, -maar dan zouden er nog meer het onderspit delven dan nu hij onzichtbaar is; want hij kan zijn gestalte transformeren van de schoonheid van een lichtende engel tot de gruwelijkste vorm van een vuurspuwende draak. Wie zou het wagen hem in die vorm te bestrijden?! Want hij zou door zijn schoonheid of door zijn alles verstarrende afschuwelijkheid overwinnaar over duizendmaal duizenden worden; maar omdat hij zich aan niemand kan en mag vertonen, en ieder mens zijn slechte influisteringen makkelijk herkent, omdat deze de ziel hardvochtig, onkuis, overspelig, zelfzuchtig, heersgierig, meinedig, gierig, onbarmhartig, onverschillig voor al het echte en goddelijke, gevoelloos tegenover armen en lijdenden en begerig naar het genot van de wereld maken, kan hij deze slechte pogingen van de satan altijd met open vizier bestrijden, omdat de satan alleen het denken van de ziel. maar nooit de wil van de ziel kan beïnvloeden.

[5] Nu heb Ik jullie dan ook de kenmerken getoond, waaraan je, als je ziel erdoor beslopen wordt, makkelijk kunt herkennen welke geest zich in je nabijheid bevindt, en wat hij met je voor heeft.

[6] Als jullie zoiets bij je zelf opmerken, denk dan aan Mijn leer en Mijn woorden; verhef je ziel en doe juist het tegendeel van datgene wat je zou willen doen, dan word je meester van de boze geest! En als jullie hem op al de genoemde punten overwonnen hebben, dan zal hij je daarna met rust laten, en je zult niet meer met hem behoeven te vechten. Maar als je je op het ene of het andere punt laat vangen of ook maar een beetje lichtzinnig toegeeft, dan raak je hem tot aan je aardse levenseind niet gemakkelijk meer kwijt.

[7] Let dus heel precies op alle punten, die Ik je nu heb genoemd! Want als de boze een bepaalde ziel zover heeft gebracht -wat echt niet zoveel moeite voor hem is -dat zij op het een of andere punt toegaf, hetgeen natuurlijk een zonde tot gevolg had, dan kost het heel wat strijd om deze schade aan de ziel weer geheel te herstellen.

[8] Maar wie de vaste wil heeft en zelf zoveel doet als hij maar kan, en in de geest zijn zwakheid in Mijn handen geeft, die zal gemakkelijk de totale overwinning op de satan behalen; maar, denkt daar wel aan, alleen als hij met een levend geloof Mijn naam aanroept.

[9] Nu weten jullie alles wat je moet weten; je kent de echte en alleen ware, levende God en je kent Zijn wil.

[10] Ik zeg jullie: De Vader in de hemel heeft je alles gegeven wat je nodig hebt; nu komt het er op aan, hoe gewetensvol jullie dat gebruiken zullen voor het echte en eeuwige welzijn van je leven.

[11] Van je eigen doen en laten zal het afhangen, en je woorden en daden zullen je rechter zijn!

[12] Philopold blijf jij nog drie dagen hier en probeer alles in orde te maken; kom daarna naar Kis, waar je Mij zult aantreffen.'

[13] Philopold beloofde dat te doen; daarop zegende Ik het plaatsje, en wij gingen weer naar Kis terug.

 

 

218 Genezingen in Kis en bij Kisjonah

 

[I] Als wij thuis komen, lopen verscheidene bedienden ons tegemoet en vertellen, dat niet lang na ons vertrek naar het dal veel vreemdelingen arriveerden die nadrukkelijk naar Mij vroegen, en naar wat Ik hier deed en waarheen ik nu gegaan was. Maar de dienaren, die zagen dat de vreemden verklede Farizeeën waren, zeiden tegen hen dat Ik allang uit deze streek vertrokken was, en dat ze vermoedden dat Ik misschien naar Damascus of mogelijk zelfs naar Perzië naar de heidenen was gegaan; want tijdens Mijn aanwezigheid had Ik meermalen gezegd: 'Het heil wordt van de Joden afgenomen en aan de heidenen gegeven!'

[2] Toen hadden deze verkenners zich zichtbaar geërgerd, en één van hen had daarop gezegd: 'Boeven kunnen wel de vruchten van de jonge bomen afschudden, maar dat kunnen ze niet van een oude boom, die eerst heel voorzichtig beklommen moet worden, als je bij de met vruchten beladen takken wilt komen! Deze kunstenmaker zal het oude Jodendom heel weinig last bezorgen!'

[3] Daarop hadden zij, de bedienden, gelachen en gezegd; 'Nou, pas maar op dat de boom niet zo rot is, dat hij omwaait! Het schijnt ons toe dat jullie boom eigenlijk allang dood is en er van een vrucht - tenzij je de verdorde takken met gedroogde vijgen behangt en zo iets een wonder noemt­ allang geen spoor meer te vinden is!' .

[4] Na die opmerking waren deze kennelijke Farizeeën erg ontstemd en begonnen de bedienden te bedreigen.

[5] Maar de bedienden hadden gezegd: 'In de eerste plaats zijn wij Grieken en hebben de godsdienst van de keizer en daarom kunnen wij over jullie domme gedoe, dat je leer van God noemt, danig lachen, en je kunt ons niets maken als we dat niet in je tempels en scholen doen. En in de tweede plaats zijn we hier met velen, die dienen in het huis van de grote en machtige Kisjonah; en als je dus niet snel maakt dat je hier vandaan komt, dan gaan we jullie met knuppels de weg wijzen!' Toen beten ze van kwaadheid hun lippen stuk en verdwenen langs de zee over de omhooglopende weg, die van hier naar Jeruzalem voert.

[6] Nu willen wij U, Heer Jezus, vragen of we zo goed gedaan hebben!'

[7] Ik zeg: 'Op één ding na hebben jullie goed gehandeld; het was niet goed dat je hen een welbewuste onwaarheid hebt verteld! Het zou beter geweest zijn als je hen de waarheid gezegd had. Dan zouden ze op ons gewacht hebben, en wij zouden hen geholpen hebben; want het waren­ merendeels zieken, met daarbij wel enige Farizeeën, maar van een iets betere soort. Nu zijn ze bij de heuvel gelegerd die aan het boveneind van de bocht ligt; ga daar zo snel mogelijk met ezels en muildieren heen en breng ze allemaal hierheen. Zeg tegen hen: 'De Heer is gekomen en wacht op u!' Leg de zieken op de muildieren en ezels, en laat de gezonden te voet komen!'

[8] Na deze wens van Mij gaan de dienaren, hoewel het al tamelijk laat en schemerig is, op weg en brengen na een uur allen mee, die ze voorheen in hun blinde ijver verjaagd hadden.

[9] Meteen komen vijf Farizeeën met de verschuldigde eerbied naar Mij toe en beklagen zich erover, dat de bedienden hen zeer ruw behandeld hebben, en dat deze hen beledigd en belogen hebben.

[10] Maar Ik sus hen en zeg, dat het van de bedienden geen boze opzet was geweest. 'Want ze deden dat alleen maar uit blinde liefde voor Mij, omdat ze dachten in u Mijn vijanden te zien. Daarom heb Ik ze ook na Mijn aankomst direkt opgedragen om u te halen en zo goed mogelijk hier te brengen; en zo moesten ze tegenover u meteen weer goedmaken, wat ze eerder misdaan hadden; en Ik vind, dat de zaak hiermee van de baan is.'

[11] De Farizeeën zeggen: 'Zo is het; alles is nu weer helemaal in orde. Maar nu over iets anders!

[12] Wij zijn helemaal uit Bethlehem gekomen, omdat we over uw buitengewone geneeskunst wonderlijke dingen gehoord hebben. Daarom hebben wij onze zieken ook meegebracht; degenen, die nog zoveel kracht hadden dat ze hun voeten konden gebruiken, moesten natuurlijk lopen, -de zwakkeren hebben we echter op lastdieren hierheen gebracht. Wij vragen u, of u zich over de lijdenden wilt ontfermen en hen wilt genezen van hun kwalen!'

[13] Ik zeg: 'Waar zijn dan diegenen, die u op lastdieren van Bethlehem hierheen gebracht hebt? Daar hebben de bedienden Mij niets over verteld.'

[14] De vijf Farizeeën zeggen: 'Wij hebben ze aan de andere kant van de bocht in de herberg gebracht, omdat we niet konden weten of u er wel was. Want het was toch al erg moeilijk te weten te komen dat u zich in deze tijd meestal hier ophoudt, en het was helemaal niet zeker dat we u hier aan zouden treffen, maar we hebben het er toch op gewaagd. Anders zou men hier wel geweten hebben waar u zich dan zou bevinden, of wanneer u zo ongeveer terug zou komen. Vanwege die onzekerheid hebben we dan ook onze ergste zieken in de voornoemde herberg ondergebracht, opdat ze daar verzorgd zouden worden terwijl wij moeite deden ergens bij u te komen om u te vragen u te ontfermen over onze erge zieken! Daarom hebben we ook onze legerplaats op de berg boven de herberg gesitueerd, zodat we zo dicht mogelijk bij onze zieken zouden zijn die met moeite in de herberg zijn ondergebracht.

[15] Heer en meester, nu hebben we alles gezegd en verder hebben we niets te vertellen. Als u het dus wilt, ontferm u dan over de armen en lijdenden!'

[16] Ik zeg: 'Het is zo: Als u geen wonderen en tekens ziet, dan is uw geloof zwak; zonder de kracht van het geloof kan er echter weinig gedaan worden tot heil van de mensen! Maar als u gelooft, dan zult u de heerlijkheid van de macht Gods in de mens zien!'

[17] Allen antwoorden: 'Ja, ja, Heer. Wij geloven allemaal. Wie zoals u een dode dochter van de overste Jaïrus in het leven kan terugroepen, die kan ook alle andere ziekten genezen die nog lang niet zo erg zijn als de dood! Want over die daad werd tot voorbij Bethlehem, de stad van David, gesproken!'

[18] Met opgeheven handen zeg Ik dan: 'Nu dan, laat het dan gebeuren zoals jullie geloven!'

[19] Alle zieken, die op het erf wachtten op genezing, werden plotseling kerngezond, begonnen te jubelen en te roepen van vreugde en riepen luid: 'Wij zagen een licht ons lichaam binnengaan - en toen waren we gezond; en we voelen ons nu zo goed alsof we nooit wat gemankeerd hebben. Heil Hem, die ons zo onverwacht heeft genezen!'

[20] De Farizeeën kunnen van verbazing bijna geen woord uitbrengen. Na een poosje horen ze echter ook in het plaatsje Kis luid roepen en jubelen; en de Farizeeën met de geheel genezen zieken lopen zo snel mogelijk naar buiten om te zien wat dat lawaai betekent. Maar dan zien ze al gauw hun zieken uit de herberg, die allen als vrolijke herten in het rond springen en voortdurend 'Heil aan de man' roepen, voor hem die hen zo wonderbaar genezen had.

[21] Als de genezenen de vijf Farizeeën tegen komen, vragen deze aan de jubelenden, wanneer en hoe ze genezen werden. Allen, ongeveer dertig mensen, vertellen hen in koor, hoe dat om zo en zo laat gebeurde, en dat ze een licht in hun lichaam hebben zien gaan.

[22] Zo merken de vijf, dat het precies op het moment was toen Ik zei: 'Laat het gebeuren, zoals jullie geloven!', en dat degenen in de herberg door een licht genezen werden.

[23] Er heerst een algehele verbazing, en de genezenen roepen: 'Breng ons naar de genezer, zodat wij hem persoonlijk onze lof en ons loon brengen!'

[24] Nu brengen de Farizeeën hen tot Mij, en ze vallen voor Mij neer en geven God de eer, omdat Hij aan een mens deze kracht gaf!

[25] Maar Ik zeg dat ze op moeten staan en tevens waarschuw ik hen allen, terwijl Ik ze de voor hen klaargemaakte eetzaal aanwijs, dat ze niets van deze gebeurtenis mogen vertellen, niet in Jeruzalem en ook niet in de stad van David.

[26] En als één man beloven ze Mij, dat ze dat zoveel mogelijk zullen trachten te voorkomen; alleen zou het wel moeilijkheden geven als ze weer kerngezond in de stad terug zouden komen; maar ze zouden toch al het mogelijke doen om Mij vooral niette verraden.

[27] Ik zeg dat Ik dat een goed voornemen vind en breng hen Zelf in de eetzaal, waar verfrissingen en allerlei versterkingen op hen staan te wachten. Ik zegen hun spijzen en dranken en geef ze dan de raad om naar behoefte te eten en te drinken en verzeker hen, dat ze er geen schade van zullen ondervinden. En ze beginnen te eten en te drinken; maar Ik trek Mij daarna in een ander vertrek terug, waar de eerlijke Baram uit Jesaira nog voor Mij en de Mijnen een buitengewoon rijkelijke maaltijd geserveerd had, waaraan Kisjonah en zijn familie blij naast Mij zittend deelnamen.

 

 

219 Gelijkenis van de gemeste os

 

[I] Na het avondmaal zegt Ahab: 'Heer, vanzelfsprekend heb ik voor mijzelf al sinds Jesaïra een heel duidelijk beeld van Uw wezen, en voor mij en mijns gelijken waren zulke geweldige tekens niet nodig geweest om ons meer dan voldoende ervan te overtuigen, dat U Jehova Zelf bent, Die werkt door middel van een van de aarde als het ware geleend mensenlichaam. Maar ik vraag mij af of de vijf Farizeeën uit Bethlehem, die overigens echte mannen van eer schijnen te zijn, er serieus niets van merken wie degene zou kunnen zijn, die hun zieken zo wonderbaarlijk genezen heeft. Als ze ook maar enig idee hebben, dan ligt het toch erg voor de hand dat een gewoon mens zoiets in der eeuwigheid niet kan. Ik denk dat ze eens wat aan de tand gevoeld moeten worden, dan zal wel vlug blijken wat ze in hun hart over U denken.'

[2] Ik zeg: 'Vriend, Ik hoop niet dat je er aan twijfelt, dat Ik precies weet wat ze van Mij denken; en daarom vind Ik het helemaal niet nodig dat we hen in hun persoonlijke bespiegelingen storen. Bovendien komt er morgen nog een dag, waarop nog menige zaak uitstekend geschikt kan worden. Laat ze vannacht maar goed doorgisten! Want net zoals voor de nieuwe most de gisting nodig is, opdat uit de most een alcoholische wijn ontstaat, zo heeft ook ieder mens een soortgelijke gisting in zijn gemoed nodig als hij over wil gaan in het volle en ware geestelijke.

[3] Kijk, als een mens alles heeft wat hij behoeft, dan voelt hij zich heel behaaglijk; hij heeft nergens zorgen over, hij doet niets, geniet overal van en vraagt zich niet af of er een God is, of er een leven is na de

dood van zijn lichaam, of de mens niet meer is dan een dier of dat het dier meer is dan de mens. Bergen en dalen maken geen verschil voor hem, winter en zomer doen hem niets; want in de zomer heeft hij schaduw en verkoelende baden en in de winter heeft hij een goede verwarming en warme kleren.

[4] Daarom maakt het hem ook niets uit of het jaar vruchtbaar was of niet; want ten eerste heeft hij voor tien jaar alles in voorraad en ten tweede heeft hij geld genoeg om dat wat hij te kort zou komen aan te schaffen.

[5] Nu, zo'n mens leeft dan in net zo'n rustig gangetje als een gemeste os in de stal en denkt ook niet veel meer dan een os en is derhalve niets meer dan een genietend dier in menselijke gestalte.

[6] Ais je bij zo iemand zou komen om hem het evangelie van het Godsrijk te prediken, dan doet hij met jou precies hetzelfde wat de os in de stal doet met een steekvlieg die hem stoort bij zijn onbezorgde vreten: de os slaat met zijn staart naar de hem storende gast, en die moet er snel vandoor gaan om niet platgeslagen of op z'n minst half dood geslagen te worden.

[7] Zo'n zorgeloze genieter van het eten zal zijn dienaren, die eigenlijk de verjagende en afwerende staart van de levensgenieter zijn, opdracht geven om je er uit te jagen; en jij zult zeker zo snel mogelijk maken dat je weg komt en pas op een behoorlijke afstand erover na kunnen denken, wat de invloed van jouw evangelieprediking op de zelfvoldane voedselgenieter was.

[8] Maar Ik heb de mogelijkheid om zulke ossen een heel andere preek vooraf te geven: Ik Iaat ze het ene ongeluk na het andere overkomen; daardoor krijgen ze allerlei zorgen en angst en vrees, beginnen na te denken, te zoeken en te vragen hoe dat toch komt dat ze nu van alle kanten belaagd worden, terwijl ze toch nooit iemand onrecht aangedaan hebben en altijd als nette, fatsoenlijke mensen hebben geleefd!

[9] Maar dat gebeurt alleen maar voor het nodige gistingsproces.

[10] Als zulke mensen dan goed gaan gisten, hebben ze behoefte aan vrienden die hen weer tot rust zouden kunnen brengen; ga dan naar hen toe en predik hen het evangelie, en ze zullen naar je luisteren, en nooit hun trotse en woedend om zich heen slaande staart tegen je opheffen!

[11] Wel, om deze reden is het goed dat onze gasten gedurende deze nacht een bepaald gistingsproces doormaken; daardoor zal hun geest meer gaan werken, en dan zullen wij het morgen met zo moeilijk met hen hebben. Zie je dat nu in?'

 

 

220  De rust en het nietsdoen

 

[I] Ahab zegt: 'O wijsheid, o wijsheid! Hoe hoog en waar is datgene, wat in U woont, en hoe vreselijk dom zijn wij daarbij vergeleken! Het is al eeuwenlang bewezen dat er niets ontstaat zonder een voorafgaande strijd; en toch wilde ik nu zonder meer naar de Bethlehemieten gaan om hun geest te verlichten! O ik ben toch wel het toppunt van domheid?! De Griekse wijzen zeggen toch al: 'Iedere werkzaamheid hangt van strijd af, en iedere uitwerking is daar het gevolg van!', -en ik had dat niet in de gaten! Hoe komt het toch dat ik het nu wel inzie?!                   .

[2] Ja, als in het innerlijk van een mens niet echt een gevecht met zichzelf en zijn verschillende eigenschappen plaatsvindt, is alles nutteloos wat men van buitenaf met hem wil doen!

[3] De leerzame levensverhoudingen van de mens zijn me nu volkomen duidelijk, en bijna zou ik hier een voorname grondregel voor het.leven opstellen en ik geloof, dat ik daarmee niet ver naast de roos zou schieten! 'Laat maar eens horen!', zeg Ik, 'Ik wacht met Mijn oordeel, tot je hem hebt uitgesproken.'

[4] Ahab zegt: 'Wat een mens zichzelf niet verschaft door zijn oorspron­kelijk ontvangen eigenschappen te gebruiken, dat kan geen God hem geven, want dan zou hij vernietigd worden! God kan alles, maar daar heeft de mens niets aan!

[5] Als iemand zichzelf niet eerst kent, hoe zal hij dan een ander of tenslotte zelfs God kennen?! - Deze grondregel had ik bedacht. Heer, zit ik er ver naast?'

[6] Ik zeg: 'Nee, vriend Ahab, werkelijk, je hebt de spijker nu precies op de kop geslagen; het is zo! Wat de mens zich met zijn eigen hem geschonken krachten niet zelfstandig verschaft, dat kan en mag God hem ook niet geven zonder hem daardoor te oordelen!

[7] Wees allen daarom niet alleen slechts hoorders van Mijn woord, maar enthousiaste daders, dan pas zullen jullie de zegeningen daarvan in je waar gaan nemen!

[8] Want het leven bestaat uit doen, en niet uit het ongebruikt laten van de krachten waarvan het leven afhankelijk is, en het leven moet zelfs ?oor de aanhoudende werkzaamheid van de gezamenlijke krachten eeuwig In stand gehouden worden; want in het 'zich ter ruste leggen' bevindt zich geen blijvend leven.

[9] Dat bepaalde gevoel van welbehagen dat de rust jullie geeft, is niets anders dan een gedeeltelijke dood van de voor het leven nodige krachten; wie het steeds prettiger vindt om zich over te geven aan het rustende nietsdoen, vooral aan het geestelijke nietsdoen, die omarmt daardoor steeds meer de werkelijke dood, waar geen God hem zo makkelijk uit kan bevrijden!

[10] Ja, er is ook een echte rust die volleven is, maar dat is een rusten in God en dat is het onbeschrijfelijk zaligmakende gevoel van tevredenheid over het bezig zijn volgens de wil van God.

[11] Dit zalige gevoel van tevredenheid en het duidelijke besef steeds volgens Gods orde te hebben gehandeld, is de bewuste echte rust in God, en alleen die is volleven omdat die daarna veel energie en actie veroorzaakt. Iedere andere rust die bestaat uit het stoppen van de levenskrachten, is echter zoals reeds gezegd, in zoverre een echte dood, als de mate waarin de verschillende levenskrachten zich onttrokken hebben aan het werk en daarmee niet meer verder gaan. - Begrijpen jullie dat?'

[12] Judas Iskariot zegt: 'Heer, als dat zo is, dan moet de mens de slaap mijden als de pest; want tijdens de slaap rusten er toch ook een aantal levenskrachten, al zijn het dan ook uiterlijke!'

[13] Ik antwoord: 'Zeker! Daarom zullen langslapers ook nooit zo bijzonder oud worden. Wie zijn lichaam in de jeugd vijf uur en als oudere zes uur slaap gunt, zal ook meestal een hoge ouderdom bereiken en lang een jeugdig uiterlijk behouden, terwijl een langslaper gauw veroudert, een rimpelig gezicht en grijze haren krijgt en er op latere leeftijd als een schim uitziet.

[14] Zoals het lichaam echter door te veel slaap steeds meer afsterft, net zo en nog veel sterker uit zich dat bij de ziel, als ze steeds meer nalaat om volgens Mijn woord en wil bezig te zijn.

[15] Als het nietsdoen zich echter eenmaal in een ziel genesteld heeft, dan nestelt zich daar ook de zonde; want het nietsdoen is niets anders dan eigenliefde, die iedere bezigheid voor iemand anders des te meer ontvlucht, omdat ze in wezen niets anders wil dan dat alle anderen ten behoeve en ten nutte van haar zullen werken!

[16] Vermijdt daarom vooral het nietsdoen; want dat is het echte zaad voor alle mogelijke zonden!

[17] Als voorbeeld kunnen ook de verschillende roofdieren dienen. Kijk, deze dieren gaan alleen dan maar tot hun verderf brengende bezigheid over, als ze door een razende honger gedreven worden; hebben ze hun buit veroverd en hun honger gestild, dan gaan ze meteen weer in hun holen en rusten daar vaak dagenlang; zoals speciaal de slangen dat wel doen.

[18] Bekijk dan eens een rover en moordenaar! Deze mens, die overigens alle arbeid schuwt, en eigenlijk een vleselijke duivel is, ligt dagenlang ergens in zijn roversnest; alleen als de wachtposten hem meedelen dat er een rijke karavaan voorbij zijn roversnest zal trekken, gaat hij met zijn kornuiten mee op de loer liggen en valt dan de voorbijtrekkende karavaan meedogenloos aan en berooft haar, en vermoordt de kooplieden om niet verraden te worden! En dat is een vrucht van het nietsdoen.

[19] Ik zeg daarom nog eenmaal: Wees vooral op je hoede voor het nietsdoen; want dat is de weg en de brede deur tot alle mogelijke zonden!

[20] Na gedane arbeid is een matige rust goed voor de ledematen, maar een overmatige rust is slechter dan helemaal geen rust.'

 

 

221  'De nachtprediking'

 

[I] Als iemand te voet een lange weg heeft afgelegd en tenslotte een herberg bereikt, dan zal hij als hij niet direkt naar bed gaat maar zich matig beweegt en de volgende morgen al voor het opgaan van de zon op is, de gehele dag geen moeheid merken, en hoe langer hij zijn reis op die manier voortzet, des te minder daardoor vermoeid raken.

[2] Maar als iemand die net zo vermoeid van een dagtocht, in een herberg aankomt, meteen naar bed gaat en pas de volgende dag 's middags op staat, dan zal hij zijn verdere reis voortzetten met totaal verstijfde voeten en met een geheel verward hoofd en na een poosje lopen zal hij zo moe zijn dat hij vurig verlangt naar een rustpauze, en het kan zelfs gebeuren dat hij langs de weg blijft liggen en dood gaat als hij mogelijkerwijs geen hulp krijgt.

[3] Waar komt dat door? Door zijn eigen te grote zin om te rusten en het daarmee verbonden zelfbedrog, dat de rust de mens zou versterken.

[4] Als iemand zich in de een of andere kunst, waarvoor een grote mate van hand­ en vingervlugheid vereist is, een grote verbazingwekkende perfectie wil bereiken, dan vraag Ik je: Zal hij die ooit bereiken, als hij in plaats van iedere dag voortdurend vlijtig te oefenen, zijn handen en vingers in zijn zakken steekt en dag na dag niets doend rondloopt, omdat hij angst heeft dat hij door het vermoeien van zijn vingers en handen, deze te stijf en te onhandelbaar zou maken voor het nagestreefde kunstenaarschap?

[5] Waarlijk, Ik zou Zelf ondanks al Mijn onbegrensde wijsheid niet het moment kunnen voorspellen waarop zo'n leerling van de kunst een virtuoos zou worden! Daarom, beste vrienden en broeders, zeg Ik nogmaals tegen jullie:

[6] Alleen voortdurende werkzaamheid voor het algemeen welzijn van de mensen is goed! Want al het leven is een vrucht van de voortdurende en onvermoeibare activiteit van God en kan daarom slechts door ware werkzaamheid in stand gehouden worden en voor de eeuwigheid bewaard blijven, terwijl uit het nietsdoen alleen maar de dood voor de dag komt en komen moet.

[7] Leg je handen op je hart en besef, hoe het steeds maar door dag en nacht werkzaam is! Alleen van die werkzaamheid hangt het leven van het lichaam af; als het hart echter eens stil gaat staan, is het - denk Ik - met het natuurlijke leven wel gedaan!

[8] Zoals echter de rust van het lichamelijke hart duidelijk de dood van het lichaam is, zo is ook de vergelijkbare rust van het hart der ziel, de dood van de ziel!

[9] Het hart van de ziel heet echter 'liefde', en het kloppen van dit hart uit zich in de echte en complete werken der liefde.

[10] Het voortdurend uit liefde handelen is derhalve de nooit moe wordende polsslag van het hart der ziel. Hoe vlijtiger dat zielehart slaat, hoe meer leven er in de ziel komt, en als zich daardoor een voldoende hoge levensenergie in de zielontwikkeld heeft, zodanig, dat deze de goddelijke, allerhoogste levensenergie evenaart, dan wekt zij het leven van de goddelijke geest in zich op.

[11] Deze geest, die puur leven is, omdat hij de onvermoeibare hoogste activiteit zelf is - vloeit dan in de hem door de werken der liefde geheel gelijk geworden ziel, en dan is het eeuwige onvergankelijke leven in de ziel volledig begonnen!

[12] Zie je, dat is nu allemaal het gevolg van werkzaamheid, maar nooit van luie rust!

[13] Ontvlucht daarom de rust en zoek de volle werkzaamheid, en je loon zal het eeuwige leven zijn!

[14] Geloof maar niet, dat Ik gekomen ben om de mensen van deze aarde vrede en rust te brengen; o nee, maar wel het zwaard en de oorlog!

[15] Want de mensen moeten door de nood en allerlei tegenspoed aangezet worden tot werkzaamheid, omdat ze anders trage, gemeste ossen zouden worden die zichzelf vetmesten als voer voor de eeuwige dood!

[16] Ook veroorzaken nood en tegenspoed in de mens opeenvolgende gistingsprocessen, waaruit zich op den duur toch iets geestelijks ontwik­kelen kan.

 [17] Natuurlijk kun je zeggen: 'Door nood en tegenspoed ontstaan ook toorn, wraak, moord en doodslag en nijd, hardvochtigheid en vervolging!' Dat is beslist waar; maar hoe erg deze zaken ook zijn, de gevolgen daarvan zijn toch nog beter dan de luie rust, die dood is en geen goed en ook geen kwaad veroorzaakt.

[18] Daarom zeg Ik jullie: Loop warm voor Mij of blijf koud voor Mij; want een lauwe spuug Ik uit!

[19] Een actieve vijand heb Ik liever dan een lauwe vriend; want de actieve vijand noopt Mij om zo actief mogelijk te zijn, opdat Ik hem win of de goede weg insla om hem voor Mij voor altijd onschadelijk te maken; bij een lauwe vriend wordt Ik Zelf ook lauw, en zal Ik iets aan die vriend hebben als Ik in nood kom?!

[20] Een lauwe bestuurder is daarom een plaag voor zijn volk; want daardoor vergaat de geest van het volk, en de mensen verworden tot pure gemeste ossen en pakezels! Maar een krachtige en zelfs tirannieke bestuurder maakt het volk levend, en alles is zo actief mogelijk om toch maar geen straf op te lopen; en als de tiran het te bont maakt, dan zal het volk zich tenslotte massaal verheffen en zich van zijn beul bevrijden.

[21] Ik geloof, dat Ik nu voldoende over de waarde van de werkzaamheid gesproken heb, en Ik ben ervan overtuigd dat jullie deze les allemaal hebben begrepen. Dus, als iemand dat wil en vindt dat zijn lichaam slaap nodig heeft, Iaat die dan een bed opzoeken; wie echter gedurende de nacht met Mij waken wil, die blijve hier!' Daarop zeggen allen: 'Heer, hoe zouden wij nu kunnen slapen, als U waakt?! - Alleen moeder Maria schijnt lichaamsrust nodig te hebben, dus kunt U tegen haar wel zeggen dat ze moet gaan slapen.’

[22] Maar hoewel Maria achter Mij op een leunstoel wat sluimerde, hoorde ze toch wat er gezegd werd, ze ging rechtop zitten en zei heel vriendelijk tegen de spreker: 'Vriend, ik zeg tegen jou, omdat jij meestal de woord­voerder voor al je medeleerlingen bent, dat jouw bezorgdheid voor mij een beetje overbodig is; want weet je, ik heb voor mijn Heer al wel een paar honderd slapeloze nachten doorwaakt, en ik leef nog steeds - en als het Zijn wil is zal ik er weer zo veel doorwaken en mijn leven niet verliezen! Hebben jullie dus allemaal maar geen zorgen over mij; het is voldoende als er Een aan mij denkt!'

[23] Deze woorden waren echter aan Thomas gericht. Hij ging naar Maria en vroeg haar om zijn goed bedoelde mening niet onvriendelijk op te nemen. Maar Maria suste hem en was zeer vriendelijk over zijn zorg over haar en het werd Thomas weer lichter om het hart, zodat hij weldra weer helemaal gerustgesteld naar zijn plaats ging.

[24] Toen bleef het een poos stil. Niemand zei iets; want ze dachten allen nu diep erover na, en het licht van de waarheid van het vertelde werd steeds helderder voor hen.

[25] Alleen Matthéus zei na een poosje bij zichzelf: 'Morgen bij het krieken van de dag wordt deze leer van de werkzaamheid en de rust, zo goed dat mogelijk is, opgeschreven op een vel dat alleen voor deze leer gebruikt wordt; want deze buitengewoon belangrijke leer mag voor geen goud van de wereld verloren gaan!' En toen niet lang daarna de dag aanbrak, hield Matthéus ook zijn woord; en deze leer heeft nog lang bestaan en is door Jonaël en Jaïruth ook naar Samaria meegenomen, maar in de loop der tijd werd ze zeer misvormd en is daarom ook verloren gegaan. Zolang ze echter nog in omloop was, circuleerde ze onder het volk onder de naam 'de nachtprediking'.

 

 

222  De vijf Farizeeën

 

[1] De volgende morgen kwamen de vijf Farizeeën naar Mij toe, begroetten Mij en Mijn leerlingen op hun manier zeer hoffelijk en betoonden Mij nog een grote eer, door Mij te vragen, of Ik hen waardig vond om Mij de voeten te wassen.

[2] Want het was in Bethlehem nog een oud gebruik om iemand te eren door de voetwassing; de gastheer waste de voeten van zijn gasten, of de voornaamste van de gasten waste als een tegenbewijs van eer op de volgende morgen de voeten van de gastheer. Daarom liet Ik dan ook de vijf Farizeeën uit Bethlehem Mijn voeten wassen en afdrogen.

[3] Pas na deze handeling vroegen de vijf Farizeeën aan Mij: 'Waarlijk, onbegrijpelijk grote meester! Vertelons nu toch eens iets over de aard en manier, waarop de kracht werkt waarmee U dergelijke nooit gehoorde genezingen tot stand brengt! Dat U zulks - in het algemeen gesproken - duidelijk door de kracht van God doet, staat wel vast; maar hoe en op wat voor wijze dat zo ongehoord volmaakt kan gaan, dat is een andere vraag. Slechts daarover - als u ons voor enigszins waardig houdt -zouden we iets naders willen weten, en dan zullen we zeer tevreden en u eeuwig dankbaar blijvend de terugweg naar Bethlehem weer aanvaarden.'

[4] Ik zeg: 'Al zou Ik het u willen zeggen, dan zou u het toch niet aannemen; want de driedubbele doek van Mozes hangt ook voor uw ogen, opdat u niet zou merken, wie degene is, die nu met u spreekt! Als u Hem zou kennen, dan zou U zo'n vraag nooit stellen; maar omdat u Hem niet kent, daarom vraagt u zoals u vraagt!

[5] En als Ik u een juist antwoord zou geven, dan zou u het toch niet aanvaarden. Want u ziet wel datgene, wat zich in de stoffelijke wereld bevindt en gebeurt; maar wat de geest en diens rijk en werken betreft, dat is vreemd voor u, en u kunt daarom ook niet begrijpen en voelen wat het wezen en werken van het Godsrijk in de mens is.

[6] Maar ga heen en doe boete voor uw vele zonden, dan zult u merken dat het rijk van God u genaderd is.

[7] Heb God met al uw krachten lief en aanbid Hem in geest en in waarheid; maar heb ook uw naaste arme broeder en zuster lief; vervolg uw vijanden niet; vervloek niet degenen die u vervloeken en doe degenen die u kwaad doen, goed, dan zult u gloeiende kolen op hun hoofden stapelen, en God zal uw werken aanschouwen en ze honderdvoudig aan u vergelden.

 [8] Leen uw geld niet uit aan degenen die het u met veel winst weer terug kunnen geven, maar leen het aan echte armen en behoeftigen, dan zal uw geld in de hemel tegen hoge rente uitgezet zijn, en de Vader in de hemel zal u altijd kapitaal en interest voor eeuwig uitbetalen!

[9] Ontvang ook niet zo gretig lof, dank en prijs van de wereld voor uw goede daden; want als u dit doet om wille van de wereld, wat zal dan uw loon in de hemel zijn?! Ik zeg u: Wie op aarde voor een goede, aan arme broeders bewezen daad het een of andere loon verlangt of in welke vorm dan ook aanneemt, diens loon in de hemel is nihil!

[10] Wie voor de hemel werkt die zal door de hemel, zowel nu in de tijd als eenmaal eeuwig, beloond worden; wie echter voor de wereld werkt, die zal van de wereld wel een smadelijk en vergankelijk loon oogsten; maar in de hemel zal hij zijn inkomstenboek leeg vinden, en zijn loon zal verdwenen zijn, en aan zijn geestelijke armoede zal heel moeilijk een einde komen!

[11] Als u dit goed ter harte neemt en daarnaar handelt, zal het u spoedig duidelijk worden, met welke middelen Ik uw zieken heb genezen. - Nu weet u alles wat u moet weten. Vraag niet om meer, waaraan u toch niets zou hebben als men het tegen u zei.

[12] Zorg er echter ook voor dat u over Mij, Mijn daden en Mijn leerlingen noch in Jeruzalem en evenmin in de stad van David iets rondvertelt; want dat zou u geen zegen brengen!

[13] Maar nu kunt u, als u uw morgenmaal genoten heeft, met een gerust gemoed de terugweg weer aanvaarden!'

[14] Na Mijn toespraak trekken de vijf wel wat verbouwereerde gezichten; maar ze durven het toch niet aan om nog een vraag te stellen, zij buigen voor Mij en gaan dan naar hun eetzaal en na het morgenmaal gaan ze weer op weg naar hun thuisland.

 

 

223 Een les in het geven van onderricht

 

[I] Maar dan komen de leerlingen naar Mij toe en vragen, waarom Ik toch in zulke bedekte termen met de Bethlehemieten heb gesproken.

[2] Ik antwoord: 'Zijn jullie dan nog steeds zo onverstandig, alsof je nog nooit een wijs woord van Mij hebt gehoord?! Zij denken dat Ik n.iets meer ben dan een dokter die begiftigd is met buitengewone geheime vaardigheden, en die met hulp van geheime krachten in de natuur zulke wonderbaarlijke genezingen verricht.

[3] Zij zijn niet onbekend met de sekte der Essenen, die zeer opmerkelijke kennis bezit over de geheime apothekerskunst, waardoor zij menige kwaal kunnen genezen en ook bepaalde verschijnselen te weeg kunnen brengen die door een leek als duidelijke wonderen aangemerkt moeten worden. Als je dit bedenkt, kan er dan uiteindelijk iets anders uitkomen dan dat deze Bethlehemieten mij zonder twijfel alleen maar aanzien voor een Esseen van de vierde, dus hoogste graad, wiens wetenschap zo groot is dat hij

de meest verschillende natuurkrachten beheerst en ze naar willekeur kan besturen?!

[4] Als Ik hen echter zonder meer verteld zou hebben, dat Ik als Zoon van de Allerhoogste de beloofde Messias was, dan zouden deze orthodoxe Joden zich bovenmatig zijn gaan ergeren en zouden Mij voor een magiër gehouden hebben die zich het hoogste aanmatigde en die met de satan een verbond had gesloten, en als zo iemand zouden ze Mij ook belasterd hebben, en de genezing van hun hierheen gebrachte zieken zou voor hun de ergste steen des aanstoots geworden zijn! Maar omdat ze Mij nu voor een pure Esseen houden, gaan ze heel gemoedelijk naar huis en loven en prijzen God die de mens zulke geheime kennis en kracht geeft, dat hij de lijdende mensen de zekerste, hoewel wonderbaarlijkste hulp kan geven!

[5] Opdat ze echter thuis bij rustiger en rijper nadenken toch gemakkelijk er achter kunnen komen dat Ik zeker geen Esseen ben, omdat de door Mij aan hen bekend gemaakte principes over het zedelijke en maatschap­pelijke onderlinge verkeer der mensen rechtstreeks indruisen tegen die van de Essenen, heb Ik hen precies zoveel onderricht gegeven als voor dit bepaalde doel nodig was. Zij zullen thuis Mijn leer mooi en netjes met de leer van de Essenen, die ze wel hebben, vergelijken en na de gevonden schrille contrasten pas echt raar opkijken. Zoals de vijf reeds in jullie bijzijn achterdocht kregen toen ze Mijn woorden hoorden, omdat Mijn leer voor hen, zoals Ik al zei, rechtstreeks indruist tegen die van de Essenen.

[6] Zij zouden wel graag meer aan Mij hebben willen vragen, maar Ik heb ze zo kort mogelijk te woord gestaan, en zij verdwenen en durfden geen verdere vragen meer te stellen; want zij zagen dat Ik volgens Mijn daden wel best een Esseen van de hoogste rang zou kunnen zijn, maar volgens de door Mij aan hen gerichte woorden toch weer niet. Maar terwijl ze onderweg aan niets anders dan aan dit verschijnsel denken, denken ze nu ook: 'Hebben de Essenen soms twee leren, een uiterlijke alleen voor het blinde wereldse volk, en een innerlijke voor zichzelf?' Het kon best zo zijn, dat Ik dus oprecht tegen hen geweest was, en dat Ik, als goede kenner van de schrift, hen zo maar enige zinnen van de innerlijke leer toegeworpen had, en het verdere zoeken aan hen zelf had overgelaten!

[7] Maar één van de vijf meent echter dat er heel wat anders achter Mij steekt dan een Esseen van de hoogste rang. Nu zegt hij tegen de andere vier: 'Ik voor mij vind nu niet di rekt dat hij een Esseen is; want ik heb nog maar pas met een Esseen over al hun leren en gebruiken gesproken, en hij was daarbij erg eerlijk; maar hij wist niets over een tweede geheime leer. Ik houd daarom deze zonderlinge genezer van Nazareth voor een geheel eigen en zover ik weet nog nooit voorgekomen verschijning. Hij is God - of een duivel, hetgeen ik echter wil betwijfelen omdat zijn leer het meest sociale principe behelst dat ik ooit hoorde; een duivel is daarentegen de grootst mogelijke tiran en dus een uitgesproken vijand van alle sociale leer!'

[8] Zie je, onderweg voeren die vijf nu al zulke gesprekken en zij zijn daarin zo verdiept dat ze nauwelijks merken, dat hun voeten zich bewegen en hen verder dragen.

[9] Beste vrienden, als men iets leert, moet men behoedzaam te werk gaan; men moet niet meteen met de deur in huis vallen en net als bij een maaltijd niet alle spijzen in één keer binnen brengen, maar men moet zachtjes het huis ingaan en bescheiden aan een deur kloppen die in het een of andere vertrek voert; en als men een maaltijd serveert, moet men pas dan de tweede gang op tafel zetten als de gasten de eerste reeds genuttigd hebben; anders vindt men je als bezoeker onaardig en brutaal en zul je in het door je bezochte huis weinig of niets kunnen uitrichten, terwijl de gastheer de gasten alle eetlust ontneemt als hij in één keer een massa spijzen van allerlei aard op tafel zou zetten; maar als alles ordelijk gaat, zullen de gasten hun eetlust behouden, en zij zullen tenslotte hun gastheer prijzen omdat hij zo voortreffelijk voor hen gezorgd heeft!

[10] En let op, zo moet men ook te werk gaan bij het lesgeven, als men daarmee iets wil bereiken. - Begrijpen jullie dit nu?'

[11] De leerlingen zeggen: ' Ja Heer, wij begrijpen nu alles, wat U nu zoals altijd zo wijs tegen ons gezegd hebt!'

[12] Ik zeg: 'Nu goed, dan zullen wij nu ook aan het ochtendmaal gaan!'

 

 

224 Innerlijke zelfbeschouwing

 

[1] Meteen staan wij van onze rustbanken op en gaan de tuin in, waar al een rijkelijk ochtendmaal op ons wacht dat Baram alweer voor ons klaargemaakt heeft.

[2] Weliswaar zegt Kisjonah tegen Baram: ~Maar broeder, wat doe je toch?! Denk je soms, dat mijn zolders, voorraadkamers en wijnkelders leeg staan?!'

[3] Baram zegt: 'Broeder, ik weet maar al te goed dat duizend gasten per dag je voorraden in duizend jaar niet kunnen opmaken; maar ik behoor goddank toch ook niet tot de armen van dit land, dus laat me vandaag nog maar het plezier al deze gasten te verzorgen! Want ik schep er erg veel genoegen in, met dat beetje wat ik heb de Heer te mogen dienen! Morgen zullen jouw kookkachels weer net zo veel werk hebben als ooit tevoren!'

[4] Kisjonah en Baram omarmen en kussen elkaar en gaan dan ook aan tafel zitten en eten een heerlijke vis met brood en wijn.

[5] Na de maaltijd vraagt Kisjonah, wat men die dag zal gaan doen, of Ik soms weer ergens naar toe wilde, zodat hij voorbereidingen kon treffen voor een gemakkelijke reis.

[6] Ik zeg: 'Vriend en broeder! Maak jij je maar nergens zorgen over! Wat de tijd brengen zal, dat pakken we aan! Maar vandaag en morgen zullen weinig of niets brengen, 'behalve ons zelf, en daarom hebben we ook geen speciale voorbereidingen nodig. Morgen tegen de avond zal Philopold uit Kana komen; die zal ook heel wat te vertellen hebben.

[7] Nu zullen we echter tot de middag een paar oefeningen in zelfbe­schouwing doen onder de verkoelende schaduw van de bomen!

[8] Want waarlijk, Ik zeg jullie: Er is voor een mens niets heilzamer dan zo nu en dan zichzelf innerlijk te onderzoeken! Wie zichzelf en zijn krachten ontdekken wil, moet zich meermalen zelf onderzoeken en innerlijk bekijken.

[9] Omdat dat zo dringend nodig is, zullen wij zo'n oefening vandaag vóór de middag doen, en na het middageten zullen wij de zee opgaan en zien wat daar eventueel gedaan kan worden.'

[10] Enigen weten echter niet hoe ze een begin moeten maken met de innerlijke zelfbeschouwing, en vragen dat aan Mij. Dan zeg Ik: 'Rust en denk in stilte actief na over jullie doen en laten, over de jullie welbekende wil van God, en of je deze hebt opgevolgd tijdens de verschillende periodes van je leven. Op deze manier heb je je innerlijk onderzocht en daardoor bemoeilijk je het binnendringen van de satan in jezelf steeds meer. Want deze probeert met al zijn energie om de innerlijke zelfbeschouwing van de mens, door middel van allerlei nietszeggende begoochelingen te ver­hinderen.

[11] Want als de mens eenmaal door oefening wat vaardigheid heeft verkregen in de beschouwing van zijn innerlijk, dan ontdekt hij in zichzelf ook heel gemakkelijk en heel snel welke valstrikken de satan voor hem heeft opgezet, en dan kan hij deze behoorlijk onklaar maken en vernietigen en tijdig maatregelen nemen tegen alle toekomstige valsheid van deze vijand. Dat weet de satan maar al te goed en daarom is hij zo ijverig mogelijk bezig om de ziel zelf met allerlei naar buiten gerichte begoo­chelingen af te leiden, en onderhand heeft hij dan niet veel moeite om onzichtbaar voor de ziel allerlei vallen uit te zetten, waarin zij tenslotte zo verstrikt raakt dat ze dan niet meer tot zelfbeschouwing kan komen, en dat is heel erg.

[12] Want daardoor wordt de ziel steeds meer gescheiden van haar geest en kan zij deze niet meer opwekken, en dat is in de mens dan al het begin van de tweede dood.

[13] Jullie weten nu waaruit de innerlijke zelfbeschouwing bestaat. Doe daarom van nu tot aan de middag in stilte zo'n oefening en laatje intussen door geen uiterlijke gebeurtenis storen! Want de satan zal zeker niet nalaten om jullie af te leiden met het een of andere spektakel van buitenaf. Maar denk er aan dat Ik dat jullie vooruit heb gezegd, en keer dan weer vlug in je zelfbeschouwing terug!'

[14] Nu wordt alles heel rustig, en iedereen doet zijn uiterste best om zich te verdiepen in de zelfbeschouwing, en een uur verloopt zo zonder enige storing.

 

 

225  De leviathan

 

[1] Maar na een uur klinkt er plotseling een dreunende slag, alsof een krachtige bliksem vlak naast het huis insloeg. Iedereen schrikt geweldig en vliegt op; maar ze denken aan Mijn woorden en worden gauw weer rustig.

[2] Satan Iaat echter niet lang op zich wachten; kort na de slag horen de rustenden, die geestelijk actief waren, een angstaanjagend sissen en fluiten, en het duurt niet lang of aan de oever van de zee verheft zich een buitengewoon monster, De kop lijkt op die van een wolf, maar dan minstens honderdmaal groter, de ver uit de bek stekende tong lijkt op een voortdurend wild kronkelende reuzenslang, de beide oren lijken op die van een reusachtige os, de ogen zien er uit als twee grote schotels met gloeiend erts, de voorpoten lijken op die van een reuzenbeer, de achterpoten op die van een leeuw van reusachtige grootte, het lichaam op dat van een krokodil met de staart van een draak. Zijn gebrul is een dreunende slag en zijn adem een onheilspellend sissen en fluiten. Zo komt het uit de zee.

[3] Maar aan de oever weiden schapen, ossen, koeien, kalveren en veel ezels, Het monster maakt meteen jacht op de huisdieren en verslindt snel de een na de ander. Dan vluchten de huisdieren; maar het ondier komt onze richting uit.

[4] Wanneer er verscheidene die bewegingen van het ondier zien, maken zij zich klaar om op de loop te gaan, en zeggen: 'Heer, deze proef is een beetje te moeilijk! Een aantal kalveren, een stuk of tien lammeren en twee jonge ezelsveulens heeft dat afgrijselijke ondier al opgegeten; nu wil het hier een lekker hapje komen halen en het heeft, op de geur afgaande, zeker onder ons iets uitgekozen, omdat het nu wat aarzelend deze kant uitkomt. Het lijkt toch wel raadzaam deze brenger des doods een beetje uit de weg te gaan! Want met natuurlijke middelen kun je toch echt niet tegen dit beest op, en het zou heel lang kunnen duren voor het overwonnen was!'

[5] Ik zeg: 'Laat je niet in het minst storen! Uiterlijk kunnen wij met z'n allen niet tegen dit ondier op, want het is een volwassen leviathan: maar onze innerlijke kracht dwingt hem tot aan het eind van de wereld te vluchten; maak je dus helemaal geen zorgen! Een klein uurtje nog, en dan hebben jullie de slagbomen en grensvestingen van de dood doorbroken, en dan zal de heerschappij over de hele hel en haar leger jullie loon zijn!'

[6] Meteen na Mijn woorden Iaat het ondier enige malen na elkaar Zijn ploffende stem horen, en daarna beweegt het zich weer heel rustig, maar toch tamelijk snel naar ons toe, waarbij het zijn vraatzucht maar al te duidelijk Iaat blijken door het voortdurende kronkelende slaan met Zijn lange staart, die zo sterk is als een boom. Maar de leerlingen zijn nu heel goed in vorm en laten zonder vrees en onversaagd het ondier op zich afkomen.

[7] Als het op ongeveer tien passen van ons af is geef Ik de engel Archiël een geestelijke opdracht, en deze gaat plotseling voor het dier staan en vraagt: 'Wat kom je hier doen satan? Verdwijn - of ik vernietig je!' Het ondier opent zijn muil en maakt bewegingen alsof het wilde praten; maar de engel gebiedt het nog een keer om te verdwijnen! Dan stoot het dier een aantal ploffende geluiden uit en rent daarna met schel gesis en gefluit de zee in.

[8] Toen het weer in zee ondergedoken was, bewoog het een tijdlang het water in de grote inham zo sterk, alsof de zwaarste storm het opjoeg; maar geen van de leerlingen trok zich daar wat van aan, en in dit laatste uur werd de stilte in God met grote innerlijke ijver in stand gehouden.

[9] Maar tegen het einde van het rustuur komt er opeens een zwaar onweer . Felle bliksems schieten door de lucht; harde windstoten buigen de bomen haast tot aan de grond, en grote en zware regendruppels met hagel vermengd vallen al uit de donkere wolken.

[10] Een paar zwakkere leerlingen wilden al het huis in vluchten; maar de engel zegt: Blijf en herken het onbeduidende goochelkunstje van de satan!' Daarop blijven ze en de loze regen deert hen niet. Het gaat weliswaar steeds harder regenen, en de hagelkorrels springen heel opgewekt over de grond; maar geen mens wordt er door geraakt, en de regen maakt nauwelijks iemands huid nat.

[11] Dan bedreigt de engel de wolken, en deze scheuren dadelijk uiteen, en het is meteen helder dag. Na een paar ogenblikken is de zelfbeschouwing ten einde en Baram zegt: 'Heer, waar U het het prettigste vindt, hier of in huis! Het eten is klaar!'

[12] Ik zeg: 'Laat nog een half uur voorbijgaan, dan is alles in orde! Ik moet nog een paar woorden tegen Mijn leerlingen zeggen.'

[13] Baram gaat weer in zijn schip, waar een aantal zakken goede wijn in een grote kist opgeborgen zijn, en hij laat deze door zijn mensen in de keuken brengen en daar alle kruiken vullen en hij zegt tegen de koks en kokkinnen dat ze nog een half uur moeten wachten, en de spijzen dan pas op moeten dienen als hij hen een teken zal geven. Daarna komt hij weer bij Mij, en luistert mee naar wat Ik al de leerlingen over deze zelfbeschouwing en het nut daarvan zeg.

 

 

226 De weg tot wedergeboorte

 

[I] Ik zei het volgende: 'Jullie hebben nu een nieuwe manier en methode leren kennen, waardoor de mens van de materie over kan gaan naar het steeds zuiverder en reiner geestelijke, en hoe hij op deze weg heer over zichzelf en daardoor uiteindelijk ook over de gehele uiterlijke wereldse natuur kan worden. Volg daarom regelmatig deze weg in Mijn naam, en je zult een grote beheersing over je hartstochten en daardoor over de hele natuur en in de andere wereld over alle schepsels krijgen.

 [2] Jullie hebben de boosaardige verschijnselen gezien die de satan jullie ten deel heeft laten vallen. Ze hebben je vrees en schrik bezorgd; maar je hebt je, vertrouwend op Mijn woord, vermand en bent de rust weer ingegaan en in die rust zijn jullie geheel meester geworden van alle kwade gebeurtenissen.

[3] Maar geloof nu niet dat je de satan nu al geheel ontmoedigd hebt! Zo vaak je weer zo'n oefening zult doen, zul je door hem verontrust worden zolang je in de geest nog niet volledig nieuw geboren wordt.

[4] Zijn jullie echter eenmaal in de geest opnieuw geboren, dan heeft de satan voor eeuwig alle macht over jullie verloren, en jullie zullen zowel rechtspreken over hem, als over al degenen die hij tot zich getrokken heeft, en die je hem weer voor eeuwig ontnemen zult!'

[5] Petrus vraagt: 'Hoe word je dan wedergeboren? Moeten dan ziel en geest weer in het lichaam van een nieuwe vrouwen daaruit dan weer opnieuw geboren worden? Of hoe moeten we ons dat voorstellen?'

[6] Ik zeg: 'Dat kun je nu nog helemaal niet begrijpen. Als Ik eenmaal opgevaren zal zijn naar de plaats waar Ik vandaan ben gekomen en Mijn geest jouw geest vrij zal maken, dan zul je de wedergeboorte van de geest wel begrijpen en in alle diepte en volheid beseffen. Maar nu zou dit jou en niemand van jullie al mogelijk zijn. Maar door het opvolgen van Mijn leer en door deze levensoefeningen zul je tenslotte uit en in jezelf dat licht bereiken.

[7] Je kunt dat door geen leer en door geen onderricht van buitenaf begrijpen, maar het moet uit jezelf voortkomen op de weg die Ik je nu voor alle tijden der tijden Iaat zien.'

[8] Judas zegt: 'Heer, ik heb geweldige tovenaars en geestenbezweerders en geestenverdrijvers gezien; die hebben met de zielen van gestorvenen gesproken, en deze spraken echt en zeiden verborgen dingen. Hoe zijn deze dan in het geestenrijk binnengedrongen?'Dat is dan toch ook wel een soort van geestelijke wedergeboorte!?'

[9] ' O ja " zeg Ik, 'maar niet voor de hemel, die Gods troon is, maar voor de hel, waar de satan en zijn engelen wonen!'

[10] Daarop zegt Judas: ' Als dat zo is, dan is de satan ook een heer met veel, zij het dan kwade, macht toegerust! Dan vind ik toch, dat indien dat mogelijk was, het beter zou zijn om een satan te vernietigen, dan duizendmaal duizend mensen door hem te laten vernietigen! Waarom moet er in een goddelijke ordening ook een satan zijn?'

[11] Ik zeg: 'Daarom, om ook jou op de jongste dag te vangen omdat je je zo over hem ontfermt! Het zal nog lang duren voor je heel vaag zult zien wie je zelf bent, laat staan dan wat de grote .orde van God is, die om heel wijze redenen naast de dag ook een nacht op aarde geschapen .heeft. Begrijp je de werkelijke reden van de aardse nacht der aarde, en begrijp je de eeuwige dag van iedere zon, die elk op zichzelf ook een aarde is, net als degene die jou draagt en voedt? Als je dit echter niet begrijpt, dan vraag Ik aan jou,. hoe jij hier een vraag kunt stellen die niet. betamelijk is voor een mens tegenover zijn Heer, God en Schepper!

Zou je ook nog niet willen vragen waarom een steen hard en waarom het water zacht is, of waarom het vuur pijn doet en het koele water niet?

[12] Maar Ik zeg je: Als je niets begrijpt, leer dan eerst wat, en wees daarbij stil en heb een opmerkzame geest; en ga je daardoor iets begrijpen, dan kun je spreken en je broeders lastige vragen stellen!

[13] Maar weet je, het is met jou net als met alle menselijke domheid: heimelijk schamen ze zich er voor, maar ze willen het verbergen onder allerlei prachtige wijs lijkende vragen, ze beseffen echter niet, dat ze daardoor eigenlijk pas goed hun domheid ten toon spreiden! Laat daarom Mijn goedaardige woorden een les voor je zijn, want anders kon je nog wel eens hard ergens tegen op botsen, en Ik zal je dan niet zo vlug uit de modder halen!'

[14] De lust om wat te vragen was door deze woorden behoorlijk bekoeld bij Judas, en hij wierp daarop ook onderzoekende blikken naar Thomas; maar deze was verstandig, en deed alsof hij niets van de terechtwijzing gemerkt had en alle andere leerlingen deden dat ook, en daardoor was Judas gerustgesteld, en hij trok zich wijselijk terug.

[15] Ik zei toen tegen Baram: 'Broeder, nu kun je de maaltijd wel laten opdienen, maar dit keer in de kamers!' Baram gaat snel de keuken in en laat alles vlug in orde maken; wij volgen hem, en binnen een uur hebben wij de maaltijd heel op ons gemak genuttigd.

 

 

227 Een tochtje op zee

 

[I] Omdat de dag mooi en helder is, wordt er na de maaltijd een tochtje op de zee gemaakt. Baram maakt vlug zijn schip in orde, en Kisjonah maakt dan zijn grote schip ook vlot, en de helft van de leerlingen kan daar makkelijk in.

[2] Ik, de apostelen en Baram en Kisjonah gaan in het uitmuntend gebouwde schip van Baram, dat twee zeilen en aan beide kanten zes sterke riemen had en daardoor zowel door de wind, als met de roeiriemen voortgedreven kon worden. Wij voeren in de richting van Kapérnaum vanaf het plaatsje Kis, zonder echter het plan te hebben om in Kapérnaum te belanden.

[3] Maar toen we al een paar uur de zee op in de richting van Kapérnaum voeren, zagen wij uit de verte een schip snel op onze twee schepen afkomen. Het voerde de kleuren van Kapérnaum, en toen wij van zijn richting afweken, om te zien of hij werkelijk op onze beide schepen afstuurde, week het Kapérnaumse schip ook van zijn vroegere richting af en ging snel in onze richting verder. Toen de schippers van Baram dat geconstateerd hadden, vroegen ze aan Baram, wat er gedaan moest worden, want het schip uit Kapérnaum leek geen goede voornemens aan de dag te leggen. Baram vraagt Mij dan, wat Ik hiervan denk.

[4] En Ik antwoordde: 'Laat het schip maar op ons af komen, en we zullen dan wel zien wat er achter steekt!' Na deze woorden van Mij laat Baram de zeilen innemen en het roeien stoppen, en de schippers op het schip van Kisjonah doen hetzelfde.

[5] Binnen een kwartier zijn de schippers van het Kapérnaumse schip bij ons en vragen aan Baram, of Ik Mij op het schip bevond; want in Kapérnaum hadden ze gehoord, dat Ik in Kis was. Ze waren door de overste Jaïrus gezonden om Mij te vragen naar Kapérnaum te komen; want het dochtertje van Jaïrus, dat Ik pas een paar weken geleden uit de dood opgewekt had, was weer zo ziek geworden, dat geen dokter haar meer kon helpen. 'De overste is bang dat ze dood gaat. Jullie zullen een grote beloning krijgen, als je ons naar Jezus van Nazareth kunt brengen!', zeiden de schippers ten slot te tegen Baram en zijn schepelingen.

[6] Maar Baram zei: 'Naar jullie woorden te oordelen, zijn jullie met goede bedoelingen naar ons toegekomen, en ik zeg je: Degene, Die jullie zoeken is op mijn schip; maar of hij naar jullie wil luisteren en gehoor wil geven aan je vraag, kan ik je niet zeggen. Maar ik zal naar Hem toegaan beneden in de kajuit en ik zal met Hem praten.'

[7] De Kapérnaumers gaan hiermee akkoord, en Baram komt naar Mij toe in de open kajuit en wil het dringende verzoek van de Kapérnaumers aan Mij overbrengen.

[8] Maar Ik zeg tegen hem: 'Broeder, zeg maar niets; want Ik weet alles allang en heb het je al in Jesaïra gezegd, dat het zo met deze lasterlijke soort zou gaan. Om Mij te vervolgen en Mijn leer verdacht te maken,

loochenden zij dat de dochter van Jaïrus ziek en dood was; ze had alleen maar heel gezond geslapen, en Ik had haar op een heel natuurlijke manier gewekt en daarna bedrieglijk voorgewend dat Ik haar uit de totale dood opwekte.

[9] Omdat Mijn daad zuiver bedrog was, moeten ze het dochtertje maar weer zo heel natuurlijk in laten slapen, en het kan dan wel weer door welk natuurlijk mens ook op natuurlijke wijze gewekt worden.

[10] Waarlijk, Ik zal haar niet eerder aanraken, voor ze drie dagen in het graf gelegen heeft! Ga naar boven op het dek en zeg dat tegen hen; span daarop de zeilen, en een goede wind zal ons dan zo snel mogelijk zee opwaarts boven de grote inham bij Kis brengen, en zij moeten niet weten waar wij heen zijn gevaren. ,

[11] Baram gaat nu vlug aan dek en zegt: 'Geëerde afgezanten van de overste! Ik vind het echt jammer voor u dat ik u van Jezus, de Heer, geen gunstig antwoord kan brengen! Maar daaraan hebben de Kapér­naumers zelf schuld; want nadat Hij destijds het dochtertje van de overste wezenlijk uit de zichtbare en voelbare dood weer tot het volle leven gewekt heeft, verklaarden zij, de Farizeeën van deze door Hem vervloekte stad, al gauw daarna dat Hij een bedrieger was. Zij hebben voor het hele volk bewezen en verklaard dat Jaïrus Jezus slechts op de proef wilde stellen en daarvoor zijn kerngezonde dochtertje op een speciaal gemaakt doodsbed had gelegd; en toen had de bedrieger Jezus, die niet vermoedde dat het een val was, haar natuurlijk heel gemakkelijk uit de dood tot leven kunnen wekken, hetgeen hij deed - zoals ik van een paar mensen gehoord heb - door haar behoorlijk hard in haar hand te knijpen, omdat hij inmiddels gemerkt had dat ze leefde, en toen was ze maar liever opgestaan dan de pijn in haar hand nog langer te moeten verdragen.

[12] Eigenlijk was het de bedoeling van de overste geweest - zoals ik gehoord heb -dat het dochtertje zich niet zou hebben laten wekken, opdat men dan. Jezus snel als volleerde oplichter had kunnen pakken en te gronde richten. Maar door het ontwaken werd dit mooie plan verijdeld; want het volk was er vast van overtuigd, dat de dochter die voor dit doel een paar dagen daarvoor al kunstmatig ziek werd gehouden echt uit de dood was opgewekt.

[13] Daarom zal Hij haar nu nooit meer aanzien, behalve misschien nog eens als ze half vergaan in het graf ligt!

[14] Ga met dit antwoord nu maar weer naar huis en vertel het aan jullie overste, opdat hij dan bij zichzelf kan ontdekken, met welke verschrikkelijke ondank zijn hart gevuld is! Hij gaat in geen geval naar Kapérnaum; want deze plaats heeft Hij door de hel voor eeuwig laten zegenen!'

[15] Na deze woorden Iaat Baram snel de zeilen spannen; en als de zeilen gespannen zijn, komt ook de wind en drijft de beide schepen dermate snel voor zich uit, dat het Kapérnaumse schip, dat geen zeilen had en ook verder een heel onaanzienlijk, bescheiden vaartuig was, in weinige ogenblikken zo ver achter bleef, dat wij het helemaal uit het gezicht verloren; en toen wij boven de grote inham bij Kis landden en aan land waren gegaan en de schepen leeg de grote inham in lieten varen, draaide de wind en blies hard in de richting van Kapérnaum.

 

 

228  De dokter uit Nazareth

 

[I] Toen wij de tamelijk hoge heuvel beklommen, die zich boven de grote inham verheft, aan wiens voet de bekende herberg gebouwd is en waar overheen de hoofdweg naar Jeruzalem leidt, zagen wij heel in de verte het Kapérnaumse schip tegen de golven vechten, en omdat het steeds meer moeite met de wind kreeg, hief het de roeispanen in de lucht en liet zich zo rechtstreeks naar de haven van Kapérnaum drijven.

[2] Men kan zich voorstellen wat voor gezicht Jaïrus getrokken zal hebben, toen de door hem gestuurde boodschappers het bericht brachten dat Ik hen door Baram had laten geven.

[3] Jaïrus riep snel alle doktoren uit de wijde omgeving bij elkaar ­ook die uit Nazareth werd gehaald; want deze had een heel goede nam als wonderdokter omdat hij als het ware een leerling van Mij was, en hij ook door eenvoudige handoplegging zwaar zieken in een oogwenk had genezen.

[4] Maar toen deze naar Kapérnaum kwam en de zieke dochter zag, haalde hij zijn schouders op, en zei na een poosje tegen al de aan het ziekbed staande doktoren: 'Kijk, het meisje heeft, terwijl ze erg verhit was, op het een of andere feest iets kouds gedronken en daardoor kreeg ze een actief longbederf; binnen hoogstens zeven dagen is het met haar afgelopen! We kunnen haar geen nieuwe long geven en dus kunnen we haar met geen mogelijkheid helpen!'

[5] Jaïrus zegt: 'Denkt u, dat die verheven beroemde Jezus die mijn dochter al eens uit de echte dood opgewekt heeft, zoals hij de dochter van de overste Cornelius opwekte waar mijn dochter een paar dagen geleden deze kwaal opliep, haar ook niet meer kan genezen?'

[6] De arts uit Nazareth antwoordt: 'O ja, Hij wel, als Hij dat zou willen! Maar daar heeft u al boodschappers heen gestuurd, ik dacht naar Kis waar Hij Zich nu meestal bij Jonah ophoudt; maar Hij heeft alle reden en het volste recht om u niet ter wille te zijn, waarom u ons nu pas heeft laten roepen, nu het te Iaat is!'

[7] Jaïrus zegt: 'Ik heb hem toch zeer hoffelijk laten verzoeken; en Hij, die alleen maar liefde leert, en dat men zelfs zijn vijanden goed moet doen, geeft mijn aan Hem gestuurde boodschapper zo'n antwoord!'

[8] De dokter uit Nazareth zegt: 'Geen ander, dan wat u allen, die zichzelf dienaars van de allerhoogste noemen, terecht verdiend hebt! Vertelt u mij eens hoe een mens dan geaard moet zijn, om bij zo'n behandeling van uw kant toch nog uw vriend te kunnen blijven?! Waarlijk, God Zelf zou u niet meer weldaden hebben kunnen bewijzen, dan deze zuiver goddelijke Jezus u gegeven heeft! Wat deed u Hem echter terug?! U vervolgde Hem als een gruwelijke misdadiger, en als u hem te pakken had kunnen krijgen, dan zou u hem reeds lang gedood hebben; hoewel Gods hand Hem duidelijk beschermt, deed u tegen Hem toch zo veel mogelijk kwaad.

[9] Wat heeft Zijn arme, vrome en godvruchtige moeder Maria u gedaan, dat u haar toch al kleine huisje met de paar groenteveldjes van haar hebt afgenomen, haar toen nog in het openbaar hebt bespot en met de kinderen van Jozef hebt verjaagd, alsof zij de gemeenste misdadigster was?!

[10] Waarom, vraag ik nu, heeft u dat gedaan?'

[11] Jaïrus zegt: 'Omdat Hij ons overal verdacht gemaakt heeft en heeft gescholden op de priesters en op de tempel van God, en dat is toch wel reden genoeg zou ik zo denken?!'

[12] Dan zegt Borus, de dokter uit Nazareth die van geboorte een Griek was: ' Ah - hinc ergo illae lacrimae?! (hetgeen betekent: Daarom huil je dus!) Luister! Ik ben, zoals u allemaal wel weet, een Griek en heb dus met uw theologie niets te maken, hoewel ze mij beslist niet onbekend is. Het zij verre van mij, om uw Mozes en al de andere door uw voorouders mishandelde profeten af te keuren; want hun leringen en vermaningen zijn beslist niet anders dan die, welke mijn beste vriend Jezus u ingeprent heeft, en zij zijn daarom ook vol waarheid en vol goddelijke geest.

[13] Vergelijk nu echter eens uw tegenwoordige theologie en uw beneden alle kritiek staande erbarmelijke tempelverordeningen met het loffelijke doel van de tempel, dan moet u zelf uitroepen: Quam mutatus ab illo! (Wat een verschil!)

[14] Vergelijk uw voorschriften alleen maar eens met de profeet Jesaja en neem daarbij voor waar aan, dat Jehovah, Mozes en de profeten toch een beetje meer moeten betekenen, dan een fabel ten bate van uw hebzucht en uw goede leventje, dan moet u toch zelf wel terugschrikken voor het schreeuwende onrecht dat u op de heilige plaats begaat!

[15] Maar als de goddelijke Jezus, door Wie God toch zo overduidelijk werkt, nu net als een Jesaja u op uw enorme gebreken wijst en u als een echte vriend weer naar God wil terugbrengen, waar u zich zo heel ver van verwijderd hebt, - Dan vraag ik u: Verdient Hij daarvoor zo'n behandeling van u?!

[16] Waarlijk! Als ik Zijn onbegrijpelijke werkelijk goddelijke, ik zou zeggen -almacht had, dan zouden wij al lang met elkaar klaar zijn en onze zaken vereffend hebben, net zoals de tien schepen, die u zo menslievend tegen Hem en Zijn onschuldige leerlingen hebt laten uitvaren, nu op de klippen van Sibarah vereffend zijn! Waarschijnlijk is ten langen leste ook zelfs Zijn goddelijk geduld opgeraakt!

[17] Met andere woorden: Als ik Zijn waarachtige almacht had, dan had ik de hele Galilese zee al lang over u heen laten komen en zou ik u als muizen en ratten verdronken hebben!'

[18] Deze eerlijke toespraak van Borus maakt dat een aantal van de hier aanwezige Farizeeën boos wordt en tegen hem zegt: 'Beheers je brutale Griekse tong eens! Daarvoor hebben we je niet uit Nazareth hierheen geroepen! Pas maar op; want we hebben macht genoeg om je in het ongeluk te storten!'

[19] Borus zegt: 'Oh, daar ben ik vast van overtuigd; want uw wereld­beroemde menslievendheid - scilicet (vanzelfsprekend) - is meer dan voldoende borg voor mij! Maar natuurlijk bestaat er bij mij een heel groot maar! En dit heel veelzeggende maar maakt dan ook dat Borus van Nazareth niet de minste angst voor u heeft!

[20] Borus is weliswaar niet zo almachtig als een goddelijke Jezus; maar hij heeft toch genoeg geheime macht om u allemaal in één ogenblik te vernietigen, en als dokter behoeft hij dan daarvoor aan niemand reken­schap af te leggen! Heeft u mij begrepen?! Jezus is echter een God en ik ben maar een mens, en daarom heeft Hij ook meer geduld dan ik! Maar veel behoeft u niet met mij uit te halen en dan is mijn geduld op!'

[21] Nu haalt Borus een flesje uit de zak en Iaat het aan de nijdige Farizeeën zien onder de veelbetekenende woorden: 'Kijk dit wapen is machtiger dan tien legioenen. Ik weet mijzelf wel te beschermen; maar als ik het open, dan bent u allemaal ogenblikkelijk dood! Weet dus dat boven dit flesje ook met grote waarschuwende letters 'maar' staat geschreven! Als u nu iets met mij uit wilt halen, dan wordt dat meteen vereffend!'

[22] De Farizeeën schrikken ontzettend bij het zien van dit dood en verderf zaaiende flesje, waarin een krachtig en snel dodend gif bewaard werd, dat door haar zeer doordringende en zich buitengewoon snel verspreidende geur ieder, wiens neusgaten het bereikt, verdooft en doodt.

[23] Dit vergift was een geheimmiddel dat later helemaal verloren ging; dit middel was afkomstig van een struik, die hier en daar in het onbereikbaarste deel van Indië groeit en, waar hij voorkomt, in de wijde omtrek al het leven er omheen vernietigt. Dat weten de Farizeeën ook en daarom zijn ze nu sprakeloos van angst, en Jaïrus vraagt aan Borus, of hij dit flesje weer wil wegstoppen.

[24] Borus doet dat ook, maar zegt dan tegen Jaïrus: 'Vriend, hoe kan men nu een Jezus, die u een nooit gekende weldaad bewees, toch zo smadelijk laten vervolgen!? Zegt u mij nu eens eerlijk, of u dan werkelijk niet beseft dat Hij met ieder van Zijn heilige woorden gelijk heeft, of wilt u het in alle ernst niet begrijpen?!'

 

 

229  Het verweer van Jaïrus

 

[1] Jaïrus antwoordt: 'Vriend, ik begrijp je beter dan jij denkt; maar er zijn dingen, die, ook al zou men ze nog zo goed begrijpen, in verband met de maatschappelijke positie die de mens bekleedt, helemaal met begrepen mogen worden!

[2] Als hooggeplaatst persoon moet men heel vaak lachen, als men liever huilen wil, en men moet vaak treuren, als men liever geneigd is om te huppelen en te dansen, Wat kan men daar echter als eenling tegen doen?! Kun je tegen de meesleurende stroom in zwemmen als je eenmaal aan haar geweld bent overgeleverd?!

[3] Wij mensen hebben een gevoelige huid en een nog; gevoeliger maag; deze twee willen tevreden gesteld worden, en daarom blijft ons mets anders over dan het verstand en de rede maar aan de kapstok te hangen en met de stroom mee te gaan, of als een verachte bedelaar ergens in een hoek van de aarde dood te gaan als wild, dat door een geworpen steen verwond is.

[4] Geloof van mij dat ik in vertrouwen gezegd, Christus beter ken dan, jij; maar wat helpt dat alles tegenover Rome en Jeruzalem? Als je je mond open doet, dan heeft je laatste uur geslagen!

[5] Jezus kan dan wel werkelijk een zoon van de allerhoogste God zijn, waaraan ik helemaal niet twijfel; maar mag Ik dan in mijn aardse positie mijn innerlijk geloof, ja mijn innerlijke overtuiging in het openbaar verkondigen?! En als ik dat deed, wat zou er dan met ons gebeuren?’

[6] Borus zegt: 'Wat dan, wat dan? - Zo heeft de wereld altijd al terwille van haar hang naar een goed leventje, futloze vragen gesteld aan de een of andere vriend die meer gaf om de zuivere waarheld dan om alle koninkrijken van de met vloek beladen wereld; en daarom vindt de heilige waarheid ook altijd haar graf in de huid en de bulk van de mens, die van een goed leventje houdt!

[7] Wie meer geeft om het goede leven en een schitterende reputatie in de wereld dan om de goddelijke waarheid, die raakt, al heeft hij nog zo'n goede inborst, in zulke vragen en overwegingen verzeild, trekt zich dan uit het goddelijke licht in de duisternis van de wereld terug en verloochent op die manier God en al Zijn licht, -en als men vraagt: Waarom? - Wat noodzaakt zijn hart daartoe? Wel, niets anders dan zijn hang naar alle soorten van luxe! Gulzig grijpt hij daarom naar alles waarmee hij zich een goed leventje kan verzekeren; en als hij dan vaak met veel moeite en inspanning datgene bereikt, waar hij zijn wereldse zinnen op heeft gezet, gooit hij alle waarheid over boord; en bij het geringste teken dat hij door haar iets af zou moeten staan van zijn prachtige vaste welvaart, tiranniseert hij alles, wat ook maar een vonkje echte waarheid in zich heeft.

[8] Wordt hij dan echter ongelukkig en ziek en raadpleegt hij de dokter, dan wil hij alleen maar waarachtige hulp! Waarom daar dan wel waarheid, en overal elders niet?!

[9] Moet u zien! Uw dochter lijdt aan een ongeneeslijke ziekte; wat zou u nu geven voor een waarachtige medicijn, die haar zou helpen?! Als ik u als ervaren dokter zou zeggen, dat er maar één enkele echte medicijn zou zijn, die haar in één keer zou genezen, dan zou die medicijn dan toch wel de echte waarheid voor de lichamelijke ziekte van uw dochter zijn! Ja, voor deze waarheid zou u nu alles willen geven; maar voor een waarheid, waardoor uw ziel gezond zou worden, geeft u niet alleen niets, maar, waar u die ook maar ontdekt, vervolgt u die ook nog terwille van uw goede leventje! Zegt u mij eens: Waar hoort zo'n handelwijze thuis?

[10] U weet net zo goed als ik, dat de tempelmest waardeloos is; u weet, dat dat allemaal afschuwelijk bijgeloof is, heel geschikt om iedere vonk van het betere licht bij het volk te verstikken, en toch zou u diegene van uw geloofsgenoten, die het zou wagen om daar openlijk over te spreken, als een schender van het heiligdom te vuur en te zwaard vervolgen.

[11] Stelt u zich nu eens een eeuwige rechtvaardige God voor, Die het licht en de onveranderlijke eeuwige waarheid Zelf is en Die Zich niet laat beïnvloeden; wat zal Hij eenmaal zeggen tot zulke dienaars zoals u?!

[12] Waarlijk, geen van u allen zal Hem ontsnappen! Of u het nu gelooft of ook niet gelooft, er is tóch een groot hiernamaals achter de poort van het graf, waar alle doen en laten geheel en al vergolden wordt!

[13] Ik ken het; want ik heb het gezocht en ook gevonden. Ik heb mijn eeuwige leven in mijn hand en ik zou er, als dat mogelijk was, duizend lichamelijke levens voor over hebben, als het alleen voor die prijs verkregen kon worden.

[14] Maar ik heb het, en het eeuwige leven heeft mij geleerd om het vleselijke leven te verachten, en er alleen maar zoveel waarde aan te hechten als voor mij nodig is om daardoor het eeuwige leven der ziel in al haar volheid te verwerven; en dat ik dat heel duidelijk en waar bereikt heb, dank ik alleen maar aan Jezus, die mij de verborgen weg daarheen gewezen heeft.

[15] En deze Jezus, deze God onder alle mensen, vervolgt u te vuur en te zwaard en u zult waarschijnlijk niet eerder rusten dan tot u met Hem gedaan hebt, wat uw vaders met alle profeten gedaan hebben!

[16] Wee u! God heeft u, die zichzelf schandalig genoeg Zijn volk, Zijn kinderen noemt, een God uit de hemel gezonden; ieder woord van Hem is een eeuwige waarheid uit God, overduidelijk voor ieder eerlijk mens, en u wilt Hem doden omdat Hij uw oude tempelmest afwijst!

[17] Wee u! Gods toorn zal u verschrikkelijk treffen!

[18] Ja, ik zou uw dochter nog wel kunnen helpen; ik voel de kracht nu in mij. Maar ik wil haar niet helpen, want jullie zijn duivels en geen mensen meer! En duivels zal ik nooit de helpende hand reiken!'

[19] Deze woorden drongen als gloeiende pijlen in het hart van de overste; wel zag hij de diepe waarheid in en hij wilde zijn baan al opzeggen; maar hij was bang voor het opzien dat dit zou baren en zei tegen Borus:

[20] ‘Je zegt het beslist niet aardig, maar wat je zegt is waar. Als ik nu, zonder veel en in zekere zin verderfbrengend opzien te baren, voor mijn hoge functie kon bedanken, dan was ik volledig bereid om dat voor de genezing van mijn geliefde dochter te doen! Maar denk eens aan het verschrikkelijke opzien, dat deze stap zou veroorzaken! Daarom moet ik het voorlopig tot een beter moment verschuiven.'

[21] Borus zegt: 'Ik ben uitgepraat en kan nu weer een betere weg volgen dan die naar u voerde. Want hier is blijkbaar de hel op aarde, en daarin kan geen engel iets goeds doen, laat staan ik als een altijd nog zwak naar lichaam sterfelijk mens!'

[22] Na deze woorden verlaat Borus, zonder dat ze hem tegen kunnen houden, het huis van de overste en snelt opgewonden weg. Dat gebeurde in Kapérnaum op de tweede dag nadat wij op zee de boodschappers ontmoetten. 

[23] Maar Ik rustte op de heuvel, en vertelde deze gebeurtenis een hele dag eerder dan de dag waarop zij in werkelijkheid plaats vond.

 

 

230 Jozefs dood en zijn getuigenis over Jezus

 

[I] Na dit verhaal, waarbij alle leerlingen dokter Borus, die zij goed kenden, wel hadden willen omarmen en kussen, gingen Wij weer naar Kis en kwamen daar juist bij zonsondergang aan.

[2] Baram zat al met het avondmaal te wachten, en wij lieten het ons na het gedane belangrijke werk goed smaken. De maaltijd bracht Judas ook in een iets betere stemming, en hij prees de moed van Borus, die hij ook heel goed kende.

[3] Na de maaltijd werd er nog lang over gesproken; zelfs moeder Maria zegende Borus vooral, omdat hij het voor haar had opgenomen bij de overste die in feite haar kleine huishouding van haar had afgenomen.

[4] De oudste zoon van Jozef zei: 'Zal ons onze rechtmatige bezitting tenslotte toch weer teruggegeven worden?!'

[5] Kisjonah zegt: 'Vriend, wens dat maar niet! Kijk, hier heb je allemaal een beter bestaan en tevens ben je veilig voor vervolgingen, en ik geef jullie de herberg daar aan het boveneind van de grote inham helemaal in eigendom en ongeveer vijfduizend are grond er bij, en bij zo'n ruil kom je het verlies van de kleine bezitting wel te boven, en hier vandaan is het ook een halve dagreis korter naar Jeruzalem dan vanuit Nazareth.' En Joses is het daar helemaal mee eens; toch vraagt hij ook Mij om Mijn raad.

[6] En Ik zeg: 'Wat beter is, is altijd beter; neem het daarom, maar beschouw het nooit te veel als je eigendom, maar slechts als iets dat voor deze korte tijd geleend is!'

[7] Joses zegt daarop: 'Heer en broeder! Dat heeft vader Jozef ons al geleerd, en daarom hebben wij de kleine bezitting in Nazareth dan ook nooit als een soort eigendom gezien, maar zuiver als een voor deze korte aardse levenstijd door God geleende zaak, waarvoor we Hem ook dagelijks met Jou Zelf gedankt hebben en wij hebben Hem daarnaast ook altijd gebeden, dat Hij dit kleinood voor ons wilde bewaren voor ons nood­zakelijke aardse onderhoud. Zolang het Zijn heilige wil was heeft Hij het ook bewaard; maar nu zeg ik met Job: De Heer heeft het ons gegeven, en toen Hem dat behaagde, heeft Hij het ook weer van ons genomen. Zijn wil, die alleen heilig is, geschiede, en Hem alleen zij alle eer, alle lof en alle prijs! Wat God neemt, dat kan Hij rijkelijk teruggeven. Nu, als Je aardse broers en zusters vinden we dat in orde; maar al onze werktuigen en al ons huisraad heeft men ons ook afgenomen. We dachten toch wel, dat we dat terug zouden krijgen of dat we minstens iets anders bruikbaars daarvoor in de plaats zouden krijgen.

[8] Ik zeg: 'Maak je daarover maar niet druk; binnen drie dagen gaan we naar Nazareth, en dan zal het allemaal teruggegeven moeten worden! We hebben niet voor niets een engel van de hoogste rang bij ons! Eén teken en alles is in orde; en als er één niet genoeg is, dan staan er ieder moment legioenen voor onze dienst klaar!

[9] Ik zeg u: Wat Ik de Vader in Mijn hart kenbaar maak, dat doet Hij; en wat de Zoon wil, dat wil de Vader in eeuwigheid evenzo, en er is nooit een verschil tussen de wil van de Vader en de wil van de Zoon! Want geloof Mij: Vader en Zoon zijn er geen twee, maar in alles totaal Een! Wees dus kalm en geloof dat het zo is!'

[10] Joses zegt: 'Heer en broeder, wij geloven allen. Hoe zouden wij het niet geloven, terwijl wij toch vanaf Jouw geboorte steeds bij Je waren en zoveel tekens gezien hebben die overluid verkondigden wie Jij was. Broer Jacob heeft een groot boek volgeschreven vanaf Je geboorte tot aan Je twintigste levensjaar, waarna Je tot Je huidige leeftijd geen teken meer hebt gedaan, en Je hebt samen met ons als een heel gewoon mens gewerkt en geleefd, zodat wij bijna vergeten zouden zijn wie Je bent, als de dood van onze geliefde vader Jozef een paar jaar geleden ons niet geweldig had wakker geschud.

[11] Want toen Jozef in Jouw armen overleed, sprak hij nog verheerlijkt glimlachend met zijn laatste woorden:

[12] 'O mijn God en mijn Heer! Wat bent U toch genadig en barmhartig voor mij! Oh, ik zie nu, dat er geen dood is; ik zal eeuwig leven! Ach, hoe heerlijk, God, zijn Uw hemelen! Kinderen, kijk naar Hem, Die nu mijn stervende hoofd met Zijn armen ondersteunt! Hij is mijn God, mijn Schepper! O hoe zalig is het, in de almachtige armen van je Schepper op deze armzalige wereld te sterven!'

[13] Na deze woorden stierf hij, en wij hebben allen luid geweend; alleen Jij hebt niet gehuild. Maar wij begrepen, waarom Jij niet huilde!

[14] Wel, van dat ogenblik af konden wij niet meer vergeten, wie Jij bent; want dat had Jozef in het laatste uur van zijn aardse leven maar al te duidelijk gezegd! Hoe zouden wij dan nu niet alles geloven wat Je zegt, terwijl we zo goed weten wie Jij in wezen bent?!'

[15] Ik zeg: 'Heel goed, lieve broers! Het is heel juist, dat jullie hier zo gesproken hebt; want wij zijn hier allen als ingewijden bij elkaar, en die kennis zal niemand veroordelen behalve één, als hij zich er aan stoot! (Daarmee werd Judas bedoeld.)

[16] Maar als wij ons onder niet ingewijden bevinden, moeten jullie daar heel zorgvuldig over zwijgen! Laten we ons nu echter ter ruste begeven, opdat we morgen vroeg aan de slag kunnen gaan!' Daarop gaat iedereen heel gerust slapen.

 

 

231  Booswichten in de val

 

[I] Maar Kisjonah, Baram, Jonaël en Jaïruth gaan naar buiten, en Kisjonah controleert of alles in zijn grote huishouding in orde is. Overal is alles helemaal in orde, en de tolgaarders en tolbewakers zijn opgewekt en melden hun heer, dat er deze nacht nog een belangrijke vangst zou plaats vinden, die hen al aangekondigd werd.

[2] Kisjonah informeert naarstig, waar die vangst uit zal bestaan, en of het soms geen armen betreft die hun spaarzame voorraden naar de een of andere markt brengen, om daarvan hun belasting te voldoen.

[3] Dan zegt het hoofd van de tolwachters: 'Heer en gebieder! U weet, hoe zeer wij al uw rechtvaardige en voor de arme mensen werkelijk buitengewoon milde voorschriften eren en respecteren; maar aan deze vangst komt geen armoede te pas, maar een veelvoudig schandaal van de kant van de joodse Farizeeën en priesters en levieten.

[4] Zij willen van Kapérnaum uit in de wijde omtrek een aantal schan­delijke beslagleggingen en afpersingen uit gaan voeren, en vannacht om het middernachtelijk uur zullen zij allerlei vee, graan, wijn en alle mogelijke gereedschappen naar Jeruzalem brengen om daar te verkopen. Maar dat gebeurt niet via de officiële weg, maar langs een sluipweg die zij zelf door het gebergte hebben gebaand.

[5] U weet, dat er vanwege de hoge rots die met zijn hoge en steile wand in zee vooruitsteekt, over land geen begaanbare weg is naar Sibarah, waar uw hulptol is die u altijd verpacht; men moet dus als men rechtstreeks van Sibarah hierheen wil, op de daarvoor aangewezen aanlegplaats mensen, vee en alle andere bezittingen over het water laten komen, of men vaart als de zee rustig is, wat zelden het geval is, rechtstreeks naar Pirah, waar ook een tol van u is die nu voor tien jaar verpacht is.

[6] Om al uw tollen echter te ontlopen, hebben de rijke Farizeeën door herendienstplichtigen al op Samaritaans gebied een sluipweg door het gebergte laten maken, en via deze weg doen ze vandaag de eerste poging.

[7] Ongeveer twee duizend passen hiervandaan het dal in naar Kana zullen ze het dal inkomen op de plaats, waar een door ons gebouwde brug over de beek voert, en waar de weg, die nog lang over uw grond doorloopt, over de beek gaat en aan de linker kant van het dal omhoog naar Kana gaat; we hebben echter vroegtijdig tegen de tweehonderd goed bewapende opzieners, wachters en gerechtsdienaars op de beste punten opgesteld. Ik beloof u, vader en heer, dat er geen muis doorheen komt! We zullen deze oerslechte booswichten wel eens kennis laten maken met Jehova, zodat ze hun leven lang aan Hem zullen denken!'

[8] Kisjonah zegt: 'Dat hebben jullie goed en degelijk georganiseerd; jullie loon zal je niet ontgaan! Het geld, dat de verkopers bij zich hebben, wordt als buit in beslag genomen, en alle vee, koren, meel en gereed­schappen blijven zo lang hier, tot de overtreders al degenen waarvan ze het met geweld afgenomen hebben, precies omschreven hebben en wij het hen dan nauwgezet weer terug geven.

[9] Maar voor het feit dat ze zonder mijn toestemming door mijn bergen en bossen een weg hebben aangelegd, worden ze door de Romeinse rechter, die hier in mijn huizen zijn kantoor gevestigd heeft, tot duizend pond zilver veroordeeld; twee derde daarvan is voor de keizer en één derde voor mij volgens de plaatselijke wet.'

[10] Juist komt de Romeinse rechter aangelopen en vraagt, wat er te doen is bij de tol, of er soms verdachte mensen verwacht worden, en of men militaire hulp nodig heeft. Het hoofd van de tolgaarders herinnert de rechter echter aan datgene, wat hij hem overdag al gemeld had.

[11] Dan zegt de rechter: 'Ah, is het dat! Nu, zorg er maar voor, dat jullie de zwarte booswichten vangt! We zullen ze dan hier enige duidelijke lessen geven over de Romeinse zeden en wetten! De lust zal hen voor altijd vergaan, om Romeinse onderdanen tot de bedelstaf te brengen zodat zij niet in staat zijn om aan de keizer de hem toekomende belasting te betalen, terwijl van die zwarte booswichten nooit een stater los te branden is! Die kerels houden zich eeuwig arm en begraven goud, zilver, parels en edelstenen in massa's. En die van Kapérnaum zijn net de goede, net als die van Chorazin! Nou, reken maar, jullie spitsboeven, jullie zullen je streken zo thuis krijgen, dat je je leven lang er nog aan zult denken!'

[12] De rechter was nog maar net uitgesproken of men hoort ook al een luid geschreeuw in de verte uit het dal. komen, en de tolgaarder begint zich van vreugde de handen te wrijven en zegt heel laconiek: 'Aha, aha, zij hebben elkaar reeds ontmoet; binnen een kwartier zullen ze al hier zijn. Nu even vlug alle pekpannen aansteken, zodat het in het dal zo licht wordt als de dag en geen van de spitsboeven ons kan ontsnappen!'

[13] Nu worden vlug ongeveer veertig grote pekpannen aangestoken zodat de hele omgeving overal helder verlicht is, en de aanstekers zijn nog maar net klaar met hun werk als de eerste groep al arriveert, bestaande uit twaalf Farizeeën, die afgevaardigd waren om het geroofde naar Jeruzalem te brengen en daar te verkopen.

[14] De forse begeleiders plaatsen de twaalf gebonden Farizeeën voor de tolboom en zeggen tegen Kisjonah: 'Heer, hier zijn dan de hoofd­verdachten, vijf uit Kapérnaum, drie uit Nazareth en vier uit Chorazin! Heel slechte kerels, die hun geld waard zijn! Hierachter komt nog van alles, een massa ossen, koeien, kalveren, geiten, schapen, ongeveer vier­honderd met graan beladen ezels met hun veulens, net zoveel muildieren beladen met wijnzakken en nog een keer ongeveer vijfhonderd ezels en lastpaarden met vastgebonden knappe meisjes en knapen, tussen de twaalf en achttien jaar oud, die allen voor de grote markt in Sidon bestemd waren. Tevens natuurlijk veel dienaren van deze twaalf hoofdverdachten! Het komt hier allemaal zo binnen; maak daarom plaats, zodat we alles zoals het behoort onder kunnen brengen!'

[15] Kisjonah zegt: 'Maak. aan zee maar meteen de grote stalling voor onderpanden open; daar kan alles ondergebracht worden, en gebruik voor de kinderen de grote herberg hier boven op de berg, en zorg er meteen voor dat ze. wat te eten en te drinken krijgen; want deze twaalf onmensen zullen hen onderweg maar heel karig voedsel gegeven hebben. O God, o God, waarom laat u toch op aarde zulke duivels macht hebben over de arme vreedzame mensheid?!'

 

 

232 Voorbereiding voor de rechtszaak

 

[1] Nu hoort men reeds het gejammer van de kinderen, die met geweld uit de armen van hun ouders gerukt waren. Kisjonah en Baram, Jonaël en Jaïruth met de engellopen snel de kinderen tegemoet; maar de rechter laat de twaalf meteen vastbinden en in een stevige gevangenis gooien.

[2] Spoedig daarna komt de kinderkaravaan aan, en de engel bevrijdt in een oogwenk allen van de ezels en pakpaarden waarop ze vastgebonden waren. Het zijn er meer dan de eerste drijvers, die de twaalf hoofdver­dachten gebracht hebben, zeiden, want op menig pakpaard waren er drie vastgebonden. Alle kinderen beven van angst ~n vrees omdat ze denken dat hen hier wat kwaads zal overkomen, maar de engel spreekt ze heel vriendelijk en aardig toe en zegt dat hen hier niet alleen niets ergs, maar alleen maar iets heel goeds zal overkomen, en dat ze zich de volgende dag alweer in de armen van hun treurende ouders zullen bevinden. Toen werden de kinderen rustiger .

[3] Enigen klagen. echter over pijn, die door de pakriemen veroorzaakt is; een aantal had bloedige plekken op hun tengere lijf; want, omdat ze huilden heeft men ze geslagen, omdat door hun huilen de hele karavaan verraden kon worden. De meesten waren naakt; want met kleren aan had de een of de ander hen misschien op de weg van Kapérnaum naar Sibarah, waar men ook omheen getrokken was, kunnen herkennen en dan de karavaan ergens kunnen verraden. Dus moest er ook voor de noodzakelijkste kleding gezorgd worden.

[4] Kisjonah zorgde meteen voor een grote hoeveelheid fijn linnen, en iedereen moest direkt schortjes maken, zodat 's morgens alle kinderen een schort kregen; vele handen maakten licht werk. Maar de kinderen werden snel in de grote herberg gebracht, die Kisjonah zelf wat hoger dan de tol had laten bouwen.

[5] Toen de kinderen in de herberg ondergebracht waren, kwam ook reeds het hoofdtransport aan met het vee en al de andere zaken. Alles werd in ontvangst genomen en goed ondergebracht; en de knechten van de twaalf werden ook gebonden in een grote gevangenis gebracht.

[6] Toen deze drukte voorbij was en de wachters overal verdeeld op wacht stonden, gingen Kisjonah en zijn vier begeleiders ook eindelijk slapen, maar dat duurde echter niet zo lang, omdat het al Iaat was en de komende dag veel en belangrijke zaken beloofde.

[7] Tot zonsopgang bleef alles rustig, maar daarna was iedereen op; en het eerste wat Kisjonah deed, was naar Mij toekomen, om Mij alles te vertellen wat er 's nachts gebeurd was en om natuurlijk van Mij te horen, wat er nu voor God in alle rechtvaardigheid gedaan moest worden.

[8] Maar Ik was hem voor en vertelde hem wat er deze nacht gebeurd was, en gaf hem ook advies over wat hij nu zo snel mogelijk moest doen. Dit advies luidde als volgt:

[9] 'Broeder, zend vóór alles met de meeste spoed een door het keizerlijke gerecht alhier beëdigde boodschapper naar overste Cornelius in Kapér­naum, opdat hij een commissaris hierheen zendt om de twaalf zondaren te ondervragen en een oordeel over hen uit te spreken, en om alle belanghebbenden, die de twaalf zullen moeten noemen, hun geroofde vee, maar vooral hun kinderen in zo kort mogelijke tijd terug te geven! Want het hier aanwezige speciale gerechtshof is te klein voor dit zeer grote spitsboevenproces en ook niet competent voor dit soort gevallen. Maar Mijn naam moet er beslist buiten gelaten worden!

[10] Het hoog gerechtshof zal het niet makkelijk krijgen met de twaalf Farizeeën! Voor de berovingen kunnen ze hen niet veroordelen. Ook voor het niet betalen van tol kunnen ze hen niets maken, want ze hebben voor het hele land een vrijbrief; en omdat ze inwoners van het land zijn, kan volgens de wet geen tol van hen geheven worden, en dat was dan ook niet de reden waarom ze de tol ontweken, dat deden ze alleen maar uit angst voor het volk. Want bij soortgelijke ondernemingen hebben ze al leergeld betaald en daarom hebben ze die geheime weg naar Jeruzalem gemaakt.

[11] Daarom is er maar één twistpunt, waarvoor ze door het gericht veroordeeld kunnen worden tot een grote schadevergoeding, en dat is de schade, die ze aan jouw bossen aangericht hebben. Daarvoor zullen alle panden die zich nu in jouw handen bevinden, bij lange na niet voldoende zijn, ook niet inclusief het geld dat ze bij zich hebben.

[12] Laat daarom als tweede noodzaak ook snel vakbekwame taxateurs begeleid door een gerechtsdienaar het bos ingaan en de schade opnemen, opdat, als het hoog gerechtshof hierheen komt, alles er al is wat voor het geldige vellen van een wettelijk oordeel nodig is; want anders kan het gerecht het onderzoek in de lengte en in de breedte rekken, en dan zouden de zwaar benadeelden misschien pas over een jaar aan hun trekken komen. Als echter alles wat het gerecht nodig denkt te hebben aanwezig is dan kan het ook snel een oordeel vellen en na het oordeel tot de

uitvoering overgaan.

[13] Na deze informatie gaat Kisjonah meteen naar zijn personeel en regelt alles zoals Ik hem dat heb aangeraden.

[14] Een klein zeilschip vaart met gunstige wind snel naar Kapérnaum, en de Romeinse rechter gaat zelf met acht onder ede staande taxateurs het gebergte in, dat van Kis uit gezien de linker zijde van het dal begrenst, en hij zendt een commissaris met acht andere, eveneens beëdigde taxateurs naar het gebergte aan de rechterzijde van het dal.

[15] Ongeveer om vier uur 's middags arriveren een commissaris van het hoog gerechtshof met twee schrijvers, en de taxateurs van de beide bergen met de precies opgenomen schade.

 

 

233 Romeinse rechtspraak

 

[1] Er worden nu vlug vooronderzoeken ingesteld, en nadat deze spoedig beëindigd zijn, worden de twaalf voorgeleid. Als de opperrechter hen ondervraagt, zeggen ze: 'Wij zijn eigen baas en wij hebben onze rechtbank in de tempel in Jeruzalem; buiten God en die rechtbank zijn wij over al ons doen en laten niemand wat voor antwoord dan ook schuldig, en u kunt ons dus vragen wat u maar wilt, u krijgt toch. geen antwoord meer van ons; want wij staan op wettelijke grond, en die is heel stevig, en u kunt ons niets maken.

[2] Daarop zegt de rechter: 'Voor dergelijke weerspannigheid heb ik een middel bij mij; het bestaat uit roede en zweep! Dat zal .u wel aan het praten krijgen! Want het gerecht kent geen klassenverschillen; voor het gerecht is ieder gelijk!'

[3] De voornaamste van de twaalf Farizeeën zegt nu: 'Oh, die middelen kennen wij en ook de kracht en de uitwerking daarvan; maar wij kennen nog een ander middel! Als wij ons daarvan bedienen, en. dat doen we waarschijnlijk wel, dan zouden wij wel de allerlaatsten  zijn die U durft te berechten! Kent u de beroemde officiële verklaring van Caesar Augustus, die hij eigenhandig geschreven heeft en de priesters van Jeruzalem deed toekomen, waarin hij zegt:

[4] 'Deze priesterkaste is de keizerstroon in Rome beter gezind dan alle anderen; daarom moeten ook al hun wetten en voorrechten als heilig beschermd worden! Wee degene, die hen aanvalt! Die misdadiger moet wegens hoogverraad de zwaarste straf ondergaan!' Deze wet geldt nu nog net zo als dertig jaar geleden. Als u er soms niets van af wist, dan hebben wij uw geheugen nu opgefrist. Doe nu maar, wat en hoe u wilt; dan doen wij wel, wat ons belieft!

[5] Onze panden zijn geheel volgens de wet verkregen, en niemand kan en mag ze van ons afnemen. Nu op dit ogenblik kan dat wel met geweld worden gedaan, omdat wij niet sterk genoeg zijn; maar als wij onze panden hier inlossen, moeten wij vrij gelaten worden, en dan weten wij wel wegen om deze zaak verder te laten behandelen!'

[6] De opperrechter antwoordt: 'De zaak waarvoor u hier terecht staat gaat helemaal niet over de panden, hoewel u zich voor God en alle eerlijke mensen daarvan veel eerder meester gemaakt hebt door schandelijke roof, dan dat u daar het een of andere werkelijke recht op had. Want ik weet maar al te goed, welke voorrechten u door uw huichelarij van de keizer afgeperst hebt.

[7] Als Augustus u gekend had zoals ik u ken, dan zou u echt wel een ander getuigenis hebben gekregen! Maar jammer genoeg heeft hij zich door valse schijn laten bedriegen en heeft hij uw flakkerende lamp aangezien voor het licht van een zon en u daarom een voorrecht gegeven.

[8] Maar ik en overste Cornelius zijn van plan om u in uw ware gedaante aan de keizer te tonen, en dan zult u uw voorrecht vlug kwijt zijn! Verder kunt u mij dreigen zoveel u wilt; want ook ik bevind mij op wettelijke bodem, en wij opperrechters van dit land hebben sinds kort een nieuwe verordening ontvangen met betrekking tot uw intriges, waar de keizer nu ook van op de hoogte is, en daarin staat uitdrukkelijk vermeld, dat wij u zeer scherp in het oog moeten houden, en ik verzeker u, dat wij opperrechters deze nieuwste verordening uit Rome buitengewoon trouw en gewetensvol nakomen en wij hebben u al op een voor u beslist niet erg vriendelijke wijze beschreven! Begrepen?!

[9] U zuigt net als de Afrikaanse basilisk de onderdanen van de keizer de laatste druppel bloed uit, u maakt bedelaars van hen, en wat u nog over laat dat pakt de landpachter Herodes, opdat hij al zijn duizend hoeren vet en wulps kan voeren. Maar het arme volk moet in de grootste ellende versmachten! Is dat rechtvaardig?!

[10] Als er de een of andere god is, die maar net zoveel rechtsgevoel heeft als ik en net zoveel liefde voor het volk heeft als mijn jas, dan zou het onmogelijk zijn om zulke duivels, zoals u en uw Herodes, nog langer over de arme mensheid te laten heersen!

[11] 'Heb uw naaste lief als uzelf!' luidt een zedelijke wet in uw boek, dat God u gegeven zou hebben; hoe houdt u zich daar echter aan?!

[12] Waarlijk, de wet, die u altijd met veel ijver navolgt, heet haat tegen iedereen die u in uw geile en wellustige leven niet ten volle ondersteunen wil! Jammer genoeg heeft u voor dat doel op slinkse wijze een voorrecht verkregen, waarop u zich nu beroept om allerlei ongehoorde afpersingen te kunnen ondernemen.

[13] Gelukkig heeft u echter in dit geval buiten uw wettig genoemde pandopeising iets gedaan dat zelfs ook schijnbaar niet door een mij bekende wet goedgekeurd wordt. Deze daad, waarvoor u nu alleen hier terecht staat, heet vernieling van bos. Daaraan heeft u zich zeer uitgebreid in de mooie bossen van Kisjonah schuldig gemaakt. Hij is een Griek en een betrouwbaar onderdaan van de keizer, wiens rechten door iedere keizer van Rome met een compleet legioen zullen worden beschermd als ze ook maar in het geringste aangetast zouden worden, want hij betaalt jaarlijks daarvoor aan de keizer duizend pond, wat echt geen kleinigheid is.

[14] Over een weglengte van ongeveer vijf uur gaans heeft u bij de aanleg van uw geheime smokkelweg bijna duizend mooie jonge ceders en verscheidene duizenden andere mindere soorten oude en jonge bomen vernield, en volgens opgaven van beëdigde taxateurs heeft u Kisjonah een schade van meer dan tienduizend pond berokkend. Nu; hoe zult u deze schade vergoeden?!'

[15] De voornaamste Farizeeër antwoordt: 'Weet u dan niet, dat de aarde van God is en dat wij zijn kinderen zijn waaraan Hij zijn aarde persoonlijk gegeven heeft? Zoals God Zelf het recht heeft om met de aarde te doen wat Hij wil, hebben wij als Zijn kinderen ook dat recht en kunnen wij met de aarde doen wat wij willen. Ook al heeft de een of andere heidense macht ons dit recht voor een, tijdje ontroofd, dan zal ze het toch niet zo lang behouden; God zal het hen afnemen en weer aan ons, Zijn kinderen, geven.

[16] Uit het oogpunt van het recht van God behoeven wij geen schade aan het bos te vergoeden, omdat de aarde van ons is en wij daarmee doen kunnen wat wij willen. Maar tengevolge van de grotere, slechts schijnbare macht die u Romeinen nu wederrechtelijk over ons uitoefent, zullen wij ons wel verwaardigen om tot vergóeding over te gaan; maar er kan gerust negentiende van de tienduizend pond af. Want zoveel weten wij er wel van, dat wij best bepalen kunnen hoeveel de bomen waard zijn die wij gerooid hebben en waarvan wij natuurlijk maar een heel klein gedeelte gebruikt hebben voor de mogelijke bouw van bruggen; en over hoeveel schade spreken we dan nog?! Er ligt nu een nieuwe weg die de tollenaar Kisjonah heel goed gebruiken kan! Als hij hem zelf aangelegd had, dan zou hem dat zeker duizend pond gekost hebben; nu kan hij daar een nieuwe tol vestigen, en dan heeft hij in een jaar driemaal zoveel geïnd, dan wat de hele weg ons gekost heeft.'

[17] De opperrechter zegt: 'In naam van de keizer en zijn wijze wet veroordeel ik u, daar de schade door beëdigde taxateurs is vastgesteld, en omdat u zich als kinderen Gods alle macht over de gehele aarde aanmatigt, waaruit logischerwijze voortvloeit dat u ook macht over de keizer heeft waarvan hij tot op heden ook zelfs niet gedroomd zal hebben, maar waarmee u echter wel, door zo'n schandelijke aanmatiging, pure majesteitsschenners van de heilige persoon van de keizer geworden bent, tot een geldstraf van twintig duizend pond, waarvan een derde ten goede komt aan Kisjonah en twee derde voor de keizer is; tevens worden daarbij al uw panden verbeurd verklaard!

[18] Omdat echter op majesteitsschennis de onherroepelijke straf van de dood of de eeuwige verbanning staat, kunt u nu kiezen wat u liever heeft, onthoofding door de bijlof verbanning naar Europa 's ijsland! Ik heb gesproken in de naam van de keizer en diens wijze wet! Dit alles moet direkt ten uitvoer gebracht worden! AI vergaat intussen de hele wereld, het recht zal worden uitgeoefend!

[19] Kijk, zo doet een opperrechter uit Rome en hij is voor niemand bang, behalve voor de goden en de keizer!'

[20] Vervolgens Iaat hij zich naar Romeins gebruik water brengen en wast zijn handen; een gerechtsdienaar breekt een staf in tweeën en werpt deze voor de voeten van de twaalf.

 

 

234  Een goede vangst

 

[I] Nu zinkt de moed de Farizeeën in de schoenen, maar één van hen, die iets meer durf heeft, zegt tegen de rechter: 'Heer, ontsla ons van het tweede oordeel! Daarvoor in de plaats verviervoudigen wij het eerste en wel binnen acht en veertig uur!'

[2] De rechter zegt: 'Ik neem dat aanbod aan; maar toch blijf ik bij de verbanning voor de volgende tien jaar! Is dat akkoord?'

[3] De Farizeeën zeggen: 'Heer wij betalen u het vijfvoudige in puur zilver, als u ons de verbanning helemaal kwijtscheldt!'

[4] De opperrechter zegt: 'Goed, maar met het voorbehoud van het hoge gerechtshof, dat u toch tien jaar onder toezicht staat van de Romeinse politie, en iedere wederrechtelijke poging, om de staat en diens hoofd te bedriegen, of iedere verdachtmaking tegen Rome, zowel als iedere. eigenmachtige, aan het gerecht vooraf niet meegedeelde en door het gerecht niet toegestane pand verbeuring, waaruit die ook moge bestaan en welke naam die ook moge hebben, wordt direkt gevolgd door de tienjarige verbanning naar Europa, wat dan niet meer af te kopen zal zijn! Het geld moet echter binnen acht en veertig uur hier in de gerechtszaal betaald worden; één uur later wordt het onder de nu mildere voorwaarden niet meer aangenomen, maar dan treedt het eerste oordeel weer in werking.

[5] Nu echter nog iets! Voordat u weer in vrijheid gesteld wordt, moet u de namen en woonplaatsen opgeven van alle partijen, waar u zo schandalig uw panden hebt opgeëist, zodat ik ze hierheen kan laten komen en hen al het geroofde, zoals kinderen, vee, koren en wijn terug kan geven!'

[6] De Farizeeën doen hun best om aan deze opdracht te voldoen en geven precies alle namen en plaatsen op. En de rechter zendt meteen boodschappers naar alle aangegeven plaatsen, en binnen tien uur arriveren reeds alle partijen die in Kis iets te halen hadden.

 [7] De twaalf Farizeeën haalden meteen het dekkleed van hun met muildieren bespannen geldwagens af, en iedereen stond stomverbaasd over de ontzaglijke goud en zilvermassa. Zij hadden zoveel zilver en goud bij zich, dat ze hun straf makkelijk nog vijf keer hadden kunnen betalen! Het speet de opperrechter dan ook oprecht, dat hij geen hogere straf gevraagd had.

[8] Maar hem viel een wijze gedachte in, die maakte dat hij de twaalf nogmaals ging.ondervragen en tegen hen zei: 'Luister, u hebt het gevraagde op de juiste wijze betaald en daarvoor een kwitantie gekregen! Maar nu ontdek ik zo'n, massa geld bij u dat het mij. echt onmogelijk toeschijnt dat u op wettige wijze aan deze hoeveelheid goud en zilver gekomen bent - want echt, als de keizer nu met al zijn contante geld hierheen kwam, dan zou het zeer de vraag zijn, of dat meer was dan dat van u! Verklaart u mij maar eens kort en duidelijk, hoe u aan zoveel goud en zilver gekomen bent; want deze zaak komt mij zeer verdacht voor!'

[9] De voornaamste Farizeeër zegt: 'Wat verdacht, wat verdacht?! Dit is het geld, dat alle in dit land aangestelde Farizeeën, priesters en levieten gedurende vijftig jaar voor de tempel gespaard hebben; en omdat de tijd nu verstreken is, moeten wij het aan de tempel afleveren. Ondanks dat is dit trouwens het kleinste bedrag, dat ooit uit Kapérnaum naar de tempel is overgebracht. Het zijn alleen maar offers, legaten en speciale stich­tingsgelden voor de tempel en derhalve volkomen rechtsgeldig verworven en bijeengebrachte gelden.'

[10] De opperrechter zegt: 'Het woord 'rechtsgeldig' zullen we maar weglaten! Ook al is dat zo, dan zijn dat toch afpersingen en gemene door bedrog verkregen erfenissen, en de rechtsgeldigheid heeft dus heel weinig met deze rijkdom te maken!

[11] Maar pas een maand geleden heeft men mij, net als alle hoge gerechtshoven, het volgende meegedeeld: Men. wacht al een half jaar op belastinggelden uit Klein-Azië en een deel van de plaatsen aan de Pontus; deze zijn reeds lang geïnd en verzonden, en bestaan uit goud en zilver en edelstenen en parels, - goud en zilver merendeels in ongemunte toestand. De opgegeven waarde zou zijn, enkel goud twintig duizend pond, zilver zeshonderdduizend pond en ongeveer net zo'n waarde aan edelstenen en parels.

[12] Ik zie nog vijf overdekte wagens; haal het dek eraf, zodat ik ook hun inhoud in ogenschouw kan nemen!'

[13] Zichtbaar verlegen halen ze de dekken van de vijf karren af, en kijk, ze waren vol met allerlei edelstenen, merendeels nog in ruwe ongeslepen toestand, en een kar, met meer dan een ton inhoudsmaat, was gevuld met kleine en grote nog niet doorboorde parels.

[14] Terwijl de opperrechter alles precies bekijkt, zegt hij: 'Ik geloof dat het nu wel duidelijk is, waar de belasting en schatting bleef, die van Pontus en Klein-Azië naar 'Rome is gezonden! Ondanks jullie geslepenheid zal het je erg moeilijk vallen, te bewijzen dat dit jullie rechtmatig bezit is; maar ik durf bij alle goden en hun hemelen te zweren, dat ik hier voor mij de zichtbare, en in Rome reeds lang verwachte, belastinggelden en andere schatten al zo goed als in handen heb. Blijven jullie dus nog maar netjes hier; als het gerechtshof bijeen is, zal ik met een grote ondervraging beginnen!'

[15] Als de Farizeeën deze woorden van de opperrechter horen, worden ze bleek om hun neus, en ze beginnen behoorlijk koorts te krijgen, hetgeen de oplettende opperrechter niet ontgaat; en hij zegt tegen de rechter van Kis: 'Broeder ik geloof, dat we de grote roofvogels al in ons net hebben.'

 

 

235 Weerzien met de opperrechter

 

[I] De rechter uit Kis zegt: 'Vriend, de beroemde Jezus van Nazareth houdt zich hier al een week of drie geregeld op, en zal waarschijnlijk hier nog een paar dagen blijven. Volgens mij is Hij een God die alle nog zo verborgen dingen zonneklaar weet, en Hij heeft ons daarvan al heel duidelijke voorbeelden gegeven; wat denk je er van, als we Hem hierbij eens te hulp riepen? Hij zou ons wel eens goed kunnen helpen, en dat nog te meer, omdat hij absoluut geen vriend is van de zwarte dieven en rovers die de tempel voor haar snode plannen ter beschikking heeft. Want ik heb met mijn eigen oren gehoord hoe hij de priesters en Farizeeën uit Chorazin en Kapérnaum naar de diepste Tartarus verwenst heeft. En daarom ben ik er van overtuigd, dat Hij ons klaarheid zal kunnen verschaffen.'

[2] Heel verbaasd zegt de opperrechter: 'Wat?! Is deze Godmens hier?! Ei, waarom hebben jullie mij dat niet direkt gezegd?! Waarlijk, ik zou hem meteen in mijn plaats hebben laten rechtspreken en daar zou ik me drie kwart van het werk mee bespaard hebben! Breng me toch snel naar hem toe! Want de overste Cornelius heeft mij ook heel dringend opgedragen om intensief navraag te doen naar deze goddelijkste van alle mensen en hem daarover meteen te informeren.

[3] Als de overste de verzekering krijgt dat Jezus hier is, dan is hij binnen de kortste keren hier met zijn hele familie; want hij en zijn gehele huis aanbidden deze Jezus letterlijk, en ik zelf ben het helemaal met hen eens. Ik dank welke echte God dan ook ervoor, dat mij nog eens het niet te schatten geluk te beurt valt, om mijn hemelse vriend Jezus te zien en te spreken! Breng mij toch snel, snel bij Hem! Nu is alles al gewonnen!'

[4] Als de opperrechter naar het grote huis loopt met het brandende verlangen om Mij te zien en te spreken, kom Ik hem tegemoet; en als hij Mij ziet, roept hij blij: 'Daar, daar bent U, goddelijke vriend en broeder, als ik U zo nog noemen mag!

[5] O laat U omarmen en Uw heilige aangezicht met duizend vrienden ­en broederkussen bedekken! O, heilige vriend van mij! Ik ben zo onuitsprekelijk gelukkig, nu ik U eindelijk weer terug heb! Waarlijk, waar ook maar mensen in de grootste nood zitten, daar bent U ook aanwezig om hen te helpen! Ach, ik weet me van vreugde geen raad, dat ik U hier gevonden heb!'

[6] Ik zeg, terwijl Ik hem ook vast aan Mijn hart druk: 'Ik groet jou ook eindeloos! Want je hart heeft door je zware rechtersambt echt geen schipbreuk geleden, en daarom houd Ik nog steeds bijzonder veel van je en zegen Ik al je werk.

[7] Waarlijk, je hebt het aan Mij en Degene, Die in Mij woont te danken, dat je hier die grote belastingdiefstal ontdekt hebt!

[8] Maar laten we nu in huis gaan, waar een rijkelijk avondmaal op ons wacht! Na de maaltijd spreken we er verder over!'

 

 

236  Het huwelijk van Faustus en Lydia

 

[I] De opperrechter en de gewone rechter met Kisjonah, Baram, Jonaël, Jaïruth en Archiël gaan nu met Mij de kamer in en gebruiken ongeveer een half uur na zonsondergang samen met Mij en al de Mijnen een goed klaargemaakt, rijkelijk maal. De nog ongehuwde opperrechter schept een groot behagen in de oudste dochter van Kisjonah en zegt tegen Mij: 'Edele vriend, U weet hoeveel ik ondanks het verschil in godsdienst, respectievelijk leer der goden, van U hield omdat ik in U geen sluwe, eenzijdige Jood, maar een heel open en vrijzinnig en tevens veelzijdig ontwikkeld en in alle wetenschappen zeer ervaren mens gevonden heb.

[2] Daarom vertrouw ik U nu ook toe, dat Kisjonah's dochter mij buitengewoon goed bevalt. Zoals U wel weet ben ik echter een Romein, en zij zal ongetwijfeld een Jodin zijn, die haar mooie hand aan geen heiden, zoals wij door de Joden genoemd worden, geven mag. Raad mij eens, vriend, is daar nog iets aan te doen? Zou het onder geen enkele voorwaarde mogelijk zijn, dat zij mijn vrouw werd? Kom, doe mij eens een middel aan de hand!'

[3] Ik zeg: 'Jij bent een Romein, en zij is een Griekse en geen Joodse, en dus is er van nature niets wat je hindert om haar aan Kisjonah ten huwelijk te vragen, die haar ook zeker aan jou zal geven. Dat ze echter geestelijk, net als het hele huis, volgens Mijn aan jou niet onbekende leer toch Jodin is, dat zal voor jou toch wel geen steen des aanstoots zijn?!'

[4] Dan zegt de opperrechter, die Faustus Caji Filius heet: 'Dat moest er nog bijkomen! Ik ben toch zelf in mijn hart een van de vurigste aanhangers van Uw goddelijke leer! Want ik vind, dat een God die een wereld kon bouwen en daarop allerlei levende wezens en tenslotte zelfs mensen kon scheppen, buitengewoon wijs moet zijn! Als zo'n wijze God de mensen een leer wilde geven, dan moest die leer toch ook zeer wijs zijn. Deze zou dan toch zeker geheel overeenstemmen met de natuur en de onderlinge instandhouding van zeg maar -Zijn mensen.

[5] Nu, Uw leer heeft die geest en dat karakter in zich en is daarom zuiver goddelijk, en ik heb haar daarom als geheel waar voor mijn gehele leven aanvaard en ik verkondig haar aan mijn gehele huis en aan mijn vele ondergeschikte beambten. Als dit dus zo is, dan is alles al helemaal in orde op de instemming van de vader na!'

[6] 'Wel', zeg Ik, 'die heb je al, net als de liefde van de mooie Lydia. Kijk maar eens achter je, dan zie je de in en in gelukkige Kisjonah, die van vreugde niet weet wat hij doen moet omdat zijn huis zo'n eer te beurt valt!'

[7] Faustus kijkt om en Kisjonah zegt: 'Heer en gebieder over ons hele Galiléa en Samaria! Is het mogelijk, dat u mijn Lydia tot vrouw wilt hebben?!'

[8] Faustus zegt: 'O ja, als u haar aan mij wilt geven, uit duizenden is zij voor mij de enige!'

[9] Kisjonah roept Lydia. Zichtbaar verlegen van liefde en grote blijdschap komt zij, en Kisjonah zegt tegen haar: 'Wel, lieve dochter, zou je wel gezegend willen zijn met deze heerlijke man?'

[10] En Lydia zegt, terwijl ze haar ogen neerslaat, na een poosje: 'Waarom vraagt u dat nog aan mij? Toen deze heerlijke Faustus vandaag aankwam en ik hem voor de eerste maal zag, hoorde ik mijn hart zeggen: 'Wat gelukkig moet de vrouw van deze heerlijke man zijn!' En moet ik dan nu, als hij mij begeert, nee tegen hem zeggen?'

[11] Kisjonah zegt: 'Maar wat zal jouw geliefde Jezus daar dan van zeggen?!' Lydia zegt: 'Wij zijn allen van Hem! Hij is de schepper, en wij zijn Zijn schepsels die Hij nu tot echte kinderen opvoedt! Ondanks dat blijft Hij het diepst van mijn hart vervullen!'

[12] Faustus zet grote ogen op en zegt, zeer verbaasd over dit onverwachte getuigenis van Lydia over Mij: 'Wat, wat - wat moet ik nu horen?! Kan het dan zijn dat een hele mooie droom, die ik kortgeleden gedroomd heb, op de een of andere wijze een echte betekenis heeft? De hele hemel zag ik geopend; alles was licht, alle talloze wezens waren licht, en in de diepste diepte der hemelen zag ik blijkbaar U, mijn vriend Jezus, en alle wezens wachtten met een soort ongeduldige vreugde op Uw aanwijzing, om Uw bevelen binnen een ogenblik aan de hele oneindigheid te ver­kondigen!

[13] Toen meende ik in Uw evenbeeld, dat de glans van de zon verre overtrof, Zeus te herkennen, en ik verwonderde mij er erg over, dat U zo buitengewoon veel leek op Zeus. In het geheim hield ik U voor een aardse zoon van de hoofdgod, die ik vereenzelvigde met Jehova van de Joden en met Brahma van de Indiërs. Daarbij hield ik alle andere goden net als U voor Zijn aardse kinderen, die Hij bij tijden bij de aardse dochters verwekte om de mensen met zulke zonen leiders, leraars en stimulators te geven!

[14] Maar nu krijgt die droom opeens een heel ander gezicht; U bent Zelf de levende Zeus, Brahma of Jehova, die in levende lijve bij ons is en ons Zelf Uw goddelijke wijsheid leert, omdat Uw eerdere kinderen deze op aarde slecht onderwezen en niet voldoende in praktijk hebben gebracht!

[15] Als dat vaststaat, krijg ik deze buitengewoon mooie vrouw direkt uit handen van mijn God, mijn schepper, en daarom hoef ik niet meer te vragen of ik met haar gelukkig zal zijn!

[16] Maar nu heeft mijn verlangen dan ook een heel ander gezicht gekregen! -Schoonste Lydia! Kijk nu naar de Heer! Het gaat nu niet meer om ons wederzijds verlangen en begeren, maar alleen om de heilige wil van deze Enige der Enigen, deze Heer van alle heerlijkheid, deze God van alle Goden, uit Wien alle hemelen en zon, maan en deze aarde en wij allen ontstaan zijn!

[17] Waarachtige goddelijke Jezus! Als U het goed vindt, dat Lydia mijn vrouw wordt, dan neem ik haar tot vrouw; maar als U daar ook maar het minste bezwaar tegen hebt, dan behoeft U dat maar te zeggen en mijn leven wijdt zich geheel aan het uitvoeren van Uw wil!'

[18] Ik zeg: 'Edele broeder van Mij! Ik heb jullie al gezegend, en jullie zijn dus al volkomen vereend; maar vergeet niet:

[19] Wat God verbonden heeft, dat behoort geen mens meer te scheiden, en dus blijft een echt huwelijk voor altijd geldig! Een verkeerd werelds huwelijk is echter toch al voor God geen verbond en daarom net zo ontbindbaar als de wereldse mensen en al hun overeenkomsten, die altijd al niets anders zijn dan de grofste hoererij, waardoor de kinderen van de satan in het jammerlijke bestaan gebracht worden. Jullie zijn nu volledig man en vrouw, en vleselijk één voor God, amen!'

[20] Na Mijn woorden omarmen ze elkaar en begroeten elkaar met een kus.

[21] Dat deze snelle huwelijksvoltrekking in heel Kis een groot opzien baarde en dat Kisjonah zich nu beraadde over een rijke huwelijksgift is wel te begrijpen.

 

237 Vervolg van de rechtszitting

 

[1] Toen de eerste opwinding over dit voorval wat geluwd was, arriveerde de ons reeds bekende Philopold uit Kana, die meteen naar Mij toekwam en Mij wilde vertellen, hoe hij in Kana alles al helemaal had geregeld.

[2] Maar Ik begroette hem heel vriendelijk en zei tegen hem: 'Ik weet alles al; jij bent Mijn leerling, ga nu naar Mijn andere leerlingen, want die zullen je heel veel te vertellen hebben. Ik heb vannacht nog veel te bemiddelen. Maar morgen al zullen ook wij het nodige met elkander te bespreken krijgen; want jij moet een bekwaam werktuig voor Mij worden.

[3] Philopold gaat nu naar de leerlingen, en bijna op hetzelfde ogenblik melden de opzieners, dat reeds alle uitgenodigden uit Kapérnaum en Chorazin zijn aangekomen, en zij vragen, wat er nu moet gebeuren.

[4] 'Breng ze eerst naar hun kinderen en geef hen te eten en te drinken!', zeg Ik. 'Wij zullen.intussen een buitengewone behandeling van de zaak tegen de twaalf Farizeeën hebben.'

[5] Toen gingen de. opzichters weg en vroeg Faustus Mij, of het niet beter zou zijn, dat Ik de twaalf zou verhoren en dat hij alleen maar voor griffier zou spelen.

[6] Maar Ik zeg: 'Nee, broeder, dat gaat niet; want voor hen geldt alleen maar jouw ambtelijk gezag en daarom draag jij ook de ring van de keizer als teken van jouw macht aan je rechterhand en daarbij nog het zwaard en de staf; je moet ze dus zelf verhoren. Maar Ik zal je wel ingeven, wat je en hoe je ondervragen moet en zij zullen je niet ontsnappen! Laten we daarom maar vlug aan de slag gaan; want de nacht is niet zo jong meer.'

[7] Daarom gingen we nu meteen naar het gerechtshuis, waar de twaalf met hun dertig belangrijkste handlangers wel bewaard door de sterke wacht, met grote vrees en angst op de opperrechter zaten te wachten; want ze hadden nu geen tijd en gelegenheid meer om ergens een dozijn valse getuigen op te snorren, die voor hen gelogen en op de leugens ook nog gezworen zouden hebben; want de tempel beloofde een bijzondere genade aan ieder, die ten gunste van de tempel en al haar dienaars een vals getuigenis aflegde als de omstandigheden dat vereisten! Maar vooraf moest zo iemand natuurlijk wel behoorlijk van informatie voorzien zijn, hetgeen in dit geval absoluut onmogelijk was.

[8] Onder begeleiding van Kisjonah, Baram, Jonaël, Jaïruth en de engel Archiël met de onderrechter en een aantal schrijvers gingen wij nu de gerechtszaal in.

[9] Meteen bij het binnenkomen vraagt de voornaamste Farizeeër heel boos aan Faustus: 'Wat is dat voor een manier, om ons priesters van God, terwijl we ons zonder meer al tot alles wat verlangd werd bereid hebben verklaard, nu nog als gewone boeven gevangen te houden?! Zo waar wij dienaars van God zijn: -als men ons niet direkt de volle vrijheid geeft, dan zal God dat weten te bestraffen!'

[10] Faustus zegt: 'Wees rustig, anders ben ik genoodzaakt jullie tot rust te dwingen; want we hebben nu bijzonder belangrijke zaken met elkaar in het reine te brengen! Luister nu met al uw aandacht naar mij!

[11] Ik heb al eerder tegen u opgemerkt, dat volgens mij uw grote schat uiterst nauwkeurig lijkt op die, waar ik het al eerder met u over had. Op één punt na is me nu alles wel duidelijk over deze aanslag op. de van Pontus en Klein-Azië naar de keizer in Rome verzonden en vermiste belastinggelden en andere schatten; dit ene is het volgende:

[12] De belastinggelden en de andere schatten werden volgens de gegevens door bijna een kwart legioen Romeinse soldaten begeleid; daarom kan het niet zo gemakkelijk geweest zijn om zo'n geweldig escorte te over­weldigen ze in de pan te hakken of minstens op de vlucht te doen slaan.

[13] Dat deze gelden en schatten rechtstreeks door uzelf, door list en geweld of door uw nog sluwere collega’s van de Romeinse leiders gestolen zijn, is me helemaal duidelijk; daar hebben we ook geen bewijs meer voor nodig omdat we daar intussen meer dan honderd getuigen voor hebben; maar zoals gezegd, er ontbreekt alleen nog maar hoe en op welke manier het gebeurd is en tenslotte nog de juiste som, hoe groot die was, zodat ik in staat ben om tesamen met de gelden en andere schatten het juiste bericht aan de keizer in Rome te sturen.

[14] De voornaamste Farizeeër zegt: 'Heer, die laster is te groot om ooit op ons te laten rusten! Al had u duizend valse getuigen tegen ons, dan zal u dat toch weinig helpen; want wij staan te stevig in onze schoenen, en u zult ons toch met al uw macht geen haar kunnen krenken! Bespaar u daarom maar alle verdere moeite, want hierna zult u geen antwoord meer waardig geacht worden, behalve één tot uw verderf!

[15] Als u de Farizeeën tot op heden nog niet gekend hebt, dan zult u ze nu of ten minste binnenkort leren kennen! Want zo'n ontzettende beschuldiging kunnen wij nooit op ons laten rusten. Vanwege de bos­beschadiging waren we toegeeflijk, hoewel we volgens onze wetten niet toe hadden hoeven te geven; maar voor de lieve vrede hebben wij uw hoogst onrechtvaardige oordeel aanvaard. Maar daar komen wij op terug, en als u zo misdadig zou zijn om ook maar iets van het goud, de panden of de schatten aan te raken, dan zult u dat niet alleen honderdvoudig moeten vergoeden, maar dan is het met al uw glorie ook totaal afgelopen! Want op dit ogenblik al zal men in de tempel weten, wat op zo'n allerbrutaalste manier hier met ons gebeurt'.

[16] 'Zo', zegt Faustus, 'dus op deze manier wilt u zich uit de val bevrijden? Al goed, nu weet ik dan ook heel precies, wat ik met u moet doen! Uw verhoor is nu afgelopen; de misdaad is door honderd getuigen vastgesteld, en uw schuld is duidelijk! Meer zeg ik u niet en ik stel een ultimatum - de gerechtsdienaars staan buiten -

[17] Als uw dertig handlangers bekennen, dan behouden ze het leven; als ze echter ook niet willen praten, dan worden ze net als u nog deze nacht onthoofd! Dan zult u wel beseffen hoeveel angst ik voor u heb!'

[18] Na deze koelbloedige krachtige taal van Faustus komen alle dertig handlangers naar voren en roepen: 'Heer, spaar onze levens; wij willen u haarfijn beschrijven, hoe het gegaan is!'

 

 

238  Het verhaal van de diefstal

 

[1] Faustus zegt: 'Nu, spreek dan! Mijn woord van eer, er zal jullie geen haar gekrenkt worden!'

[2] Dan zegt een Farizeeër, verschrikkelijk bevend van doodsangst: 'Heer, schenkt u mij ook het leven, als ik spreek?'

[3] Faustus zegt: 'U ook; want u bent de minste van hen.'

[4] Dan schreeuwen de andere elf Farizeeën: 'Weet je dan met, dat je liever moet sterven - dan voor God een verrader te worden?!'

[5] Maar de ene Farizeeër zegt: 'Dat weet ik, maar van God is hier geen sprake; het gaat hier alleen maar om jullie schandalige bedrog tegen.over de Romeinen. Door een schandelijke list wisten jullie de grote buit zo keurig van de Romeinen te stelen, dat de hele wereld zich daar echt over moet verbazen."

[6] Jij als eerste hoofdboef was gekleed in de kleding van de opperland­voogd, die nu in Sidon, maar ook vaak in Tyrus resideert, je had de grote keizerlijke ring als teken van de macht en je had een gouden zwaard en de heersersstaf van heel Palestina, Coelesyrië, Klein-Azië en de gehele Pontus.

[7] Bovendien zie je er uiterlijk net zo oud uit als de hoogst eerwaardige grijsaard Cyrenius, je nam zijn naam aan en je had je een gevolg en een hofhouding aangeschaft, gelijkend op die van Cyrenius, daarbij zat je op een imposant paard. Toen de leider van het geldtransportje begroette als opperlandvoogd en je op een halve dagreis van Tyrus, denkend dat je de stadhouder was, de getekende bevelrollen gaf en daarbij dan ook de gelden en de schatten, die jouw verklede Romeinse soldaten in ontvangst namen, gaf je hem bevel om zo snel mogelijk naar de Pontus terug te trekken, omdat je met zekerheid vernomen had, dat daar vanwege de belastingafpersingen onlusten uitgebroken waren en dat de bewoners van de Achterpontus zich met sterke Skythenhorden tegen de overheersing van Rome verbonden hadden. Uitstel zou gevaarlijk zijn; daarom was hij als opperlandvoogd, na een korte en duidelijke opdracht van Rome, hem, de dappere overste van de Pontus en Klein-Azië, zo ver tegemoet getrokken, om hem in dit dringende geval de snelle terugweg een beetje te bekorten!

[8] Natuurlijk is de overste van de Pontus en Klein-Azië toen met zijn drieduizend ruiters zo snel mogelijk omgekeerd en in een paar uur was hij al zo ver van ons verwijderd, dat wij onmogelijk meer iets van hem te vrezen hadden. Ons allen was op leven en dood opgedragen te zwijgen en ieder zou tweehonderd pond zilver krijgen, die we echter tot op heden nog niet ontvingen, want dat zou pas in Jeruzalem gebeuren. Het noodlot wilde het echter anders, en van die tweehonderd pond hoeven we niet veel meer te verwachten.

[9] Het geld en de schatten werden toen 's nachts naar Kapérnaum gebracht, waar ze nu al ongeveer twee maanden lagen, en de geheime weg is enkel en alleen aangelegd ten behoeve van de grote schat en leidt volgens mij niet naar Jeruzalem, maar naar een grote verborgen grot in deze bergen, waarin - en niet in de tempel - al heel veel duizenden ponden goud en zilver liggen te wachten.

[10] Slechts wij twaalven waren met dit geheim bekend, en buiten onze dertig handlangers weet geen Farizeeër er iets van af. De helpers weten alleen niet voor welk doel het is. Tegen hen is gezegd, dat alles bewaard wordt voor de toekomstige Messias, die de Joden in deze tijd zal bevrijden van het juk van de Romeinen. Maar ik ken natuurlijk. wel een andere reden, en dat is in de eerste plaats: een uitermate luxueus leven, -en in de tweede plaats een geweldige mogelijkheid tot omkopen, als men in belangrijke gevallen de Romeinen naar zijn pijpen wil laten dansen, of om een functie van overste in de tempel te kopen, wat natuurlijk altijd ontzettend veel geld kost. Nu weet u alles; u kunt ook alle dertig ondervragen, maar zij zullen u hetzelfde zeggen.

 [11] Slechts de panden waren voor Jeruzalem bestemd, om de tempel gunstig te stemmen; de gelden en schatten zouden echter naar de andere in het hol zijn gegaan, als ze hier niet zo'n geweldige schipbreuk hadden geleden. Nu weet u precies hoe de zaken staan, en moet u maar doen wat u rechtvaardig vindt; maar wees tegen mij en de dertig verblinden niet te hard en te onverbiddelijk rechtvaardig!'

[12] Faustus zegt: 'Tegen u en de dertig zal ik niet als rechter, maar als beschermer optreden; maar wat met de elf moet gebeuren, daarover zal Cyrenius oordelen! Zeg mij alleen, of er van de gelden en schatten niets is weggenomen, of alles wat uit Klein-Azië gebracht werd hier bij elkaar is, en of u iets weet van de beroemde grot.'

[13] De Farizeeër zegt: 'Het geheel, inclusief de wagens, is nog net zo onbeschadigd en compleet zoals het ontvangen werd. Wat betreft de beroemde grot, weet ik als mede eedgenoot natuurlijk precies wat deze bevat, en zonder een van ons twaalven kan geen mens de toe­ en ingang vinden.'

[14] Nu prijst Faustus de minder rijke Farizeeër, die Pilah heette, en hij zei tegen Kisjonah: 'Wel, vriend, en nu mijn dierbare schoonvader, de grot die naar het schijnt in uw gebergte ligt, zal dat, wat u volgens het eerste oordeel toekomt, geven; maar neem de gelden en de schatten van de keizer vast in bewaring; want bij u zijn die tot het eind van dit buitengewone proces het best bewaard.

[15] Verzorg Pilah op mijn rekening, maar geef de dertig voor deze nacht een goed bewaakt nachtverblijf; zolang de grot niet leeg is, kan ik hen de vrijheid niet geven; maar na de ontruiming kunnen ze gaan waar ze willen, omdat hun bereidwilligheid ons tot grote ontdekkingen heeft geleid.’

 

 

239 De tempelschatten

 

[I] Dan wendt Faustus zich tot de elf en zegt: 'Nu, hoe staat het met het ongeluk, waarmee u mij eerder zo arrogant gedreigd hebt? Wat zegt u hier nu over als gezalfde dienaren van God? Waarlijk, het moet verschrikkelijk bitter zijn voor iemand die een gezalfde van God heet, om als grootste staatsboef te kijk te staan! Maar heb maar geduld, u zult nog wel wat ergers meemaken; dit was maar een simpel voorspel!

[2] Echt, u hebt het maar aan Een hier te danken, dat ik u niet snel laat ontkleden, de vloek van de keizer over u uitspreek en dan overgeef aan de gerechtsdienaars, die staan te popelen om het vonnis uit te voeren! En deze Ene staat naast mij, de goddelijke Jezus uit Nazareth, die u allang hebt vervloekt en die door u nu van de ene plaats naar de andere vervolgd wordt alleen maar omdat Hij zo eerlijk is, om het door u verblinde. volk te laten zien, wie u in werkelijkheid bent.

[3] Onderzoek uw. innerlijk en zeg eens of er behalve uw satan nog iets ergers kan zijn, dan wat u bent!?

[4] U brengt het volk de kennis over een God bij waaraan u zelf nooit hebt geloofd; want als u in een God geloofde, aan Jehova, die Mozes u duidelijk heeft verkondigd, en waarin uw voorouders levendig geloofd en waarop ze gehoopt hebben, dan zou u met de almachtige God niet de honendste spot en de brutaalste schande bedrijven!

[5] U laat zich als zogenaamde gezalfde knechten van de Allerhoogste door het geestelijk doodgeslagen volk goddelijke eer bewijzen, en bo­vendien eist u niet op te brengen offers van het arme volk om daarvoor de poort naar Gods licht­ en levensrijk met ijzeren deuren en sloten te barricaderen.

[6] Vraag u zelf nu eens af, of er ergens nog groter misdadigers tegen God, de keizer en tegen de arme mensheid gevonden zouden kunnen worden, dan u bent!

[7] O dat onbegrijpelijke geduld en die lankmoedigheid van de grote God! Als ik ook maar een sprankje goddelijke macht had over de elementen, dan zouden de hemelen voor mij waarschijnlijk geen vuur genoeg hebben om bij dag en nacht over u uit te storten!

[8] Heer, waarom heeft U ten tijde van Abraham de tien steden met Sodom en Gomorra zo zwaar bestraft, -terwijl hun inwoners, behalve voor wat betreft hun verkeerde vleselijke lusten, toch blijkbaar engelen waren vergeleken bij deze booswichten, waarvan er nu in het hele Jodenland meer zijn dan het totale aantal inwoners van de tien steden!?

[9] U noemt zich Gods kinderen en zegt, dat God uw vader is! Waarlijk voor de God, die zulke kinderen ter wereld brengt, zou ik in der eeuwigheid niets doen; want die noemen ze bij ons Romeinen volgens de mythe Pluto, - en Satan of Beëlzebub, dat is uw vader!

[10] U bent het levende slechte zaad, dat uw vader altijd tussen het koren zaait, opdat daardoor het goddelijke zaad verstikt wordt, en u noemt zich gezalfde dienaren van God?! Ja, dienaren van de satan bent u; die heeft u gezalfd ten verderve van al het goddelijke op aarde!

[11] Als u maar een klein beetje minder duivels was dan u bent, dan zou ik terwille van die Ene, Die hier is, een zo draaglijk mogelijk oordeel over u geveld hebben. Maar omdat u zo meer dan duivels slecht bent, zal ik mijn naam niet aan u vuil maken, maar zal ik u aan de 'judicio criminis atri' (rechtspraak over zware misdaden) overleveren in Sidon; want daar wast iedere 'judex honoris' (rechter over zaken van eer) zich zeven maal de handen. ,

[12] Na het horen van deze woorden van Faustus verliezen ze de moed en smeken om genade en beloven een algehele ommekeer en verbetering en ze willen iedere schade, die ze iemand berokkend hadden, honderd­voudig vergoeden.                             .

[13] 'Waarmee dan?', zegt Faustus, 'de rijke grot is nu in onze handen; waar wilt u dan nog goud en schatten vandaan halen? Heeft u dan nog meer grotten, die uitpuilen van het goud, het zilver en de parels?'

[14] Dan zeggen de elf: 'Heer, wij hebben er nog één achter Chorazin, waarin oude schatten bewaard worden, die ten tijde van de Babylonische ballingschap uit de tempel en uit andere godshuizen daarheen gebracht zijn. Tot in onze tijd wist niemand iets daarvan; maar wij jaagden ongeveer zeven jaar geleden op korhoenders en wij zochten bijen en honing in het bos. Toen vonden wij na ongeveer dertig veldwegen gaans, al bijna helemaal op het Griekse gebiedsdeel, waar zich een middelmatig gebergte verheft, een plaats waar de honing en de was letterlijk over een vier mans hoge en loodrecht steile wand naar beneden liep. Bovenaan de wand was een opening te zien zo groot, dat een knaap van ongeveer twaalf jaar daarin rechtop zou kunnen staan.

[15] Boven deze opening verhief zich nog een steile wand, die zeker zeventig manslengten hoog was, zodat het zonder ladder onmogelijk geweest zou zijn de opening te bereiken, die zeker veel honing en was bevatte en waar we voortdurend een grote massa bijen zagen in­ en uitvliegen. Gauw werd een ladder en een behoorlijke hoeveelheid stro en allerlei gras bijeengebracht voor het uitroken van de bijen, en de operatie werd, een paar bijensteken niet meegerekend, succesvol uitgevoerd. Wij wonnen daar een paar honderd pond zuivere honing en net zoveel was; want er waren al veel raten van ongeveer duizend cellen aan beide zijden leeg.

[16] Maar toen wij de grondwas verzamelden, stootten wij al gauw op tempelgereedschap, en toen wij het metaal beter onderzochten, bleek maar al te gauw, dat het puur goud en zilver was. Wij drongen dieper en dieper door in de zich steeds verder uitstrekkende grot en vonden in haar dieptes steeds meer bewaarde schatten van onschatbare waarde. Wij lieten al de gevonden schatten ongeschonden in het hol; alleen versperden wij de buitenste opening met stenen en mos en lieten deze door beëdigde bewakers vanaf het uur van ontdekking tot op het huidige ogenblik bewaken. En zie, al deze schatten leveren wij aan u uit als u ons genadig bent en ons in de naam van de keizer de verschrikkelijke door u uitgesproken straf kwijtscheldt!'

[17 Faustus zegt: 'Ik wil er over beraadslagen! Maar geef me nu nog precies op, hoe dat zit met de grot in het gebergte van Kisjonah! Heeft u die ook tijdens een jacht op honing al vol ontdekt, of heeft u deze gevuld; en als dat laatste het geval is -waar zijn dan die schatten vandaan gekomen, en sinds wanneer is die grot al gevuld?'

[18] Dan zeggen de elf: 'Wij hebben wat daar ligt gedurende vijftien jaar  door toegestane handel verworven; maar volgens een van onze nieuwere tempelvoorschriften mogen wij slechts een bepaalde som voor ons noodzakelijke levensonderhoud hebben, en moeten wij alles wat er meer !S aan de tempel afgeven. Als er bij iemand van ons, die in het land verspreid wonen, bij de jaarlijkse zeer strenge controle door de tempel een beduidend overschot wordt gevonden, bestraft men de betreffende persoon genadeloos als bedrieger van God. Om ons derhalve aan de straf te onttrekken en dan toch voor speciale gevallen iets te hebben, hebben wij de verborgen grot in het gebergte van Kisjonah uitgekozen en daarin hebben wij onze aanzienlijke overschotten opgeslagen. Dat is het hele geheim van de genoemde grot.

[19] Faustus vraagt nog:' Loopt de door u aangelegde weg helemaal tot aan de grot?'

[20] 'Nee, heer', zeggen de elf, 'slechts tot het zeer dichte struikgewas, waardoor men over een alleen aan ons bekend pad bij de voor niemand anders zichtbare grot kan komen.'

[21] Faustus zegt: 'Goed, dan bent u morgen onze gids! Maar voor vandaag, respectievelijk voor deze nacht is de onderhandeling gesloten; want voor dit moment weten we allen genoeg!'

[22] De elf werpen zich voor Faustus op de knieën en smeken om genade. Maar Faustus zegt: 'Dat hangt nu niet meer van mij, maar van een heel andere Iemand af; als Hij het u vergeeft, dan is het door mij ook vergeven, amen!' -Daarmee verlaten wij de rechtszaal en gaan ons lichaam de nodige rust geven.

[23] In de hal van het woonhuis wacht Lydia op Mij en Faustus, haar echtgenoot, en begroet ons en vindt het jammer, dat het ons wel een paar uren harde strijd gekost heeft.

[24] Faustus begroet zijn jonge gemalin eveneens en zegt tegen haar: 'Ja, geliefde Lydia, het was echt een harde strijd, maar met de goddelijke hulp van de eveneens goddelijke vriend Jezus, aan Wien alleen alle eer en alle lof toekomt, is de gehoopte ontknoping helemaal gekomen. Maar laten we dat nu laten rusten; morgen zal er nog veel gedaan moeten worden.'

[25] Uitgezonderd de nodige wachtposten ging iedereen nu slapen.

 

 

240 De afrekening

 

[I] De volgende dag, een sabbat, vroeg Faustus, hoewel hij een Romein was, aan Mij of de joodse sabbat hier gevierd moest worden of niet, en wat er met de elf Farizeeën moest gebeuren.

[2] Ik zei: 'Beste vriend en broeder! ledere dag die met goede daden gevuld wordt is een echte sabbat, en op iedere dag waarop men iets gedaan heeft wat beslist goed is, heeft men alleen al daardoor een echte sabbat gevierd. Daarom moet je op deze sabbat zoveel goeds doen als je maar kunt en wilt, en het zal je zeker niet als zonde aangerekend worden, behalve door de slechte wereldse dwazen, die zelfs de wind vervloeken als hij op sabbat waait, en dat ook doen met de regen en de. scharen door de lucht vliegende vogels. Zulke dwazen moeten ons nooit dienen als een te volgen voorbeeld, maar alleen als een bovenal afschuwwekkend voorbeeld. want zij vervloeken het goede en willen dat hun slechte daden door de hele wereld hoog geroemd worden! Nu weet je wat je op iedere sabbat moet doen!

[3] Wat de elf betreft, laat hen ook vrij nadat je al hun schatten bemachtigd hebt! Stuur de keizer dat wat van hem is, en geef hem maar een zelfbedachte reden op voor de vertraging; maar geef de tempel ook haar deel uit de grot bij Chorazin, vertel de opperpriester, daarbij, hoe de schatten door de elf Farizeeën al een aantal jaren geleden zijn ontdekt, maar de tempel zijn onthouden aan wie ze eigenlijk behoren, en dan zal de tempel deze zaak met de elf wel heel passend behandelen.

[4] Wat betreft de schatten in het gebergte van Kisjonah, laat een derde aan hem toekomen, en aan jou een derde in naam van de keizer, en verdeel een derde onder alle armen, die voor hun kinderen en hun geroofde spullen hierheen zijn gekomen, en dan is de hele rechtszaak daarna voor alle tijden der tijden beëindigd. Gebruik de dag van vandaag!

[5] Baram en Kisjonah hebben goede schepen, en bij gunstige wind zullen jullie in een paar uur klaar zijn met de ontruiming bij Chorazin; een deel van de mannen moet zich echter bezig houden met de ontruiming van de Kisjonah-grot, en als jullie een beetje opschieten, kunnen jullie de schatten uit beide grotten vóór de avond hier hebben en ze morgen naar de plaatsen van bestemming afzenden!

[6] Ik zou de schatten wel allemaal in een oogwenk door Archiël hier kunnen laten brengen, maar er is hier nu te veel volk, en zo'n wonder zou te veelopzien baren; daarom doe ik dat niet. Maar Ik zal jullie toch in het geheim zo helpen, dat je dit werk -waarvoor je normaal gesproken zeker drie dagen nodig zou hebben - in één dag, dus vandaag, helemaal klaar krijgt. Treuzel nu echter niet, maar ga naar links en rechts!

[7] Neem echter overal slechts één Farizeeër mee; de anderen moeten intussen hier opgesloten blijven!

[8] Pilah moet hier blijven; want hij is al te goed voor dat soort zaken, waarmee kinderen van God zich zo weinig mogelijk moeten bezig houden. Ook behoef jij niet persoonlijk naar de twee aangeduide plaatsen mee te gaan, maar een commissaris is voldoende, als je hem de nodige volmacht geeft. Wij zullen ons intussen bezig houden met de verdeling van de panden en het teruggeven van de kinderen aan de betreffende ouders.'

[9] Wie anders dan Faustus is het meest tevreden over deze regeling!? Want hij heeft er op drie manieren voordeel aan: ten eerste blijft hij bij Mij, ten tweede bij zijn jonge echtgenote die hij nu buitengewoon liefheeft, en ten derde heeft hij nu tijd om aan de keizer een instructief schrijven en een geleide­ en bestemmingsbrief op goed perkament op te stellen en al de gelden en schatten reeds de volgende dag naar de plaats van bestemming te versturen.

[10] Als de beide commissarissen vertrekken om de bewuste schatten op te halen, beginnen wij meteen met de verdeling van de panden en de kinderen, die 's nacht al merendeels hun ouders gevonden hebben; maar er waren er toch een aantal, waarvan de ouders ziek thuis lagen van hartzeer en verdriet en daarom niet naar Kis konden komen om daar hun kinderen en andere zaken af te halen.

[11] Die ouders gaven dan hun buren opdracht om hun kinderen en hun eigendommen, als die na de bekendmaking nog aanwezig waren, in ontvangst te nemen; en zo werd daar bij de verdeling ook rekening mee gehouden, en iedereen kreeg exact wat hem toekwam. En iedereen kreeg van Kisjonah, uit het derde deel van de schat uit de grot, op grond van de nog komende afrekening zoals Ik die bepaald had, een som van honderd pond. Na dit werk en deze schenking mochten alle deelhebbenden, waar er natuurlijk een paar honderd van waren, weer uit Kis naar huis gaan nadat hen eerst nog door Faustus een goede les en vermaning werd gegeven.

[12] Kisjonah liet alle vrachtschepen klaarmaken, en de hele grote karavaan, die thuis hoorde in Chorazin, Kapérnaum en Nazareth, werd op die manier weer naar huis gebracht, en de verdeling en het naar huis sturen duurde nauwelijks iets meer dan zeven en een half uur.

 

 

241 Een woord voor onze tijd

 

[1] Ik, dezelfde Christus die voor tweeduizend jaar als God en mens op deze aarde leerde en werkte, geef in deze tijd dit gebeurde van lang geleden door een daarvoor uitgekozen knecht opnieuw aan de mensen. Nu zou iemand wel eens kunnen vragen:

[2] Hoe zit dat nu? Deze kinderen zouden, als ze hier niet opgevangen waren, als pand van de Farizeeën in hoogstens tien tot twaalf dagen, voor een deel in Sidon, Tyrus, Césaréa, Antiochië en zelfs in Alexandria door de vaste slavenhandelaars verkocht zijn. Misschien meer dan de helft daarvan waren toch wel kinderen met een goede opvoeding, en er staat nergens aangegeven, dat Ik hen als grote kindervriend bezocht of zelfs maar een woordje met hen sprak. In andere gevallen daarentegen liet Ik de kleinen toch meteen naar Mij toe komen om ze aan Mijn hart te drukken en te zegenen!

[3] Op die vraag geef Ik het volgende antwoord: In de eerste plaats waren deze kinderen natuurlijk al merendeels ouder dan negen jaar, en daarbij waren ook meisjes van veertien tot zestien jaar en ook jongemannen, en je kon dus niet, zonder een zekere aanstoot te geven, het vertrek van zulke jonge, halfnaakte mensen binnenkomen. Ten tweede waren het echt niet zulke heel onschuldige kinderen meer, zoals Ik ze nog hier of daar wel eens aantrof; maar voor het merendeel waren ze lichamelijk en moreel grondig bedorven. De pederastie en het verkrachten had nergens zo'n schandalige vorm aangenomen als in de grensgebieden tussen de Joden en Grieken. En daarom was voor de verdorven kinderen deze door Mij toegelaten les niet helemaal voor niets; want in de eerste plaats moest het hen voorkomen als een behoorlijke straf voor de verdorvenheid en ten tweede werden zij daardoor gewaarschuwd tegen het verdere dienstbaar zijn aan de zinnelijkheid van geile Grieken. Faustus prentte dan ook in zijn vermanende toespraak heel indringend ouders en kinderen in om met alle ernst een godvrezend leven te gaan leiden, als ze niet bij een volgende zonde heel gevoelig door God gestraft wilden worden.

[4] Dat wetende, begrijpt men hopelijk dat Ik, hoewel Ik vervuld ben van de totale goddelijke liefde voor ieder mens, vanwege diezelfde goddelijke heiligheid niet persoonlijk het zondige, zeer verontreinigde vlees, in verband met haar staat, kan en mag benaderen, en in al zulke gevallen treedt dan het 'raak Mij niet aan' op.

 [5] Want er is een groot verschil tussen een rein en een heel onrein kind. Het eerste kan direkt door Mij geleid worden, maar het tweede kan slechts indirect op naar behoefte nodige doornige wegen geleid worden, zoals in dit waar beschreven geval duidelijk zichtbaar is.

[6] Men moet daarom ook niet zo voorbarig zijn om te vragen, waarom niet zelden, kinderen die beslist niets misdreven hebben of althans niet toerekeningsvatbaar zijn, door Mij lichamelijk harder aangepakt worden dan oude zondaars, die hun zonden net zo moeilijk zouden kunnen tellen als het zand van de zee.

[7] Want daarop zeg Ik: Wie een boom op een bepaalde manier wil buigen, moet zolang de boom nog jong en meegaand is deze in de gewenste richting buigen. Als de boom eenmaal oud is geworden, dan moeten er al buitengewone middelen aan te pas komen om hem met de grootst mogelijke moeite een andere richting te geven; een heeloude boom kun je geen andere richting meer geven -behalve de laatste, door hem om te hakken.

[8] En dat is dan ook de reden, dat Ik, zegt de Heer, 'de kinderen en zelfs de kleine kinderen vaak harder bewerk dan een oudere; want de slechte geesten zijn nergens zo ijverig als juist bij de kinderen en zij zijn zeer dienstvaardig om bij het vormen van het zielelichaam zodanig te helpen, dat het lichaam ook voor hen een groot aantal vrijere en aangenamere woningen zal bevatten!'

[9] Wat doet de Heer dan, aan Wie van alles wat gebeurt niets onbekend blijven kan?

[10] Wel, Hij zendt Zijn engel, laat het gemene en sluwe werk van de slechte helpers afbreken en als vreemde stukken door allerlei schijnbaar lichamelijke ziektes uit het lichaam verwijderen.

[11] Let maar eens op de verschillende ziektes van de kleine en grotere kinderen, en Ik zeg u, dat zijn niets dan verwijderingen van het vreemde kwade materiaal waarmee slechte en onzuivere geesten voor zich zelf vrije behuizingen hebben willen vestigen in dat bepaalde lichaam.

[12] Als aan dit kwaad bij de kinderen niet steeds zeer krachtig een eind gemaakt werd, dan zouden er zoveel bezetenen, doofstommen, cretins en alle soorten kreupelen zijn, dat er op de hele aarde niet makkelijk ergens een gezond mens aangetroffen werd.

[13] Natuurlijk vraagt men dan weer: Maar hoe kan de zeer wijze God zoiets van den beginne toestaan, dat er zich slechte en onreine geesten in het jonge zielelichaam kunnen binnensmokkelen?!

[14] En dan antwoord Ik: 'Dat is een vraag van de blinde mens die niet weet, dat de gehele aarde, ja de gehele schepping, voor wat betreft haar van buitenaf gezien stoffelijke lichaam in al haar zogenaamde elementen zo te zeggen een samenraapsel is van geesten, die voor een bepaalde tijd geoordeeld zijn of vastgehouden worden.

 

 

242  Ons dagelijkse voedsel

 

[I] Iedere keer dat de ziel voor haar lichaam stoffelijk voedsel vraagt en dat krijgt, komen er met het voedsel ook altijd een legioen vrij geworden, nog slechte en onreine geesten in haar lichaam, die haar dan moeten helpen bij de verdere uitbouw daarvan.

[2] Deze geesten houden zich aan elkaar vast en vormen weldra een bepaald soort geheel eigen intelligente zielen. Als zij zich tot op deze hoogte ontwikkeld hebben, verlaten zij weldra de eigenlijke ziel als bezitster van het lichaam en beginnen voorzieningen in het lichaam aan te brengen die ze voor hun eigen doeleinden denken nodig te hebben.

[3] De maar al te vaak bij jonge kinderen voorkomende hongerige en vraatzuchtige zielen maken dat deze geesten al spoedig een tamelijk hoge graad bereiken van wat zij welzijn noemen, en dan kan en moet er ook het een of andere verschijnsel bij de kinderen optreden.

[4] Als men het kind niet volledig bezeten wil laten worden moet dit lichaamsvreemde door wat voor geschikte ziekte dan ook verwijderd worden. Om een zwakker kinderzieltje niet te zeer te kwellen, kan men ook de ziel tot aan een bepaald tijdstip behoeftig in het voor de helft vreemde lichaam door laten leven. Waarna men haar dan door lessen van de uiterlijke en innerlijke geestenwereld samen tot zoveel inzicht kan brengen, dat zij ten slotte zelf haar parasieten door vasten en allerlei andere ontzeggingen begint uit te drijven. Ook kan men haar, als de parasieten te hardnekkig zijn, het gehele lichaam ontnemen en dan zo'n ziel in een andere wereld voor het eeuwige leven opvoeden.

[5] Ook de voor de ouders vaak bittere vroege lichamelijke dood van hun kinderen vindt hierin zijn oorzaak; daarom moeten vooral naar aardse maatstaven rijke ouders er goed op letten, dat hun kinderen doelmatig voedsel gebruiken.

[6] Als een moeder de door Mozes als onrein aangegeven spijzen eet, dan moet ze het kind niet zogen, maar het door een ander laten zogen die reine spijzen gebruikt, anders zal ze met het kind veel zorgen krijgen.

[7] Daarom hebben de Joden reeds vanaf Abraham, voornamelijk van Mozes, wettelijk voorgeschreven gekregen wat de reine dieren en de reine vruchten zijn, en allen, die zulke wetten nauwkeurig volgden, hadden nooit zieke kinderen en bereikten zelfs een hoge ouderdom en stierven gewoonlijk aan ouderdomszwakte.

[8] Maar in deze tijd, waar men zelfs naar de vreemdsoortigste lekkernijen op zoek gaat en er helemaal niet meer aan denkt, of iets rem of onrein is en men in menig land domweg alles naar binnen werkt wat maar eetbaar lijkt, is het toch wel een wonder dat de blinde mensen lichamelijk nog niet die dierlijke vorm aangenomen hebben, die hun ziel al helemaal heeft.

[9] Als kinderen al in hun prille jeugd behept zijn met allerlei kwaaltjes, dan ligt de voornaamste oorzaak in de ongeschikte voeding, waardoor een te grote hoeveelheid slechte en onreine geesten in het lichaam gebracht wordt, die vaak ten behoeve van het heil van de ziel, tesamen met een algehele verwijdering van het jonge lichaam, van haar weggenomen moeten worden. Voor deze vroege lichamelijke dood van hun kinderen is de schuld dan alleen maar te zoeken bij de maar al te vaak onvergeeflijke blindheid der ouders, omdat zulke ouders alles eerder opvolgen dan de raad van God in het heilige boek !

[10] Kijk, Ik laat door Mijn engelen elk jaar alle vruchtbomen waar de mensen de vruchten van eten, zeer zorgvuldig onderzoeken, zodat geen appel, geen peer en geen wat voor naam hebbende vrucht dan ook die tijdens de bloei gevormd wordt, rijp wordt, als zich daarin de een of ander voor de ontwikkelingsfase van de vrucht nog te onreine geest binnengesmokkeld heeft; iedere vrucht, die daaraan lijdt, wordt geheel onrijp van boom of struik verwijderd.

[11] Dezelfde voorzorgsmaatregel wordt getroffen bij alle voor de men­selijke consumptie bestemde graansoorten en planten.

[12] Maar de blinde mens beseft dit niet alleen niet, maar vreet nog bovendien als een poliep alles wat hem maar enigszins lekker voorkomt; is het dan een wonder, dat hij ziek, traag, vermoeid, gebrekkig en dus steeds ongelukkiger wordt!?

[13] Zo zijn ook alle soorten van de zogenaamde aardappels vooral voor kinderen en zogende vrouwen evenals voor zwangere vrouwen erg slecht, en de koffie is nog slechter! Maar wat blind is ziet niets en het geniet heel gulzig van beiden vanwege de aangename smaak; maar de kinderen worden daardoor lichamelijk ongelukkig, en tenslotte hermafrodiet. Dat stoort de blinde echter niet; hij eet toch ook veel zwaardere vergiften, -waarom zou hij deze twee lichtere gifsoorten dan niet eten?!

[14] Maar Ik zal voor de mens nog één keer de voor hem geschikte spijzen vaststellen; als hij zich daaraan zal houden, dan zal hij gezond worden, zijn en blijven; richt hij zich echter niet daarnaar, dan moet hij maar als boosaardig wild in de woestijn te gronde gaan.

[15] Maar nu eindig Ik deze noodzakelijke verklaring, en dus weer terug naar de hoofdzaak!'

einde deel 1

UpToDate 2023-2024